dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland: Naar 't Hezinger bronnenland

Die winter is vergangen
Ic sie des meys vertuyt
Ic sie die looverkens hangen,
Die bloemen spruyten int cruyt.
In gheenen groenen dale
Daer ist genoechlijc zijn,
Daer singet die nachtegale
Ende so menich vogelkijn.

NAAR 'T HEZINGER BRONNENLAND.

Achter Ootmarsum, aan de zelfkant van Twente, ligt een hoog heidegebied, de waterscheiding tusschen twee brongebieden. Naar 't Oosten wordt door de Poelbeek en de Springendalsbeek het water gevoerd door het oeroude Springendal naar de Dinkel; naar 't Westen slingert de Hazelbekke zich al kronkelend door een wondermooi dal naar de Regge, op haar snelle tocht eerst een paar watermolentjes in beweging brengend.
Hezinge ligt tusschen Nutter, Vasse en Mander, namen, die zelfs de Westerlingen uit het verre Holland sedert de oorlogsjaren als het summum gelden van natuurschoon, ongerept gebleven in de wisseling der tijden, ver van het verkeer en den invloed van het moderne leven. Hezinge, dat een hoogvlakte vormt langs de Duitsche grens, is lang een vergeten oord geweest, doch ontdekt door de gasten, die jaar op jaar het oude stedeke Ootmarsum als pleisterplaats verkozen.
Dat ik de eerste maal die landstreek bezocht mag wel reeds twintig jaar geleden zijn. Als herinnering had ik altijd bewaard een heuvelachtige heide, waar de bronnen lagen van een helder riviertje, omzoomd met allerlei moois uit de plantenwereld. In '24 en '25 ben ik er meerdere malen heengetogen, om ’t heele, wijde gebied te verkennen. Een van die tochten had plaats op den zonnigen voorjaarsdag 1 Maart 1925 met vriend Dingeldein, die als fotograaf was uitgerust.


Fragment van: Wandelkaart van Ootmarsum en omstreken (1923)

Op dien eersten dag der Lentemaand scheen ook de Lente in 't land gekomen. Om zes uur in den stillen morgen jubelde de Boomleeuwerik het al uit, dat de Lentefee in aantocht was. Op den zachten adem van zoele zuidewind streek zij neer tusschen het bottende hout, wekte het Roodborstje, dat met blij gekwinkeleer de opgaande zon begroette, die zon, oranje als haar eigen borstje. Toen wipte de Geelgors op het telefoondraad en vroeg aan de langslapers: "Wie, wie, wie is 't er nog nig oet?" De deftige Merel, zwartgerokt, zette de registers van het orgel los en speelde een ernstige koraal, zooals dat op den dag des Heeren past. In 't Oosten hingen lichte wolkenmassa's, die door de zon tot rood en paars in velerlei nuancen werden gekleurd; en het was voor haar licht spel de regengordijnen te verdrijven, toen de luchtstrooming uit het Zuid-Oosten een handje meehielp.
Al lang vóór de zon het zenith had bereikt, was de hemel koepel schoongeveegd tot op enkele flarden na, die als hoog opgetaste en zwaar beladen schepen met wit gebolde zeilen dreven langs het wijde, hooge, blauwe luchtmeer. En al mocht het eens gebeuren, dat zoo'n stapelwolk het zonnelicht onderschepte, lang duurde dit niet of de vurige pijlen van Helios, de Zonnegod, raakten weer de aarde en wekten dier en plant tot leven en levensvreugde. Dien middag zijn we door de bosschen van Singraven en Tilgte gefietst naar de hoogte van Hezinge. In 't bosch 't blijde gefluit van den Boomklever of Blauwspecht. Bij de boerenerven in het struikgewas de schetterende Winterkonink; op de punt van een bos erwtenrijzen het moduleerende Heggemuschje. Langs slootkanten naar de zonzijde gekeerd, gingen de gele sterretjes van het Speenkruid wijd open om de bijtjes te ontvangen.
Op den kleibodem vóór Ootmarsum weerspiegelden de fijne bloemhoofdjes van Klein-Hoefblad hun schoonheid in een blank, vlietend beekje. Verder ging het met lichte vaart, tot het klimmen begon, tegen de heuvels op. Dan minderde onze vaart, vooral in het oude stadje, waar nog kantige keien uit den oertijd het plaveisel uitmaken, juist op onzen weg, die naar den molen leidt. Daar langs het postkantoor zijn die keien zoo onregelmatig gelegd of verlegd, dat mijn vehikel in 't ongereede raakte. Edoch, dit was spoedig verholpen en even den molen voorbij was het daar zoo'n ruim uitzicht, dat alle moeheid als bij tooverslag verdween. Vier oogen staarden over een wijd dal, waardoor we gekomen waren, bosch-water-heide-akkerland. Daar achter lag in een wijde boog een heuvelkam, die zich scherp afteekende tegen de heldere blauwe lucht en daarop de klokketoren van Oldenzaal, de drie-boomengroep van de Hakenberg, de hooge beuken bij Duivendal in de Lutte. Meer naar links lagen de roode daken van Nordhorn, met er bovenuit de torenspitsen en de ranke fabrieksschoorsteenen. De horizon was vrij van dat nevelig waas, dat het vèrzien van een berg zoo dikwijls belemmert. Als de wind N.-O. is. moet men naar het land der hooge heuvels. Maar nog hooger moesten we. Voor ons lag het golvende bergland, met diepe dalen doorsneden, met wuivende grijze wilgen langs de akkerranden. Al klimmende bereikten wij de wegsplitsing; rechts langs de Nutterschool gaat het naar Hezinge; links door wijde korenvelden slingert zich de weg naar Vasse en Mander.
Vandaag nemen wij de laatste, want de zon gaat vroeg onder en wij willen het watermolentje kieken, dat aan de Hazelbekke staat bij de boerderij van dien naam. Midden op den hoogen esch, waar een oude windmolen als baken staat met de gekruiste wieken, slaan we rechts een zandweg in, met een goed fietspad er naast. Vanzelf glijden we naar de boerderij. die er met schuren en spiekers verscholen ligt tusschen hout. Een beekje van een paar voet breed wordt daar opgestuwd tot een meer, dat wonderlijk rustig ligt tusschen oud geboomte. Zoo is daar voldoende water om het zware molenrad te wentelen, dat naast het verweerde en bemoste molentje hangt.



Hoeveel eeuwen die watermolen al bestaat, wie zal het zeggen? Primitief is ze, maar doelmatig. Zooals al de werktuigen en gereedschappen, die de oud-Saksische boer vervaardigde. Door een goot wordt het water geleid op het rad. Door de zwaarte van het steeds vallende water draait het groote wiel in zijn gesmeerde lagers en brengt de raderen in beweging, die binnen in de molen de steenen doen wentelen, welke het graan vermorzelen of de oliezaden (huttentut en knolzaad) pletten doen.
Heden was het Zondag en rustte het rad. Door een verlengstuk onder de goot te schuiven, viel het water over het rad, zonder dit te raken, als een breedzilveren straal een paar meter naar beneden en stroomde dan door een diep ravijn rustig
verder.



Juist viel de zon met haar verblijdend licht op de oude muurvlakken van het gebouwtje en trof de blanke waterval, die nu blakerde en blikkerde als opgepoetst zilver. Het spattende water laafde de groene mossen. die zich wisten te hechten aan het vermolmende hout. En dan drenkte het de boomen en struiken, hazelaar en els, berk en eik en anderen, die hier aan deze schuin oprijzende oevers in wilde regelloosheid waren dooreengezaaid.



Wij zijn een eindje met het beekje meegeloopen en waar de oevers wat lager werden, stonden de Pellia's met de glasheldere steeltjes in vollen bloei, duizenden sporen zaaiend uit een bruin, vierklappig doosje, dat geheven werd door die doorzichtige steel. Daar stond ook in knop nog, het Paarbladig Goudveil en bloeiend reeds, de wit-rosé Anemonen. Op het meer onder de knoestige eiketakken zwommen en doken er de bonte eenden naar voedsel. Op de weide er naast sprongen honderden zwarte spinnen. Zouden zij de vervaardigers zijn van die duizenden glinsterende draden, die overal over het gras en in de struiken geweven waren? Zij hingen zelfs door het doode riet. Zij glansden als nieuwe zijde, beschenen door het licht der dalende zon. Waarom spinnen deze diertjes al die losse draden? Om prooi te vangen kan het niet zijn. Om te verhuizen, te trekken zooals de vogels? Vanwaar komen ze? en waarheen drijven ze met hun draad als luchtballon?
Tusschen het nog dorre hout van eiken valt op een hooge Taxusstruik (Gifbes) die er uitziet als een fijne spar. Halfverscholen tusschen de donkergroen-glimmende naalden zitten bruine poederkwastjes, waaruit een witgeel stuifmeel komt: de Taxus is in bloei! Als wij de de Haselbeek stroomafwaarts volgen, zullen wij spoedig een tweede molentje bereiken, evenals dit een schilderij van Ruysdaal. Maar wij willen de andere kant op en zien waar de Hazelbeek haar oorsprong neemt. Als we geen fiets hadden konden wij door het weiland en door struiken almaar hooger klimmen, nu moeten wij terug langs de Nutterschool. Een Torenvalk wiekelt er hoog tegen de blauwe lucht. Hij zal de tierelierende Leeuwerik geen kwaad brengen. Ik zie uit naar de Aschgrauwe Kuikendief, de "Eschoel" die hier geregeld over de roggeakkers zeilt, maar ik ontwaar hem niet. Wel valt het mij op, dat de lucht betrekt in het Z.-O. Zou daar heusch nog regen uit komen? Er zit daar een grauwe wolk die uitrafelt als geplozen touw Dat is een zeker teeken dat het eruit regent of hagelt. En op onze weg schijnt nog altijd een helder licht en lijkt het of er nog in geen dagen regen zal komen. Wij overleggen, wat ons te doen staat. 't Is half 5. Voldoende tijd om de Hezingerhei te bestudeeren blijft er vandaag niet, daar we voor donker thuis moeten zijn. Daarom maar gepeddeld recht aan naar het beschermende thuis. Wij glijden naar het Zuiden. Voor ons ligt het Bentheimer slot ver aan den horizon. Wij remmen pas als wij bij een breed erosiedal komen, waarvan de teekenaar een afbeelding heeft gemaakt naar een foto.



Het is een dal, dat illustreert op allerduidelijkste wijze hoe hier een smal beekje in den loop van duizenden jaren een breed en diep dal ‘de Canjon van Nutter’ heeft uitgeslepen. Een voorbeeld van het spreekwoord: "de aanhouder wint" of “vele kleintjes maken een groote". Korreltje bij korreltje zand wordt hier geregeld weggevoerd en na eeuwen zijn honderden M3 zand naar beneden vertransporteerd. Ik ga hier even kijken in de Sleedoornheg, of er geen Grauwe Klauwier het nest heeft verborgen. Neen. Ik vind het nest van een Ekster, geen twee meter hoog en geen vijf meter van het midden der straat. Als de fotograaf klaar is, gaat het door Oud-Ootmarsurn naar Tilgte, waar bij de Enkterbeek een rij blanke berken zich spiegelen in roerloos liggend water. Berken boven, berken onder. Een bloeiende Ratelpopulier staat er tusschen met dikke harige katjes, bruin met roode helmknoppen. Een zanglijster roept in de top van een hooge eik. Daarachter komt de zwarte wolk al hooger en hooger. Zouden wij nog droog thuis komen? De Lijster roept spottend: “’t Gaat niet! 't Gaat niet!" Er komt een geruisch in de populieren en in de berken. De wind zet er fut achter en nog geen vijf minuten later zitten we midden in de wolk, die milde regen neerdauwt op onze hoofden. En toen wij er over dachten, om even te gaan schuilen, dreef juist het laatste slipje van de wolk over ons naar het N.- Westen.

Naar het Hezinger bronnenland gingen we een andere keer, toen het herfst was in 't land der roggevelden, de "Korenschuur" van Twenthe genoemd. Het was op 'n 8sten September, wat voor mij een vrije dag beteekent, dus een feestdag. Waar kan men die beter doorbrengen, dan in Gods heerlijke natuur, als men die andere plichten heeft vervuld, welke “staat en stand" ons oplegt.
Het was in den vroegen morgen, toen paarlemoeren glansen schitterden aan den Oostelijken hemel. Daags te voren was het een mooie herfstdag geweest en het liet zich aanzien, dat we nu de tweede zouden krijgen, een dag met zon, waarnaar we al weken gehunkerd hadden. Lustig peddelden we met ons drieën over de nog stille straat door het Nieuwe Werk, waar ons nog een Tjiftjafje verwelkomde en waar het op den vochtigen bodem volgeplant stond met roode, witte, bruine en paarse paddestoelen. Reeds vergeelden de Eschdoorns en viel het berkenblad bij duizenden al vlinderende ter aarde. Terwijl de kanaalbrug rammelde, even een blik geworpen naar de wijde wazige verte, waar ijle wolkjes langs de zonneschijf schoven. Toen knersten onze wielen weer over het grint der straat. Wij namen bocht na bocht en kwamen ongemerkt bij de Dinkel, waar de oeverweiden ver overstroomd waren als in wintertijd. Wij groeten even Aarninkbosch en het kerkje van Tilgte, passeerden den overlaat bij Bokum, wezen aan den walkant van den esch, waar de haver te rotten stond, naar de zeldzame Beukvaren en voelden daarna spoedig aan onze beenspieren, dat wij opwaarts gingen. Excelsior! al maar hooger. Ootmarsum door, de molen voorbij, nog hooger, tot we weer bij de Nutter school waren, waar het klimmen eindigde. Dan gaat het vrijwel horizontaal voort in Noordelijke richting over heiwegen met een smal uitgeschuurd fietspaadje naar de Braakhuizen.
Hier rollen wij over een oude hoogvlakte, kenbaar aan het vele grint, dat er in den bodem zit. Het is grint van Vecht en Ems, doorspekt met bonte granieten en gneisen, pikzwarte hoornblenden en roode kwartsieten uit noordelijke landen: Finland. Zweden. Hier ligt het bergpuin nog, eens van verre landen door het ijs meegebracht. Het ligt hier maagdelijk, niet door den mensch omgewoeld. De bodem is schraal, begroeid met Heide en Jeneverbes, met Berk en Buntgras. De herder hoedt er al eeuwen zijn witgewolde kudde en om de zoo veel jaren steekt er de boer zijn plaggen voor de koestallen. Het smalle en uitgesleten paadje staat hier en daar onder water. Er zal een leemlaag onder zitten. 't Kan keileem zijn, maar ik vermoed, dat de oude zeekleilaag hier heel hoog zit en dat die het wegzakken van het regenwater belet. Daar is alle reden voor dit te veronderstellen, want een tien minuten verder liggen de bronnen van de Hazelbeek, aan den rand der heide. Aan een geelbruinen, afgebrokkelden zandwal leggen we onze fietsen neer. Wij staan aan het begin van een slingerend dal, dat vrij steil afloopt naar het Zuid-Westen.


Afbeelding: Bij de bronnen van de Hazelbekke in Hezinge

Het is een grasstrook, wel vijftien meter breed, waarlangs elzen, eiken en berken in wilde wanorde gegroepeerd staan. Wij dalen af in het dal, waar het vochtig is en de bodem trilt als een spiraalveeren matras. Een watertje van een handbreed slingert er zich doorheen. Onze vriend H. trotseert moedig het gevaar van natte voeten en een modderbad, want hij wil ons wijzen, waar het water overal uit den drassigen grond komt. Onder de hand noteer ik enkele planten: Kale Jonker, Parnassia, Montia, Waternavel, Moerasviooltje in vrucht; veel smalbladige Watereppe, Watermunt en Moeraszoutgras. De drie laatsten veel bij een miniatuur watervalletje, dat wat verder naar beneden gevormd werd. In 't Zuiden wordt de lucht donker-dreigend. Wij klimmen naar boven, waar allerlei paddestoelen op de heide en aan boomstronken zitten: o.a. Zwavelkopjes, Stokzwammetjes, Russula' s en Berkenboleten.
De eerste druppels vallen. Wij gespen onze regenjassen van de fietsen en hokken bij elkaar onder ietwat beschuttend geboomte. Daar komt een boer aangeslenterd en maakt een praatje. "As 't hard geet règnen, komt mer in hoes!" Wij zien geen huis en daarom vraag ik: "An welke kaant van de wereld won ie dan?" En hij wijst met een uitgestrekte arm naar een boschje: "Daor!"
"Good, wie zölt er um denken, as 't ons hier te benauwd wordt!" Hij weg. Wij blijven nog een poosje. Maar 't is een onweersbui, die nader komt. Het licht en grommelt al en je weet niet, wat er nog meer volgen zal. Wij vinden het daarom veiliger op te breken en betere beschutting te zoeken, dan wat eikestruikjes geven kunnen. Een flink boerenhuis met schuur liggen wat naar beneden onder boomen. Op de deel is het erg donker. In de keuken dito. Een groote noteboom staat voor de ramen. Verder nog appel- en pereboomen. De lucht wordt steeds dreigender. Er komt een flinke gietbui, die nog al aanhoudt. Ondertusschen hebben wij gelegenheid met den vriendelijken boer te praten over den oogst, over het erve, over jacht en strooperij, over het verwisselen van eigenaar op de boerderijen enz. Dan zie ik, dat het tijd wordt om te vertrekken. De gastvrije landman geeft ons wat peren mee. Wij gaan nog even naar het brongebied om te onderzoeken, of wij ook oudere aardlagen kunnen ontdekken. Mijn plantenschopje moet daarbij delversdiensten bewijzen. De steile kant bevat veel steenen en leemig zand. Op een paar plekjes liggen fosforieten. Ook die zijn dus hier gegraven, een bewijs, dat wij hier staan op de tertiaire formaties. Waar het moeras begint, graaf ik een kuiltje en nog geen decimeter diep haal ik reeds blauwe zeeklei naar boven. Daarom vindt men hier de bronnen. Het regenwater, dat op de hoogvlakte valt - waar we over heen gefietst zijn - sijpelt door het zand (ca. zes meter dik?) tot op de kleilaag, waar het niet door heen kan. Het volgt de helling van die laag tot het in een plooiïng van de ondergrond te voorschijn kan treden. Als souvenirs namen wij wat toetssteenen mee, dioriet en een mooie gele vuursteen met afdrukken van een zee-egelschaal.
Toen over de heide langs Wigger en Weenink, een lange rechte weg, hellend naar het Oosten naar de bronnen van de beek, die over het Springendal naar de Dinkel gaat. Op de heide ligt de waterscheiding. Een mooi landschap, een wijde paarse heide met hier en daar boomgroepen. Ver voor ons het lage dal van de Dinkel en daarachter Nordhorn in wazige verte. Op en om de hoogvlakte kunnen wij ons de oude nederzettingen van de Kelten denken. Urnen zijn hier meerdere gevonden.
Bij de bronnen van de Springendalsbeek houden wij even halt. Ook hier weer een uitgeslepen dal, door een smal stroompje gevormd in 'n twintig duizend jaar! Bij de Meerbekke is een kunstmatig meertje gevormd door een stuw te bouwen in het beekje: een “Barrage de la Gileppe" in miniatuur.
Het gebied van de Bronnen noemt men zeer typisch ouderwetsch: Het Onland, dat beteekent: geen land; het is n.l. moeras, geen water en geen land! De bronnen voeden een beekje met sterk verval. Het heldere water huppelt en springt over keitjes en zand lustig naar het dal en heeft eeuwenlang op Springendal het molenrad in beweging gebracht. De laatste jaren moest het de "vuile wasch" van half Twente reinigen. Nu heeft men zijn dienst als beweegkracht niet meer noodig. Het is op wachtgeld gesteld. Stoomkracht heeft men in zijn plaats genomen. Door een bemoste leiding druppelt en lekt het heldere water als tientallen douches omlaag; valt ten deele
op het vermolmde rad, dat bewegingloos vastligt en dan .... dan wordt het blanke water verontreinigd door de machinale wasscherij. Greep hier dus de mensch vervormend en verknoeiend in, hoogerop ligt het natuurschoon vrijwel ongerept en is het landschap met zijn vele vergezichten in alle jaargetijden en op alle uren van den lichten of donkeren dag, bij avond en morgen, van een onvergankelijke schoonheid.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen