dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): Naar Vasse

Vangt uw oor dat zoet gemommel
Bij de zilvren boekweitzee ?
Ieder bijtjen, ieder hommel
Draagt zijn vracht van honing mee.
Zaagt ge daar het zonlicht dooven
Op die hooge vensterruit?
Blauwend rolt de rook daarboven
Zijn gekrulden wimpel uit.

Mild bebloernde veldtapeten
Weven zich langs d' effen grond;
Beekjes, die hun spoor vergeten,
Kruisen weide en akkers rond.
Zacht gebogen heuvel wrongen
Leiden naar den hoogsten top;
Door de struiken heengedrongen
Staan wij op d' omkransten kop;
Door een tooverroede ontsprongen,
Rijst daar 't prachtig landschap op.
(Bernard ter Haar. Uit: Avondwandeling in de omstreken van Ootmarsum)

NAAR VASSE.
Deze tocht gaat per fiets over Lattrop – Tilgte - Ootmarsum en Nutter. Langs de Brinkstraat verlaten wij het dorp. Als gij het laatste huis achter u hebt, liggen al dadelijk twee lage plekken grond aan beide kanten van den nieuwen straatweg. Dat er om Denekamp veen onder zand verborgen lag, is reeds meegedeeld. Hier hebt ge nu zoo'n stuk uitgegraven veengrond naast het hooge akkerland. De kolk is nu al weer met allerlei rommel gedempt en levert reeds malsche klaver aan den noesten eigenaar. Een breede strook aan de zuidkant is echter nog open en daar nestelt in het riet de Boschrietzanger en 't Blauwborstje. Langs de oude molen nemen we het fietspad, dat zich buigt om het Rot en over het kanaalvonder langs den Wester-Esch door de Kerksteeg loopt, en zoo in de buurtschap Nd.-Deurningen weer op den grintweg uitkomt. Het is een eigenaardig landschap, dat den vreemdeling direct moet opvallen, al kan hij het zich niet verklaren. Hooge esschen met rogge of aardappelen, hier en daar een stuk boekweit, wisselen af met lage weilanden. Bijna overal wordt de scheiding dezer gronden behalve door een min of meer vervallen sloot, gekenmerkt door heggen van knoteiken hier, door hazelaren, wilgen, elzen en eiken hakhout daar. Aan de zoomen bramen en frambozen, brandnetels en andoorns, een heerlijk oord voor grasmusschen, winterkoninkjes, sprinkhaanrietzangers, gaaien, gorzen en ... wezeltjes. Wij fietsen verder en steeds treft ons de herhaling van het reeds geziene: hooge bouwgrond, lage weiden; het verschil in hoogte bedraagt gemiddeld 2 Meter. Onwillekeurig vraagt men naar de oorzaken van deze typische verdeeling van esschen en maten (= weiden).


Fragment van: Wandel- en fietskaart van Denekamp en omstreken (1930)

Daarom is noodig, dat men zich in gedachten een 40.000 jaar terug verplaatst, toen het ijs uit deze streken verdwenen was, maar de Dinkel nog ontzaglijke hoeveelheden water te vervoeren had. Ze had toen een delta opgebouwd van fijn zand met wat vruchtbare klei gemengd, waardoor talrijke waterarmen netvormig vertakkend het water noordwaarts naar de Vecht afvoerden. Langzamerhand werd het klimaat milder en de regenval geringer. De ‘wilde wateren’ werden tammer en sleten zich dieper in de eerst nog ondiepe geulen uit. Wellicht mede door daling der Noordzee werd de vroegere delta watervrij; slechts de diepste rivierdalen hadden nog water te vervoeren; de andere kwamen droog te liggen, begroeiden met gras, carexsoorten en andere planten en deden alleen nog dienst bij hoogen rivierstand in winter of voorjaar. Is deze theorie juist, dan moeten de mazen een lang gerekte richting Zuid-Noord vertoonen (evenals de hoofdrichting van het stroomende water) en moeten de Noord gerichte touwen van het net (= de dalen) de overhand hebben op de N.- O., N.-W. of W.- O. verloopende uitschuringen. Met een kompas in de hand kunnen we dit gemakkelijk controleeren. Omdat het bouwland op de stafkaart anders getint is dan het weiland, is deze zeer geschikt om een overzicht van het geheel te verkrijgen. Vanaf Denekamp over Nd.-Deurningen naar Lattrop loopt een rug vijf à tien minuten breed, door talrijke dalen in eilanden verdeeld. Die dalen zijn "an Ort und Stelle" bekeken, direct als rivierdalen te herkennen. Hoewel de meeste langzamerhand dicht gespoeld zijn, vindt men hier en daar diepere gedeelten, welke door minder goede afwatering slechte grassen voortbrengen en niet in cultuur gebracht zijn (z.g. broekgronden).
In nog oorspronkelijker stadium verkeeren de kolken en gaten, die tot den tegenwoordigen tijd open zijn gebleven. Die broekgronden en kolken vinden we naar het noorden steeds talrijker worden en dan het veelvuldigst in de nabijheid der Dinkel, Gele- en Rammelbeek. De meeste dalen bevatten leem, die vroeger algemeen gebruikt werd voor het vervaardigen van dorschvloeren en van wanden in de naar Saksisch model gebouwde landwoningen. Langs de oostgrens zien we ook in deze buurtschap weder een schrale heide met kolkgaten, gevormd na de ijstijd door Dinkel- Vecht.



Om zich van dit verschijnsel, n.l. de vorming van esschen en maten in het Dinkelgebied, een goede voorstelling te maken bekijke men na een heftige regenbui de kant van een zandweg. Men zoeke een plekje waar een flinke gulp water over de weg is gestroomd naar de sloot toe. Op de plek waar het stroomende water in de sloot een delta van blank zand heeft opgeworpen, blijven wij kalm even kijken. Zoo deed ik ook eens en het gebeuren in het heden heeft mij de sleutel gegeven om het verleden te ontraadselen. Wat hier in 't kleine is gebeurd door een handbreed stroompje, geschiedde eens in 't groot door de Dinkel. Wij zien in de eerst opgeworpen zandhoop diepe geultjes, dalen of canons in geschuurd door hetzelfde stroompje, dat eerst bij hoogen waterstand over de heele delta vloeide en nu, bij minder water, zich een of meer geultjes in het zand uitsleep. Op dezelfde manier moeten de dalen in het laagterras van het Dinkelland ontstaan zijn. Men kan jongere en oudere terrassen onderscheiden. Eveneens is immers het hoogterras van Nederland vóór den IJstijd opgebouwd! (Zie Geologie van Nederland, door v. d. Lijn en Bernink).
Het is in de laagste gedeelten - de plassen of kommen - der postglaciale heidestrook, die zich langs de grens Zuid-Noord uitstrekt, dat zich een veenflora heeft ontwikkeld. Een- en Veelbloemig Wollegras, Veenbies, Veenmos, Rotsbes en de zeldzame Lobelia Dortmanna, met het bleekblauwe bloempje.



Wij hebben het gezien, dat er duizenden om en in den plas te bloeien stonden, terwijl sterntjes en tureluurs langs ons heen snorden, de blauwe hemelkoepel in het water weerkaatst werd en een vlucht van blauwe en gele, bruine en bronzene waterjuffers en grootere libellen als zwaluwen grillig woest heen en weer scheerden.
Flora en fauna hebben we reeds in andere hoofdstukken beschreven. Toch moet ik er u op attent maken, dat ge langs deze Dinkeloevers, waar we nu aangeland zijn, velerlei moois kunt aantreffen, o.a. de Langbladige Eereprijs en dat ge zonder veel moeite op natte heide, behalve Draadgentiaan en de dwerg: Centunculus, beide anders nogal zeldzaam, Zonnedauw en Vetblad naast elkaar zult zien groeien. En als derde vleescheter, in de slooten er naast, het teere Blaasjeskruid, Utricularia vulgaris. Het heugt mij nog, hoe mij de geheimen van dit plantje ontsluierd werden door: ‘In Sloot en Plas’. En ik vond het wat interressant, die blaasjes in het water, eigenlijk zakjes of fuikjes, waar de kleine beestjes wel in, doch niet uit konden, evenals in die ouderwetsche muizenvallen. Ik wilde dat bloempje ook vinden en ik zocht en zocht. En ik vond het in den Knik, in het Goor, op Singraven, aan de Oldenzaalsche straat; terwijl mijn vriend H. het mij in Lattrop wees. De gele leeuwenbekachtige bloempjes waren daar flink ontwikkeld.
De vogelstand is hier even rijk als de plantengroei. In de lage broekgronden van Lattrop en Brekkelenkamp broeden snippen en eenden ook de Meerkoet en de kleine Fuut; rond de heiplassen: zwarte sterns, vischdiefjes, kieviten, wulpen, grutto's, tureluurs, kemphaantjes, roerdomp en korhoenders. Vele eenden en ganzen laten zich er op den trek neer. Bij Lattrop (Nottershagen) heeft men zelfs nog een eendenkooi, terwijl links van den straatweg Tilligte - Ootmarsum een onafzienbaar broekland ligt met een niet meer in functie zijnde eenden-vangplaats. Het is een drassig gebied, dat een Hollandsche natuurvriend hier niet zou verwachten.
Terwijl ik u dit onder de hand door verteld heb, zijn we een driesprong van den weg genaderd. Recht door gaat het naar Lattrop. Wij slaan links om, langs een waterige weide, waar zwarte sterntjes zeilen en kruisen spoedig de Dinkel, die hier eenige jaren geleden ‘opgeknapt’ is, maar waardoor hij voor den natuurliefhebber veel van zijn schoonheid heeft verloren. Rechts ligt het erve Hofstee waar bij het graven van een gierkelder in 1916 onder een laag blauwe klei schedels zijn gevonden van een wolf, twee wilde varkens en een herkauwer, die door Natura Docet zijn aangekocht. Hier gaan wij over de Dinkel.
Na een tien minuten hebben we den grintweg naar Ootmarsum voor ons. Wij passeeren een eigenaardig vonder langs den weg. Dat is voor de voetgangers, als bij wintertij het land hier heinde en ver onder water staat en ook de straatweg overstroomd wordt. Een overlaat dus, die gelukkig niet elk jaar hoeft te ‘werken’. De torens van Ootmarsum zien we oprijzen uit het groen der iepen. Aan den hoogen wal met eiken stobben, die den esch ter linkerzijde van den grintweg begrenst, schemeren de teergroene vedertjes van den Gebogen Beukvaren te midden van een ruigte van Sterremuur, Rankende Helmbloem en Salomonszegel. Wij klimmen steeds. Aan de rechterhand hellende weiden met sappig gras en kleurige bloemen, waarboven hoog uitstekende aren van vossestaart, een teeken dat we hier op de klei zijn. Keileem met tertiaire zeeklei vermengd. Goudveil groeit er langs de slooten. Smalbladige watereppe er midden in. Maagdepalm in de boschhoekjes. Geelsterretjes (Gagea lutea en spathacea) stralen in de weide links voor de stad, waar een dartel beekje naar beneden huppelt.
Vóór de stad ligt de eenigste weverij. Daar gekomen slaan we rechts af, en volgen twee minuten den straatweg, die naar Neuenhaus voert. Zoo zijn we bij de school van Oud-Ootmarsurn en bij de ruïne van een fabriek, een voormalige bleekerij. De nieuwe weg, in 1915 aangelegd, gaat links steil de hoogte op. Zij voert ons door Nutter naar Vasse. Nu zijn we weldra ‘buiten’,

Laat mij, laat mij henenvluchten
landwaarts, en de steê, de steê
niets van al haar eeuwig zuchten,
niets van haar, mij volgen meè!

Storm is 't altijd in de stede en
ongerustheid; altijd iet,
dat daar, vol onvriend’lijkheden,
grimt op mij en leelijk ziet.
(GEZELLE)

en daarom trappen we maar stevig voort tegen de hoogte op, een slingerende weg tusschen het bouwland door, graan, graan en nog eens graan. "Excelsior", steeds hooger werken wij ons op, tot een diep ravijn, met weeldrig gras begroeid, zich voordoet als bedding van een voormalige rivier. Het schijnt, of het water pas een tiental jaren geleden dit dal heeft uitgeschuurd en verlaten, en toch is het reeds meer dan 30000 jaren her, dat gletsjerbeken dit dal begonnen aan te leggen.
Daar achter ligt het bouwland, groen in de lente, goudgeel in den zomer en afgewisseld met hier en daar een vlak wit-rose boekweit. Onafzienbaar ver welven zich de korenvelden en met het volste recht is deze streek de graanschuur van Twente genoemd. De ornitholoog zal spoedig de Aschgrauwe Kuikendief ontdekt hebben, die hier geregeld over de arenzee wiegelt. Ten onrechte wordt hij door 't landvolk ‘Eschoel’ genoemd!
Wij zijn in de buurtschap Nutter, gemeente Denekamp. Boerenhofsteden liggen in het groen der eiken aan den rand der velden; slechts de school staat er midden in, vlak aan onzen weg. Doch zoo ver zijn we nog niet. Wij wenden onze oogen naar beneden, naar de streek vanwaar we gekomen zijn. Ver ligt het lage land, grijs en bruin met blinkende vlakken zilver: de meren en plassen van Volther- en Agelerbroek. Het spitse dorpstorentje van Denekamp, de plompe dito van Oldenzaal; de steelvormige schoorsteenen van Nordhorn zijn als zoovele bakens in dit wijde land, onder de effen blauwe luchtzee. Boomkronen lijken ronde bloem- en savoye koolen, de bosschen zijn ronde, groene heuvels. Elke verhooging steekt met doezelige lijn tegen den horizon af. IJle schemer vernevelt den einder. Vlak voor uw voeten liggen de roode daken, de torens en de molen van 't stedeke Ootmarsum, en 't zij ver of nabij uw blikken zweven, gij blijft opgetogen over dit wisselend landschap. De deelnemers aan den Bondsrondrit roemen dan ook unaniem het land tusschen Ootmarsurn en Vasse als een der mooiste gedeelten van Nederland.

Met ons rijdier aan den teugel wandelen wij verder tusschen het schattenrijke land en merken terzijde van den weg, zelfs tegen de akkerkanten aan, grint, grof en fijn grint. Bontgevlekte granieten en diorieten liggen tusschen zwarte toetssteen en witte kwarts. Het is gletsjerpuin, vermengd met zuidelijke gesteenten. Tot deze hoogte zijn ze door de grondmoreene tegen de heuvels opgesleept. Een kenner merkt al dadelijk de grijsgevlekte, typisch afgeronde duim dikke steenen. die er uitzien als zandsteenen. Sla er een paar door: de groene puntjes glaukoniet stempelen ze direct tot fosforieten. Hier zijn dus ook haaietanden te vinden. Tot de Nutterschool treft men ze op meerdere punten langs onzen weg aan.

Nu we het hoogste punt bereikt hebben, stappen we weer op en laten ons glijden over den bochtigen weg, hoog over de heuvels en slaan bij den molen rechts af naar een boerderij: ‘de Hazelbekke’. Zoo straks overzagen we het land als een vliegenier van uit zijn tweedekker. Nu vermeien wij ons onder het koepeldak van eeuwenoude eiken bij een diep ravijn, waar een oud bemost scheprad een molen in beweging brengt. Het geheel doet aan een schilderwerk van Ruysdael denken. Aan de overzijde van den weg staat het water hoog in houtomzoomde vijver, die het loof der berken en eiken weerspiegelt; en mijn schilderende vriend uit Enschede, die ik er bracht in Mei, kon niet uitgekeken komen bij een bloeiende appelboom, die schuin over den vijver gebogen als een Adonis zijn blank-rose schoonheid te bewonderen stond. Vlak er achter ligt een soppige weide, waar het rood opvlamde van honderden orchideeën. Nog nimmer zag ik er zooveel bijeen! En daar tusschen door wat lager en bescheidener de dichte trossen van waterklaver, met die fijne witgebaarde kroonslippen en de rose bloemknoppen. Geen mensch kwam hier die teere schoonheid waardeeren. Het is een wereld-vergeten hoekje en daarom juist van een zeldzame oerschoonheid.
Zoo is eigenlijk geheel Vasse, Hezinge en Nutter. Het land en de landman, de lucht met de vogels, de aarde met haar kruiden en bloemen, ze zijn duizenden jaren lang dezelfde gebleven.


Fragment van: Wandelkaart van Ootmarsum en omstreken (1923)

De Saksische boerderijen zijn duizend jaren lang in den zelfden stijl gebouwd. De bewoners, met hun gewoonten en gebruiken, in hun doen en denken, met hun deugden en gebreken, zijn sedert de invoering van het christendom zoo goed als niets veranderd; zij houden hun spinvisites, hun bruiloften, hun Paaschvuren en hun klootschieterswedstrijden als voor honderden jaren.
Arbeidzaamheid, godsdienstzin, hulpvaardigheid en gastvrijheid zijn deugden, die bij de Twentenaren nog algemeen beoefend worden en ook hier in dit verre achterland aan de zelfkant van ons land worden ze hoog in eere gehouden. Vraag er om een glas water en men zal u een kop koffie aanbieden. Zie op de akkers, hoe zwaar er gewerkt wordt. Ook door vrouwen en kinderen. Ook op de Twentsche vrouw is toepasselijk wat Guido Gezelle van de Vlaamsche zingt:

“Dat handhaaft de vorke,
dat handhaaft de koe;
dat werkt als de beste
van 't boerengedoe;
dat bidt in de Kerke,
dat wiedt op het land;
dat mint en dat moedert ... “

De strijd om 't bestaan was er moeilijk. Hun producten werden voor een appel en een ei verkocht. Thans wordt dit van jaar tot jaar beter. Al meer en meer worden de machines voor 't landbouwbedrijf ingevoerd. En vooral in de crisisjaren is de landbouwer zich zijner gewichtigheid bewust geworden. Een man, zegt Ligthart, verraadt zijn ijdelheid en zijn gemoed in zijn horlogeband. Dat deze pedagoog goed gezien heeft, is ook in Twente bij het landvolk op te merken. De ijdelheid der vrouwen, ja meer dan dat: de betrekkelijke rijkdom, het aantal paarden en koeien, dat de boer er op nahoudt, is af te leiden uit het aantal ringen, uit de zwaarte der gouden bellen en halskettingen, die bij feestelijke gelegenheden gedragen worden.
Al vertellende zijn we langs bekoorlijke binnenwegjes, door bosschen en langs korenvelden in 't hart van Vasse gekomen, bij de Braamberg en de Tutenberg, van waaruit wij een prachtig vergezicht hebben naar het Westen over Hengelo en Almelo naar Hellendoornsche berg, en naar 't Noorden en Oosten over een hoogveengebied naar Duitschland. Hier lokt alles uit om er onze tenten op te slaan. Genietend rusten. Wie zou dat niet in zoo’n oord, na zoo' n langen tocht?
Luister, hoe B. ter Haar verder, zij het in “vóór-tachtiger" dichttrant het landschap bezingt:

O, wat is 't gezicht betooverend op dit plekje bovenal,
Glad van 't fijne dennenstrooisel, als men neerziet in het dal!
Zie, hoe stout van hier de heuvel glooit en afbelt naar beneên!
De avondwind blaast distelvlokken langs zijn ruige kloven heen,
Zie, hoe rustig gindsche molen d’eens gevormden kring beschrijft,
En met strak gespannen vleuglen zwierende op den luchtstroom drijft.
Zie, hoe statig zich de toren opheft uit de roode kom,
En op 't stadje vriendelijk neerziet, dat zich aansluit van rondom,
Als een herder, die zijn kudden aan zijn voeten ziet geschaard,
Als een Priester, wiens gemeente biddend nederknielt op d' aard.

Nu, zoo ver ons oog kan dragen
Nog de blikken rondgeslagen;
't Landschap staat in d' avondblos!
Hoort gij 't onbestemd geschater,
't Loeiend vee, het murmelend water
En dat wild muziek in 't bosch ?

Hier op 't gras nog pareldroppen!
Dáár ontgloeide heuveltoppen,
Waar de zon voor 't laatst op schoot!
In het blauw verschiet een toren,
Die het uur der rust doet hooren,
Met de spits in 't avondrood!

Hooger, waar die wolken dalen,
Dooven zich de purpren stralen
Van een dubblen regenboog;
En in 't zeegroen van de klimmen,
Waar de maan reeds op gaat klimmen,
Heft zich Bentheirn's rots omhoog.

Teneinde nog wat versche indrukken voor dit hoofdstuk op te doen, fietsten wij (vriend D. en de schrijver) 16 Maart '18 naar dit verukkelijk heuvelland. Wij moeten erkennen, dat de dichter geen visioenen heeft neergeschreven.

“Die kleine beek, half onder 't gras verschoten,
Lekt ginds aan de overgroeide spil.
Van een bemosten watermolen,
Maar laat het rustend scheprad stil."

Ja, zoo is het en ieder natuurliefhebber zal met ter Haar uitroepen:

Welkom, speelziek murmlend water,
Dat u uitstort in het dal,
Onder 't onverpoosd geklater
Van dien kleinen waterval!
Welkom, groene vijverzoomen!
Witgevlekte beukeboomen,
Aan wier voet het beekje plast;
Die ons komt ter rustplek nooden,
Daar een frissche bank van zoden
Schier om iedren wortel wast.

Dien mid-Maartschen dag was een echte Zomerdag. Vlekkeloos blauwe lucht. Zoo goed als geen wind, die bovendien Z.-O. was. Een stralend warme zon, die de witte Hongerbloempjes, de goudgele Speenkruidjes, Goudveil en Klein Hoefblad wagenwijd openspreidde. De waterwilg met de welriekende gele katjes werden omzwermd door stuifmeel schuierende bijen, die een welluidend gezoem lieten hooren. De Lorken droegen hoog de karmozijn roode kaarsjes. Aan de zonzijde van een walkant pronkten de eerste Anemoonen, terwijl aan de beekjes bij Ootmarsum Groot Hoefblad zijn purperen bloeistengels door de graszode boorde. In den Nutter-Esch aan den kant van een roggeakker, die frisch groen te blinken lag onder de zomersche zon, kropen wij over de fosforieten laag, woelden ze om en om met hamer en schop en hadden het geluk meerdere schelpresten in en om de fosforietbrokken te vinden. En daarbij een zestal haaietanden, groote en kleine, met nog een heel gave in een onverweerde fosforiet. Wel een uur lang hebben wij er met animo gezocht en vonden natuurlijk nog ander moois, o.a. een schriftgraniet, groene porfier en een typische syeniet. Terwijl wij even aandachtig stonden te luisteren naar het klokjesgetingel van de Hei- of Boomleeuwerik, kwamen reeds vier touristen voorbij. Twee er van kende ik, ze kwamen uit Almelo en ik kon me begrijpen, hoe ze dezen dag hadden aangegrepen, om na den langen winter de stad uit te rennen.

“Mijn hart voelt groot verlangen naar Lentemooi,
Naar vogels-voorjaarszangen en bloesemtooi!
O, mijn wild hart, hoe heb je 't uitgehouden
In grauw benauwde huizenstad?"
(BETSY JUTA)

Tracht vanaf den Tutenberg, waarop de Cypres Wolfsklauw groeit, het droommeertje van Mander te ontdekken, waarin de Mosbeek haar water stort. Ik heb daar eens een halven dag in zalig nietsdoen verdaan met luisteren naar de Ortolaan bij de ravijn; met bewonderen van varens en andere oeverplanten, die haar nuancenrijk groen en rood weerkaatsten in het stille meer. En daarbij: die twee oude watermolens met het hooge land er achter. Ik waag mij niet aan een beschrijving. Zoek zelf het plekje, zooals ik dat ook eens deed en meld mij dan, of gij de romantiek gevoeld hebt.

Den weg naar huis namen wij dit maal van af Vasse: de nieuwe straat, die ons weer langs mooie partijen bracht o.a. een zelfde oude watermolen; doch sloegen bij het kruis van de oude eenzame windmolen tegenover de Hazelbekke rechts af. Met een vaartje ging het naar beneden, tot wij stootten tegen een dennenbosch op keileem, waar de kapwoede had huis gehouden. Wij waren hier op den W.-rand van den Nutter-esch. Groote en kleine steenen, bij de cultiveering van woeste gronden uit den bodem gehaald, lagen in twee hoopen langs den smallen zandweg. Een openlucht-geoloog komt daar natuurlijk niet voorbij, zonder ze terdege onderzocht en met den hamer bewerkt te hebben. Op ons geklop kwam een jonge boer uit het bosch en naderde schoorvoetend met een groot vraagteeken op zijn gezicht. Ik begon maar:
"Wie wollen oe dizze steenen efkes kapot kloppen, dan kö-je ze vuur de weg gebroeken." Hij begon te meesmuilen; ik klopte maar door. Toen hij: ”Wat zeuk ie noe eig'lik hier?"
"Mooie steenkes," antwoordde ik. En hij: "Wat zit door dan in?" ,,0 niks, zóo meer veur de aardigheid, um der 'n betken van te leeren."
Daarmee scheen hij tevreden. Ik vroeg hem: "Hei-je hier wal es haaietaande evunden?" Door hék wal es van heurd. Zit dè nig in 'n klei?"
“Jao wisse, mer ok in den esch bie de school. Kiek es hier, dit is-ter een!" en ik haalde de grootste uit mijn portemonnaie. Hij bekijkt het ding en zegt: "Wos mie nou vuur den gek hollen?" Toen vroeg ik hem, of dit dan hout was? of steen? en hier had hij er nog een. Ja, toen moest hij het wel gelooven. Nog even gepraat over het land, waar het 't beste voor geschikt was, of er veel gekapt werd, of er ook nog gesmokkeld werd. Toen op een ander chapiter. Of hij wist, dat hier eens de Hop broedde? Of hij wel eens de eendenkooi in het "Spiek" bezocht had. (Dit is een der Dinkelmoerassen bij Breklenkamp.)



,,0, ne Gloepe ?" Nee, door was hè nooit west. Wel wist hij, dat de lokeenden "gluupkes" genoemd werden. Toen kwam nog een jongere broer en zijn vader. Doch ons praatje was uit. Met den zwaren rugzak gleden wij de helling af, soms langs gevaarlijke paden van een voet breedte; links een karrespoor en rechts de sloot. Bij een afdwalen van het “pad der deugd”, het smalle, zouden we zeker in de sloot terecht gekomen zijn. Wij hadden dezen moeilijken weg gekozen, om langs de bekende Grafheuvels te gaan, die door Dr. Holwerda en de zijnen ijverig doorvorscht zijn. Een twaalftal urnen zijn gevonden, terwijl vele andere reeds vroeger door de boeren waren opgegraven. Vele van de in '17 gevonden urnen zijn te zien in de Enschedesche oudheidkamer.
Dr. Holwerda deelde ons in een particuliere correspondentie mee, dat er onder de grafheuvels eenige zijn uit den praehistorischen zeer vroegen tijd, dus lang vóór Christus; het zijn feitelijk ingevallen koepelgraven. De rest behoort met elkaar tot een urnenveld van de Germaansche bevolking omstreeks Christus geboorte. In de koepelgraven zijn lijken bijgezet. In het urnenveld zijn ze verbrand en in urnen begraven. Te midden van wuivende dennen rusten hier onze voorvaderen, levende op en van denzelfden bodem, beschenen door dezelfde nu neerzinkende zonne.

“Hier rees in vroeger eeuw, uit de opgetaste zoden,
Een outer (zegt de maar), het Godendom ter eer,
Zij zijn niet meer de Noordsche fabelgoden,
Hun geest is uit dit oord gevloden,
Geen Bardenlied bezingt hen meer!"

Maar heilig is ons de zucht, die 't voorgeslacht bezielde, dat 't liefst onder het koepeldak van den blauwen hemel in statige, ruischende wouden, welke de stemmen der orgels vervingen, neerknielde.

"Ook wij, wij voelen 't hart van huivrende eerbied slaan,
En moest d' onzichtbaren God nog 't zichtbaar outer rooken -
Hier moest een offer zijn ontstoken! -
Hier moest een altaar staan!"
(TER HAAR)

Reeds schuiven schuine stralen door de dennenstammen. Straks gaan geesten dwalen en ijle gestalten zweven over 't zijige mos. Wij spoeden ons naar de bewoonde wereld, door Ootmarsum over den bekenden weg naar Tilgte en hebben onderweg den tijd nog alles eens te overdenken om daarna te besluiten met Virgilius, waarmee ter Haar het aangehaalde gedicht opent: “Et me meminisse juvabit." “En het zal mij een vreugde zijn aan dezen dag herinnerd te worden".

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen