dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): Naar de heide

Nu wijkt wijd-open voor mijn wondrend oog,
Een koepel ruim van eindloos luchten-blauwen
Waardoor de dag zijn roode vanenvouwen
Doet waaierwijze uitwuiven wijd en hoog.
(P. Hilarion Thans)

NAAR DE HEIDE.

Daarheen ga ik graag vroeg in den morgen. Met een tien minuten wandelen over den Brandlichterweg ben ik er. Breed en ver ligt de wijde heide voor ons. Hoog verheft zich daarover de hemelkoepel en welft zich met onmerkbare ronding op de aarde neer. Het oog ontwaart aan den horizon een zacht golvende lijn van bosch en berg, waarop hier en daar een molen of toren als rustteeken getrokken staat. Dichterbij staan reuzenbouquetten van bloeiende appelboomen om het rood der boerendaken en schijnen de hooge hagen en wallen om de bouwlanden als een ondoordringbare muur van groen. De bruine heidebodem golft als een zacht deinende zee; hij stijgt hier tot een hoogte met berken begroeid en daalt ginds tot een dal, waarin zilverig water blinkt temidden van eene groene mos- en grasomlijsting. Onze zandweg door deze bruine heide zwenkt grijs en zwart met slangvormige kronkels op en neer, links en rechts, al verder en smaller en verdwijnt om verre dennenstammen. Ik slenter in den vroegen morgen, als nog geen blad of stengel den hemeldauw heeft afgeschud, in deze met wazig licht doorweefde oneindigheid. Met diepe teugen zuigen mijn longen de reine heidelucht in. Mijn oogen willen groen en bruin en licht en glans tegelijk omvatten en vastleggen in 't geheugen; mijn ooren luisteren naar de verschillende zangen der heidevogels. Mijn zinnen drinken natuurgenot, zoodat mijn geest met innige tevredenheid en onuitsprekelijk geluk wordt vervuld.
Aan den ingang van dezen blijden, nu zonnigen koepel hoorde ik het klokjesgeklingel van den Heileeuwerik : diel-diel, diel-diel, luu, luu, luu ... klankvol en zuiver, al hooger en verder in onnavolgbare hoogten tot aan 's Hemels poorten.

Daar ging omhoog een kleine schelle
met fijnen lichtdoorwaaiden klank;
hei-leeuwriks lied bleef mijn gezelle
Het klinkt van uit de vage verte,
alsof hij midden in 't gesternte
zijn zilveren klokje luidt.
(Van Eeden)



Dan kwam de Veldleeuwerik, meer tierelierend in afwisselende toonhoogte, stijgend en dalend op de maat van z’n vleugels, met rukjes al hooger en hooger, tot hij een stipje gelijk, al tierelierend uit het oog verdween. Links van mij hoor ik een zachter liedje. Een bruin gestreept vogeltje vliegt schuin omhoog. Korte, vlugge, heldere tonen, ontschieten zijn keeltje en langgerekte wijzen vloeien over de vlakte, als het diertje al zwevend nederdaalt. Dat was de Graspieper, die hier tusschen een van de talrijke graspolletjes ongetwijfeld zijn vijf bruinachtige eitjes verborgen heeft. Een veel mooiere zang heelt een andere Pieper. n.l. de Boompieper. Die zingt als een Kanarie, en geeft daarbij een kostelooze demonstratie van een glijvlucht. Het is een wonderlijk iets, dat vliegend zingen dezer kleine vogels!
Ons doel is gindsche groene vlakte, als een oase in de woestijn. De grond wordt daar vochtiger. Bloeiende Veenbies vormt handgroote pollen. De Zonnedauw parelt met kleverige druppels en heeft reeds menig mugje gevangen.

‘De varen toont zijn schoonst in stille schauw,
in water wuift met bruine vlaggen ’t riet,
op lichte, wijde hei alleen wil bloeien
de kleine Zonnedauw.’
(Lioba)



Het Veenmos vormt groene kussens en leidt de hoogveenvorming in. De Kievit heeft een menschelijk wezen bespeurd en klapt al kiewie-wiet krijschend, met breeden vleugelslag over mij heen. Dit is het sein geweest voor de Tureluurs om ook kabaal te maken. Liepen ze tot nog toe rustig met hun roode pootjes aan den waterkant, thans zwieren zij, door slanke vleugels gedragen, huishoog boven de oase. De witte onderkant en vleugelrand zijn allerduidelijkst te zien. Ze schijnen niet hooger te kunnen en schreeuwen maar aldoor: Tjlrk-tjirk-tjirk. Nijdig zwenken ze omlaag: Tuut-tuut-tureluur! Soms zweven ze als een "biddende" valk! Wat sierlijke vogels! Ze doen mij denken aan meeuwen, om die mooie vlieghoudingen. Zes zweven er bijeen.
Nu eens rusten enkele uit op een plaggenheuvel, dan zijn ze alle weer te hoop in de lucht. Ik ga zoeken naar nesten en vind een paar ronde kuiltjes, met wat grasbladeren bedekt. Kijk, daar ligt een leege dop: bruin met donkere stippen. Van verre hoor ik : grietto, -grietto ! Dat is het geluid van de Grutto, die bruinachtige vogel met zijn lange waadpooten en rechten snavel. Daar komt er een aanzeilen. Als hij zich neerzet, strekt hij de vleugels één moment recht naar boven en laat den sneeuwwitten onderkant bewonderen. Daarna klapt hij ze in een.
Een ander qeluld : Klie-e-eee, hoog en krachtig, klinkt naar mij over. 't Is of er een mensch zijn vreugde uitjubelt. Dat is de Wulp, een der grootste onzer heidevogels, met prachtig grijsgemarmerde veerenteekening en den langen. gebogen, snavel.
Als ge goede oogen of een duren kijker hebt, kunt ge op gindsche nieuw aangelegde weide een paar kroeze vogels ontdekken. Dat zijn Kemphaantjes. Als ze wegvliegen, kunt ge ze aan de ronde vleugels nog best herkennen. Ze hebben hier hun kampplaats - en wat menigeen niet vermoedt - ze broeden hier ook.

Nog een andere wakkere strijder kan men hier zien en hooren. Het is de Korhaan. Nog hoor ik ze "kollern". Wil men ze op de balts-plaats bezig zien, dan moet men voor dag en dauw in een hut kruipen en doodstil de eerste zonnestralen afwachten. Dan hebt ge ook gelegenheid andere heidevogels: Tapuit, Klapekster, Patrijs en het blatende Weerlam, (de Watersnip) te zien en te hooren.



Hooger stijgt de zon. De Driehoorns kruien er den mest naar hun miniatuur-molshoopen, waaronder 80 cM. diepe gangen verborgen zijn. Wij zoeken er de staalblauwe Zandkevers, welker larven in 'n griffelwijd schachtje zitten te loeren op prooi. Wij experimenteeren met de larve van de Mierenleeuw, die hier aan dezen zandigen wal de valkuil heeft uitgegraven. We vangen Blauwtjes en Heidevlinders, Hooibeestjes en Argusvlinders, Ortholithas en Anarta's en vullen tot slot onze plantentrommel met fraaie planten, om ze thuis te gaan determineeren, drogen en opplakken. Alleen als je er dát mee wilt doen, wil ik ze u wijzen en permissie geven tot bescheiden plukken. Zie hier dan op den weg tusschen het kale zand: mooie strengetjes van rose bloempjes tusschen groene blaadjes. Het is de Grondster, Illecebrum verticillatum. Daar groeien vlak naast de Riempjes (Corrigiola littoralis) beide een paar moeilijk te determineeren soorten van de familie der Muurachtigen.





Thans springen we over een sloot en we staan op een veenachtig, laag stuk heidegrond. Buntgras en Carexsoorten staan hier vele bijeen. De boeren steken er dekplaggen voor hun aardappelen en koolrapen, om die bij winterdag warm te kunnen toedekken. In den herfst vindt ge er vingerdikke rupsen zwart met bruine gordels dichtbehaard ineengerold liggen. Ze zijn van de Veelvraat. Ze verpoppen zich pas in het volgend voorjaar. Hier groeit: Oeverkruid (Littorella), met wapperende helmknopjes; Waterpunge (Samolus Valerandii), die eigenaardige Primulacee; de Engelsche Distel (Circium anglicum), die artistieke plant, mij dunkt de mooiste van alle distelsoorten; 't Rozenkransje (Antennaria dioica), dat Hollandsche Edelweisz; Vleugeltjesbloem (Polygala) in drie kleuren; Wolverlei (Arnica montana); Cipelgras (Narthecium ossifragum) met zijn keurige en geurige lelieachtige bloempjes; de witte en bruine Grasbies (Rhynchospora alba en fusca), Linum catharticum, Orchis incarnata, Aira discolor en Heleocharis multicaulis. Gentiaan, Cicendia en Parnassia komen wat later in den tijd.



De Lobelia Dortmanna staat hier niet, doch wel in een heiplas aan de Nordhornschestraat en verder aan de Vennen naar den kant van Breklenkamp. In gelijk gevormde, veenachtige heideplekjes kan ik u wijzen de Rotsbes met de rose bloempjes, de stevige Epipactus palustris en de welriekende Platanthera bifolia.



Aan den rand van al dit moois, vindt ge op de heide de groene rupsen van Nachtpauwoog, de zwart fluweelen ringen met robijnen bezet: een treffende overeenkomst (mimicry) met Calluna stengels.
Wandel nog een half uurtje verder, de Gele Beek over, naar het Buitenveld. Een wijd vergezicht tot de wazige hoogten van Gildehaus-Bentheim, heiplassen met steltloopers en sterntjes zal uw loon zijn. Heel wat vochtige stukken heide zijn er reeds in kultuur genomen, maar ik hoop, dat het Malaxis gebied nog vele jaren ongeschonden blijft, Malaxis is een klein groen Orchideetje dat niet gemakkelijk te ontdekken valt.
Tien minuten van rechts, voor de grens, ligt een blanke plas, waarlangs den oostelijken oever Andromedastengels zich slingeren om een polletje van Eénbloemig Wollegras en waar haar vleeschblanke kroontjes als wassen-klokjes prijken boven de groen-gele Sphagnum kussens.
Dit is het Andromeda-ven!
Blank als een spiegel, weerkaatst het de blauwe zonnige hemel, zoowel als de grauwe regenwolken en de dreigende donderkoppen. Over het rimpellooze vlak scheren de Sterntjes en Vischdiefjes, en sedert Mei '25 ook een tiental kokmeeuwen. Het ‘Andromedaven’ noemen wij bloemenvrienden dat onder elkander. Onze heibewoners zouden dit niet verstaan. Ze spreken van het "Ezzelsgoor". Dat woord Goor hebben de Oer-Denekampers vaak gebezigd om er drabbig veenwater, dat wat "goor" uitziet zoo te benamen. Het is altijd een stilstaand water b.v. 't Goor bij Elfrink diek, 't Deepengoor op de Neistad.



Iedere Meimaand maak ik een tocht naar het Andromeda-ven. Niet alleen om te constateeren wat voor vogels ik boven en om zijn oevers zie, niet alleen om de wijde vergezichten, - tot de heuvels van de Lutte en Bentheim ligt de ietwat golvende heide open - maar vooral om de beeldschoone Andromeda te begroeten, die er gekluisterd ligt aan de veenpollen. Andromeda, dochter van Koning Cepheus van Aethiopia en Koningin Cassiopea was schoon als hare moeder. Deze laatste had de Nerëiden beleedigd, door zich op hare schoonheid te verheffen. Tot straf werd door Poseidon een zeemonster gezonden, dat de schrik werd van het land. Het orakel verklaarde, dat Andromeda moest geofferd worden, om het monster te voldoen. Zij werd nu geboeid aan een rots geklonken en haar bloeiend rood verbleekte door lijden tot zacht rose. Zoo vinden wij haar in de wonnemaand Mei. Maar Perseus komt en redt Andromeda. Koning Cepheus geeft uit dankbaarheid zijn dochter aan haar redder.
Voorzichtig snijden wij een paar takjes af en bergen die in onze plantenbus, om er thuis ook anderen van te laten genieten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen