dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): In het stille seizoen

“Wordt de wintersche natuur schijndood genoemd, voor den natuurvriend is zij dat niet.”

IN HET STILLE SEIZOEN.

Het stille Seizoen! Dat is voor ons natuurliefhebbers de Winter. Die er geen tikje verstand van hebben, denken dat wij buitenmenschen dan wel genoodzaakt zijn een winterslaap te houden, evenals de egels, vleermuizen en dassen. Doch die goeie menschen hebben het ver mis. Als de Kraanvogels met luiden roep over ons dorp getrokken zijn, beginnen de bosschen te leven van Koperwieken, Sjakkers, Beflijsters, Notekrakers, Pestvogels en Goudhaantjes. Dan zwemmen in het kanaal en in 't Spiek (een groot moeras in Breklenkamp langs de Dlnkel): Nonnetjes, Zaagbekken, Smienten, Lepelbekken, Pijlstaarten en Brilduikers. Als donzige sneeuw, gelijk dikke, witte wollen dekens de roggevelden, de weiden en de bosschen dekt, dan zijn er de Roeken en Winterkraaien, de bloedroode Goudvinken, de Putters en de Meezen het best te aanschouwen.
De IJsvogel blijft ook dan onze trouwe gezel. En pas is de sneeuw verdooid of de wallen prijken met de weelderigste kussens van zijïg mos: Slaapmos, Sterremos, Haarmos, Gaffeltand, Boompjesmos, Appelmos, Jungermannia en nog veel meer. Als een handbreede band langs de beekjes en stroompjes loopt de groene zoom van Pellia epiphylla, een Levermos. Het begint te knoppen en tegen Paschen heft het op albasten steeltjes, sierlijke vierkleppige sporendoosjes omhoog.



Het Rendier- en Bekermos grijst met helderder kleur tusschen de bruine heide en lint- en franjemossen wapperen om de schijndoode stammen van het woud. Dan lees ik zoo gaarne nog eens over, wat Heimans jaren geleden onder den titel van "November-nevels" in de Levende Natuur schreef, en wat nu gelukkig is opgenomen in de bloemlezing uit zijn werken, verzameld door zijn literaire dochter en uitgegeven door de Wereld-Bibilotheek, no. 337:
,,'t Is kil en stil in 't sterfhuis der natuur en donker. Door bosch en hei, door veld en duin sluipt Eenzaamheid, waar pas des Zomers uitvaart is gevierd met stormwind, bliksem, donder - en 't rood met brons van 't loof een ernstig siersel gaf voor 't feest. Nu is het al weer heen, wat Zomer uitgeleide deed, en vulde 't bosch met leegte. De Zon betreurt haar jongsten zoon en heeft geen glans, geen licht in 't oog. 't Is treurmaand ook voor d' Aard, die pas haar hoogtij vierde en nu al bergt het eeuwig jong gelaat in zwarten sluier, en draagt het vale weduwkleed. Versteende zwammen staan op boomen: zerken voor verleden zomer, met runenteekens dicht beschreven.



Roerloos lekken halm en twijgen, langzaam, drup voor drup. Zie, hoe 't vocht langs al de zwarte stammen glist, en 't pad verzinkt in drassig weeke modder. Een vunze lucht stijgt op uit slijmig, rottend blad; de mist kleeft aan het rieten dak; aan dorre distelstengels haken nevelflarden, en 't wordt geen dag."
Maar laat ik het toch niet verder afschrijven. Ieder moet dat boekje in bezit hebben, dat zijn we verplicht aan onzen Meester, die duizenden in den lande de oogen geopend heeft voor het schoone in de interessante natuur, dat ook in ons land "van mest en mist" niet ontbreekt, maar dat wij, nuchtere, prozaische zakenmenschen, eeuwen lang niet gewaardeerd hebben.
Als November in 't land komt, groeien de bladen korstmossen het weeldrigst. Dan is het onontbeerlijke vocht in de cellen. Dan is er licht aan de stammen en op den grond, meer licht dan des zomers.



En vocht en licht fleuren de mossen op en brengen ze aan 't bloeien. Mosbloemen! Wie keek er ooit naar? En toch moet het u wel eens opgevallen zijn, dat het mos op een schrale weide, op heide of op een open boschplek rood-bruine topjes droeg. Dat was het bloeien van Haarmos.
Tusschen die fraai gekleurde blaadjes zitten knotsvormige dingetjes, de antheridiën, waaruit bij rijpheid vele tientallen cellen geperst worden, die de spermatozoiden bevatten, welke door vocht als middenstof met behulp van twee fijne draadjes, ciliën genaamd, zwemmen gaan. Allicht zullen er enkele in de buurt komen van een archegonium, dat zich op een andere plant als een flesch-vormig orgaan heeft ontwikkeld en door het afscheiden van een zoet vocht in den hals der flesch de spermatozoiden aanlokten er zoo één (dat is voldoende) onder in de flesch voert. Daar wacht een eicel op de bevruchtende, levenmakende stof van een spermatozoide, om zich daarna te gaan deelen, te vermenigvuldigen en om al groeiende een steel, seta, voort te brengen, die aan zijn top een wonderlijk mooi en fijn sporedoosje, het sporogonium draagt. Tracht met behulp van een microscoopje het een en ander hiervan te zien te krijgen; bestudeer in het een of ander plantkundeboek hoe de mossen leven, hoe zij groeien en hoe zij zich vermenigvuldigen. Het is een interessante studie, welke u in het voorjaar gezelliger afleiding en genotvoller ontspanning zal brengen, dan ik weet niet welke voetbalmatch of goed gespeeld biljardspel.





Het sporedoosje, daar waren we bij gebleven, draagt bij Haarmos een fijn vilten mutsje, dat is de verdroogde rest van het bovenste deel des archegoniums. In het begin groeit deze flesch met de mosvrucht mee, doch kan spoedig de groei niet meer bijhouden en scheurt ringvormig open. Het sporedoosje bevat een deksel op zijn top, evenals elke volledige suikerpot. Is dit dekseltje afgeworpen, dan is er vaak nog een tweede sluiting, n.l. door een enkele of dubbele rij tanden, die van den rand zich boogvormig over het doosje krommen. Deze tanden zijn erg gevoelig voor vocht. Bij vochtig weer blijven zij bij elkaar en sluiten het potje netjes af, zoodat geen regen of dauw bij de sporen (= het stoffijne poeder, dat in elk sporogonium zit) komen kan. Bij droog weer echter krullen de tanden zich naar buiten om, zoodat nu bij het minste tochtje, dat de steel in beweging brengt, honderden sporen de lucht ingaan en heinde en ver verspreid worden.
Bij de mossenstudie zal u gewezen worden op de verscheidenheid der tanden van het peristoom of mondbeslag, en de wonderlijkste vormen: plompe torens en slanke minarets, zal u onder die tandjes en klepjes ontmoeten.



De verscheidenheid is hier zoo groot, dat een botanicus, Fletscher, de mossen zelfs naar deze tanden heeft willen determineeren en indeelen. Het aantal tanden varieert in veelvouden van acht, tusschen 8 en 128. En hoe gaat het met die sporen, zal de weetgierige lezer nu verder vragen?
Duizenden zullen verongelukken. Enkele zullen op geschikten bodem terecht komen. Dan ontwikkelt zich uit één spore een groen draadje (voorkiem of protonema). Dat draadje ligt op den bodem en zendt kleurlooze haartjes den bodem in, die vocht met opgeloste zouten moeten opzuigen, zoodat het draadje zich vertakken kan.



Vervolgens vormt het knopjes, waaruit een stengeltje recht naar boven groeit. Dit gaat blaadjes voortbrengen en na een zekeren tijd mosbloempjes. Sommige van die z.g. bloempjes bevatten alleen antheridiën en andere stammetjes alleen archegoniën. Dat is bij Haarmos het geval. Dit is dus tweehuizig. De meeste mosgeslachten bevatten echter meeldraden en stampers, om ze nu zoo maar eens te nemen, in dezelfde bloem. Deze zijn dus éénhuizig. Nog heel veel zou ik u hiervan willen vertellen, doch u kan het in elk flink leerboek naslaan en dan zult u begrijpen, dat ik mij menigen winter, als de natuur schijndood was, zelfs met mossen heb kunnen vermaken.





Er zijn in ons land drie groote groepen van mossen:
Bladmossen, 316 soorten.
Levermossen, 79 soorten.
en Korstmossen. ± 60 soorten.
Doch deze laatste behooren niet tot de eigenlijke mossen. Die naam brengt ons op een dwaalspoor. De Duitschers hebben er wel een aparte naam voor n.l. "Flechten".
In een korstmos leven twee planten samen van verschillenden aard. n.l. een wier en een zwam.
Een wier heeft bladgroen en kan dus zelf uit lucht en water haar voedsel (zetmeel) bereiden. Een zwam ontbreekt bladgroen, mist daardoor deze zetmeelmachine en moet leven van andere planten, hetzij doode of levende. Wier en zwam hebben nu een vennootschap gesloten. Vereend willen zij elkaar door het leven helpen. Dat voedingsgenootschap heet "Korstmos". De zwam zal water opzuigen en alles, wat daarin opgelost is en dit het wier toevoeren. Haar draden zullen zich slingeren om de wierkorrels en deze voor uitdrogen behoeden. Het wier zal zetmeel produceeren uit koolstof en water. Het kan daarmee de zwam voeden, zoodat die naar alle richtingen worteltjes kan uitzoeken op zoek naar water. Korstmos geeft een heerlijk voorbeeld van samenleven, van symbiose bij planten.



Wij slenteren dan door 't Nieuwe Werk, langs Singraven, in het Sterrebosch, op de heide en bij 't Hornven en brengen polletjes en brokjes van allerhande mossen mee. De flora' s van Garjeanne worden voor den dag gehaald, de microscooplenzen en -spiegel afgewreven, de plantenpers afgestoft en de studie kan beginnen. Dan is er veel te snuffelen tusschen dat kleine grut, te determineeren en te drogen. Lastige soorten zijn er onder. Zoo die Barbula-soorten, die Sphagnums, die Polytrichums. Aan de Hypnums hoef je niet te beginnen. Een paar typische soorten zijn er wel onder, doch de rest: allemaal slaapmos. Maar mooi blijven ze onder het persen; dat komt, omdat het water er zoo spoedig uitgedreven kan worden. En met het microscoop kun je zonder lastige doorsneden allerlei merkwaardigs van de bladen en de vruchtjes te zien krijgen. Probeer het maar eens. Ik wed, dat ge zonder veel moeite, een 25-tal soorten zult kunnen determineeren.
"Weet ge, wat Van Eeden ergens zoo mooi heeft gezegd? "Wie de lijnen en kleuren eener bloem leerde liefhebben, tot hem heeft God gesproken als de Meester tot een aandachtig kind".
Welnu, wie dit boekske tot hiertoe heeft gelezen, hij heeft zeker wel ietwat gevoel voor de "lijnen en kleuren eener bloem". En omdat Mossen toch ook in zekeren zin bloemen zijn, zal het "aandachtige kind" ook gaarne eens zijn aandacht willen schenken aan dit kleine en teere, waarin als overal in de Schepping, iets groots verborgen ligt. Zoo werken wij in het stille seizoen geregeld door. Als het kwakkelwintert of als na een vorstperiode een paar lauwe dagen wat afwisseling brengen, is er steeds nieuw materiaal bij de hand.
En als het Westen des lands moeilijk ademt in dichte mist, hebben we hier in het Oosten dikwijls de prachtigste ijzelvorming. Zoo herinner ik mij, dat eens na een koelen Zomer het najaar een natten Herfst bracht. Wat van Asters en Herfstseringen nog lang het gure weer trotseerde; - wat van Dahlia's nog lang het bloemperk sierde, was door de vroege vorst van begin November verflenst, verlept. Zoo stond onverwachts de Wintervorst voor ons en verkondigde met duidelijke voorteekenen, dat hij ons, bloemenliefhebbers, dezen Herfst geen napret gunde. Een teleurstelling dubbel droevig, daar wij zoo stellig op een vergoeding voor het gemis van een echten Zomer gerekend hadden. Doch stil! De lucht wordt grauw! Een kille dauw zijgt neder op tak en stam, op rottend blad, op wat de herfstwind spaarde van gelend gras; - op groene brem en groeiend mos, op wat daar kwijnt en sterft in 't gure jaargetij. Een ijzig kille tocht uit Oostelijke streken verstijft om tak en blad het statig vallend vocht; omklemt met ijzeren boei zoowel de ruwe stam als 't teere stengeltje, dat rijpe vruchtjes torst. De tot paars verbleekte bloem van 't heidekruid; de leege kafjes van Veldbeemdgras, de schermen van Sium en Angelica, zij allen zijn in doorzichtige urn gevat, aldus voor korte wijle voor de vergankelijkheid bewaard. Een wintermorgen rijst! De lucht is klaar. Maar klaarder nog de zon, die schitterend wit herrijst en werpt een zee van stralen op een omtooverde aard. Een aarde, geplaveid met kristallijn, beplant met glazen siergerij, van aard en wezen één; van vormen velerlei! Parelsnoeren, struisveeren, luchters van kristal, kerstboomen, reusachtig groot, waaraan millioenen lichtjes flikkeren. 't Geheel bestraald door winterzonnelicht, kaatst honderdvoudig de zilveren stralen in diamanten flonkering terug. Daar vaart een booze fee door deze broze wereld. Haar koude ademtocht speelt snerpend door het woud. En steunend staan de stijve stammen daar en barsten. Hun takken knetteren en kraken van den last en scheuren af van moederlijken stam. Nog staat veel schoons. Daar heft een luwer tochtje 't hoofd en koost de zwaar beproefde twijgen . . .. En heen is alle pracht en praal! Verbroken de zilveren boei, waarin haar strenger zuster de kinderen van Flora klonk. Thans heffen zij weer moedig de hoofden op. Nu werken de levenssappen onmerkbaar voort aan het belangrijke werk der knopvorming, opdat wij straks na lange ontbering, ons des te inniger zouden verheugen bij het zoo ras ontplooien van bloem en blad.
Zoo kan een plattelander van de natuur genieten in het stille seizoen, dat daar veel korter duurt dan in de groote stad. Want lang voor den officieelen datum, den 21sten Maart, strooit de Lentefee bloemen en vogelzang door het knoppende bosch!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen