dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): Steenen zoeken

Hic Solum Saxaque Loquuntur.
Hier zullen spreken de bodem en de steenen.

STEENEN ZOEKEN.

Gaan we vandaag. meester?
Als het niet te druk loopt op 't Museum. ja. Niet eerder dan half zeven. Bij zomertijd zijn de dagen lang en is 't om tien uur nog licht. Als er nog late bezoekers mochten komen, gaan ook zij mee. Keien kloppen. Al heb je nooit aan geologie gedaan, toch wil je er wel eens wat over hooren en zien. Daarbij zoo'n les in de heerlijke natuur aan den rand van een bosch op een zoele zomeravond is op zichzelf al een genot.
Wij gaan naar de Lutterkant, richting Oldenzaal. Ik weet daar achter in Beuningen op de Noordhelling van het heuvelen-complex, dat de Hakenberg als middelpunt heeft, een paar grintgroeven, waar heel wat moois is te vinden. Je slaat af tegenover de Beuningermolen, de zwarte sintelweg, die door een handwijzer aangegeven is met als opschrift: Hakenberg. Als je een tien minuten geloopen hebt, begint de weg te klimmen. Een rug van hoog bouwland strekt zich in Westelijke richting uit. Langs de roggeakkers staan hooge palissaden van opgaand hout, walheggen met een ruige ondergroei van bramen, wilg, struis- en boendergras. Daar vond ik op Allerzielen 1924 tusschen de ontbladerde twijgen drie nesten van de Dwergmuis, ons kleinste Zoogdier. Twee waren onbewoond. Uit het derde sprong, toen ik mij door de bramen heenwerkte en de hand naar de nestopening uitstak, het kleine diertje als een donker iets omlaag en was op den begroeiden bodem in veiligheid. Zoek hier op een plekje grond, dat nog bosch is, naar een greppeltje. De wanden er van zijn uit gele leem met keien opgebouwd. Het is de vruchtbare keileem, die hier een begin neemt en de heele Lutte pleksgewijze bedekt.



Zouden wij onzen weg vervolgen die rechts ombuigt, zoo kwamen wij op den grintweg naar Oldenzaal terecht; daarom slaan wij links af, daar waar weidegrond helt naar het Zuiden en waar verder de bodem weer rijst tot een dennebosch den horizon afsluit. Een enkel rood dak, waaronder inboorlingen de ouderlijke traditie voortzetten, ligt hier en ginder tusschen wat vruchtgeboomte. Bontgevlekte koeien verplaatsen met moeite het logge lijf, terwijl rose varkens dartelen en stoeien in een gevlochten loop, of ook wel geheel vrij weide en bosch afsnuffelen.
Waar de weide als de twee bladen van een openliggend boek naar elkander neigt, heeft de boer een drinkplaats gegraven voor het vee. Als we even kijken zien we, dat de wand uit vette groenachtige klei bestaat. Eoceene klei met een dunne bedekking - nog geen halven meter - van diluviaal zand en grint. Nu zijn we in een paar minuten bij den zoom van het bosch. Meerdere grintkuilen liggen hier op een rijtje. Sommigen zijn vol water geloopen. Het grint is weggehaald en men kwam op klei of ... het grondwater had de overhand en verder werken was onmogelijk. Groote brokken steen liggen op hoopen aan de kant geworpen; voldoende materiaal om er een hamer op stuk te slaan.



Nu gaat het er op los. Uit de rugzakken komen hamers en een schopje tusschen oude kranten te voorschijn. Een paar doosjes rollen al in 't zand. Van de groote keien moet een stuk worden afgekapt. En evenals Siegfried, met het geweldige zwaard, slag op slag het vreeselijk monster trof, zoo ketst en botst en knarst het staal des mokers op het glasharde kwartsiet. Als je een bloem wilt leeren kennen, moet je er van binnen inzien. En wie een mensch wil begrijpen moet niet alleen naar jas of japon schouwen. Zoo moet je ook bij steenen doen. Niet alleen de buitenkant, maar ook de binnenkant dient bestudeerd te worden. Beide zijden verraden den aandachtigen beschouwer vele geheimen. En een steen heeft er vele. Vele puzzles, die alleen bij streng logisch redeneeren op te lossen zijn. Het kost moeite, doch die wordt door het vinden van de oplossing beloond.
Bezie eens een half dozijn steentjes aandachtig. Onmiddellijk zullen u opvallen: het verschil in kleur; wit, rood, grijs, zwart, blauwachtig, gevlekt; - het verschil in breuk; glad, korrelig, splinterig; - de verscheidenheid in samenstelling: roode vlakken met lijntjes, rose korrels met grauwe lijntjes.: rose korrels met witte stipjes; witte brood met bruine krenten; zwarte pekachtige gesteenten met onregelmatige holten, enz. enz.
Zal dit alles u ooit duidelijk worden? Zullen het meer zijn dan onbegrijpelijke hiëroglyphen, runenteekens uit lang vervlogen eeuwen, die toch ook de mensch van heden weder heeft geleerd te ontcijferen! Ook de taal, die de steenen spraken, was tot voor kort nog onverstaanbaarder dan hiëroglyphen schrift. En toch: ……. : "de steenen zullen spreken". Zij zullen ons vertellen, hoe zij ontstaan zijn, onder welke omstandigheden, waar hun geboorteplaats ligt? hoe zij hier gekomen zijn? wat er van ze worden zal!
Onze studie begint, terwijl de kronen der dennen zachtjes wuiven en heel ver achter de heuvels van 't westen gouden zonne haar dagtaak eindigt. Wij gaan de gevonden steenen sorteeren naar de kleur.
1. De witte en glasheldere. Het zijn kwartsen, in de volksmond kiezelsteentjes genoemd. Scheikundig bestaan ze uit Si O2, d.w.z. kiezel + zuurstof. Een steensoort van eenvoudige samenstelling. De witte zijn wit door millioenen kleine luchtblaasjes, die evenals luchtbellen in het water de glasheldere stof een melkwit aanzien geeft Wij noemen deze melkkwarts. De andere soort: Vetkwarts. Kwarts in kristalvorm heet bergkristal en wordt als Rijnkiezel in borstspelden gedragen. Is helder als diamant.
Tusschen onze voorraad liggen er ook die een rose of gele tint hebben, maar overigens net zoo uitzien. Het zijn kwartsen, die door ijzeroxyde of een roest van een ander metaal gekleurd zijn.
Een druppel inkt kan een glas water blauw kleuren. Een korreltje kamijn een zelfde hoeveelheid rood. Zoo ontvangen ook vele gesteenten hun kleur door de roesten van metalen, welke er tijdens het ontstaan ingedrongen zijn. Wij kunnen gerust zeggen, dat bijna alle gesteenten in de aarde zijn ontstaan. De rest in water. Als nu kwarts opgelost is in water, en dit water bevat nog tegelijkertijd bruine ijzerroest, dan zal wanneer het water verdampt de ijzerroest zich vermengen met het kiezelzuur en een rood getinte kwarts vormen.
2. Nemen we eens wat zwarte steenen uit onze voorraad; wij zien daaronder al gauw drie soorten.
a. Kantige brokjes als prisma's rechthoekig, en ook wel ruitvormig afgesneden, vaak met witte aderen of lijsten er door. Deze noemen wij toetssteenen, omdat ze vroeger gebruikt werden om er goud op te toetsen.



Ze bestaan uit witte kwarts maar zijn rijk doormengd met zwarte koolstof (van verrotte planten of dieren afkomstig). Laagsgewijze afgezet op den bodem van een diepe zee, hoe weet men nog niet precies, maar 't is millioenen jaren geleden. Ze komen o.a. uit het Kambrium van de Ardennen en zijn dan door Maaswater naar hier gestroomd. De hoekige vorm hebben ze gekregen door druk en verzakkingen in de bergen, toen ze nog deel uit maakten van de Ardennen. Ze zijn weinig door het water afgerond, omdat ze uit massieve kwarts bestaan; een stof heel hard niet alleen, doch ook moeilijk in water oplosbaar.
b. Vuist- en kopgroote onregelmatige brokken, soms met holten waar je een pink in kunt leggen. Het zijn lei-kwartsieten uit Jura-lagen in Westfalen afkomstig, door Vecht, Ems en later wellicht nog door 't ijs naar Beuningen vervracht. Het zijn samen klonteringen van kwarts en koolstof (of klei) tusschen kleiafzettingen en bevatten vaak afdrukken van Ammenieten en geelschitterende pyrietkristallen.



c. Platte stukken. duidelijk gelaagd als een stapel pannekoeken, splijt gemakkelijk in één richting. Het zijn leien, eens uit zeeklei in het Eifelgebied ontstaan, in het verre, verre verleden, in dat gedeelte van het Primair, dat we het Siluur noemen. Sommige zijn gebogen, geplooid; soms in de bergen gebroken en gekit met witte kwarts. Er zijn er bij, die schelpafdrukken bevatten. Deze zijn uit een later tijdvak: de Jura. Aan de buitenkant zijn ze min of meer bruin of grauwachtig verweerd. Daardoor zijn ze steeds te kennen van de Toetssteenen. Ik vond ze, die zoo vergaan waren, dat je ze met de vingers tot poeder kon wrijven.
3. Wat hebben we nog over?
Bonte steenen, veelkleurige bloemen, rood, zwart, met magnefieken glans, doorspekt met glimmend zilver en plekjes van bruidssuiker. Een wonderlijke hocus pocus. Geen wonder ook. Diep in de aarde is dit gesteente ontstaan, uit gloeiende gesteentebrij, magma noemt men dit; het is een mengsel van mineralen in een gloeiende oven gesmolten bij ca. 2500 graden C. en langzaam in diepe spelonken der aarde, zeer langzaam in vasten toestand overgegaan. Gestold magma dus. En van de schooljaren zullen we het ons herinneren, dat wanneer vloeibare stoffen in den vasten vorm overgaan, ze ieder een eigen vorm aannemen. Wij denken aan sneeuw en ijskristallen, aan klontjes en zoutkristallen als bekende voorbeelden.
Als het magma der aarde door afkoeling gaat gaat kristalliseeren, ontstaat er een kristallijngesteente, wat men graniet, porfier of basalt noemt. Deze drie namen beteekenen niet hetzelfde. Of de een en niet de andere steensoort uit magma ontstaat, hangt van twee omstandigheden af.
a. Van de samenstelling van het magma.
b. Van de wijze van afkoeling, snel of langzaam
In het algemeen, d.i. zonder grove leugens te verkondigen, kan men zeggen: Als magma zeer langzaam afkoelt, ontstaat er graniet. Als magma tijd en gelegenheid heeft enkele kristallen te vormen en de rest, als hutspot, stolt, ontstaat Porfier. Als magma zeer snel afkoelt, zoodat zich slechts enkele fijne puntjes als kristallen kunnen afzetten en het magma weinig kiezelzuur bevat, ontstaat er Basalt.





Graniet, Porfier, Basalt.
Deze drie soorten moeten we eerst uit elkaar zien te houden. Nu is Basalt een zwarte steensoort met hier en daar enkele glasachtige puntjes. Ze wordt vaak tot verharding van wegen gebruikt en dus daar 't best te bestudeeren. Tusschen grint vinden we het uiterst zelden.
Zoeken we nu naar porfieren. Dat is in den beginne heusch niet gemakkelijk. Als je er een vinden kunt, die er uitziet als 'n krentebroodje: deeg met hier en daar een vlekje, gewoonlijk roodachtig, dan hebt ge allicht een Porfier in de hand. Het deeg kan grauw zijn, zwart of geelachtig, grijs of hoe ook, altijd moet het een ondefinieerbare homogene stof zijn, waarin andere blokjes of korrels ingelegd zijn. Het deeg is niet glanzend, de ingelegde stukjes Veldspaat wel. Daar gebruikte ik een nieuw woord, dat ik u dadelijk verklaren zal. Met deze andere steensoort. Graniet noemen we dit. Zie hier op het versche breukvlak een rozig, glimmend vlakje. Daar zit er nog een en . . . wacht even, de steen een beetje schuin houden. Daar spiegelt er nog een en daar. De steen zit er vol van. Dat zijn alle Veldspaatkristallen. De scheikundige formule daarvan is: K2O. Al2O, 6Si O2. Voor wie dit abracadabra is, dient dat de voornaamste beteekenis hiervan is : Veldspaat is samengesteld uit Kiezelzuur + Kalium + Aluminium. Er zijn een viertal soorten van Veldspaat. In plaats van K20 kan er ook staan: Na20 of Ca 0 of Ca 0 Na20. d.w.z. de Kalium is vervangen door Natrium of door Calcium (= kalk) of door Calcium + Natrium.
Veldspaat is altijd te kennen aan de gladde, spiegelende vlakken. Kwarts is op de breuk oneffen. Veldspaat kan behalve rose, ook heel lichtblauw en wit zijn, kan ook in gepolijste natuursteen aan winkelpuien glanzen als paarlemoer!
In Graniet zitten nog twee verschillende dingen:
a. Roetzwarte stippen of vlakken, met glanzende breuk; dat is Hoornblende. Soms kan de heele steen er uit bestaan.
b. Glimmer, zilverwit, gitzwart, goudbruin. Splijt altijd in dunne schilfers. Met een zakmesje of met een speld zijn gemakkelijk plaatjes los te peuteren. Witte glimmer heet mica; zwarte glimmer: micaniet.

Als ge nu veldspaat kent en daarbij weet, dat het verweerd als wit krijt uitziet - zie naar de buitenkant van den steen - dan zult ge het, veel kijkende, langzamerhand in meerdere gesteenten kunnen ontdekken. Het zal u de sleutel zijn tot het openen van allerlei laadjes, waarin de verschillende steenstoorten straks komen te liggen.
Maar het is al donker geworden. Nu moeten wij naar huis. De Nachtzwaluw vliegt met ruischend geluid en vleugelkleppend als een duif, uit het dennebosch en scheert om de kronen, snappende nachtuil en mestkever. Je hoort hem ratelen orrrr - errrr, op twee verschillende toonshoogten. Het is net of de eene bij 't uitademen, de andere bij 't inademen wordt voortgebracht.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen