dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): De rijke verscheidenheid van Bögelskamp en Singraven

Het mag als een achteruitgang in onze Kultuur beschouwd worden, als de Natuur minder waardeering ondervindt dan de Kunst.

DE RIJKE VERSCHEIDENHEID VAN BÖGELSKAMP EN SINGRAVEN.

Ten Westen van Denekamp leidt een zandweg naar Singraven. Achter de hooge esch met Look en Vogelmelk daalt de bodem vrij snel naar het Dinkeldal, dat een breedte heeft van ± 10 minuten. Van Bögelskamp tot Singraven is het een groot moeras, doorsneden met diepe slooten, terwijl de Kampbeek er midden doorstroomt. Het is een uitgestrekt moerasveengebied, waar riet en lischdodden en kreupelhout dooreen gegroeid zijn als in een der mooiste hoekjes van ons waterrijke Holland of Friesland. Alleen na een lange droogperiode kan men over de walletjes een heel eind in die wildernis doordringen en ‘t is een genot zoo vlak bij Denekamp een brok wilde, ongestoorde natuur te bezitten. Bezitten noem ik dat. Wel ja, die rijkdom bezitten wij immers evengoed als de eigenaar, die er wat hout gaat kappen of er eens ’n wilde eend schiet.
Vanaf den weg naar Singraven heeft men twee toegangen tot het terrein. Als ge de laan naar Bögelskamp, waar het zware hek voorhangt, gepasseerd bent, zie je als eerste opening in de walheg een ‘rit’ van nog geen twee meter breedte. Elzenstruiken staan aan weerszijden en ruige pluimen van het rietachtig Kanariegras wuiven u het welkom tegen. Je voelt het aan de donzige zode, dat hier zelden gras gemaaid wordt. Het zijn dan ook voor den bezitter de slechte ‘Sek’ grassen, die alleen voor paardenvoer of strooisel geschikt zijn. Zoo'n wilde weide is juist voor ons veel belang. Je vindt er vooreerst de volgende Zegge-soorten: Carex pulicaris, disticha, remota, echinata, elongata, Flava, var. Oederi, Hornschuchiana, Pseudocyperus, vesicaria, riparia e.m.a., waarom we dit hoekje grond: het Carexlandje gedoopt hebben.



Er groeien verder nog Orchis latifolia, Pedicularis, Thalictrum, flavum met zijn mooie bladeren, sierlijke Bevertjes, kleine en groote Valeriaan, Wollegras, vele Juncus-soorten en de zeldzame Isnardia palustris.



Als het erg droog is, kun je door hooge rietgrassoorten stappen naar het plekje, dat twintig pas verder ligt en een poosje in kultuur schijnt te zijn geweest. Er zijn mooie rechte slooten gegraven, er zijn met de uitgeworpen aarde akkertjes gemaakt, begroeid met els en wilg en hoog gras, Distels, Harig Wilgenroosje, Valeriaan en Koninginnekruid. In de ondiepe slootjes staan hier en daar heele plekken met de Bittere Veldkers, Cardamine Amara. Op ‘n breed stuk, 't lijkt niet meer dan een weg, wordt thans zelfs eenmaal per jaar gemaaid. Maar daar achter is het een groote, heerlijke wildernis, waar Karekieten, Boschrietzangers, gewone Rietzangers, Sprinkhaanrietzangers, Watersnippen en Rietgorzen hun tenten hebben opgeslagen.
Waar de Kampbeek in 'n tak van de Dinkel uitmondt, de z.g. Visscherij, welven zich hooge Elzen over het water. Het is daar een uitgezocht plekje voor den IJsvogel en de Waterhoentjes. Ook de Dodaars heb ik daar gezien. In de slootjes groeit het Waterblaaskruid met de mooie leeuwebekachtige bloemen, Pilvaren en Oeverkruid in duizenden plantjes.
Ook hier weer Isnardia met de roode stengeltjes, en op het droge gedeelte: Zonnedauw, Pinguicula, Kartelblad, Parnassia en Oogetroost. Hier fladdert de zeldzame Coenonympha Tiphon, mooie Blauwtjes en zeldzame Eéndagsvlïeqen (Haften).



‘O snorrende libelle, wat beschouw
je mij verbaasd, in 't grillig zweven even
stilstaand in lucht? Vast lijkt mijn leven jou
een leelijk, log en onvolkomen leven,
jij, prachtig, vaardig schitterding ! dat zwiert
maar door den wind, en glimt hard in de stralen
van 't hevigst licht, met glimmer als metalen,
met feller leven, naar het korter tiert’.

Ge doet een paar stappen op den weg aan en een mooi gezicht over een breede rivier, waarop witte waterlelies drijven en de waterhoentjes roeien, ligt half verscholen tusschen riet en biezen en hoogopgaand hout. Scheeren en Waterduizendblad zetten er de laagveenvorming in. Aan den overkant ligt een wild boschje, waar goudvinken en merels nestelen en waar hoog uit klinkt de klokjesheldere zang van de Zwartkop. Hier vlogen eens vele Limenitis Sybilla (IJsvogel genoemd, hoewel het een vlinder is) en een paar exemplaren van de nog zeldzamere Apatura Iris (de Weerschijnvlinder). Wij gaan verder langs het water en zien de staalblauwe IJsvogel naar een vischje happen. Groote Libellen (Aeschna' s) glijden in wilde ren en happen, als de zwaluwen, vliegen en muggen in de vlucht.
Wij komen weldra aan een witte brug: Piggenbrug. Als wij haar overgingen, en het donkere wegje tusschen de hooge sparren volgden, zouden wij weldra in gezelschap van de kronkelende Dinkel in 't Borchbosch komen. Doch wij stellen deze wandeling tot een volgenden dag uit, en houden midden op het brugje halt. Kijk nu eens links, en laat uw blik zweven over het effen watervlak, waar ge langs zijt gewandeld. Droomerig liggen blanke waterlelies met gouden harten te rusten op den onbewogen waterspiegel, die de boomen en heesters, het lisch en het piekgras aan weerszijden weerkaatst. Op een overhangend takje zit een ijsvogel, onbeweeglijk, tot hij eensklaps als een flonkerende saffier omlaag schiet. Zijn scherpziend oog heeft een vischje bespeurd. Nauwelijks raakt hij het water, of weg scheert hij al weer, met zijn prooi in den grooten snavel, om een andere, het water overwiegelende tak op te zoeken als observatiepost.
Wend u even om. naar het Westen, waar de zon nog achter de boom en hangt, en het tooneel is geheel anders. Ge ziet weer over het water, dat zich hier verbreedt, om een zijtak naar de Dinkel te zenden. De achtergrond wordt gevormd door de boomgroepen van het Singravensche park en de lage weiden, waardoor de Dinkel zijn kronkels slingert, met alleen ginds een groepje elzen. 't Lijkt wel een Hollandsch landschap, die vlakke weidestreek, waarop het bonte vee niet ontbreekt.
Lang zoudt ge hier willen toeven, doch wij moeten verder, dat kaarsrechte laantje door. Links vergezelt ons het water, rechts zweeft onze blik over uitgestrekte bouwlanden, om te blijven hangen aan den donkeren boschrand van het Nieuwe Werk, aan welks zoom zich hechten de nederige boerenhuizekes. Beschermend breiden hooge dennen hun armen uit over het verweerde rood der hellende dakenvlakken. Vredig, eenvoudig, liggen ze daar. Vredig en eenvoudig als het volk, dat zij er beschermen.
Weldra wandelen wij, onder hoog opgaand eikenhout, langs de vijvers van Singraven. Allerlei waterplanten groeien daar in. Fonteinkruiden steken hun bloeiaren omhoog. Waterviolieren heffen op slanke stengels hun étagevormige bloeiwijzen boven het water uit. Blaartrekkende boterbloem en hoog Watertorkruid betwisten aan Vlotgras en Partijke licht en lucht. Ja, je kunt het treffen, dat je er bloeiend Kroos vindt. En dan bloeiende Waterpest. Dat is wel een interessante geschiedenis met dit plantje. 't Hoort hier niet thuis; 't is een indringer uit Noord-Amerika, dien ze hebben laten ontsnappen uit een botanischen tuin in ons waterrijke Holland, een zestig jaar geleden. Binnen korten tijd heeft Elodea (dat is haar Zondagsche naam) gansche gebieden voor zich veroverd, en nog steeds gaat de plant voort, op vreedzame wijze nieuwe landstreken te ‘bezetten’. Ja, zij verbreidt zich zoo sterk, dat de scheepvaart er hinder van heeft. En dit is te merkwaardiger, als ge weet, dat de plant in onze wateren nooit vruchten voortbrengt. Zij is n.l. een tweehuizige plant, waarvan de mannelijke (meeldraad-) vorm hier geheel ontbreekt. Alleen de stamperbloemen zie je hier. De plant laat ze op glashelder rose steeltjes als bootjes op het water drijven, zooals je hier op dezen vijver ziet. Maar geen nood, ook zonder vruchten redt de Waterpest zich; een klein stukje stengel is reeds instaat wortel te schieten, knoppen te vormen, en zoo voor de voortplanting en verspreiding te zorgen. Hoe hinderlijk dit gewas ook is, het weet de afvalstoffen van dieren, die het water vuil en troebel maken, te gebruiken tot opbouw van eigen lichaam, om zoodoende bij te dragen tot de zuiverheid van het water. Aquariumbezitters weten van deze eigenaardigheid profijt te trekken.


Fragment van: Wandel- en fietskaart van Denekamp en omstreken (1930)

Nog een ander merkwaardig plantje, doch interessant alleen voor de gelukkige bezitters van een microscoop, kun je hier vinden. Het is het kogelwier Volvox , een eencellig plantje, behoorende tot de groote groep der kiezelalgen, dat zich een pantser heeft gebouwd van kiezel, net een glazen bolletje van de fijnste sculptuur. Bewonder het onder 't microscoop, dit kunstwerk der natuur. Maar hoe het in handen te krijgen? Je moet het opvisschen met een heel fijn zijden netje, dat je door 't water haalt, en in welks punt zich dan allerlei kleingoed verzamelt. Dit spoel je uit in een glas water. Van deze massa leg je dan kleine druppeltjes onder 't microscoop, en wat je dan ziet, zal je verwachting overtreffen. Natuurlijk heb je, behalve de kleine algen-kolonie Volvox. allerlei ander klein goed gevangen, 't bekijken en bestudeeren overwaard.



Doch verder; er is nog meer te zien. Allereerst het huis Singraven met zijn mooie perken en breede gazons, waar je in groote kuipen decoratieve planten ziet staan: Palmen, Yucca's, die in warme zomers een groote aar van roomwitte leliebloempjes omhoog schieten; Agapanthussen met hun lintvormige bladeren en forsche schermen van blauwe bloemen. Het geruisch van vallend water doet ons haasten. Daar ligt de watermolen, een der meest ydillische plekjes om Denekamp. Waar vóór den molen het water door een stuw wordt opgehouden, heeft het zich verbreed tot een wijden vijver. Daar is bijna geen stroom in te bespeuren, vooral op Zondagen, als het molenrad van de Zondagsrust geniet. Dan ligt het breede vlak zoo roerloos tusschen de hooge eiken, die er zich in weerspiegeld zien. Slechts nu en dan verbreekt een spelend vischje de rust van den gladden spiegel, maar spoedig zijn de golfkringetjes uiteengeëbd, en ligt alles weder in onbewogen kalmte te droomen.



Wordt de waterstand in dezen molenvijver te hoog, dan heeft de mulder, als hij tenminste zelf het water niet noodig heeft, slechts een schut op te trekken, om een nieuwen weg te openen voor het Dinkelwater, Dit stroomt dan bruisend door een zijtak, de Z.g. Omdinkel, die zich door lage weiden kronkelt, onder voortdurend afknagen van de oevers, om zich bij 't Harseveld voor het Kanaal met den moederstroom te vereenigen.
Wandel nu eens vlak bij de raderen van den molen langs, over den planken vloer, en kijk naar de muren. Allerlei kruiden hebben zich tusschen hun voegen genesteld. Het levermos Fegatella conica bedekt heele vlakken van den grijzen Bentheimer steen . ‘t Lijkt veel op zijn verwant: Marchantia polymorpha, waarvoor een leek het misschien zou houden. Ook op het balken- en lattenwerk tusschen de waterraderen hebben nog allerlei lagere planten, voornamelijk algen en mossen, zich gevestigd, en gedijen er goed, bevochtigd als ze voortdurend worden door de spattende droppels.



Hoeveel eeuwen zingen die wentelende raderen niet haar rusteloos waterlied ! Reeds in de middeleeuwen wordt de molen van Singraven genoemd. De lotswisselingen der havezathe heeft hij trouw gedeeld. ‘Hier spreken de steenen: in de kaden herinneren niet minder dan 13 grijze wapensteenen ons aan de Wisselvalligheid van het aardsche bezit en aan de stadige worsteling van den mensch tegen het rustelooze stroomgeweld’ . (ter Kuile].
Nu om den molen heen, naar het kleine, oude bosch er achter. Daar zie je de Dinkel geheel anders. Schuimend en bruisend stort haar water zich van de raderen in den Molenkolk, om daarna met nieuwe kracht zich voort te reppen, noordwaarts. Een smal, maar diep dal heeft het zich uitgeschuurd. In het Molenboschje zelf vind je nog een ouden, haast dichtgeveenden Dinkelarm. Reeds lang heeft de stroom dit bed verlaten; waarschijnlijk hebben menschen hier een handje geholpen.
Maar nog een ander, interessanter bosch ligt hier dichtbij, aan de overzijde van de Dinkel. Wijlen de heer Roessingh-Udink heeft het om zijn zeldzamen plantengroei voor de bijl gespaard. Het is een hoekje, waar planten en dieren ongestoord hebben geleefd, eeuwen lang; waar alleen de natuur gezaaid en gemaaid heeft. Onder de oude, knokige eikreuzen groeit een dichte mengeling van hazelaren, lijsterbessen, braam en ruigte. De vochtige bodem is bedekt met ’n dikke, bruine bladerlaag, voor 't grootste gedeelte verteerd en één geworden met den humusrijken ondergrond.
Dergelijke bosschen vindt men als kleine hoekjes hier en daar verspreid nog wel meer in Twente. Men kent ze direct aan den ondergroei van wilde planten, die een niet-kenner altijd over het hoofd ziet. In April heft daar de zeldzame Gagea Spathacea (Geelster) zijn puntige sterretjes boven den donkeren bodem. De Primula's bloeien er met hun trossige schermen gelig goud. Muskuskruid vertoont er zijn kubusje van groene bloempjes. Anemonen wuiven er hun rose en paarse kelken. Het ijle Gierstgras steekt er zijn punten omhoog.



In Mei komen daarbij de Salomonszegel met zijn slanke veeren; het zeldzame Heelkruid (Sanicula) met zijn lage schermpjes; de nog zeldzamere Rapunzel (Phyteuma spicatum) met zijn puntig aartje van allervreemdst gevormde geelwitte bloempjes.



De kleine Bosch-Wederik kruipt er over en langs het weinig betreden pad. En Ranunculus auricomus is er volstrekt niet zeldzaam. De Vogelnestorchis bloeide er in 1917 in drie exemplaren. Een keur van bloemen, waar de botanisten uit Holland van watertanden en gaarne een dag reizens voor over hebben, groeien hier op een paar honderd meter broederlijk naast een. Hier in dit nooit gekapte en nooit omgezette bosch, hebben de veteranen uit het plantenrijk, die de woelige bebouwde plekken van ons Vaderland mijden, een laatste schuilplaats gevonden.



Een 500 eeuwen geleden, toen het ijs zich uit deze streken terugtrok en den bodem kaal, verwoest, eenzaam als een woestijn achterliet, heeft het nog millenniën geduurd voor heide en bosch door de natuur gezaaid en opgegroeid waren. De wind, het water en de vogels brachten er de zaden van allerlei planten uit de bosschen van Midden-Duitschland en deze oude, oeroude flora is het, welke zich op enkele plekjes in ons land heeft kunnen handhaven.
Een dergelijk hoekje grond noemt men een Natuurmonument. En evenals de monumenten der menschen getuigen van vroegere grootheid en onze bescherming verdienen, zoo ook wenscht men voor de monumenten der Natuur bescherming en waardeering. Amerika heeft zijn nationaal Park, Zwitserland heeft zijn typische Alpentafereelen, Duitschland zijn Lüneburger heide, door Rijk en Heemschut beschermd en ook Nederland - al kwam het achteraan - heeft zijn Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten.



Een natuurmonument is ook dit oerwoud aan de Dinkel. Wat een bloemen, wat een vogels! Ik moet nog noemen het Boschviooltje, Gele Doovenetel, Springzaad en Doornzaad. En aan de overzijde vonden wij eenige jaren geleden een groote struik van een zeldzame varieteit der Verfbrem (Genista tinctoria).



In den winter vliegen er 5 soorten meezen en goudhaantjes. Zij doen mij denken aan Gezelle's:

‘Twintig meezenvoetjes
hippelen in 't groen
zurkelende zoetjes
zoo de meezen doen.

Sprongen, rechte en kromme
doen ze elkander na
oppe, neêre en omme
ga en wederga.

Hoort ze vijzevazen
altijd even stout
reppen, roeren, razen,
weg en weêre, in ’t hout’.

In Mei hoort ge er den Nachtegaal, de Boomklever, de Boomkruiper, de Bonte Specht, Fitis, Tjiftjaf, Braamsluiper, Fluiter, Zwartkop, Wielewaal, Boschrietzanger, Grasmusch en Tuinfluiter. Hoe is daar te genieten op alle tijden van het jaar. Het is een tempel der Natuur, die het menschenhart even zeer weet te ontroeren als een zaal vol schilderijen of 'n donderend orkest.
De schoonheden van de Natuur - het wordt lang niet altijd ingezien! - zijn beter in staat liefde voor de Kunst aan te kweeken, dan een saaie lezing in ‘n rookerige zaal.
De Natuur is de oudste en de jongste, de eerste en de laatste, de meest nabije en de meest intense van al onze leermeesters! Zij is altijd en overal bij ons. Zij beheerscht, zij beïnfluenceert ons, vaak zonder dat wij het weten. En nochtans negeeren wij haar. De Natuur verblijdt, vertroost, sterkt, geneest ons. Aan hare bronnen zich te laven, is een rein genot.
Nu de cultuur van Twente met reuzenschreden naar het toppunt van stoffelijke welvaart streeft; nu de dorre heide en de wilde, woeste gronden alom in cultuur worden gebracht, nu is het tijd te bedenken, dat wij een enkel plekje ongemoeid moeten laten, om te kunnen zeggen aan onze kinderen en kleinkinderen: ‘Zie, zoo was het eens!’ En hierin is de tegenwoordige eigenaar van de Achterhof het zeer gelukkig met ons eens.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen