dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): Langs het kanaal

“Die mi morgen wecken sal,
dat sal der wesen die Nachtigal
die nachtigale soete;
ick wille dan gaen in genen dal
die suvere bloemen groeten."

LANGS HET KANAAL.

De heuvelrij Oldenzaal – Ootmarsum, eens een aaneengesloten bergrug, is door de gletsjers zoodanig gebeukt en uitgeknaagd, dat er een groote doorgang ontstond daar, waar nu het plaatsje Weerselo ligt. Het kanaal Almelo - Denekamp heeft van deze laagte geprofiteerd en zijn dijken voeren ons dwars door moerassen en broekgronden, waar je anders moeilijk zou kunnen komen.
Meer dan een uur gaans lang en breed breidt zich daar het woestenijachtige landschap uit, dat, naar de buurtschappen Tilgte, Volthe en Agelo, Tilligter-, Volther- en deels Agelerbroek wordt genoemd. Rietlanden, gagelvelden, wilgen- en elzenboschjes, moerassige meien met sekgrassen, waar alleen wat paardehooi kan geoogst worden, wisselen af met riet omruischte poelen en zonflikkerende meervlakten. Wild en woest liggen de gras- en waterpartijen tusschen het kreupelhout, afgewisseld met kleine eilanden van zandige keileem, waarop heide en dennen, gagel en jeneverbes in overstelpende veelheid zijn opgeslagen.



Het Volther- en Agelerbroek waren tot voor korten tijd voor mij: terra incognita. Den achtsten Mei 1917 zouden mijn vriend B. (de kunstschilder) en ik er op uit gaan, om het landschap te verkennen. Maar dien Dinsdagmiddag na school was de lucht erg bewolkt en begon het zoetjes te regenen. Half 5 stond de schilder bij ons, onder de noteboom, en keek naar het Westen. Zijn gezicht betrok evenals de lucht en mismoedig kwam het er uit: "de heele lucht zit nog vol van dat natte goedje." Maar 't was heerlijk warm, echt Meiweer, en van Meiregen wordt je groot, zoo troostte ik hem, toen we den straatweg op peddelden naar den kant van Ootmarsum.: hij met een regenjas en schetsboek over 't stuur, ik met 'n keep en rugzak op de schouders, waarin een paar doosjes, kranten, plantenschopje en hamer veilig waren opgeborgen. De roggevaantjes op den groenen dorpsesch slurpten gretig den neervallenden hemelzegen op; de lorkentakken van het Nieuwe Werk leken eens zoo frisch; de berkeknoppen braken los en geurden pittige aromen in de windstille lucht. Pimpels en Zwartkopjes huppelden en buitelden zoo blijde; een Blauwborst in 't rietlandje vlak voor 't kanaal trachtte een nachtegaal te imiteeren; een Boschrietzanger met zijn neef de Sprinkhaanrietzanger deden mede in 't koor der Mei-jubelaars. De stijve ophaalbrug, met zijn recht omhoog gestoken stijlen, waarschuwde ons, dat we hier links moesten afslaan, den zandweg op. Nu lag het blinkende kanaal, met de schuine vlakken der trapeziumvormige dijken, recht voor ons. Het zou onze leiddraad zijn, evenals in Koning Minos' tijd het koord van Ariadne.
Het kleine goedje wat er groeit en bloeit zie je makkelijk over 't hoofd, maar de hooge Mattenbiezen en de fijn vertakte, hier zeldzame Waterscheerling heeft een kenner dra in 't oog.
Zelfs een polletje Vrouwemantel moest ik mijn metgezel nog terloops even aanwijzen.



Een smal pad langs den met karresporen doorsneden dijk was goed te fietsen, alleen had je op te passen, dat je voorwiel niet schoot in een der diepe kuilen, die van afstand tot afstand het pad voor wagenraderen moest behoeden, of bij te veel uitwijken naar rechts een salto mortale te maken, zoo dat je - wel vroegtijdig - een bad kwaamt te nemen in 't kanaal. En dat dit laatste bij geen der twee natuurbewonderende fietsers tot zulk een catastrophe heeft geleid, schrijf ik toe, nu ik dit schrijvende rustig zit te overpeinzen, aan de goede genius, die ons al meermalen uit groote perikelen heeft bevrijd. Pas hadden wij het mooie plekje, waar de Dinkel onder het kanaal door is geleid, gepasseerd, of een wonderlijk mooi en zeldzaam vogeltje merkte ik op in de eiken links van onzen weg. Even afstappen om het Zwartgrauwe Vliegenvangertje aan mijn vriend te toonen. De pikzwarte bovenkant, de sneeuwwitte onderkant, de witte band over de vleugels en het witte voorhoofd, de elegante vorm, het vlugge zwenken en gevlieg van dit vogeltje, het moet ieder opvallen, die met opmerkzaam oog door Gods heerlijke natuur dwaalt op een dag in Mei. Het wordt hoe langer hoe meer in Twente opgemerkt en waren er voor eenige jaren nog maar twee gevallen bekend, dat dit vogeltje binnen onze landspalen had gebroed, die gevallen worden telken jare met een half dozijn - wat Twente betreft - vermeerderd. Men lette er eens op. Zij komen ook gaarne in nestkastjes. Het is een neefje van dat grauwe vogeltje, dat in uw klimop, in uw wingerd. op 'n lat of in een muur, waar een halve steen uit is, gaarne nestelt. Dat heet Grauwe Vliegenvanger en is onder de namen van Lattendekkertje en Wandlappertje in onze gouwen bekend. Onder deze uitleg waren we reeds de Harseveldbrug gepasseerd en boog het kanaalvlak zich bevallig meer Zuid-West-waarts, juist waar een groepje ernstige dennen de wacht scheen te houden. Daarachter schemerde het rood van de boerenhoeve Horsthuis door het groen. Links werden de landen lager, weide “meien" met heggen van hakhout (hazelaar en wilgen) of rijen van hooge populieren gaan daar als scheidsmuren tusschen door. Boompiepers laten zich rustig zeilen onder 'n kanarieachtige zang als een blijde, lustige en kunstige vliegenier in prachtige glijvlucht van uit “hoogere sferen" naar den top van een uitbottende eik. Lang is de weg en recht het kanaal, doch niet vervelend. De malsche regen hindert ons niet. Naar welke kant je den neus ook uitsteekt, overal voel je de welige warmte der weldoende watersproeiïng en je zou je met plezier tot op je hemd willen laten natregenen, omdat mensch en dier naar zoo'n oogenblik al maanden hebben gewacht. De regengordijnen, die wandelden over het veld, zij brachten den zegen des hemels mede. Wijd lag nu de aarde open. Heel ver naar 't Zuid-Oosten kromden de heuvelrijen van de Lutte in blauwig waas. De vierkante toren van Oldenzaal rees als een machtige zuil daar omhoog en wees met zijn spits in de wolken. Rechts naar 't Noord-Westen over struiken en bruine heide en Posbossen rezen de groene heuvels van Ootmarsum en stond de toren hoog uit 'n krans van waaiervormig gegroepeerde olmen. De regen minderde: de vogels begonnen hun avondzang in het getemperde licht. Roodbortjes kweelden, een Boschrietzanger floot en schetterde in het riet en noopte ons tot afstappen; witte ganzen met gele jongen waggelden door geel-bruine carexkraggen. Aan de andere zijde van het kanaal lag de Hunenborg en sagen uit het grijs verleden, zooals van Lennep ze heeft weergegeven in "Onze Voorouders", van Olbers en Barta, doemden in onze gedachten. Hoe hier in deze onmetelijke moerassen voor 1000 jaren al menschelijke wezens woonden! En nog waren we daarmee niet ten einde, of links aan den voet van den weg, kringelde blauwe rook boven een gele tent. Een vrouwspersoon schilde er de sappe wilgengarden, een man vlocht ze tot korven. Dat was een moderne Nomadenstam. Dat zij juist deze plaats hadden uitgekozen.



Een Hei-leeuwerik hing in de loome lucht te klingelen. Een grijze Koekoek schoot in spitse driehoekvorm rakelings ons voorbij en lachte ha-ga-ha, eene afwijking van de bekende koekoek-roep. Beneden aan het kanaal stonden de bosschen van dooiergele dotterbloemen zich te spiegelen in het water. Bloem en blad glommen als hadden zij pas een bad genomen in het nat aan hun voeten. Op den dijk piekten duizenden bleekgele stengels van de akkerpaardestaart omhoog, die in hun ovale sporedragers millioenen sporen bereiden om die te zaaien wijd over het Volter- en Agelerbroek. De mooie bruine leliebloempjes van Veldbies stonden wat lager daar neven. Aan den voet van den dijk tusschen gras en kreupelhout vlamden geel de duizenden primula's of Aprilbleumkes, en wij zagen een boer met een paar dochters een kruiwagen vol
uitsteken.


Fragment van: Wandel- en fietskaart van Denekamp en omstreken (1930)

Wij passeerden den straatweg Rossum - Ootmarsum. Iets verder lag een boschje. De grond werd wat hooger. Bijl- en hamerslagen klonken door het hout. Er werd een loods gebouwd voor een op te richten Steenen- en Pannenbakkerij. In dit boschje, met keileembodem, vochtig daardoor en vruchtbaar, nooit gepoot, maar door de natuur gezaaid, stonden onder dennen en eiken allerlei Twentsche heesters, als Kardinaalshoedje, Gelderscheroos, Wilgensoorten, Gagel en Berken in bonte mengeling dooreen. Braamstruiken, Wilde Roos en Meidoorn vormden dichte hagen om ons den toegang te beletten. Mijn handen droegen nog lang de bloedig-roode sporen van hun krachtig verweer. Voorwaar, deze dorens zouden om het slot van Doornroosje geen slecht figuur gemaakt hebben. Doch wij zijn er in doorgedrongen en kunnen u de geheimen van het boschje ontsluieren: Listera ovata, de Kever-orchis boorde zich door de moskussens van Thuidium; Dalkruid en Salomonszegel hieven hun bloemkoppen al omhoog. De Pinksterbloem bloeide er overal in het fijnste lila, en donker paars. Boschandoorn, Aardbeien, Guldenboterbloem en de zeldzame Sanicula waren overal duidelijk te herkennen. Luzula pilosa en blauwe Hondsviooltjes bloeiden naast elkaar.



En terwijl vlak bij ons de nachtegaal zijn heerlijkste strofen liet uitgolven, lagen wij gehurkt voor de Paris quadrifolia, de Eenbes, dat wonder van zeldzaamheid, daar wij ze alleen in Zuid-Limburg weten te groeien. In de mooiste en rijkste bosschen van de Lutte zochten wij ze tevergeefs. Ik herinner mij nog, dat E. Heimans, Schelts van Kloosterhuis en ondergeteekende daar botaniseerden en Schelts maar aldoor Paris wou vinden en het af en toe uitgalmde: “Paris, Paris, Paris". Leefde Schelts nog, ik zou het hem heden nog schrijven, dat daar in 't Asbroek de slanke Paris staat. Het is een plant der lelieachtigen: langen wortelstok, een rechten stengel van pl.m. 20 c.M ., dan een krans van vier flinke, stevige donkergroene bladen. Uit het midden daarvan rijst een dunner stengeltje met één groenachtige bloem, welke later in een zwarte bes verandert. Zij wordt in u aller bescherming aanbevolen.


Afbeelding: Paris of Eenbes

Wie was Paris? Het was een persoon uit de Grieksche Godenleer, zooals de legende verhaalt, de zoon van den Trojaanschen Koning Priamos en diens vrouw Hekabe. Door zijn schuld gingen zijn geheele geslacht en zijne vaderstad te gronde. Dat kwam zoo. Nog vóór hij geboren werd was het voorspeld, dat Paris ongeluk zou brengen. Zijn vader legde daarom den jonggeborene te vondeling in een bosch. Een herder was daarmee belast. Toen deze na vijf dagen terug keerde, was Paris niet door de wilde dieren opgegeten, doch werd door eene berin gezoogd. De herder nam hem nu mee en voedde hem op als zijn eigen kind. Paris groeide op tot een schoon en krachtig jongeling, die de Koninklijke kudden moest weiden en woonde op den berg Ida. Eens kregen drie godinnen. die op den Olympos een bruiloftsfeest vierden, twist. Daar Eris, de godin der Tweedracht, niet uitgenoodigd was, wierp zij, terwijl de gasten aan den bruiloftsdisch zaten, een gouden appel in de zaal met 't opschrift: "Voor de schoonste". Drie der aanwezige godinnen: Hera, Athena en Aphrodite, deden hare aanspraken op den appel gelden, doch konden het natuurlijk niet eens worden. Zij wendden zich tot Zeus om uitspraak te doen. Hij weigerde echter een beslissing te nemen; immers zou hij zich daardoor de toorn van twee godinnen der schoonheid op den hals halen. Hij verwees ze daarom naar Paris. Ieder der drie godinnen beijverde zich daar, om Paris te bewegen haar den gouden appel toe te kennen. Aphrodite beloofde hem de schoonste vrouw der wereld: Helena, de gemalin van den koning van Sparta. Zij kreeg den appel. En inderdaad heeft Paris later de liefde weten te verwerven van de genoemde Koningin, wat tot den Trojaanschen oorlog aanleiding gaf. Paris wordt door de beeldende kunstenaars voorgesteld als een jeugdige, schoone gestalte zonder baard, en een appel in de hand. die hij aan de godin der schoonheid, Aphrodite, overreikt. Deze geschiedenis kennende, vinden wij de bloem in het Agelerbroek, die als op een schaal van groen Malachiet, het paarse appeltje, omgeven door een krans van edelgevormde kroonblaadjes den spaarzamen bezoeker toereikt, dubbel merkwaardig. Ook onze Paris woont op ’n heuvel, al is het er een, die weinige meters hooger is, dan de omgevende heide, waar de herder zijn kudden weidt. Het Parisbosch op de Paris-hoogte is van een zeldzame oer-wildheid. Het schijnt nooit geplant te zijn. Allerlei heesters en boomen groeien daar in wilde woestheid dooreen, ondoordringbaar voor schennende menschenhand Het is een bosch voor goden en godinnen, voor elven en kabouters. Sleedoorn en doornige Rhamnus, windende Kamperfoelie, slingerende kardinaalsmutstakken, eindelooze bramen en stijve takstaketsels sluiten open plekken in, rijkbegroeid met zeldzame Adoxa's, Sanicula's en blanke Valeriaantjes. Het Salomonszegel heft zijn groene struisveer met de sierlijke bloempjes elegant omhoog, als om koelte te wuiven aan de schoone elven, die hier hun nachtelijken dans uitvoeren. Wij hebben er heel lang gesnuffeld en gezocht, tot de lustige staartmeesjes zich terugtrokken in het veerenrijke nest; tot de grasmusch nog even kwam schetteren op een braamtop; tot de nachtegaal in de avondstilte zijn weelderige klanken liet uitstroomen.



Een wijde heideplas "den Pluzenmörs" lag roerloos als een opalen vloer. De kemphaantjes, de zwarte stern's, grutto's en kieviten lagen te soezen in het hooge heidekruid er om heen. Strenge wachters van Juniperus-struiken stonden als spookgedaanten in het aangroeiend grijs en grauw van den vallenden avond. De zon was ondergegaan in een grot als uit amethyst gehouwen. Het leek een reusachtige gletsjermond, waaruit de zonnestralen als gouden regen uitstroomden en het licht uitgleed in breede gulpen. De lucht bleef zoel. Het was een atmosfeer, die aan een avond in de tropen deed denken. Boven de bergruggen van Oldenzaal en de Lutte kruiden donkere koppen al hooger en hooger. Aan den oever van den plas op den drogen kanaaldijk hadden wij ons tusschen bloeiende brem neergevleid. Als droef en verlaten klaagde een wulp zijn minnesmart. In het jong opschietende riet zong blijder en rijker een Rietzanger en een Blauwborstje. Van verre hoorden wij de tweeledige zang van de Groote Karekiet, eerst een zwaar, laag: "korr, korr, korr" en dan een fijn, schel en hoog: "kiet, kiet, kiet, kiet' ....



Hooger rezen de wolken voor ons: onze heiplas werd grauwer, en als één met de lucht. Lichtglansen vlogen over de kammen en flanken der wolkengevaarten. Heel ver liet zich zacht gerommel hooren. De lichtflikkeringen volgden sneller op elkaar. Dauwzachte regendruppels sproeiden over onze hoofden en tikten zacht op de brem. Duizenden Haftjes die 's namiddags om het meer rondvlogen en daar dienzelfden morgen aan ontstegen waren, rustten met hun teer-gazen vleugeltjes aan de dunste twijgjes. Door de afgrond-zwarte wolken flikkerden bliksemschichten. Een knetterend gerommel vulde de heele hemelkoepel met een ontzagwekkend geluid. De aarde met haar planten en dieren wachtten zwijgend de dingen, die komen gingen. Alleen een eenzame vogel, het “Weerlam”, een watersnip, blaatte door de roerlooze lucht.
Wij spoeden ons naar huis over den donkeren dijk, waarlangs het iets lichtergekleurde paadje nog goed te vinden is. Het lange kanaal ligt als een zwarte vlakte daarneven. De hoofdbui trekt door het Oosten langs ons heen. Wij krijgen alleen wat malsche regen, en het mooie gezicht van weerlicht en bliksemschichten om en door de wolken, die den wijden horizon belegeren. 't Wordt al donkerder. De bremstruiken langs den weg zijn nauwelijks te onderscheiden. Wij hooren de sprinkhaanrietzanger weer en het blauwborstje, die twee nachtzangers, waarbij zich nog uit een ver boschje de verliefde tonen van een nachtegaal paren. Wij komen langs een open water, door riet omzoomd, waar een groote plas vol is - rose en wit - van waterklaver. Nu is daar niets te zien. Wij turen in die richting en voor ons glimmen vonkjes vuur tusschen het gras. 't Is alsof er stukjes hemellicht op de aarde zijn gestrooid. Aardig, die glimwormpjes! Dat die er nu al zijn! Wij zouden er dien avond nog vele zien; het eenige licht op ons pad. Bij de Hunnebrug hoorden wij voor 't eerst weer menschenstemmen. Zwijgend gingen wij voort het lange eind tot de Harseveldbrug. De onuitsprekelijke zoetheid van dezen milden Meinacht hield ons geboeid en wij vreesden door te spreken de stemming en de stilte te verstoren. Op een bank in het Nieuwe Werk, een gemengd bosch van Singraven, rustten wij even uit. Nog altijd regende het. Een nachtegaal hield ons daar gezelschap en wij konden niet scheiden. Pas tegen middernacht waren wij thuis!



Langs het Kanaal gingen we ook op n ' midzomeravond.

"Nu is de maat van 's aardrijks lust gevuld!
Vrucht wordt bereid, bloesems zacht welkend zijgen,
Stil gaat het aan de groene twijgen
al blinken, rood en guld."

Waar de Dinkel onder 't kanaal door bobbelt, pluisden de zilverwitte distelkoppen; was het geel van Pastinaak; Geldersche roos en Lijsterbes vulden den wegberm voorbij Harseveltbrug; blanke waterlelies en roode aren van Tweeslachtige Veelknoop pronkten deftig op het rimpelloos kanaalvlak, dat de avondlucht weerspiegelde. Maanvaren groeide er rijkelijk op de dijkhelling.



Het Koninginnekruid scheen te branden met rosse vlammen. De enkele Valeriaanstengels hadden hun zaad al rijp en het keurig vertakte haarkroontje zou ze met de minste luchtbeweging van huis zenden. De roomwitte Parnassia's stonden bij duizenden op het jaagpad en nog lager, tot vlak aan de waterlijn zich te spiegelen in den "zilveren spegel".



Thijm en Spirea's in dichte gelederen geurden hun pittig aroma over de velden. Guldenroede, Havikskruid en Steenbreek-Bevernel hadden op sommige plaatsen de heele breedte van de weg veroverd. Moeraswespenorchis en Scherpe Fijnstraal stonden langs de Dijkhelling gezaaid. Windende Boekweit slingerde er zich vast om de Hondsroos. Een nest jonge Kwikstaartjes, een zestal, wipten en zwenkten langs den dijk op en neer voor ons uit! Achter de afgemaaide weiden rees de purperen heide en ver, ver lei zich haar vlakte naar den wazigen horizon. De gouden zonne daalde en kreeg een purperen blos. Bij het lage Brugwachtershuisje stonden onder witte berken een paar roodgevlekte koeien te droomen. Op de beemden was een dunne nevel gekomen gelijk fijn gaas. Wulpen en grutto’s keerden terug naar de zeggetoppen in 't Voltherbroek, achter de Hunneborg. De heuvels verwaasden in zilverige misten. Ook voor ons werd het tijd terug te keeren. En ik moest deze avond vergelijken met een andere van Februari, toen wij hier schaatsen reden en de zon veel meer zuidwaarts, even vredig als nu, onderging. De romantiek van dit landschap bleek niet afhankelijk van een bepaald jaargetijde.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen