dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): Nog eens naar Losser

NOG EENS NAAR LOSSER.

Op een mooien dag in Augustus - 't was net Denekamper kermis - hadden we het voorrecht, nog eens onder bij uitstek deskundige leiding naar Losser te gaan, om nieuwe dingen te zien. We dwaalden 's morgens in den Losser esch en de buurtschap de Zoeke rond, en keken vol verwachting wat de 2 M. lange handboor uit den grond naar boven bracht. En 't bleek, dat de zandsteen in den esch op verschillende plaatsen zoo verweerd was, dat ze niet meer op steen leek, doch op tamelijk grofkorrelig bruingeel zand. Na een uur of wat, zakten we naar de Dinkel af, en bereikten weldra den grintweg, die van Losser zuidwaarts naar Gronau voert. De stoomtram begeleidt de straat. Waar de stopplaats Essenhuis is, zijn we dicht bij de Dinkel. Een zandweg brengt er ons. Is dat het heldere stroompje van 't Lutterzand en Beuningen? 't Lijkt op een vuile modderbeek en 't weinige water dat er in is, en dat door geulen in het rivierbed traag voortstroomt, zich hier en daar tot een poel verbreedt, lokt niet aan tot pootjesbaden. Bladeren en stengels van pijlkruid en zwanebloem zijn met een vieze zwartgrijze korst bekleed. Vuile klonters en flarden slik drijven in het water. 't Zijn de Gronausche fabrieken, die de schuld van deze verontreiniging zijn. Gelukkig maar, dat het water zich zelf weer reinigt, en in het Lutterzand weer zoo klaar als kristal is.
De lage waterstand is echter een buitenkansje voor ons; we kunnen ons nu langs den steilen oeverrand laten afzakken, en voorzichtig een deel van de drooggeloopen bedding betreden. Die harde bruine bank daar in den oever is geen zand; ook geen zandoer, waar ze veel op lijkt, doch zandsteen, sterk aan 't verweeren. De laag is hier niet dik; 't is 't onderste restje van het eenmaal veel dikker pak. Wat er boven lag, is door de erodeerende kracht van het Dinkelwater meegevoerd. Dezelfde massa, die we uit den Dinkeloever kunnen losmaken, vormt de bovenlaag van de armelijke weide tusschen de Dlnkel en de tramlijn. De boer, die met dit onvruchtbare steenachtige laagje niet gediend was, is bezig het er af te halen. Hier en daar liggen er nog hoopen van. Ten W. van de stopplaats Essenhuis is een beekje, in den zomer geheel droog. Ook de oevers van deze waterleiding bestaan uit hetzelfde verweeringsproduct van den Losserschen zandsteen. Dat het werkelijk steen is geweest en geen zand, gewoon Dinkelzand, zien we aan de hardere afgeronde brokjes, nog vrij gaaf, die we uit den oeverrand kunnen lossteken.
Dit zoo terloops; nu naar de Dinkel terug! Het drooggeloopen stuk van de bedding ziet er vuil, blauwgrijs uit. We denken eerst, dat dit komt door het vieze bezinksel uit de Gronausche ververijen, maar neen. Als onze leider een schopje vol heeft uitgestoken, en we een proefje van de grondsoort bekijken, blijkt het tot onze verrassing leem te zijn, donker grijsblauwe vette leem met een loodglans. Het is leem uit de Wealdformatie en we staan hier precies bij de scheiding van Weald en Neocoom. Ook in den oeverrand, onder het verweerde zandsteenlaagje, zit die vette taaie leem. Wel wisten we, dat bij Gronau en den Isterberg deze onderste afdeeling van het Krijt in groeven mooi te bestudeeren is, doch dat we het Weald op Nederlandschen bodem zouden vinden, dat was een verrassing. We waren onzen leider dankbaar, dat hij ons op deze plek gebracht had. Maar hij zou ons het Weald nog beter laten zien. Even op de fiets gestapt; het was niet ver.
Een breede, nieuw aangelegde zandweg gaat niet ver van Essenhuis door de Zoeke zuidwaarts, westelijk van de Dinkel. Boerderijen met eschgronden en lage weiden laten we spoedig achter ons, en we zijn weldra op de heide, die ook hier voortdurend inkrimpt door ontginning en huizenbouw. Zacht golvend strekt het bruine kleed zich uit en daalt met een breede plooi af naar het dal van de Glanerbeek. Vlak bij, tien minuten naar 't zuiden ligt Glanerbrug, achter een bosch rijzen de rookende schoorsteen en van Gronau op, aan den horizon de heuvels van Gildehaus. Bij de eenvoudige steenbakkerij (Nijland) stappen we af. Op het veld staat de vrij primitieve oven, daarbij de pas gevormde steenen op droogrekken. Aan de overzij van den weg is een rechthoekige kuil gegraven. Hier wordt de grondstof voor de steenbakkerij vandaan gehaald. De bovenste laag is de ons welbekende keileem, mooie zwerfsteenen liggen op een hoopje. Die keileem wordt op zij gegooid, om de grondsoort te bereiken die er onder zit. En dat is het zuiverste Weald dat men zich kan voorstellen; blauwe en blauwgrijze vaste kleilagen, afgewisseld door hardere mergelbankjes: dat zijn brokkelige bankjes van vergruisde schelpen met leem als bindmindel. Merkwaardig verschijnsel: Op het onderste Krijt uit het Secundair ligt direct Diluvium. Van tertiaire lagen geen spoor. Zijn die hier nooit afgezet, of zijn ze er wel geweest en voordat het landijs kwam weer weggespoeld? Een vraag, die nog op beantwoording wacht. Hier bij Losser is de eenigste vindplaats van het Weald in Nederland. Het ligt niet in 't bestek van dit hoofdstuk, om over deze formatie uit te wijden; de lezer zie het artikel over Gronau-Bentheim-Isterberg verder op in dit boek.
Tien pas van de eerste kuil verwijderd zijn een paar proefkuilen, waaruit nu geen leem meer wordt gestoken. Maar op de heide aan den rand der kuilen liggen hoopen mergel, die natuurlijk geen geschikte specie was voor de steenbakkerij en daarom op zij is geworpen. Spoedig heeft een onzer een schelpje te pakken, een aardig torenvormig slakkenhuisje met vele windingen van 11/2 cM. lengte. 't Heet Melania (= Glauconia) strombiformis. En nu onze aandacht er op gevestigd is, rapen we er tientallen op en brengen er een doosje vol mee voor Natura Docet. Ze liggen alle op de hellingen van den afvalhoop. De regen heeft ze hier uit de massa losgespoeld, en de zon heeft ze gedroogd. Daar ligt nog een ander ovaal schelpje, een dekseltje van nog geen cM. doorsnede, een Cyrena ovalis. Doch Cyrena's liggen er lang zoo veel niet als Melania's.
Even een paar honderd Meter verder fietsen, voorbij het nieuwe St. Olofsklooster, dan links langs een paar boerderijtjes en we staan aan de Glanerbeek, die hier de grens tusschen Nederland en Westfalen vormt. Aan deze zijde der beek staat grenspaal 849, aan de overzij een mooi eikenbosch. Hier gooien we de fietsen tegen een hek, en gaan op de beek af. Precies zoo'n ding als de Gele- of Rammelbeek bij Denekamp. In honderden slingers stroomt het Noordoostwaarts, om bij de boerderij Mulderman in de Dinkel te vallen. Aan den met gras begroeiden oever staan wat lage boschjes en struikgewas. De oevers der beek zijn hier steil en afgebrokkeld, maar we zoeken een steunpunt voor onze handen en voeten aan struiken en boomwortels en staan meteen al in het bed van de Glanerbeek. Wat we verwachten, wordt gevonden; we staan op dezelfde blauwe Wealdenleem als straks. Twee soorten steenen liggen op den drogen beekbodem en in het water: vlakke leiachtige brokjes (kleischalie) en platronde of ovale, gladde bruine steenen. We kennen deze van Gronau: 't zijn zoogenaamde Geoden, kalkconcreties om een of andere kern gevormd. Nieuwsgierig slaan we er een stuk: 't gaat niet zoo gemakkelijk, want ze zijn taai en zoo vast als ijzer. Maar we vinden niets. Hoeveel mooie parelmoerglanzende ammonieten hebben we vroeger bij Gronau uit die Geoden geklopt! Doch hier hebben we geen geluk, al slaan we er dezen middag verscheidene doormidden, onze moeite wordt jammer genoeg niet beloond.



Een vijftig Meter volgen we het beekje stroomafwaarts, dan over een brugje en het smokkelpaadje op, dat langs den oostoever van het stroompje loopt, nog precies op Hollandsch gebied. Waar de steile rand van het bouwland begint, die bij hoog water den beekoever vormt, daar is Duitschland. Spoedig krijgen we meer ruimte, want daar, waar de soliede prikkeldraad-afrastering is, wijkt de grens van de beek oostwaarts af. Onder het draad doorgekropen en naar den waterkant. Ook hier stroomt de Glanerbeek over de Wealdformatie, maar nu zijn 't harde banken, die richels in de bedding vormen. Gemakkelijk slaan we met onzen hamer mooie platen er af, ook liggen er losse steenen genoeg. Uit honderden schelpjes en schelpfragmenten blijken onze steenen te bestaan; meest zijn 't Cyrena's, ook Glauconia's. En bovendien visschen we nog aardige brokjes "Tutenmergel" op, kalkbrokjes met een eigenaardige straalvormige structuur.
Wie weet, wat deze streek bij voortgezet onderzoek nog aan den dag zal brengen? En gegraven wordt er gelukkig nog voortdurend. Een flinke groeve in het Weald - en er zal een Brancasaurus of een Iguanodon te voorschijn kunnen komen. Immers deze vreemde dieren hebben tijdens de Wealdvorming geleefd. In Gronau zijn er reeds meerdere wervels van gevonden, zelfs een volledig geraamte van de Brancasaurus Brancai (Wegner), dat thans in 't Geologisch Museum te Munster prijkt. Ook wervels van den Iguanodon. Wie de skeletten van deze dieren uit Bernissart in het Museum van Brussel heeft gezien, van Sauriers, 9 M. lang, schuin opgericht, met gevaarlijke kaken, zal begrijpen, welk een aanwinst het zou zijn voor de Nederlandsche Geologie, als daar op 'n gelukkigen dag zoo'n monster werd opgedolven!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen