dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): Sterrebosch - Borgbosch

De denneboomen, die als pijlers rijzen,
De beuken slank, met kroon van levend goud
De eikenstammen, die de tijden grijzen,
Staan, als een kerk, die nooit vervalt, gebouwd,
(Frans Bastiaanse)

STERREBOSCH-BORGBOSCH.

Elk menschenkind ondervindt de groote bekoring, die uitgaat van een bosch. Het oprijzen der machtige stammen, die hun takken als sterke armen uitstrekken; de dichte kronen, die geheimzinnig suizen; de struiken, die er beneden in mollige kussens van zijïg mos als te droomen staan; het getemperde licht en de groote rust, die er altijd heerschen, hebben de dichters er toe gebracht, het bosch te vergelijken met een kerkgebouw.


Fragment van: Wandel- en fietskaart van Denekamp en omstreken (1930)

Onze heidensche voorvaderen hebben zich het bosch steeds voorgesteld als de woonplaatsen der goden en richtten daar hun feest- en offermaaltijden aan. Die liefde voor het bosch sluimert heden ten dage nog in ieder mensch, hij moge grove of fijne tastorganen bezitten.Ik heb het bosch bezocht in de Lente, als er de merel en zanglijster floot en er het roodborstje kweelde, ik heb er gedrenteld en gerust als de zomerzon speelde door het loofgordijn en er bloemen geurden in allerlei kleuren en vormen. Ik ben er geweest in den Herfst, als de beuken er bruin staan en de adelaarsvarens geel; zoo veranderd, dat ik het haast niet meer herkende. Ik heb er geloopen bij wintertijd, als een dikke vracht van donzige sneeuw de sparren deed kraken, als het op den bodem één groot, wit dek leek, waaronder alle zomersch leven begraven was. Wie het bosch alleen in de groote vakantie bezoekt en bestudeert, kent het nog niet half. Begin Mei is een veel rijkere tijd. Dan zweven de beuken vol jeugdig groen. De vogels jubelen hun liederen uit in de hooge gewelven, ja, doen ze verre weergalmen boven de toppen uit.



Dan moet ge eens luisteren naar de Tuinfluiter en de Zwartkop, naar de kleine Fluiter, die er van tak naar tak al zingende fladdert in sierlijke lijn; dan moet gij hooren de krachtige vinkenslag, het kwetteren der meezen en de luide roep van den gelen Wielewaal. In den vroegen morgen hamert er de Bonte Specht aan een dorren boomtak; de Boomklever schokt langs de stammen en fluit zijn blijheidskreet: de Eekhoorn vertoont er zijn acrobatische toeren. In ‘t Sterrebosch liggen blank de twee vijvers, die lucht en boomen weerspiegelen. Langs de oevers groeien, tusschen Molinia en Carex, Geldersche roos en Sporkelhout, waartegen de larven der Libellen omhoog kruipen, om zich in een paar uren tijds uit hun eng, vuil omhulsel te werken en dan de lachende zon tegemoet te gaan. Staal- en koperglanzende torren, Calosoma inquisitor, kruipen tegen de stammen op. om er rupsen te verschalken. De Viervlekkige Aaskever, Silpha quadripunctata, zoekt ge er niet tevergeefs.



Het Sterrebosch, zoo genoemd naar de paden, die in sterren met 8 punten te zamen loopen, herbergt weinig zeldzame planten. Het is te nieuw, te veel aangelegd. In een paar hoekjes is de man met zijn spade gelukkig niet geweest. Dat ligt aan de oude Dinkelarm, die sedert ± 1820 afgedamd is en waarin naast veenvorming ook een eigenaardige afzetting van zoetwaterkalk plaats vindt. De bladeren, die er in vallen van de overhangende boomen, worden door kalk omkorst, versteenen als het ware. In het hoekje nu tusschen het groote wandelpad, dat eigenlijk de Dinkeldijk is, en dit stukje oude Dinkel, vond ik in 1907 de zeldzame Monotropa hipopytis (Stofzaad), dat door zijn gemis aan bladgroen op voedselroof aangewezen is. Daar groeien in den Herfst ook de mooiste Paddestoelen, o.a. de Oranje Koraalzwam, de hazenoorachtige Peziza leporina, de kleine Phallus caninus en de z.z. Lentinus cochleatus.



In den herfst, als de beuken haar tooi verliezen, kunt ge de hangnesten van de Wielewalen, zes meter hoog boven het wandelpad, ontdekken. Misschien hebt ge dan ook meer kans den prachtigen IJsvogel in 't vizier te krijgen, die hier steeds komt visschen op de vijvers en de Dinkel. Zeldzame vogels leert ge echter het best ontdekken, als ge luistert naar de zangen en klanken, die buiten klinken.
Dit wil ik er nog wel bijvoegen: zonder bestudeering van den zang, zult ge het in de vogelstudie nooit ver brengen. Daarom in April en Mei herhaald geluisterd.



Wij steken thans dwars den straatweg over. Daar ligt het Borgbosch, ouder, mooier en grooter dan het Sterrebosch. Borgbosch, het bosch van den Burcht. De plaats, waar die eens stond, is nog door de oude gracht aangewezen. De burcht zelf heeft moeten plaats maken voor een boerderij. De groote weide naast de Dinkel, waar edelen en jonkvrouwen zich voor eeuwen vermaakten, ligt op' n prachtige plek naast het hooge bosch. Ook ik heb me daar menige dag vermaakt met ... vlinders vangen. Het was in ‘t begin der verzameljaren. Die groote, bruine vlinders met glinsterende zilverplekken en strepen aan de onderkant, vlogen daar toen bij massa's, zooals ik ze nog nooit weer ontmoet heb. Paarlemoervlinders heeten ze en ze hebben prachtige Latijnsche namen: Argynnis Aglaja en Paphia. Ik ving er verder de Eikenpage met blauwen weerschijn, de Limenitis Sybilla, bruine Melitaea's, Hesperia's en de zeldzame Spilosoma Mendica, waarvan het mannetje bruinzwart en het wijfje sneeuwwit is, beide met een paar donkere stippen. Daar vliegt de groene Zomervlinder, de zwart-roode Catocala sponsa (‘t Karmozijne Weeskind, zeer zeldzaam) en de zwarte Mania Maura (de Spookuil), begeerige objecten voor elken verzamelaar.
In Mei bloeit er het witte Dalkruid bij duizenden. Dan vindt ge overal de gele Hengel en zeldzamer de wasachtige bloemen van Klein Wintergroen; terwijl heel achterin op de heuveltjes der z.g. ’Schans’ het Eénbloemig Wintergroen in een 20-tal exemplaren voorkwam.



Het bosch is daar gerooid. Paarden kwamen en trokken er de zware stammen sleepend over den grond en het treurig gevolg daarvan is geweest, dat ik ze er later niet terugvond. Misschien hebben zich de wortelstokken nog kunnen herstellen en hoop ik over eenigen tijd de zeldzame plant, nog een unicum voor ons land, er terug te zien. Voorloopig moeten we er ons maar tevreden stellen met de pas genoemde, waarbij je nog voegen kunt: Lysimachia nemorum of Boschwederik. de Circaea lutetiana of Heksenkruid, een beeldig bloempje, met de forsche Epipactus latifolia of te wel Breedbladige Moerasorchis en de Gebogen Beukvaren.



Achter het Bosch, een vijf minuten, weet ik nog de Maagdepalm en de Gymnadenia. Op de weiden langs de Dinkel groeit het Trilgras, de Orchis Morio en O. Latifolia bij duizenden, terwijl de welriekende Nachtorchis op de aangrenzende heide er welig tiert.



Het mooist is het Borgbosch in het achterste gedeelte. Dat is vochtig en het lijkt wel een oerbosch. Wild groeit er alles dooreen; de paden worden bijna niet bewandeld. Korstmossen groeien er in alle weelderigheid aan stam en takken. Aan de berken op den heuvel van de ronde mos-sofa groeit zelfs het zeldzame Baardmos. Een dichte ondergroei van allerlei heesters verhindert of bemoeilijkt u den doortocht.



En als de Herfst over 't Bosch gekomen is, zingen we met den grooten, goeden natuurkenner Gezelle:
‘t Is lief en lustig diepe nu
en door den bosch te dwalen;
te zien hoe de oude boomen al
hunne oude schoonheid halen
te schranken uit! wat tijd beleeft
gij, vrienden, die zoo'n vreugde u geeft?

Hier vindt ge de zeldzaamste paddestoelen, o.a. die allervreemdste Doodstrompetten, Craterellus cornucopioides, ook wel Hoorn des Overvloeds genoemd. Ze staan in een grooten heksenkring om den voet van een eik. De Macropodia heft er haar grijzen beker omhoog en de Cordiceps woekert er op de truffels. In het hooge mos staat de langgesteelde Cortinarius armillatus, met roode banden gesmukt, als ware hij een ridder van den Kouseband!



't Is er plechtig stil en schemerdonker. Ik wandel er vaak door die lanen en dreven, en luister naar de wind, die in de toppen der dennen geheimzinnige woorden fluistert. Ik bespied er de Bonte Specht en de wezel, de Zanglijster en de Zwartkop en wie daar al meer huizen in dat ongeschonden brokje natuur. Er zijn er vele en van allerlei slag. Het is er schoon bij morgen en bij avond. En daarom zal niemand, hij moge slechts één procent natuurliefde bezitten, er onvoldaan van huiswaarts keeren.

De avond daalt. In gouden gloed verzinkt de daagsche pracht tot zwarte duisternis. Spoken zweven in de donkere lanen, tot het maanlicht ze verdrijft en op de lichte open plekken in het woud treden de elfen in lichte gewaden ten sierlijken dans.
Menschenkinderen eigen thuis.

‘Nu is er niets dan wijd-gespreide rust,
En 't zachte bloeien van de bleeke maan,
Waarin de huizen en de boornen staan
Als droomesprook, hun schoonheid onbewust’.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen