dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): Geologisch overzicht

GEOLOGISCH OVERZICHT.

De oudste formaties uit het Krijt zoeke men bij Losser en Glane. Weald en Neocoom.
Het Tertiair vooral in de Lutte en bij Ootmarsum; in Lonneker en Borne- Delden.
De verschillende afdeelingen hiervan met hun eigenschappen mogen hier volgen:

Eoceen. Blauwgrijze glauconitische fijnzandige leem. Komt aan de oppervlakte of zit onder een dunne laag zand of keileem in het Roode Veld tusschen de Rossumer beek en de Linder beek. Verder ten W., N., en O. van den Austieberg, hier en daar in de Noordelijke Lutte, en aan weerszijden van den straatweg Oldenzaal-Denekamp ten N. van de Bekspring. Aan den Zuid-Oostelijken rand der Lutter heuvels is het door keileem overdekt; echter treedt het aan den dag in de vallei tusschen den heuvelrug Hooge Venterink-Zwaantje ter eener zijde en den rug Kalheupink-Klieverik-Kruselt ter andere zijde. Het Eoceen ligt dus in een breeden boog om de kern van het Lutter heuvelland heen.
Ontsluitingen: Dinkeloever ten N. van Kampbrug; oever der Linder beek, waar deze door den straatweg Denekamp-Oldenzaal en den weg Beuningen-Rossum gekruist wordt. Verder zuidelijk, waar de wegen door de dennen van Hakenberg deze beek overschrijden (2 plaatsen). Aan de Rossumer beek ten Z. van Halte Rossum. Ten Z. van Austieberg (bij Heupman).
Aan de Spoorweginsnijding bij Koperboer ten W. van wachtpost 31, in den oever der Stakenbeek in de Leemsteeg te Berghuizen, in wegranden ten N.W. van de boerderij Haarman. In de groeve van Smulders te Lonneker.

Onder-Oligoceen. Lichtbruine, lösskleurige fijnzandige leem en leemig zand. Komt aan de oppervlakte in een Zuidwest-Noordoost gerichte breede strook, die ongeveer begrensd wordt:
Zuidoostelijk: Oldenzaal-Kalheupink-Kruisselt-Welhuis-Sanderink.
Noordoostelijk: Sanderink-Tolbult.
Noordwestelijk: Tolbult-Dalhuis-Bekspring, en overschrijdt den straatweg naar Oldenzaal in de laagte der Rossumer beek.
Als ontsluiting is het te zien op meerdere plaatsen in den omtrek van Dalhuis, Belvedère, Harbert en Welhuis, waar weginsnijdingen zijn. Eveneens aan en ten N. van den Bentheimer straatweg in de buurt van het Zwaantje, en ten Z. van Weusthof bij den Tankenberg.

Midden-Oligoceen. Septariën-klei.
Komt hier en daar in de Noord-Lutte aan de oppervlakte. Is te zien in de wanden van voormalige kleigroeven bij Dalhuis en de Belvedère. In het bed van de Rossumer beek, waar deze gesneden wordt door den straatweg naar Oldenzaal.
Ten N. van Hakenberg.
In de groeven bij halte Rossum en Ootmarsum.

Mioceen komt als glauconitisch zand sporadisch voor. Als ontsluiting is het te zien in de grintgroeve van Dalhuis, waar het op Onder Oligoceen rust.
In de weginsnijding bij Harbert rust het Mioceen op Midden-Oligocene Septariën-klei.



Praeglaciaal( Zuidelijk) zand met grintbanken. In verschillende kiesgroeven te zien, zooals op den Austiberg, ten N.W. van den Hakenberg, bij de Belvedère, bij Dalhuis, bij Harbert en Welhuis in de Lutte, op den Tankenberg, bij de groeve van Essenhuis aan den tram Oldenzaal-Losser. Bij Dalhuis (grintgroeve) ligt het op het Mioceen en rust het ook tegen het Onder-Oligoceen. Bij Harbert (weginsnijding en grintgroeve) rust het eveneens op het Mioceen en wordt het overdekt door een overgeschoven laag Onder-Oligoceen.
Bij Welhuis en bij den Tankenberg ligt het op het Onder-Oligoceen. Bij den Hakenberg op het Onder-Oligoceen of Eoceen. Bij de Belvedère ligt het op het Midden-Oligoceen. Bij Essenhuis rust het op het Eoceen en wordt overdekt door een dikke bank keileem, dat daar zeer geplooid is en vaak met het grint door elkaar is gekneed.

Keileem. Komt als tamelijk aaneengesloten formatie voor ten Z. van de heuvelrug Lage Venterink-Koperboer-Zwaantje, en verder N.O.waarts tot Stuthof.
Ten N. van deze lijn komt het eilandsgewijze voor, en schijnt het bijna geheel geërodeerd te zijn.
Het is op verschillende plaatsen in dit gebied in weginsnijdingen te zien, zooals aan den grintweg Beuningen-de Lutte-Losser. Zeer mooi is het Keileem te zien in de grintgroeve van Essenhuis.

Vlak bij de Belvedère is geen Mioceen aangetroffen. 't Dunne laagje is waarschijnlijk reeds geërodeerd vóór 't preglaciaal dil. werd afgezet.
Volgens de opvatting der meeste Geologen danken de heuvels in Twenthe, evenals die van Gelderland en Utrecht, hun tegenwoordige vorm aan glaciale stuwingen, door het landijs uitgeoefend (Staumoränen, Stuwwallen). Wel nemen velen aan, dat er vóór de komst van het landijs reeds plateau-achtige verheffingen aanwezig waren, waarvan de randen dan later door het ijs zijn opgestuwd; maar dat dit praeglaciale bodemrelief het gevolg zou zijn van de “tectoniek" (verschuivingen) en dus een erfenis zou de zijn van de tertiaire tijd, is zeker niet bewezen. Het kan een gevolg zijn van de erosie (door rivieren) na afzetting van het Rijn-Vecht hoogterras. Het profiel op blz. 72 is vermoed door de reeds verrichte onderzoekingen. Het landijs uit het N. komende, oefende een druk uit, waardoor verschuivingen plaats hadden. Het landijs en zijn smeltwaterstroomen namen het Oligoceen weg, dat ten N. van de Belvedère lag. Door den geweldigen ijsdruk werd waarschijnlijk het Eoceen vooruitgeperst en tegen de helling opgeschoven.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen