Posts tonen met het label Delden (1897). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Delden (1897). Alle posts tonen

zondag 19 juli 2009

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Voorwoord, Inleiding (en achtergrondinformatie)

Achtergrondinformatie

In en om Hengeloo, Borne en Delden verscheen in 1897. Aan het boek is een wandelkaart toegevoegd. De auteur is Viator. Achter het pseudoniem Viator (= wandelaar, reiziger) schuilde Hendrik Magdalenus Bruna (Hasselt 8 juni 1840 - Hengelo 10 augustus 1906).
H.M. Bruna studeerde theologie te Groningen en werd net als zijn vader Gerhardt Bruna (1810-1886) predikant. Hij kwam via Hellendoorn, Heumen, Wijchen en Purmerend in Hengelo terecht, waar hij van 3 december 1893 tot aan zijn dood predikant was.
Naast zijn predikantschap verrichtte hij ook veel journalistiek werk.
Wat Overijsselse lectuur betreft, schreef hij in zijn Hellendoornse periode onder het pseudoniem Paganus: Wolfskampen-Dine, een Tafereel uit het Twentsch Volksleven. (Nijmegen, Adolf Blomhert, 1872). Hierin onder meer een zeer gedetailleerde beschrijving van Zwolle (p. 81-125).

Onder het pseudoniem Viator schreef hij in zijn Hengelose periode nog: Het Kasteel Boekeloo: roman uit Twente. (Utrecht, A.W. Bruna en Zoon, 1902) en Anna en Johanna (Nijkerk Callenbach, 1901).

Hieronder volgt nu in hoofdstukken de ongewijzige weergave van In en om Hengeloo, Borne en Delden, te beginnen met het voorwoord van de schrijver.





VOORWOORD.
Op verzoek van den uitgever belastte ik mij met de samenstelling van dezen Gids. Wat zoude ik gaarne nog een aantal wandelingen in het beschrevene gedeelte hebben vermeld en den kring nog wat hebben verwijd, maar ik overschreed reeds de mij toegestane ruimte. Om dezelfde reden moest ook de vermelding van velerlei bijzonderheden, de historie betreffende, achterwege blijven. Wellicht geeft een latere druk gelegenheid, te doen wat nu niet kon.

Ofschoon er geen pad in staat, dat ik niet zelf wandelde met de kaart in de hand, zijn toch verkeerde namen of aanwijzingen mogelijk. Daarom houd ik mij zeer aanbevolen voor de aanwijzing van onjuistheden.

Wie den Gids gebruiken wil, doet het best hem eerst door te lezen, omdat, ter voorkoming van herhalingen, de wandelingen slechts van een kant uit zijn geschreven. Hij zal dan, naar ik vertrouw, blijken een bruikbaar leidsman te zijn door onze schoone streken. Mogen de wandelingen daardoor den lezer evenveel genot verschaffen, als zij 't mij deden, ik zou niet vruchteloos hebben geschreven.
VIATOR.

INLEIDING

Het wordt in ons land gelukkig meer en meer de gewoonte, in stede van in de verte het schoone te zoeken, ook aan de minder stoute, maar daarom niet minder bevallige streken van ons vaderland de aandacht te schenken. En nu vacantie- en uitstapjes-kaarten, rondreis-biljetten en andere goedkoope reisgelegenheden een uitstapje voor meer bescheiden beurzen bereikbaar maakten, zijn verschillende streken van ons land, tot dusver aan het meerendeel onbekend gebleven, de aandacht gaan trekken, die zij ongetwijfeld in hooge mate verdienen.

Zulk een onbekend land is Twente. Jaren geleden, toen 't alleen langs zandwegen bereikbaar was, heette het de Achterhoek, waarvan men alleen wist, dat er veel wild werd gevonden en de Deventer markt wist van de eieren, die er werden aangevoerd en de linnens, die er gesponnen werden in den winter op de eenzame boerderijen door den dorpswever geweven, door de boerin op het grasveld uitgespannen en gebleekt. Later werd het beter, toen de straatwegen werden aangelegd, die in Hengeloo zich kruisten en de diligence van Arnhem op Lingen over Lochem en Oldenzaal reed, even als van Zwolle uit, in verbinding met de boot op Amsterdam, de postwagen over Nijverdal naar Almeloo en Enschede reed. Toch wijst men er in Hengeloo nog den ouden L. Wilmink, die in zijn jeugd een vrachtwagen reed op Amsterdam. 's Maandagsmorgens vroeg vertrekkende om Zaterdag 's avonds laat terug te zijn. Met de straatwegen raakte Twente uit zijn isolement en begon de huisnijverheid plaats te maken voor de fabrieksnijverheid. Maar eerst toen de spoorwegen kwamen en in verschillende richtingen het doorsneden, toen de eene fabrieksschoorsteen voor, de andere na, de lucht inrees en Twente maakte tot het ‘nijvere Twente’, toen had de algeheele ommekeer plaats, die van den ouden Achterhoek een welvarend en belangrijk gewest maakte. Toch bleef er nog veel van het oude bewaard en men behoeft nog niet zoo ver van de brandpunten der nijverheid te gaan om de hoeven te vinden als voor een paar eeuwen, waar zonder afscheiding de boer met vrouwen kinderen, knecht en meid, paarden en rundvee niet alleen onder een dak, maar ook in de zelfde ruimte wonen. Voor een ouderwetschen boer is zulk een ‘lös hoes’, waar hij gezeten naast den haard zijn geheele boerderij, zoover die binnen de muren is, kan overzien en de vrouw, terwijl de meid aan den draaienden kraan den ketel met veevoeder boven het vuur wegdraait, gelegenheid heeft haar oog te laten gaan over haar geheele personeel, de kippen en den hofhond incluis.

Een merkwaardig land is Twente met zijn prachtig eikenhout en zijn uitgestrekte esschen naast op paleizen gelijkende villa's en vorstelijke parken, zijn eenzame heiden en dreunende en gonzende fabrieken; de vereeniging van den ouden en den nieuwen tijd, voor een liefhebber van natuurschoon en den beoefenaar van folklore beide, een bezoek overwaard. Moge onze korte aamwijzing, want een beschrijving durven we deze weinige bladzijden niet te noemen, menigeen aansporen er een bezoek te brengen. Wij durven hem de verzekering geven, dat hij zich zijn bezoek niet zal beklagen.

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Over Oele naar Delden

Over Oele naar Delden

Van alle buurten van Hengeloo is ongetwijfeld Oele de schoonste, om het zeldzaam zware eikenhout, dat er gevonden wordt, voor den kenner een bewijs, dat wij er onder het gebied van Twickel zijn, ook al zagen wij 't niet aan de witte binnenpaneelen der vensterblinden. Een wandeling door die buurt is zeker een der meest loonende uit den geheelen omtrek. Nu zijn er veel wegen die derwaarts voeren en wij zullen eerst een wandeling maken langs den meest genomen weg, daarna hebben wij nog wel gelegenheid op andere tochten te wijzen.


Foto: Gezicht aan de Deldensche straatweg te Hengeloo

Als wij het dorp verlaten aan de Deldensche zijde, treffen wij eerst links van ons de gemeentelijke bleek, waar de nijvere huismoeders, onder de hoede van den bleekersbaas, die bleek en waschhuis van de gemeente gepacht heeft - gelegenheid hebben haar linnen te spoelen en te bleeken in het water der hier langs loopende Berflobeek. De nog bijna nieuwe brug over de beek overgaande krijgen wij aan de linkerzijde twee villa's, de eerste een groot vierkant huis met groote ramen en een open terras er voor, dat op 't oogenblik onbewoond is, en daarnaast de fraaie, nog wel wat kleurige, van den Heer Ekker. Later, als de kleur der steenen wat meer verweerd is, en het hout, dat goed begint te groeien, wat meer opgeschoten, zal dat rustiger worden. Het tolhek doorgaande, krijgen wij langs die villa zich opstrekkend een eikenlaan, dat is de Haaksbergerdijk (tegenwoordig Tuindorpstraat). Ver blijven de boomen ons hier niet getrouw, want weldra wordt de weg bloot en aan de rechterzijde treffen wij tal van arbeiderswoningen, sommige met vriendelijke tuintjes er voor, wij steken den spoorweg over die naar Borne voert, en vervolgen den weg om weldra weder een spoorweg te bereiken, dien naar Delden, en treffen daar een groote boerderij tevens herberg, het Nachtegaaltje, in de wandeling bij het volk beter bekend naar den laatsten bewoner Christjan. De geheele omgeving heet gewoonlijk het Onland. Daar gaat een weg rechts naar den Inval, die Woolde inloopt, evenwijdig met den spoorweg, en ook gevolgd kan worden naar Delden, en een links naar het Lansink. Rechts achter Christjan staan eenige huizen, het uiterste links is gemakkelijk te kennen aan een daaraan bevestigde postbus. Gaan wij nu om den tuin van dat huis heen, dan hebben we recht vooruit een langen weg, die naar Oele, of zoo als 't uitgesproken wordt Eule, voert. Voor aan een paar woningen en dan wordt de weg afgezet met hout. Wij laten nu alle dwarswegen liggen, waarvan de eerste ons links op den weg van 't Esrein naar Kaatjen en rechts ons weder in Woolde brengt, gaan een brug over en treffen weldra een kruisweg, waar de groote weg, die van de Enschedesche straat af en uit Driene komt en doorloopt naar Delden, dien weg kruist en kenbaar is aan een brug, die wij links van ons zien, de brug bij Kaatjen. Aan 't eind van den rechten weg is een steenen brug, en daar maakt de weg een bocht naar rechts. Vlak voor die brug staat een nieuw huisje. Wij zien daar ter zijde eene groote boerderij (de Zegger), die met een eiken laan met onzen weg gemeenschap heeft, en door een tweede juist op den volgenden hoek weer op den weg komt. Juist, waar deze er op komt, gaan wij den hoek rechtsom, volgen den weg over een duiker en krijgen een zessprong, waar een dennenbosch tot toeven noodt. Daar komt een breede weg uit, die van Meyer komt. Wij houden den weg recht uit, tot aan 't eind er van een zware eiken boom ons wijst, waar de weg een ombuiging maakt. Ter linkerzijde zien wij door de openingen van het hout de hooger gelegen eschgronden, komen vervolgens tusschen 2 boerderijen door (Fokker), met eenige flinke eiken, aan de linkerzijde aan een grooten weg vlak tegenover een boerderij, die als alle in zwaar eiken hout ligt. Juist daarvoor slaan wij links af, bereiken een brug en dan volgt een driesprong, terwijl wij op kleinen afstand voor ons de laan zien. Wij konden recht door gaan, dwars door de laan, naar den dikken boom, maar kiezen den afweg. Deze voert ons in weinige schreden langs de vriendelijke onderwijzerswoning achter de school langs, weder naar de laan. Schuin tegenover het punt waar wij uitkomen, treffen wij een boerderij van Twickel, en de laan naar links volgende het kleine gebouwtje der Oele-roomboterfabriek: de Eendracht. Dan gaan wij de brug over de Oelerbeek over, en met enkele schreden treffen wij links eene bakkerij, rechts den weg naar den watermolen, die zich om een daargelegen boerderij heen buigt. De brug overgaande ligt links van ons, de met waterlelie's overdekte molenkolk, waar bontgekleurde libellen en juffertjes stoeien in den zonneschijn. Het water der beek wordt opgestuwd en onder onzen voet bruist het, en als het den molen niet drijft, stroomt het af met groote kracht en spat tegen bet houtwerk van den ouden oliemolen en de fundering van den nog in gebruik zijnden korenmolen, waarvan bet moderne ijzeren rad eenigzins in disharmonie is met de oude omgeving. Deze molen is al zeer oud. Volgens een opschrift in zandsteen uitgehouwen luidende: ‘Anno 1690 sen dese molen uit de grond vernuit door Joost Christjan Beverforde en Judit Margareta van Coverden’, blijkt er reeds voor dezen molen een andere te hebben bestaan, De brug ligt tusschen de beide molens in, van welke de gewezen oliemolen geheel in verval is. Het schoonste gezicht op den molen en het stroomende water heeft men, als men in het gras achter den oliemolen omgaat, en daar aan den oever der beek zijn gezichtspunt neemt, omdat dan tevens de oude eik bij den korenmolen te zien komt. Van dat punt is de molen dan ook reeds herhaaldelijk door schilders op het doek gebracht.


Foto: Gezicht op den Watermolen in Oele

We kunnen, zoo we willen uitrusten, even over de brug rechts, bij Boom daartoe een goede gelegenheid vinden, en dien weg volgende, weer naar Hengeloo gaan, ook tegenover den molen naast de bakkerij is een voetpad, dat weder naar het Onland voert, maar wij vervolgen onzen weg en keeren langs de boterfabriek en school terug, en vervolgen de laan. Halfweg deze, houdt de rijweg op de laan te volgen en gaat linksaf naar den dikken boom.

Wij volgen echter nu het voetpad, vinden een eindweegs verder een vonder dat wij over gaan, steeds het pad houdend en krijgen dan rechts fraaie eiken boomen en weldra een groot eiken bosch. De brug overgaande wordt het weder een rijweg, die zich iets ombuigt, om dan weder over te gaan in een pad. Plotseling zien wij aan 't eind daarvan een paar ontzachelijk groote en schoone eiken aan ‘t begin eener weide. Deze boomen zijn niet zoo dik als de reeds meermalen genoemde dikke boom, maar veel schooner gevormd, ware prachtstukken. Tegenover ons ligt een mooie en groote boerderij, die van Beltman, de kleine Avest, wij gaan schuin door de weide, recht tegenover de boerderij een hek door, en volgen het pad dat langs den esch oploopt, aan den anderen kant door een sloot gescheiden van een weide, met laag hout omzoomd, tot de grond hooger wordt en wij een dennenbosch krijgen. Weldra loopt nu het pad uit op een weg, links krijgen we, altijd in dezelfde richting voortgaande, een paar boerderijen, een eind verder rechts weder eene, en weldra komen we weder onder zwaar eikenhout doorgaande, waarvan enkele woudreuzen onze aandacht trekken, op den grooten weg, den Peppelendijk. Wij volgen dezen dijk. Willen wij niet doorgaan naar Delden maar naar Carelshaven, dan hebben wij even voor de brug in den weg, rechts een weg, waar wij in de verte den schoorsteen van den houtzaagmolen zien, en aan welker begin een nog nieuw huisje met rood pannen dak staat. Houden wij echter den grooten weg, dan treffen we weldra een handwijzer die naar Delden wijst. Wij houden dan den Mors, of algemeene weide rechts, en bereiken spoedig de huizen van den Brink, of eigenlijk den Vossenbrink, (het meer westerlijk gedeelte heet St. Annabrink) gaan onder den viaduct van den spoorweg door en bereiken weldra naar keuze het stadje of 't station.


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Wij konden van Hengeloo uit ook een anderen weg hebben gekozen, die in het begin minder mooi is en meer zandig, maar als wij in Oele komen den anderen ver overtreft. Wij moeten dan van 't Esrein op Kaatjen gaan en gaan dan daar de brug over, krijgen rechts een huis, kenbaar aan 't vele daar liggende hout, als de woning van een houtkooper, daartegenover links een klein huisje Kaatjen en een eind verder weder rechts een herberg van Nijhuis, waar een eikenboom vlak voor het huis staat. Wij gaan den weg recht door, hebben links heide en rechts bouwland, waarachter het bosch begint. Weldra krijgen we een brug waarvoor een viersprong ligt. Als wij op de brug achterom zien, kunnen wij juist den Hengelooschen toren in 't verlengde van den weg zien. De brug ligt over de Woolderbeek en maakt de scheiding van Woolde en Oele. Daar begint het landschap veel boschrijker te worden. Links krijgen wij een dennenbosch en terwijl de weg tusschen elzen hakhout doorloopt krijgen wij al spoedig rechts van ons op eenigen afstand de groote boerderij de Zegger, die geheel in 't hout ligt. Op onzen vorigen weg liepen wij er achter langs, nu voor langs. Aan de overzijde, links derhalve, zien wij mede eene groote boerderij van Olink, door een singel van hooge eikenboomen van den weg afgesloten. Recht doorgaande krijgen wij een 5 sprong. Hier is oppassen de boodschap, want rechtsaf naar de Zegger gaande, zouden we op Hengeloo teruggaan en op den weg uitkomen, dien we reeds beschreven. Links af, kunnen wij om de boerderij van Meijer heengaan, maar te ver door gaande zouden wij in Bekkum komen, ook nog een wijk van Hengeloo, maar tusschen Delden en Haaksbergen gelegen. De vijfde weg, tusschen dien naar Meijer en de Zegger, zou ons bij Fokker brengen bij de school en verder naar Morsegoor bij Delden. Wij gaan rechtuit, het hek door, aan 't eind eener laan en komen in de weide van Meyer. Daar zien wij een eiken boschje ter zijde en naast het woonhuis weder een hek doorgaande, vervolgen wij de laan. De weg slingert nu door eenen fraaien esch. Daar is een kruisweg, maar wij gaan recht door, door den esch. Recht voor ons uit
zien wij een rij boomen en achterom ziende, weder den toren van Hengeloo. Links van ons ligt eene boerderij zeer fraai in 't hout. Den eschweg vervolgend, komen wij aan den weg, die om Meyer heenliep en dien wij afsneden. 't Is weder eene eikenlaan.

Juist op het punt, waar wij de laan bereiken, hebben wij, rechts van ons, een huis aan 't eind van den esch, dat daar tegen het donkere hout zeer schilderachtig uitkomt. Wij slaan rechtsom en richten onze schreden er heen en treffen de herberg van Boom, waar wij een oogenblik rusten onder de veranda, die vroeger een heerenhuis te Hengeloo versierde en hebben dan weldra den watermolen voor ons. Want van onze zitplaats zien wij den molenkolk.
Op de Molenbrug nemen wij nog even een kijkje. Het gezicht op de beek, wegstervend tusschen het hout, beloont zeker de moeite.

Wij gaan nu de laan door langs de boterfabriek en de school tot daar, waar de laan ophoudt rijweg te zijn en overgaat in een voetpad. Daar komt er van rechts de weg op, komende van Hengeloo die wij beschreven, die links doorgaat en dien wij zullen volgen. Wij komen dan aan een brug, en zien vooruit ter linkerzijde een boschpartij en over de brug links een boerderij met een eiken laan ter zijde. De weg loopt door eschgronden, en is afgezet met elzen- en eiken hout: Aan de rechterzijde komen we langs een flinke boerderij, met een keurig onderhouden heg om het geheele erf. Om die boerderij heengaande naar rechts, zien wij aan den weg een grooten eiken boom; weldra door meerdere gevolgd, die een loofgewelf vormen over den weg. In dien weg ligt een brugje, en in alle richtingen hebben wij prachtige doorzichten door het hooge hout. Rechts van ons krijgen wij een dennenboschje met eiken omzoomd. Door dat boschje gaat onze weg. We zijn er nog maar even in, als een weg links het boschje ingaat, de weg recht door voert naar Delden. Die weg in 't bosch is zonder spoor, ten gevolge van de hardheid van den bodem. 't Is er prachtig, de geheele grond in alle richtingen is begroeid met varens en boschbessen, wier lichtgroene bladeren dubbel schoon uitkomen tegen het donkere naaldhout en als dan de zonnestralen spelen door de open plekken, bij avond vooral, is 't er verrukkelijk schoon.

Wij gaan dan links het boschje in, treffen daar twee wegen of paden voor ons als een vork of een V, wij houden de rechterzijde en gaan op den hoek van 't boschje er uit, waar een hek ons in een weide voert, langs wier zoom hooge eiken staan en waar wij een keurig doorzicht in 't hout hebben met een boerderij in de verte. Rechts achter het weiland verrijst weder een dennenbosch. Door een hek komen wij in een tweede weide ook met hooge boomen omzoomd. De rijweg gaat juist langs den kant en kan bij regenachtig weder verbazend vuil zijn. Wij steken de weide dwars over en gaan het andere hek uit en hebben den dikken boom vlak voor ons.


Foto: Gezicht op den dikken Boom in Oele

Deze boom heeft, 1 meter boven den grond gemeten, een omvang van 6,70 M. 't Is de koning der eikenboomen. Want telt Oele er een groot aantal, waaronder fraaiere dan deze, in omvang wordt hij door geen van allen overtroffen. De boom staat eenigzins op een hoogte en biedt, als wij er ons onder neervleien, een fraai, schoon wat beperkt uitzicht. Tegen ons over ligt de boerderij, waarbij de weide behoort, een lös hoes, voor wie er nooit een zag zeker der moeite waard om te zien en wij kunnen er, als wij dorst hebben gekregen een glas melk koopen. Als men het treft, dat de groote schuurdeuren openstaan, ziet men van onder den boom door het gehee1e huis heen de ramen in den voorgevel.
't Is jammer, dat van dien reus der wouden de dagen geteld zijn. Een jaar of 4 geleden werd hij door den bliksem getroffen, waarvan de wonde wel geheeld is maar het lidteeken nog zichtbaar en sedert is er in den top veel dood hout gekomen.
Als wij onder den boom zitten en de boerderij recht voor ons hebben, hebben wij rechts een mooie dennenpartij. Daar tusschen door vervolgen wij onzen weg. Weldra krijgen wij nu een rechten weg, die uitkomt op den Peppelendijk. Wij kunnen dezen houden en dan onzen koers nemen op 't station van waar de trein ons te Hengeloo terugbrengt, of op Carelshaven gaan, gelijk we boven schreven, of ook teruggaan tot de laan en van daar op Hengeloo volgens den eerst bewandelden weg.

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Van Borne naar Delden

Van Borne naar Delden

Wanneer wij van Borne naar Delden willen wandelen, kunnen wij drie wegen kiezen, den eenen meer oostelijk over Buren, den anderen meer westelijk over Azeloo en een derden daartusschen in. Wij kiezen den laatsten en verlaten Borne, bij de villa van den heer Meijling, den spoorweg overstekend. Wilden wij naar Azeloo, wij zouden tegenover de villa van de heeren Spanjaard, aan den Almelooschen straatweg, langs diens koetshuis hebben kunnen inslaan en zouden dan ten westen van 't Station een overweg hebben gevonden, Die weg leidt langs het Israëlitische kerkhof en is een zonnige weg door de heide. Wij willen dan maar liever een kleinen omweg maken en kiezen den reeds genoemden overweg, beoosten het Station.


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Dadelijk over den spoorweg treffen wij de machinefabriek der firma Ledeboer rechts, en vervolgens de weverij, vroeger van de HH. Kleijn en Ledeboer, nu toebehoorende aan eene vennootschap en den naam dragende van Bornesche stoomweverij en ververij. Nu volgen aan de rechterzijde twee heerenhuizen, waanvan het eene, bewoond door den heer Kleijn, een aaadig trapgeveltje heeft. Aan de linkerzijde zien wij een fabrieksschoorsteen op enen kleinen afstand van den weg, dat is het tichelwerk, de steenbakkerij van den heer Morselt, waar men een ringoven heeft, zoodat men voortdurend kan bakken. Een weinig verder staat, rechts aan den weg, aan een plas, door de Bornesche jeugd 's winters als ijsbaan, 's zomers als zwemkom gebruikt, een klein onoogelijk gebouwtje met een schoorsteen. In elk ander deel des lands zouden we meenen een klein stoomgemaal te hebben, maar dat verwachten we hier in de heide allerminst. Toch is 't er een. Maar even als een Hollander onder eenen watermolen verstaat een molen, die 't water wegmalen moet en men in Twente daarentegen er eenen molen onder verstaat, die door water gedreven wordt, zoo is ook dit stoomgemaal niet bestemd, om den plas leeg te malen, maar dient alleen, om in tijden van droogte, als de fabrieken der HH. Spanjaard gebrek aan water hebben, deze van uit dien plas er van te voorzien. De weg was vroeger een min of meer verharde zandweg en wordt nu in goeden staat gebracht. Zoo ver hij op Bornsch gebied ligt, is hij van een daar langs loopend voetpad afgescheiden door paaltjes, waar deze ophouden, begint de weg eigendom te worden van Twickel. Wij volgen dezen weg, rechts en links met dennen afgewisseld. Al spoedig krijgen wij een vijfsprong, rechts gaat een weg naar Azeloo, links naar Buren en bet Schild, tusschen den weg, dien wij afkwamen en dien naar Azeloo voert de weg door het Bornesche Veld in de richting naar Zenderen. Wij zien dan ook al spoedig in de verte een rood dak tegen 't bosch afsteken aan de linkerzijde, dat onder Buren behoort.
Daar begint de weg van Twickel en houdt Borne op. Wij krijgen eene eikenlaan, waar wij onder door, ter zijde de rossige heide zien en fraaie partijen en krijgen weder een afweg rechts naar Azeloo, dien wij zullen onthouden.

Den weg vervolgend, treffen wij daar ter zijde rechts in 't bosch groote hoopen steen en en puin. Daar laat de eigenaar van Twickel, als er geen ander werk voor de arbeiders is, steenen tot puin stukslaan, om er de wegen mede te verharden en daar de Twentsche steen over 't algemeen hoog rood gekleurd is, kan men de wegen die er mede zijn bewerkt gemakkelijk kennen. We zullen er verschillende ontmoeten. Daarop volgt een weide, die 's winters als ijsbaan wordt gebruikt door de Bornesche jongelingschap. We krijgen dan zeer kort van elkander twee bruggen, waar de beide beeken naar Azeloo stroomende, onderdoorloopen en bespeuren dat wij meer en meer het kasteel naderen. De boomen worden grooter, de dennen aan den weg worden ware woudreuzen, die kaarsrecht omhoog zich verheffen en links en rechts van ons breidt het bos er zich uit. Wij kunnen bijna de verzoeking niet weerstaan er in af te dwalen, maar volgen nu echter den weg en krijgen een brug over de Twickeler vaart. Steeds houden wij hooge denneboomen langs den weg van welke sommige scheef over de aangrenzende sloot hangen. Bij een open plek komen rechts fraaie boomgroepen in een weide in 't gezicht. De weg buigt zich nu S-vorming dicht langs de sloot, die met palen en een ijzeren stang is afgezet. Nog een huis ter rechter zijde en wij zien voor ons den handwijzer aan de groote laan, waar wij op uitkomen juist tegenover den moestuin.

Wij gaan nu links af, merken eerst nog den weg op die langs den moestuin loopt en naar den Watertoren en Hoogspel voert en gaan langs de fraaie tuinmanswoning de laan af naar Delden. Weldra is de weg niet meer door een muur - maar door een fraai ijzeren hek begrensd en wij hebben de wildbaan van het eigenlijke park ter zijde, waar wij groote troepen herten zien grazen, tot wij rechts van ons het kasteel zien verrijzen. Daar tegenover ligt de groote boerderij en een eind verder een paar vriendelijke huisjes Alpha en Omega geheeten, grootendeels onder klimop verscholen, en wij zijn aan 't eind der laan. In een uurtje is van Borne uit het stadje te bereiken.

Willen wij niet den kortsten weg gaan maar een fraaieren, dan zouden wij den weg kunnen kiezen over Azeloo. Even nadat de weg van Twickel begon kregen wij een kruisweg. Die voert links naar Buren, rechtsaf juist, waar een paaltje, ‘verboden toegang’ verbiedt het hout nevens den weg te betreden, voert een weg naar een boerderijtje (Bokdam), waar een hek den weg afsluit om 't vee in de daarachter gelegen weide tegen te houden, juist bij dat hek is een eikenboom, een tweede weide volgt met mooie boomgroepen, ter wille van 't vee afgerasterd en de weg leidt verder over een nieuwe brug over de Oelerbeek weder in een weide met eikenboomen omzoomd en ook hier en daar met afzonderlijke boomgroepen en voert door een hek op den Azelooschen weg.

Linksaf gaande zouden wij al spoedig den Azeloosche watermolen, den Noordermolen hebben bereikt en rechtsaf gaande zouden wij langs de vroegere havezaten Dubbelink en Graes achter om den Azelooschen esch zijn gekomen, die hoog gelegen ons een zeer schoon uitzicht op Borne geeft en waar een weg links ons naar de school voert. Maar dat zon ons nu te ver voeren. Wij gaan tegenover het hek, waar wij den weg bereikten een pad in dat ons dwars door een heideveld met dennen aan de ‘Schipvaart’ of Twickelervaart brengt. Daarlangs vervolgen wij den weg. Linksom gaande kwamen wij langs die vaart op den zelfden weg naar den Molen uit. Die weg langs de vaart is een rijweg en zeer schoon, de vaart zelve ligt tusschen hoog hout, meest dennen, en daar de weg hoog oploopt langs den zoom der vaart, die wij links in de diepte houden, terwijl rechts over het bouwland twee boerderijen, de een geheel in 't hout de andere meer open zich aan ons voordoen, de reeds genoemde havezaten. De weg loopt nu van de vaart af en brengt ons op een langen weg, rechts afgaande zouden we spoedig de school ter rechter zijde krijgen en kunnen dan daarlangs een weg inslaan, die ons in de eigenlijke buurtschap brengt.
Willen wij de wandeling in die richting verder uitstrekken, dan kunnen wij den weg vervolgen, die ons weer achter in den esch brengt, op sommige punten een mooie holle weg en zoo om die buurtschap heengaan of ook , voor de school langs een driehoek omloopen, die een fraai landschap te zien geeft.

Wij gaan nu linksom en bereiken al spoedig een brug, de Almeloosche brug, over de vaart. Daar komen 3 wegen samen, de eene, een roode weg, met puin verhard, naar Almeloo, de 2e, de weg van Azeloo, die wij afkwamen en daartusschen nog een 3e, die 't veld ingaat.
Den rooden weg vervolgend, tusschen dennen met mooie doorzichten en rechts en links veldwegen door de Berghuisbraak. Weldra houden de dennen op en begint zwaarder hout te komen, een zijweg links voert weder naar den Watermolen, de weg is hier omzoomd met lariksen, die echter weldra vervangen worden door zware eikenboomen en daar begint het bosch. Reuzenbeuken verheffen loodrecht hunne stammen hemelwaarts en welven hun bladerdak over den weg; wij maken eene kromming en hebben de lange laan voor ons.
Als we nog even omzien, zien wij, dat daar ook 2 of eigenlijk 3 wegen samenkomen, de weg van de Almeloosche brug rechts, een andere, die afvoert in de richting naar Bakkenhagen en daartusschen een naar eene boerderij, Kamphuis, die juist aan 't eind van den weg voor ons in 't hout zich opdoet. Die tweede weg loopt achter de Deldener esch om, terwijl 't begin der laan ook dezen ter zijde houdt.

Dadelijk aan 't begin der laan krijgen wij rechts een groep forsche eiken. Even verder ligt een heuvel met jong opgaand hout beplant, de berg, in den esch en dan krijgen wij links twee vierkante vijvers.
Tegenover den tweeden vijver, juist als de straatweg begonnen is en den rooden puinweg heeft vervangen, ligt eene groote keisteen ter zijde van den weg. Een krans van eikenboomen is om hem heen geplant en hij draagt tot opschrift: Getrokken door 12 paarden ben ik uit Azelo gekomen 23 February 1845. Niet onwaarschijnlijk is het de deksteen geweest van eene oude heidensche offertafel of van een steenen graf, zoo als men die in Drente bij Eext vindt. Wij kunnen nu de laan vervolgen, langs den moestuin van het kasteel, door een muur van den weg gescheiden en komen dan weer uit op het punt, waar de gewone weg van Borne op de laan komt. Achter dezen steen over den Berg gaande, krijgen wij rechts voor ons het erve Wannink, de modelboerderij van Twickel. Daarbij staat een groep van 3 zeer zware eikenboomen. Daaraan is nog een historische merkwaardigheid verbonden. Naar de overlevering wil, zouden daar in den tijd der Hervorming hagepreeken zijn gehouden, zij heeten: de heilige eiken.


Foto: Gezicht op de Watermolen in Azeloo

Wij hebben een paar malen den Watermolen of Noordermolen genoemd en die partij is te schoon, om er niet even heen te gaan. De molen zelf is een vierkant gebouw en werd, toen het scheprad nog in wezen was, waarvan nu de overblijfselen ons aan de vroegere bestemming herinneren, gebezigd als oliemolen. De boeren uit Azeloo en de nabijheid lieten er hun oliezaad slaan en in de stilte van het woud klonk de dreun van den stamper. Nu behoort ook dat tot het verledene en de molen dient als bergplaats, maar is gelukkig voor het landschap gespaard en even als die van Oele herhaaldelijk het voorwerp geweest van de belangstelling van schilders, die hem op doek of paneel hebben vereeuwigd. Wij hadden van de Almeloosche brug aanstonds er heen kunnen gaan, doch nu wij zoover de laan reeds zijn opgewandeld, zullen wij, even voorbij den grooten steen gekomen, links afslaan. 't Is een gemakkelijk te kennen roode puinweg. Na enkele minuten krijgen we ter linkerzijde een boerderij met eikenhout ter zijde en een weide er voor, waar wij onder de boomen een tafel met glazen er op en stoelen er om heen zien staan. In het huis is boven de voordeur een steen ingemetseld met den naam Möllinkswoner. Wij toeven er even en de boerin sehenkt ons een glas melk en als wij den weg vervolgen, hebben wij met enkele schreden den molen voor ons, die aan de eene zijde geheel met klimop begroeid is. Schilderachtig ligt het gebouwtje daar aan den waterkom tusschen de twee bruggen, over de Twickelervaart en de Oeler beek, in de schaduw van de hooge boomen, in alle richtingen een prachtig rustig landschap aan ons oog vertoonend. Op dit punt komen verschillende wegen bijeen. De eene weg gaat langs de vaart op, Noordwaarts en verdeelt zich dan rechts doorgaande naar Azeloo langs het punt, waar wij uit de weide op den weg kwamen, links zich ombuigend tot vlak voor de Almeloosche brug bij Lamaker. Een andere over de brug over de vaart zijn wij afgekomen en brengt ons bij den grooten steen en over de beek gaande, den weg vervolgend, zouden we op den weg van Borne naar Delden zijn uitgekomen. Ook als wij weder over de vaart gaan en den laatst ons nog overblijvenden weg kiezen, komen wij op dien weg uit juist voorbij de brug. We konden zelfs nog een eind afsnijden, wanneer wij over een vonder, rechts van ons, het pad volgden, dat zou ons al spoedig nabij de groote vaart op den zelfden weg hebben gebracht en eveneens bij den handwijzer op de laan hebben doen uitkomen.

Nog een weg van Borne naar Delden mag niet onvermeld blijven, die over Buren, een buurtschap tusschen beide plaatsen gelegen aan de zijde van Hengeloo. Wij konden ook van deze laatste plaats uit derwaarts wandelen als wij bij Welberg op den Bornschen straatweg insloegen of als wij bij Asveld den zandweg namen, die ons eveneens op dezen weg zou hebben gebracht. Wij zouden dan even voorbij een boerderij, met een heg om den tuin, waar een slagboom over den weg ligt de beek zijn overgegaan en vervolgens den spoorweg bij het daar staande wachthuisje, om dan dadelijk rechtsom te slaan, (rechtuitgaande zouden wij bij 't Hof van Holland op den Deldenschen straatweg komen). Wij konden ook even voor de spoorweg den breeden grasweg rechts verkiezen, die daar verder paralel met den spoorweg loopt en over een volgenden overweg ons over dezen brengt. Wij volgen den eerstgenoemden weg tot wij een brug overgaan. Rechts van ons hebben wij een wit huis, het Schild, en daar langs gaande zouden wij, bij Klaas aan de brug langsgaande, den Bornschen weg hebben bereikt. Even voorbij het Schild komt ook de weg van Borne op dezen weg uit, die juist buiten het dorp van den straatweg naar Hengeloo zich afbuigt en langs de Lemerij loopt. Er is nog een korter pad, dat ingaat naast de villa van den heer S. Spanjaard en over den Steenoven loopt en iets verder op den weg naar Buren uitkomt.

Als wij dan de brug bij 't Schild over zijn en linksom gaan, krijgen wij een dubbele laan voor ons uit. Aan den weg ligt links eene boerderij en de weg slingert zich door eschgronden en boerderijen tot een tweesprong, rechts, langs een dennenboseh, komt het pad van Borne op den grooten weg. Weldra zien wij voor ons een jachtpaal van Twickel op een 5sprong tegen den esch staan. Wij kunnen de beide wegen langs den paal gaan maar kiezen den linkschen, waar in de verte het hooge hout ons wenkt. Daar bij dien paal hebben wij nog een mooi uitzicht op Borne.
De weg gaat eerst tusschen laag hout, dat den esch aan ons oog onttrekt en als de weg open wordt, zien wij achter den esch een achtergrond van dennenhout, links krijgen wij eene boerderij, terwijl de opgolvende esch rechts een schoon uitzicht biedt en weldra krijgen wij voor ons eene groote boerderij. Dat is Buren, dat aan den geheele buurtschap zijnen naam gaf, een zeer oude boerderij, een der grootste ‘losse huizen’ die men vindt en welker bewoners u pachtbrieven en pachtboekjes van 4 eeuwen zouden kunnen toonen. Daar gaat de weg langs weiden met de prachtigste boomgroepen, die men zich denken kan, met doorzichten in alle richtingen, die verrukkelijk zijn. Vlak voor deze boerderij verdeelt zich de weg, links gaat op Carelshaven, rechtdoor komen wij uit op het punt, waar wij van Woolde uit de dennenlaan van Twickel insloegen; de 4e weg gaat in de richting van Borne. Wij houden dezen weg, maar kunnen niet laten, telkens te blijven staan, even om ons heen te zien. Zulk een wonderschoon landschap als dit hebben wij er nog geen gehad op alle onze wandelingen, prachtige boomen, eiken en dennen en wilgen, rechts - links hoogopgaande eschgronden en afdalende weiden, aan alle zijden omzoomd met dennenbosch, waar donkere eiken en zilveren wilgen op den voorgrond treden - ginds in de verte, rechts voor ons uit een eiken boomgroep en daar langs den zoom der weide gaan wij door langs het dennenbosch, dat daar straks den gezichtseinder afsloot.

Nog eenmaal willen wij omkijken om een laatsten blik te werpen op dit eenig schoone landschap, met zijn weiden met roodbont vee, grazend of zich strekkend in de schaduw der knoestige eiken, die in een waterplas zich spiegelen, aan alle zijden heerlijke doorlichten biedend; op die golvende eschen met dennen omzoomd, wier zwaargevulde halmen zich wiegelen in den avondwind, op al dat schoons, daar in een kort bestek bijeen dat onze pen niet naar waarde beschrijven kan; nog een laatsten blik en langs het dennenbosch komen wij voor een weg. Recht voor ons herinnert ons een verbodpaaltje, dat wij op Twickels gebied zijn, als hadden ons dat niet de prachtige eiken verteld. Wij konden rechts gaan om Burinkhoek heen, krijgen Borne rechts ter zijde; tusschen een dennenbosch links en een eikenboom rechts gaan wij door, laten een paar zijwegen ter linker, van welke de eerste ons bij het kasteel zou brengen, liggen en hebben den weg van Borne naar Delden voor ons, juist tegenover den weg naar Bokdam. Wij kunnen nu links naar Twickel en Delden of rechts naar Borne wandelen.

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Delden

Delden

Wij hebben dien naam al zoo menigmaal genoemd als eindpunt of rustpunt op een onzer wandelingen van Hengeloo of Borne, dat het tijd wordt het stadje met zijne omgeving zelf wat nader te bezien. Het stadje, want Delden is niet alleen eene oude stad, maar heeft met Vollenhove, Almeloo en Doetinchem gemeen, dat het officiëel steeds Stad-Delden heet, ter onderscheiding van Ambt-Delden, dat het geheel omringt, behalve aan den oostelijken kant, waar 't in de richting naar Oele aan Hengeloo grenst. De gemeente Delden (Stad) beslaat slechts 500 H.A. (het Ambt meer dan 8000) en heeft, behalve de stad alleen, de buitenbuurt Vossenbrink en St. Annabrink. Door de eerste kwamen wij op onzen weg van Oele.
Delden is zeer oud. Reeds in 1118 wordt er melding van gemaakt, het lag toen echter op een andere plek, want in 1322 gaf Frederik van Sierck, bisschop van Utrecht, aan het verplaatste Delden dezelfde rechten, die het vroeger bezeten had en elf jaar later verleende bisschop Johannes III (Johannes van Diest) het dezelfde rechten, als Oldenzaal had. In 1583 werd het door de ruiters van Pruist verbrand. Het stadje bestaat uit eene flinke straat, deel uitmakende van den grooten weg van Hengeloo naar Goor en daar zich verdeelend naar Lochem-Zutfen en naar Deventer, voor het oude Twente de stad. Rondom is Delden omgeven door tuinen, waaromheen een doorgaand pad loopt, dat door een paar wegen weer met de hoofdstraat verbonden is.


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Als wij van 't Station komen, treffen wij aanstonds links daarvan zulk een pad, dat ons door een aantal tuinen midden in de plaats brengt op de Markt.
Wij kruisen dan eene straat, waar op den hoek het Post- en Telegraafkantoor staat, terwijl even vroeger wij rechts de stoomweverij van de firma Schrader Schneider Teyert & Co. zijn gepasseerd en in de verte de fraaie villa van den Notaris van Delden zien. Op die Markt staat een zeer fraaie monumentale fontein of pomp. Op een voetstuk van hardsteenen met een zandsteenen basement staat de pomp, die in een lantaarn eindigt. Rechts en links zijn leeuwenkoppen aangebracht, waaruit een straal frisch water te voorschijn komt, als men een der handels aan de achterzijde neerdrukt. Aan de voorzijde en de beide zijden prijken de wapens van Delden, Twickel en Heeckeren van Wassenaer. Aan de voorzijde staat een opschrift: ‘Dankbare Hulde van het Bestuur en de Burgerij van Stad-Delden aan Dr. R. F. Baron van Heeckeren van Wassenaer voor de door hem in de gemeente aangelegde waterleiding. Nov. 1894.’
Deze pomp is den 3en Dec. 1894 onthuld, gelijk het opschrift aanduidt, uit erkentelijkheid voor de waterleiding, die aan Delden een 16tal standpijpen schonk, waaruit men drinkwater verkrijgen kan en onderscheidene brandkranen. Op die waterleiding komen wij terug, als wij Twickel bezoeken.


Foto: Gezicht op de Lange straat te Delden

Vlak achter die pomp staat de Hervormde Kerk, door een ijzeren hek en het plantsoen, waarin zij staat, van de straat gescheiden. 't Is een fraai oud gebouw. Blijkens een opschrift boven de lage deur, werd de eerste steen gelegd in het jaar 1463. Als wij binnenkomen in bet voorportaal, zien wij rechts in den muur aangebracht een fraai stuk beeldhouwwerk, waarschijnlijk het dekstuk van een Gothisch monument, met sierlijk lofwerk bewerkt en daarnaast in den muur een groote grafzerk van Johan van Raesvelt, een der vroegere heeren van Twickel en iets verder een zerk, waarin levensgroot de figuur is uitgehouwen van Frederik van Twickel. Beide zerken dragen tevens de zeer goed bewerkte wapens, voorstellende de kwartieren van genoemde Heeren. Aan de overzijde van den ingang is de niet groote consistoriekamer met een kruisgewelf gedekt. De kerk zelf bestaat uit 3 schepen. Het middenschip heeft aan het eene eind het orgel, aan de tegenovergestelde zijde de ruime bank van het Huis Twickel, met een baldakijn gedragen door kunstig gedraaide eiken kolommen, terwijl ook de deur aan de achterzijde, evenals de geheele achterwand van snijwerk is voorzien. De predikstoel, mede van eikenhout, heeft een koperen bijbellessenaar, met het wapen van Wassenaer voorzien, welk wapen ook op de kerkeraadsbijbels is afgedrukt.
Ter zijde achter het orgel is een gedenksteen aangebracht ter herinnering aan den vroegeren predikant, Ds. J. A. de Lorraine Holling, op den 1en Kerstdag 1859, juist toen hij gereed stond, om voor de gemeente op te treden, plotseling overleden. De vloer der kerk is even als te Borne, gevormd door grafzerken, die voor een deel onder de banken zijn verborgen voor een deel uitgesleten. Enkele, zoo als die van de familie Gewin, zijn nog goed kenbaar. Jammer is het, dat men ook deze kerk heeft opgeknapt met ijzeren ramen, die wel is waar zoowat in Gothischen stijl zijn en met gekleurde glazen versierd, maar toch niet passen bij de omgeving. 't Is te hopen, dat men ze nog eens door betere zal vervangen. Werden daar ramen aangebracht van steen in den stijl der kerk met in lood gevatte ruitjes en deze dragende de wapens der oude geslachten van Twickel en Beckum en Oldemeule en wie er verder ‘goedsheeren’ geweest zijn, wat zou het fraaie monumentale gebouw daarbij winnen!

Aan de achterzijde van de kerk, als wij van de Markt het plantsoen over gaan, staat de Oudste Pastorie. Aan de Markt vinden wij verder het Café Beltman en op den hoek staat het raadhuis van Stad- en Ambt-Delden. Aan de Markt treffen wij ook nog de bekende koekfabriek van van Heek & Co.
Gaan wij nu van de pomp langs het Stadhuis de straat verder in, dan krijgen wij al spoedig links het Hotel de Zwaan van Hemmelder en aan de overzijde eene fraaie villa van den heer Schweigman. Daar houdt het eigenlijk stadje op van dien kant. Wij hadden van 't station ook den weg recht op de Zwaan kunnen nemen. Gaan we nu verder, dan treffen wij verder aan het huis van den burgemeester, dat fraai in 't geboomte ligt en dan aan den overkant het huis van den rentmeester van Twickel, kenbaar aan toren, met een tuin aan de overzijde van den weg, waarin een vijver. V1ak voorbij dit huis komt een weg uit van 't station, die met veelsoortig geboomte ter zijde is beplant en aan den overkant met eene laan voert naar Twickel. Even voorbij den kruisweg treffen wij den Drost van Twente, een veelbezochte uitspanning, op welker groote schuurdeuren een postiljon op een schimmel gezeten, levensgroot is afgebeeld.

Den weg vervolgend, krijgen wij links een huis met zware lindeboomen en kastanjes, waarachter de hoofdlaan van Twickel's kasteel begint, terwijl aan den overkant een weg weer naar 't station leidt. Aan den overkant van den weg staat een schaapskooi, waarvoor een groote wilgenboom. Daar was het, dat onze fotograaf ons een kijkje nam. Wij zijn nu geheel buiten gekomen, links krijgen wij groote grasvelden met fraaie boschpartijen, de weg maakt een bocht, daar hebben wij rechts de Stadsweide, de Deldener Morsch, die door den spoorweg is doorsneden, maar het vee, daar door het hek er ingelaten, heeft gelegenheid onder een viaduct door, den weg te vinden naar het ruimere gedeelte, dat daar achter langs den Vossenbrink zich uitstrekt. Vlak voor de brug krijgen wij prachtige doorzichten door beemd en bosch. Onmiddelijk achter de brug (de Averinksbrug), staat een vriendelijk huisje met kruisramen en met riet gedekt, en voert ons de weg vervolgens door een schoon landschap, langs het lief gelegen Eijsink ter eene zijde en ter andere zijde langs een schilderachtigen boschzoom voorbij den ingang van het bosch naar het Hôtel Carelshaven.

Maar wij zouden Delden bezien en ziedaar, ik bracht u al weder naar buiten. We keeren nu terug en gaan nu bij Hemmelder (de Zwaan) op zijde van bet huis, langs de veranda, het pad in, het wordt weldra een straatweg. Rechts van ons zien wij het bouten rasterwerk van het Park. Wij houden den straatweg nu niet, die zou ons weder naar buiten brengen naar den Watertoren en bet daarachter gelegen Hoogspel, maar blijven de paadjes tusschen de tuinen volgen, tot wij geheel aan den anderen kant van Delden uitkomen, nabij den tol op den weg naar Goor. Als wij nu de straat weder ingaan, krijgen wij rechts van ons het klooster met de daaraan verbonden school, dat met zijn 3-toppigen gevel uit de verte den indruk maakt van een 3tal stadshuizen.
Tegenover het klooster staat weder een R. C. school. Dan volgt naast de school, door een grooten voortuin van de straat gescheiden, waarin zandsteenen vazen en kleurige beeldjes, de R. C. Pastorie en onmiddelijk daarnaast de groote nieuwe R. C. Kerk met haren hoogen toren. Daarop volgt een groote tuin, waarvan de muur voor een deel met klimop is begroeid en dan een groot vierkant huis, waarlangs de weg afslaat naar den molen in den Esch, naar Enter en naar Backenhagen en Almeloo. Het huis is dat van den heer Schweigman. Aan de zelfde zijde der Lange Straat volgt dan na dien afweg de openbare school, iets verder rechts slaat een straat af. waarin in 't geboomte verscholen de Jongste Pastorie. Delden heeft namelijk twee predikanten. Tot 1760 was er slechts één voor die ontzachelijk uitgebreide gemeente maar toen werd door Unico Willem, graaf van Wassenaer en heer van Twickel een tweede predikants plaats gesticht. De straat vervolgende treft ons bij Brunnekreeft links de groote dubbele deur, die toegang geeft tot de deel, een ouderwetsch Twentsch huis, dan volgt het Hôtel Meijer, waarnaast een straat, de Kerkstraat, naar de kerk voert en naar de andere Pastorie en wij zijn weer bij de pomp op de Markt gekomen.

Wij konden nu van de Markt langs de Kerk opgaan, tot wij buiten Delden komen door de paadjes in den Esch, die het stadje aan de N.W.-zijde geheel omringt. Afgesloten ter eene zijde door het Park van Twickel, verderop door de tuinen en vervolgens door de Lange Laan, ter andere door den spoorweg naar Goor, strekt zich de Esch een gezicht ver uit over 't koren, tot het oog stuit op de daarachter liggende bosschen. Aan den kant van het park verrijst de slanke Watertoren van Twickel aan den zoom van den Esch, en den straatweg vervolgend zou die ons langs eene bekende uitspanning Hoogspel brengen, langs den moestuin van het Kasteel op de Groote Laan, juist tegenover den handwijzer naar Borne. Kort bij de stad, ofschoon reeds buiten haar gebied, want wij zijn reeds een paal gepasseerd met het A.D. - S.D., die de scheiding van Ambt en Stad ver¬kondigt, treffen wij den Eschmolen, die daar zeer schilderachtig uitkomt in den Esch. Daarlangs loopt de weg, die in de stad bij de Openbare School begon en die zich juist voor dien molen verdeelt. Een handwijzer wijst ons een weg op Almeloo, die langs Backenhagen voert en zich weer vereenigt met den weg over de Almeloosche brug, de andere wijst op Enter, terwijl men, na enkele schreden op dien weg gedaan te hebben, een dwarspad heeft ter linker zij, dat bij den tol op den weg naar Goor voert. In dien Esch ligt ook de Berg, dien wij van Azeloo komende, zagen ter zijde van de Lange Laan en noordwaarts van ons, de reeds toen genoemde modelhoeve met de daarbij gelegen heilige boomen. Van den Molen kunnen we langs deze weer de Almeloosche brug bereiken.

Achter den Deldeneresch, (waarvan het gedeelte om den molen heen Molenesch heet), die zich tot de Twickeler Vaart of de Schipvaart uitstrekt, volgt weder een buurtschap, Deldenerbroek; waar - de naam duidt het aan - de grond lager is; men vindt er dan ook kleigronden. Deze buurtschap grenst aan Azeloo en ten Noorden aan Bornebroek. Daarin ligt het landgoed Backenhagen, oudtijds Rotgerink geheeten. Het was een havezathe en een der vroegere eigenaars, Johan de Bake, in 1581 gehuwd met Anna Hagen, doopte het naar hun beider namen om. Het ligt halfweg naar Almeloo en is wel eene wandeling waard, zoowel om het schoone hout, dat men er vindt, als om de vruchtbare akkers en weiden. Tusschen den straatweg en den spoorweg naar Goor en over deze heen, ligt de buurtschap Wiene.

De gemeente Ambt-Delden is verbazend groot. Ze strekt zich uit tot vlak bij Goor, waar nog een buurtschap Zeldam ligt en tot nabij de weinig minder uitgestrekte gemeente Haaksbergen, aan welker grens de buurtschap Bentelo en Hengevelde liggen. We zouden er nog heel wat kunnen wandelen. Over den Esch den weg naar Enter, waar wij onderweg bij de in 't hout liggende boerderijen de groote kudden ganzen zouden zien, die er gefokt werden en naar een der nabijgelegen stations gedreven, bij waggons vol worden verzonden. Wij zouden ten zuiden van Oele, weer op Hengeloosch gebied, Beckum kunnen gaan zien, bekend om zijn niet minder schoon hout dan Oele. En daar in Beckum zou men u de plaats kunnen wijzen, waar 't kasteel is afgebroken, eenmaal bewoond door de zusters Maria en Ursula van Beckum - geboren van Werden, - toen levend verbrand om des geloofs wil. Volgens de eene lezing op de Markt te Delden, volgens de andere op het Galgenveld in den Esch, aan den weg naar Goor. ¬
En zoo zouden we om Delden nog heel wat kunnen wandelen. Maar we mogen niet te veel van het geduld onzer lezers vergen en dit boekje niet te uitgebreid maken. Wij hebben daarom oog een hoekje van Ambt¬Delden bewaard tot het laatst en de lezer zal 't met ons eens zijn, dat ‘het leste is ’t beste’, als wij hem tot besluit voeren naar:

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Twickel

Twickel


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Wij hebben dien naam al zoo menigmaal genoemd en al zoo menigmaal wegen en paden, tot dit vorstelijk landgoed behoorende, betreden, dat het tijd wordt met den zetel van den eigenaar, Baron van Heeckeren van Wassenaer, kennis te maken. Komen wij van 't Station dan voert ons een der twee rechtsche wegen naar de laan die voor het kasteel heenvoert en de lange laan heet, die bijna een uur lang is en over den Deldenschen straatweg rechtuit voert tot kort voor de Almeloosche brug.


Foto: Gezicht op de Hoofdingang van de Laan langs het huis Twickel

Van het Hôtel de Zwaan uit, leidt een pad tegenover de veranda rechtuit er heen, n.l. naar de laan. Het pad loopt op bij het rasterwerk dat het eigenlijke Park afscheidt. Voor de brug, bewaakt door een paar kanonnen, hebben wij recht voor ons het ruime voorplein met prachtige bloemen, links, afgesloten door de stallen, rechts, door de koetshuizen. De eigenlijke slotbrug ligt over de gracht, die aan alle kanten de muren van het kasteel bespoelt.
De vlaggestok boven op het kasteel draagt de geel-roode vlag, de kleuren van des eigenaars wapen. Links van het kasteel staat op een der hoeken een zware, vierkante toren, vroeger van een gekanteelden omgang voorzien, thans door een spits dak afgedekt. Het huis, vroeger onder een pleisterlaag bedekt, is in zijn ouden staat hersteld, de roode baksteen met witte banden spiegelt zich weder in zijn oude kleur in de gracht. Boven de hoofdpoort prijkt eene versiering in den renaissancenstijl der 16e eeuw. Men ziet er den gedenksteen der stichting, waarop vermeld wordt, dat de le steen der poort gelegd is door Goossen van Raesfelt, Drost van Twente en zijne vrouw, Agnes van Twicklo. Boven de voorpoort ziet men den zondeval, voorgesteld door Adam en Eva onder een boom, waaromheen de slang zich kronkelt. Daarboven vertoont een gehouwen steen het bezoek der Wijzen uit het Oosten en heel daarboven de ster, die hun den weg wees.
Het huis, dat een schat van bronzen, oude meubelen en schilderijen en eene kostbare bibliotheek bevat, is - ook al is de eigenaar afwezig - jammer genoeg, niet te zien. Het was vroeger de zetel der gevreesde Drosten van Twente en de tegenwoordige archiefkamer in den vierkanten toren was destijds de rechtszaal.
De naam Twickel of Twickeloo is afkomstig van een Westphaalsch geslacht van dien naam. Volgens de overlevering kocht Herman van Twicklo, in 1347 van Berend Hulsger, het huis Eysink, dat meer noordwaarts in de tegenwoordige Wildbaan moet hebben gestaan. Hij bouwde een nieuw kasteel, dat zeer sterk moet zijn geweest. Door erfenis kwam het goed in 1550 aan Raesfelt en in 1676 aan Wassenaer Obdam. Een gravin uit dit geslacht huwde in 1831 baron van Heeckeren van Wassenaar, de vader van den tegenwoordigen bezitter. In vijfenhalve eeuw is het goed steeds door erfenis, nooit door verkoop, in andere handen overgegaan.

Rondom dit kasteel breidt in alle richtingen het Park zich uit. Links en rechts van de brug voor het voorplein zien wij een zwart ijzeren hek met vergulden punten. Aan dat ter rechterzijde is een schel en als wij na 1 uur komen en niet op een Zondag, wordt ons, als wij schellen, dat hek geopend en een der vriendelijke tuinknechts zal ons er door heen geleiden.
Al aanstonds als wij binnenkomen in de open ruimte, die het kasteel scheidt van de Oranjerie, treft ons, de groote rnagnolia ter rechterzijde aan de laanzijde en iets verder het beeld van een worstelaar. Daar hebben wij een laan voor ons van oranjeboomen, zoo groot en zoo veel, als men ze te vergeefs ergens in ons land roeken zal. De aanleg, ter zijde van het kasteel aan den kant der groote oranjerie, die geheel begroeid is en in den voorzomer met tienduizenden roode en witte rozen prijkt, terwijl in den zomer de blauw-paarsche bloemen der Clematis Jakmanni haar tooien, is geheel in den stijl van Lodewijk XIV met boulangrins en broderiën. Aan den achterkant is het kasteel, even als de brug, die toegang er toe verleent, geheel begroeid met klimop. Daar ziet men in den achtergevel het wapen der Wassenaers, dat het jaar 1692 draagt. Voorbij de oranjerie treffen wij weder een beeld, dat van een fluitspeler. V1ak over de brug aan de achterzijde is eene prachtige boomgroep van linden en een bruine beuk, waarin Diana en Apollo in hunne witte gestalten sierlijk uitkomen tegen het donkere loof. Daar treffen wij nog een fraai beeld van een discuswerper aan op ons pad nabij den Koningseik, door Koning WiIlem III bij zijn bezoek in 1862 gepoot. Het breede wandelpad is hier afgezet met een hekje van ijzergaas, dat 's avonds gesloten wordt, om de hazen, die men overal vrij ziet rondloopen of nieuwsgierig opzittende u aankijkend, te keeren van de bloemen. Achter het kasteel is een zeer groote vijver, het Meer genoemd, die zich over een groote lengte door het park heenslingert en waarin de reuzenstammen van eik en beuk, linde en wilg en zoo vele andere houtsoorten zich spiegelen. Wij gaan nu een brug over en zien rechts van ons de 20 H.A. groote wildbaan, die door een hoog rasterwerk van 't park is gescheiden en waarin geheele troepen herten grazen of rustig neerliggen in de schaduw der eeuwenoude eiken of beuken. Daar in de wildbaan staat op een voetstuk een beeld van een leeuw met eene slang vechtend, dat ook uit de lange laan buiten het park zichtbaar is. Naast die wildbaan loopt eene prachtige laan op. Aan 't eind daarvan zou het vroegere Eysink hebben gestaan. Daar zien wij voor ons een hertenstal, waar zij gevoederd worden en schuilen kunnen tegen zeer ruw weder en naast dezen zien wij den ijskelder. Aan den weg rechts staat een ontzachelijk groote acacia, die met hare fijngevormde lichtgroene bladeren de aandacht trekt. De laan, die wij nu loopen, heet nog de Molenweg. Zij loopt recht op den Watertoren aan. Even voor het einde slaan wij den hoek om en komen langs eenen prachtige boomgroep. Vlak achter 't kasteel - de weg langs de brug is verboden - aan de overzijde van het Meer heeft men een prachtig uitzicht op het kasteel en het park er om heen. Werwaarts wij zien, is 't overal in een woord verrukkelijk; de reusachtige eiken met hunne knoestige stammen, de fraaie, gladde beuken, soms geheel gehuld in een mantel van klimop, de omvangrijke kastanjes met hun dicht looverdak, wij zouden niet weten, welke de schoonste te noemen. Den weg vervolgende, komen wij langs de boomgroep achter het huis, waarin Venus, en krijgen een eilandje voor ons met een tentje. 2 hooge populieren, een gewone canadasche en een witte of z.g. abeel vallen in 't oog, evenals een cypres met haar fijne lichtgroene naalden. Vlak op zijde van het kasteel staat een larix, zoo groot als we nooit een zagen en daarnaast een zeldzaam zware esch, terwijl een groote tulpenboom (niet een magnolia als aan 't begin, maar een lyriodendron), ons ter zijde komt, tusschen eenen grooten eik en eenen niet minder reusachtigen beuk door, bereiken wij het hek aan de andere zijde van het voorplein, dan wij er ingingen en bedanken onzen vriendelijken geleider en staan op de Lange Laan.


Foto: Gezicht op het Kasteel Twickel

Dat wij slechts even aanstipten, wat het park voor schoons te zien geeft, spreekt wel van zelf. Wilden wij alleen de verschillende houtsoorten, de prachtige varianten van eik en eschdoorn, de ceders en andere vreemde boomen opnoemen, wij konden er eene bladzijde mede vullen. En dat wonderschoone park, door geen onkruidje in de paden ontsierd, waar overal 't gras in den droogsten tijd in zijn blij groenen tint u tegenlacht, te beschrijven -- het gaat ver boven onze krachten. Wij kunnen niet beter doen dan u raden: Ga het zien.

Dat dat gras zoo schoon groen is, daarvan is voor een goed deel de Watertoren de oorzaak. Hier en daar toch zien wij, aan slangen bevestigd, een rad van Segner zijn fijne druppelstralen er op neder sprenkelen, om straks als 't genoeg gedrenkt is, eenige meters te worden verplaatst. Zoowel die sproeiers als de fonteinen tegenover de oranjerie, zij allen worden gevoed door dien toren.
Allerlei vergeefsche pogingen waren gedaan om door het boren van een Artesischen put voldoend water te verkrijgen.. Tot op een diepte van 560 M. (dat is 5 1/2 maal zoo diep als de Utrechtsche domtoren hoog is) werd geboord door een 8 M. dikke zandsteen laag maar te vergeefs. Op 230 en 434 M. diepte vond men water maar niet in voldoende mate en met zoutgehalte. Na anderhalf jaar met groote kosten en moeite te hebben gearbeid, werd de boring, die door de firma Deseniss & Jacobi te Hamburg, is gedaan, in Augustus 1887 gestaakt. Toen besloot de eigenaar langs een anderen weg water te verkrijgen, door aansluiting aan de Almeloosche waterleiding. Door een buis werd, onder leiding van den Ingenieur Halbertsma, het water gebracht van daar (bij de Almeloosche brug kan men de plaats zien waar de leiding onder de Vaart doorgaat) tot in de kelder van den slanken toren, die op verschillende punten in 't park en ver daarbuiten zichtbaar is. Wij zagen dien toren reeds, toen wij in den Deldeneresch stonden aan den zoom van den esch, juist aan den weg, die van den handwijzer tegenover den Bornschen weg langs den moestuin naar Delden voert.
Wij willen hem echter wat nader bezien en na eerst bij den Rentmeester een kaartje te hebben gevraagd, wordt de toegang ons gaarne verleend. De toren is een waar kunststuk van bouwwerk, van rooden steen opgetrokken, met ornamenten van zandsteen. Het reservoir is uitgebouwd en wordt gesteund door 4 kinderkopjes; kinderen van Graaf Bentinck van Weldam, die met een zuster van den eigenaar van Twickel gehuwd is, een van den ingenieur Halbertsma en een van den rentmeester Bitter, zijn er in afgebeeld. Voorts zijn er twee koppen van riviergoden en twee van waternymphen. Men kan de modellen er van zien in den toren op een der verdiepingen, als men dezen bestijgt. Als wij er binnen komen, zien wij beneden in den kelder en boven in het reservoir het heldergroene water, dat door een machine wordt opgebracht, welke door de Gebr. Stork & Co. werd geleverd en geplaatst. Een trap, welker treden van gehouwen hardsteen zijn en die van een gesmeed ijzeren leuning voorzien is, brengt ons tot het reservoir. Daar doorheen gaat een koker, waardoor een ijzeren wenteltrap leidt en wij bereiken het bovenvlak, dat over den gekanteelden rand een verrukkelijk vergezicht biedt over het geheele park, het bosch en de geheele landstreek. In het midden rijst nog een torentje, dat den vlaggestok draagt. Van hier uit gaat het water en besproeit het park en de wildbaan en brengt lafenis en verkwikking aan plant en dier. De Baron schonk, gelijk wij reeds vermeldden, aan Delden een aantal standpijpen en brandkranen.


Foto: Gezicht op den Watertoren te Delden

We zouden, indien we tot de enkele bevoorrechten behoorden, die vrije wandeling in 't park hebben, van den Molenweg dezen toren hebben kunnen bezien, we zullen nu maar rekenen, dit te hebben gedaan en staan dus nu weer voor 't kasteel.
We kunnen nu langs het Park de Laan inslaan en den weg door het Reef nemen op Carelshaven. Dat is de weg tegenover het kasteel, die als rijweg verboden is. Een mooie weg langs weiland met de prachtigste boompartijen rechts en links. Een boomgroep trekt inzonderheid onze aandacht. Daaronder is een groot granietblok gelegd waarin een gedenksteen bevestigd, bevattende de woorden:

1885-1890.
Zur Erinnerung.
Die Landschaftsgartenkunst ist ein Malen in der Natur; das Werkzeug des Schaffers ist der Spaten ; dasjenige des Erhaltens und Fortbildens die Axt; sie ist der eiserne Zeichenstift des Landschafts-gärtners.
E. Petzold, geb. in Koningswalde in W. 1-1 Jan. 1815, gest. in Blaseiwitz b. Dresden 10 Aug. 1891.

Als wij deze groep hebben gehad, bereiken we welhaast de brug, wandelen nog een eindje door 't bosch en wij zijn op den straatweg bij Carelshaven.
Als wij voor het Kasteel staan hebben wij vlak voor ons, over een weiland heen, den weg naar Buren, dien wij van Woolde uit hebben gewandeld. Wij kunnen daarheen wandelen rechts- de weide en dan de laan ingaan tot juist over de brug, waar wij rechts en links zulk een schoon uitzicht hadden op de beek. Daar moeten wij links afslaan om een der schoonste punten uit het Bosch te bereiken: de waterpartij, die den min welluidenden naam draagt van het Kreeftengat. In dat deel van ’t Bosch staat het schoonste hout. - Wij kunnen ook de lange laan een eindje opwandelen, langs de boerderij tegenover het park. Daar willen wij even de fraaie fazanten bezoeken, welker hokken wij van den weg af kunnen zien en kunnen aan den standpijp op het groote plein onzen dorst lessen. Voor de groote schuur zien wij karren en wagens van Engelsch makelij. Juist tegenover een toegangshek uit de wildbaan naar de lange laan, kunnen wij een weg inslaan die ons weder naar die waterpartij brengt. Daar is 't bosch prachtig, ontelbaar zijn ze, die hooge en forsche zware stammen in alle richtingen om ons en telkens hebben wij banken die tot rusten nooden. Wij vinden daar aan 't begin 3 wegen, de meest rechtsche loopt langs de groote weide met prachtige door- en vergezichten en brengt ons met een brug over de Twickelervaart. Hielden wij dien weg, wij zouden ten slotte bij Carelshaven uitkomen, wij gaan dus over de brug linksom terug en komen dan weer uit op den weg, dien ik den middensten noemde. Ook als wij linksom den derden weg hadden gevolgd, die naar den Bornschen weg afbuigt, hadden wij met een omweg dit punt kunnen bereiken. Overal, vooral ook aan den zoom der weide staan onbeschrijfelijke schoone boomen, beuken, eiken, kaarsrechte masten van dennen, wier kronen zich welven tot een bladerdak, aan alle kanten en overal banken. Langs de weide opgaande, krijgen wij op een punt een bank
met een schoon boschgezicht, waar wij den watertoren in de verte over 't hout zien heensteken.

Als wij den weg vervolgen, zien wij dra op de hoogte, een steenen bank, die staat aan de Noordzijde van den vijver, een tweede in de laagte. Van de hooge bank af hebben wij rechts een weg die naar den Bornschen weg voert en die vooral in 't najaar schoon is, wanneer de grootbladerige Amerikaansche eiken met hun purperen bladerdos prijken; achter ons den weg naar Buren en links af gaat de weg over twee bruggen, waarvan de eerste zonder leuning, de tweede met één leuning voorzien is. Weder een brug, nu een groote, over de Twicke1ervaart en den weg vervolgende langs een boschweitje krijgen wij een groote rij lariksen, die bijna allen krom zich ombuigen, alvorens naar de hoogte te gaan. Zij zochten 'meer licht' en de groote eiken, aan den overkant van den weg noodzaakten hen tot wijken, zoo zij 't wilden vinden. - Op al die wegen is 't prachtig om te wandelen, vooral tegen den avond en in de stilte van het groote woud, zien wij overal hazen (op een wandeling telden wij er 14) rondom ons loopen en spelen, zien wij soms onder de boomen tot vlak bij den weg faizanten, of huppelt een vlug eekhoorntje voor ons uit over den weg, om aan de achterzijde van een stam omhoog te klimmen.
Wij zuden wenschen, u nog uren rond te voeren door al die lanen en wegen, want al zijn er vele verboden en een aantal dwarspaden afgesloten, er blijft gelegenheid te over, voor meer dan een zwerftocht door het altijd schoone bosch, waarvan Craandijk schreef: "Een zwerftocht door Twickel en zijn onderhoorigheden blijft nooit onbeloond".

We hebben voor 30 iaar Twickel gekend, toen was er nog meer zwaar hout dan nu, maar 't was er lang zoo mooi niet. Toen was 't er vrijer en mocht men overal tusschen 't hout doorloopen en was het wonderschoone bosch meer een Urwald. De oude Heer van Heeckeren was gehecht aan zijn boomen, te zeer, zij begonnen elkander te hinderen. Na zijn dood heeft de jonge eigenaar den bekenden Park-Director Petzold laten overkomen en die heeft, gelijk uit de spreuk die hij schreef in 't vreemdelingenboek en die op den gedenksteen vermeld staat, blijkt, er den bijl als teekenstift gebezigd. Bij tientallen zijn de woudreuzen gevallen onder de aks van den boschwerker en treinen vol hout zijn er uit weggevoerd, dat menigeen zijn hart vast hield. Hij heeft licht en lucht gebracht in het schoone maar sombere bosch en de wonderschoone doorzichten geschapen, die ons oog bekoren. Ook het prachtige landschap in Buren. is door hem geworden wat het is. Waarlijk, hij verdient zijn gedenksteen wel.
En als wij dan nu van het Kreeftengat opwandelen in de richting van het huis, dan kunnen wij het paadje volgen langs de schaapskooi, dat ons bij de boerderij op de laan brengt. Wij werpen een laatsten blik op het kasteel, slaan den fraaien weg, alleen voor voetgangers bestemd, in, dien wij den Petzoldweg zouden wenschen te noemen, brengen een laatsten groet aan den hervormer van het bosch en den eigenaar, die den moed had, hem te laten komen en werken en gaan de brug over. Een klein. eindje bosch en wij hebben Carelshaven, waar wij onder den grooten eik willen afscheid nemen.