Posts tonen met het label 12. Om en in Tubbergen (1900). Alle posts tonen
Posts tonen met het label 12. Om en in Tubbergen (1900). Alle posts tonen

donderdag 12 november 2009

Om en in Tubbergen (1)



Reinier Elias Hattink, de auteur van ‘Om en in Tubbergen’ werd in 1842 in Tubbergen geboren. Zijn vader was er predikant. R.E. Hattink studeerde eerst theologie, vond zichzelf niet zo geschikt voor het domineesambt en studeerde daarna rechten. Hij werd advocaat, procureur en later rechter te Almelo. In 1896 werd hij benoemd tot agent bij de Nederlandsche Bank te Almelo. Hij bekleedde vele functies, onder meer die van voorzitter van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis. Hij publiceerde veel over geschiedkundige onderwerpen.
Veel informatie over R.E. Hattink is te vinden in het boek van Martin Paus: De Hattinks en Tubbergen (2002).


Foto: R.E. Hattink (Tubbergen 1842 - Almelo 1909)

‘Om en in Tubbergen verscheen in drie afleveringen in Eigen Haard in 1900. Hieronder wordt de tekst onveranderd weergegeven.



"De breede, vorstelijke eikenlaan met zijn krachtig en toch zoo sierlijk gewelf van takken en bladeren," nog altijd "het sieraad van Almelo", die naar het Jagertje leidt, waar Craandijk (Wandelingen door Nederland 2e dr. blz. 283) uitrustte en daar nog niet ten einde is, strekt zich verder uit en loopt uit in de heide op den weg naar Albergen. Craandijk bezocht deze buurtschap niet, omdat hij eene andere richting uitging en Vriezenveen niet onbezocht wou laten. Wanneer nu iemand van het Jagertje uit de wandeling voortzette, zou hij even buiten deze laan de brug over het sedert gegraven kanaal naar Nordhorn betreden en door een mullen zandweg heen den grindweg bereiken, die van Almelo naar Ootmarsum voert.
In de buurtschap Albergen, gemeente Tubbergen, zou dan aan zijne rechterhand spoedig een eenvoudig heerenhuis met tuin en bijgebouwen zijne aandacht trekken en daar, onder 't lommer der eiken uitblazende, zou hij vernemen, dat hier Röbken's vermaarde cichoreifabriek was; zonder eenige verdere aandacht aan deze plek te wijden zou hij zich voortbewegen naar de plaats, waar eens het klooster Albergen verrees.
Indien ik het voordeel had dezen wandelaar tot gids in deze omgeving te dienen, dan zou ik niet met hem meegewandeld zijn, maar had ik hem, waar de zandweg op voormelden grindweg uitloopt, met een rijtuig opgewacht en zou ik hem op voormelde plek hebben laten uitstappen, omdat we ons hier, naar mijn beste weten, op een plaats met een historisch verleden bevonden.
Hier toch moeten de gebouwen gestaan hebben, door Schoemaker in zijne "korte beschreijving van Over Issel" afgebeeld als het in 1729 nog bestaande "rechthuijs in 't gehucht Albergen in Twent" waarbij hij onder meer aan¬teekende, dat, toen hij in 1671 daar ter plaatse was, hem aldaar een gerechtsplaats werd aangewezen, staande in het open veld, waar de boeren hun rechtdag hielden, dat in het midden een vrij groote, van boven wat uitgesleten, steen stond, die in 1729 nog op dezelfde plaats aanwezig was, waarom heen banken plachten te staan, de boerebanken geheeten, en welke steen omsingeld was van een rij boomen.
Deze boerbank was de plaats, waar de oude bewoners dezer marke in de open lucht hunne vergadering van markgenooten, den höltink, hielden en waar de boeren, als er wat ten gemeenen nutte der marke te bedisselen of te beschrijven viel, plachten samen te komen onder voorzitting van den erfholtrichter of markerichter of wel van den boerrichter. Naar de overlevering wil heeft de groote steen gelegen en heeft de "ronde rijg boomen", door Schoemaker als "seer fraai" en "lustig om te sien" beschreven, gestaan ter plaatse, waar nu de buurtschap-school staat op het plaatselijk zoo geheeten Boerlo. De groote steen is aan stukken geslagen en tot stutsteenen voor gebindten van boerenhuizen aangewend; de rij boomen is verdwenen, bij nacht en ontij door markgenooten als gemeen hout afgehouwen en verbruikt: - niets wijst de plaats meer aan, waar het "ding" gehouden werd en naders weten we niet, dan dat in 1522 volgens het dagboek van den prior van Albergen de plaats der samenkomst van de boeren in de nabijheid van de kapel was.
Waar deze kapel, ook buur- of boerkerk geheeten, gestaan heeft, is niet meer na te gaan: in de nabijheid der voormelde school ligt een: akkerbouwland, de kerkenhoek geheeten.
Deze kerk of kapel bestond in 1634 nog, toen na het veldwinnen der reformatie de predikant van Tubbergen aanbood er dienst in te doen: omtrent hare fundatie is niets anders bekend dan dat in 1371 de pastoor van Ootmarsum aan bisschop Jan van Verneberg een suppliek richtte om in dit deel zijner parochie een kapel te mogen hebben met begraafplaats.

Den grindweg volgende, bereiken we de tegenwoordige parochiekerk van Albergen ongeveer ter hoogte waar eens het klooster stond, welks prior in zijn dagboek van ca 1522 zeer veel wetenswaardigs opteekende van hetgeen dit gedeelte van Twenthe gedurende den Zwolschen oorlog van de troepen van den hertog van Gelre te lijden had.
Aan mijn medereiziger een en ander uit dit dagboek vertellende, hem uitleggende, dat deze inval der Gelderschen, in onderscheiding van een vroegeren, de Zwolsche oorlog heet, omdat Zwolle de hulp van den hertog van Gelre tegen Kampen had ingeroepen en dit de aanleiding voor dezen werd om het geheele overige Overijssel als vijand te be¬schouwen en te behandelen, en hem wijzende waar eens het huis Weemselo gestaan heeft, door Craandijk vermeld in verband ook met eene interessante schakings-geschiedenis, naderen wij het Grobbenhuis of Heringhaven in Fleringen.
Hier stappen we voor den tolboom uit en laten den paardeknecht voortrijden naar het eerste heilige huisje; terwijl wij te voet den sintelweg inslaan door het bosch langs de oude havezathe, nu door den Burgemeester van Tubbergen, Jhr. Mr. von Bönninghausen, bewoond en aan 't eind der allée op den grindweg van Tubbergen naar Weerselo uitkomen; we slaan dan rechtsom en gaan den Fleringer esch op, waar we aan onze linkerhand op een roggeakker een eenzamen eik zien staan, den Kroezenboom.
Deze eeuwenoude boom diende in de dagen, dat de openbare godsdienstoefening aan de Roomschen verboden was, tot plaats van bijeenkomst. Wijlen pastoor Geerdink teekent hieromtrent op: "Het is meermalen gebeurd, dat een der kapelaans uit Halle 3 des nachts liet aanzeggen, dat met het opgaan der zon onder den Kroezenboom de H. Offerande zou opgedragen worden (Als ware de standvastigheid der geloovigen in het hart van den eik doorgedrongen, zoo staat hij thans nog in volle fleur, krachtig en gezond, zeker de oudste in Twente. Dan vereenigde men zich bij duizenden bij dien boom”.



De afbeelding is door een amateur genomen op een tijdstip, dat het koren binnen was en een prachtige namiddagzonneschijn den boom belichtte: de traditionele mesthoop, uit graszoden en stalmest samengesteld, staat rechts op de afbeelding.
Dezen boom verlatende, vestig ik de aandacht van mijn reisgezel op het prachtig vergezicht in de richting der beneden graafschap Bentheim en op de omstandigheid, dat we van Ootmarsum, dat zeer dicht bij ligt, nog zelfs het haantje van den toren niet kunnen zien, en dalen geleidelijk naar den Viersprong, waar de nu ingeslagen weg dien van Almelo naar Ootmarsum kruist. We treffen ons rijtuig met knecht spoedig aan bij Olde Mensink, waar ik naar oud Twentsch gebruik, er een neem en, daar mijn medereiziger niet van den blauwen knoop is, laten we ons de oude klare lekker smaken; want behalve den foesel voor Jan en alleman, heeft de kastelein ook beteren drank naar de smaak van de heeren uit de stad.

Na voor 't "Wèèrdshoes" wat rustig gezeten te hebben, laten we inspannen en rijden over den straks bewandelden Fleringer esch in de richting van het dorp Tubbergen, waar we in 't Zweershuis afstappen. Wie de reis door Twenthe van den "neef van den Drentschen assessor"
kent, herinnert zich het prentje, waarop een danspartij op kermisdag "de vier toer" in dit logement afgebeeld is (Boom. Mijne reis-portefeuille), maar voor mijn reisgezel heb ik wat anders te kijken en te vertellen. We moeten toch 't huis Eschede zien, waar eens de wieg stond van Nederlands dichter Schaepman.

Om en in Tubbergen (2)

Eschede, de Eeshof, ligt ten noorden van en even buiten de kom van het dorp: in die richting opstappende gaan we langs het gemeentehuis, de tot dit doel verbouwde school mijner kinderjaren. Dit was de door iedereen bezochte dorpsschool, waar aan jongens en meisjes door elkaar gewoon openbaar lager onderwijs gegeven werd, waar Herman Schaepman, evenals ik, naar Prinsen's methode geleerd heeft op de vraag: "waar graaft de landman het land mee om?" in koor te antwoorden: "met de spa... aa. . .a." Hij gewaagt in het interview (Elsevier’s Maandschrift 1896, p. 357 vlg.) nog van den zeer goeden ondermeester, die talen kende, aan wien wij veel verplicht zijn, maar ik weet van een vroegere periode zonder ondermeester te vertellen, toen een eenvoudige, hoogbejaarde man geheel alleen stond voor alle klassen in een school met leemen vloer en gebrekkige luchtverversching, waar schoolverzuim meer regel was dan schoolbezoek en de tucht nog door een zwiepend twijgje gehandhaafd werd. 't Was nog onder de onderwijsregeling, die toeliet, dat op een gemengde school een gemengd gebed gedaan werd; en ofschoon de schooljeugd voor het overgroote gedeelte uit Roomsche en voor een handjevol uit Protestantsche en Israëlitische kinderen bestond, had niemand er eenig gemoedsbezwaar tegen, dat een Protestantsche meester hier een gebed las. En wanneer om 12 uur de dorpsklok "middag" luidde, kon men op school den uitroep hooren: "meister, het lòdt ; za'k di'j 't biddebeukken kriegen?" en de daad bij het woord voegende, haalde een der grootere jongens het gebedeboekje uit de kast, drukte dit het schoolhoofd in de hand, wiens onderwijs abrupt eindigde en die nu een gebed voorlas, waarop alle kinderen amen zeiden en de school leeg liep. Voor ons, die
door het schoolverzuim der massa slechts bij horten en stooten klassikaal onderwijs kregen, was er geen andere uitweg om voldoend onderwijs te genieten, dan dat onze ouders ons door bovenbedoelden "ondermeester" buiten de schooltijden om privaat onderwijs lieten geven in de vakken der lagere school en bovendien in geschiedenis, Fransch en Duitsch. En ik kan mij begrijpen, hoe reeds toen het begrip is ontstaan, later tot overtuiging gerijpt, dat aan het schoolverzuim - hoe dan ook - een einde behoorde gemaakt te worden, eene overtuiging, die dr. Schaepman, als afgevaardigde ter Tweede Kamer voor zijn geboortestreek, deed stemmen voor de leerplicht-wet.
Eene persoonlijke herinnering uit onzen gemeenschappelijken schooltijd is een litteeken boven op mijn linkerhand van een messteek, op het pleintje voor de school - èene niet-overdekte speelplaats - mij vóór schooltijd toegebracht, waarvan het bloed geen kwaad bloed zette en waarvan de meester zelfs niets gewaar werd.



Onmiddellijk hierbij lag de oude, aan St. Pancratius gewijde, parochiekerk. Deze kerk is vóór vijf jaar afgebroken: ze was ten deele, van den toren tot het koor, ofschoon door verbouwing misvormd, nog de oude in 1336 genoemde kapel, die, nadat de bijbouw van het koor en de bouw van den toren voltooid waren, in 1575 tot parochiekerk verheven was met Schildthuisz als eersten pastoor.
De toren, tot opbouw waarvan in 1502 zekere ten Goorkotte en vrouw testamentair beschikt hadden, is uit Bentheimer steen opgetrokken en was tot 1840 nog eenige meters hooger: eene instorting van het bovenste gedeelte heeft de spits doen vervangen door een torentje, waarvan de stijl niet past bij het zestiende-eeuwsche steengewrocht : het ingangsportaal van dezen toren, die krachtens de staatsregeling van 1798 geacht wordt aan de burgerlijke gemeente te behooren, ligt aan de nauwe in 1642 aangelegde dorpsstraat, maar verdient om zijn stijlvolle bewerking de aandacht des voorbijgangers. Van de torenstoep had de afkondiging der Grondwet van 1848 plaats, na klokgelui, voorgelezen door Schaepman's vader, den burgemeester van Tubbergen, geparanymfeerd door diens vader, den oud-burgemeester van Haaksbergen.
De Pancratiuskerk ging na het intrekken van het accoord van Rozendaal (1632) aan de Hervormden over, die ze, behalve in de dagen der Munstersche overheersching (1672-74), tot einde 1809 gebruikten. Toen ging ze krachtens besluit van koning Lodewijk weer aan de Roomschen over, die ze in Januari 1810 op plechtige wijze in bezit namen, nadat alle meubilair, o. a. orgel en preekstoel, er uit verwijderd was. De tand des tijds had de daarin liggende grafzerk van den in 1610 overleden eersten pastoor, hier boven genoemd, gespaard: bij de afbraak der kerk is deze zerk vernield; toch had men wel een weinig meer eerbied mogen hebben voor de nagedachtenis van een der weinige pastoors in Twenthe, die tijdens de reformatie trouw bleven aan hunne kerk ten einde toe.
Aan den toren is ook nu de nieuwe kerk aangebouwd, die in 14de eeuwsch-gothieken stijl opgetrok¬ken op hoogst onbevallige wijze door een overdekten loop gang verbonden is met het eenvoudige pastoorshuis. De nieuwe kerk werd in den zomer van 1897 ingewijd, bij welke gelegenheid dr. Schaepman de feestrede uitsprak naar aanleiding van de woorden: "Uwe jeugd zal als die van den adelaar worden vernieuwd".



Een paar passen verder staat het eenvoudig kerkje der hervormde gemeente, dat we even binnen gaan om den preekstoel te bezien. Deze preekstoel, in Bentheimer steen uitgehouwen, geeft het uitwendige der oude Pancratiuskerk nauwkeurig terug: hij is vermoedelijk uit den tijd van den eersten pastoor en dan ook de kansel, waarin de tweede pastoor, ten Ham, zijn draai nam, die als pastoor door den deken Rovenius in 1612 getole¬reerd werd tot er beter in voorzien kon worden, gehuwd was en door de calvinistische classis als weinig betrouwbaar behandeld werd. Zijne weduwe bewoonde de weeme nog, toen de eerst beroepen predikant Daniël Bokelman er in 1634 zijn intrek in wilde nemen. Van diens opvolgers hebben er twee te samen meer dan een eeuw de kleine hervormde gemeente bediend en van uit voormelden preekstoel hunne predikatiën gehouden, beiden totdat ze emeritus verklaard werden, Wolterus Dull van 1699-1747 in de oude kerspelskerk en mijn vader van 1841-1896 in het nieuwe kerkje, dat na het verlaten der groote kerk gebouwd en op 3 Maart 1811 ingewijd is.



Den preekstoel bezichtigd hebbende, gingen we langs de Hervormde pastorie op den Eeshof aan: - geen prachtig houtgewas, geen oud kasteel herinnert er aan, dat de heeren van Eschede bijna vier eeuwen lang heeren van den "Hof te Tubbergen" waren: het tegenwoordig gebouw is, wat de benedenverdieping aangaat, uit de vorige eeuw en wat den bovenbouw betreft, uit de tweede helft dezer eeuw: toen de photographische afbeelding genomen werd in 1891, werd het heerenhuis door een vrachtrijder als huisbewaarder bewoond. De aanzienlijke bezittingen onder den Eeshof behoorende zijn bij publieke veiling in veler handen gekomen; het huis met naaste aanhoorigheid, eerst ingericht voor een Roomsche stichting voor verwaarloosde jongens, is voor een paar jaar aan den heer Paehlig, kapitein der mariniers, verkocht.
Dat de oude havezathe niet hier, maar in de nabijheid der kerk op het Rot, moet gezocht worden, meen ik uit het vroeger aangehaald dagboek van Albergen's prior te mogen opmaken, maar met of zonder oude herinneringen, heeft het tegenwoordige huis eene bekendheid in het land gekregen, omdat op 2 Maart 1844 daarin het levenslicht zag Herman Johan Aloysius Marie Schaepman, zoon van den Tubberger burgemeester Theodoor Eduard Johannes Schaepman, vroeger als zoodanig te Hellendoorn, en van Vrouwe Johanna Francisca la Chapelle. In dit gezin werd de reeds gememoreerde "neef van den Drentschen assessor" gastvrij ontvangen en maakte hij kennis met een merkwaardige verzameling van dag-, nacht- en schemeringvlinders met hunne rupsen, eieren en poppen door des burgemeesters inwonenden vader met veel moeite verzameld en later gegeven aan het Britsch-Museum.



Onder het mededeelen van allerlei herinneringen uit den tijd, dat de Schaepman's aan de andere zijde van het dorp op Veldwijk woonden, en uit den gemeenschappelijken schooltijd, wandelden we de nog tot den Eeshof behoorende goederen rond en ik vergat niet te memoreeren dat, toen de dichter in zijn jeugd een vers gemaakt had op de Kermis, men het hoofd over hem schudde en van hem getuigde "datte nig good wies was."
't Werd nu tijd om uit te rusten, en na ons in 't Zweershuis bij Sanne-meuije wat versterkt te hebben, reden we naar Almelo terug, waar mijn reisgezel in den "Gouden Leeuw," maar niet meer onder bestuur van het Leeuwenweeuwtje afstapte, om den volgenden dag nog een paar buurtschappen te bezoeken.

Om en in Tubbergen (3)

We reden tijdig denzelfden weg uit, waarlangs we daags te voren uit Tubbergen teruggekeerd waren. Nu veroorloofde ik mij mijn medereiziger, nadat we den Harbrinkhoek en 't erve Heineman voorbij waren en voordat we den Zuidesch optreden, eenige oogenblikken te doen uitstappen om met mij eenige bunders dennenbosch met loofhout in oogenschouw te nemen, door de Heide¬maatschappij voor mij met de osseploeg omgewerkt en aangelegd. Deze gronden, in 1892 nog geheel heide, waren met andere dichter bij het erve gelegen woeste gronden, sedert ook ontgonnen, bij de markeverdeeling toebedeeld aan den eigenaar van "den Schultenhof", in 1887 geveild, dat eeuwen in handen van den erfmarkenrichter van Eschede en diens opvolgers geweest was.
Op dit erve, in het "losse hoes", de open boerenwoning, waarin huisgezin, vee en pluimgedierte in één rechthoekig vertrek eendrachtig plachten samen te huizen, werd oudtijds de hölting der Tubbergermarke gehouden.
Tusschen den Schultenhof en den straatweg naar Albergen ligt de Monnikenbraak, waar de kloosterbroeders van Albergen hunne "iemekörve" plachten uit te zetten, waar de "witte wieve" spookten en in welker nabijheid voor eenige jaren belangrijke overblijfselen der oudheid opgegraven zijn, in de werken der " Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch regt en geschiedenis" beschreven en afgebeeld.
Na een kort oponthoud reden we verder den esch op, genietende van het prachtig vergezicht naar alle kanten, met den slanken toren der kerk te Vasse en het daar achter liggend heuveltje met eenige schrale berken vlak voor ons, door ons later te bezoeken. Den esch afrijdende, naderen we het dorp, rijden dat door en langs den Eeshof en de bijzondere protestantsche begraafplaats, den weg op naar Langeveen, eene uit de Drieschichtige marke ontstane buurtschap met eigen parochiekerk, in 1851 ingewijd.



Maar bij de Geestersche windmolens aan den grindweg slaan we af en rijden den zandweg in langs het erve Booijink, uit welks tienden Werenolt van Wulflare in 1336 zes schepel rogge gaf voor de hostiën en den wijn in de kapel van Tubbergen, en langs de buurtschapsschool naar den Verremeulenhoek, op de in 1878 herziene stafkaart "Veenmolenhoek" genoemd. In dezen hoek, waar de Molenbeek doorheen kronkelt, zal eens de hof te Geesteren gelegen hebben, in 1268 door Hendrik heer van Almelo van den ridder Nicolaas van Geesteren aangekocht, later het Eylardshuis geheeten, waar de pastoor Leurs van Vriezenveen kerk hield en ging wonen omstreeks 1717.
Vandaar rijden we tot de parochiekerk van Geesteren : uit het Eylardshuis ging de pastoor, die Leurs opvolgde, met zijne parochianen over naar een meer midden in Geesteren op het erve Mensink gelegen schapeschot of schuur met zware balken, dat hij in 1746 tot kerkschuur ¬men mocht toen nog geen kerken hebben - liet inrichten, en die later na de mildere bepalingen omtrent vrijheid van godsdienstoefening, verbouwd werd tot de tegenwoordige kerk, waarin zich nu een orgel bevindt door een Geester¬schen jongen, den orgelmaker Elberink, vervaardigd. Hier geven we den knecht opdracht om alleen terug te rijden op Tubbergen aan en ons nabij het erve Mulstege onder den Eeshof op te wachten, terwijl wij over smalle voetpaden door roggelanden heen op 't dorp aanwandelen, met Tubbergen in 't gezicht, dat van deze zijde gezien prachtig ligt.

Weer in 't rijtuig gestapt, hebben we voor den Eeshof nog een kijkje op het dorp en volgen den grindweg, die naar de Hannoversche grenzen gelegd is, met het doel Vasse en Mander te bezoeken. Een heel eind nog voor het grenskantoor, slaan we in de Vasserheide rechts af een zandweg in, die ons tot nabij de straks gemelde kerk te Vasse voert, en verlaten het rijtuig, na er wat proviand uit genomen te hebben, om het eenige uren later elders terug te vinden. We wandelen eerst het heuveltje achter de kerk op, Kapelaansbergje ook Tutenberg geheeten, waar we ons neerleggen om iets te gebruiken.
En wie zou nu hier kunnen komen en niet gaarne wat hooren van wijlen den oud-pastoor der Lutte Geerdink, die hier in December 1803 op het Geerdinkserve geboren is. Het is om dit erf, dat dr. Schaepman in "een duizendjarig rijk" zijne verbeelding laat spelen, als hij, na Wittekinds nederlaag een vrijen Sakser herwaarts laat vluchten om een anderen levensstaat te zoeken en eeuwig zijn vrijheid en zijn haat te bewaren.

Maar toen in Vasse 's palen
Zijn eigen hof herrees,
Toen weer zijn schouwe rookte
En de eik zijn erve wees,
Toen boog de stoere Sakser
Het ongebogen hoofd

en liet zich kerstenen. Van dezen bleven de nazaten "met ongekrenkte trouwe aan d'eigen grond gehecht" hier wonen, als eigen-geërfden hun "eigen erf bewarend".
Onder deze nazaten - het geslacht is in mannelijke linie op den pastoor van dien naam te Vianen na uitgestorven - behoorde dan pastoor Geerdink voornoemd, een man, die deze streek, hare eigenaardige taaluitdrukkingen en gewoonten, vooral hare oude geschiedenis lief had en van wien het in voormeld gedicht heet:

Stil werkzaam, nimmer rustend
Van hoogen ernst bezield,
Verzaam'lend wat de moker
Der tijden heeft vernield,
Herbouwend wat verdwenen,
Begraven scheen in 't stof,
Opdat weer zou herleven
Der Roomsche kerke lof.

En ofschoon dit laatste wel wat al te veel op den voorgrond treedt in de "Bijdragen tot de geschiedenis van het archidiaconaat en aartspriesterschap Twenthe", uit zijne nagelaten papieren bijeengebracht, heeft zijn arbeid toch een rijke bron van gegevens geleverd voor dien beoefenaar van Twenthe's geschiedenis, die ze met oordeel des onderscheids weet te gebruiken.

Nu wandelen we op de buurtschap Mander aan, langs mooie beuken en eiken komen we in de nabijheid van den eersten papiermolen (stafkaart- en oude benaming) waar we nu een cichoreimolen aantreffen. Als in een ravijn verscholen ligt er het huis met nevengebouwen, mooien vijver en met bloemen bezet weiland: de schitterend witte sterremuur en het zachte blauw van het viooltje verhoogen het landschapsschoon, dat we blijven genieten, als we langs een smal voetpad achter de gebouwen om andermaal bij de Mosbeek komen, die van zelf naar den tweeden ex-papiermolen, nu meelmolen, leidt. De gezichten op dit deel van den weg, vooral op de hoogten achter "Papier-Meijer" zijn mee van de mooisten die Twenthe te kijken geeft. Den zandweg rechts houdende, komen we tusschen rogge-akkers en weilanden door in de nabijheid van het tichelwerk: hier vóór links afslaande, komen we door een hollen weg en over den Hezinger esch ten slotte in het pad, dat door de bosschen heen naar het Hazelbekke (in Nutter, even over de grenzen der gemeente Tubbergen) leidt. Prachtig hout is hier te zien. Dennen, sparren, beuken, gele en bruine, lariksen wisselen elkander af: de watermolen in de nabijheid van den vijver, waarin het water zich verzamelt, maakt deze plek tot een recht lekker rustpunt. In deze buurt en wel bij een vierden, vroegeren wateroliemolen, kan men het in deze streek weinig voorkomend springzaad (wilde balsamine) plukken.
Wij wandelen nu langs den Ruisberg over een veldweg op Luttikhuis aan, gelegen aan den zandweg van Tubbergen naar Ootmarsum, en gaan langs de grafheuvels door het Haarlesche veld op den tolboom aan den voet van den Hezenberg aan, waar we het rijtuig besteld hebben en liggende onder het hout het restant van onzen proviand verorberen, besproeid met een glaasje wijn, dat na de lange en vermoeiende wandeling ons weer opfleurt.



Lassi requievimus ambo, zegt de oude dichter; maar toch had de rust ons niet zoo te pakken, of ik kon hier wat van oude toestanden vertellen, in verband met de pas verschenen "Oudheidkundige Aanteekeningen" van kolonel Ort en een opstel van den heer Molhuysen (Zie: Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren, 1844).
We zijn hier toch zeer in de nabijheid van het Jaagopperveld, op de stafkaart Oppertsveld geheeten, dat even over de grenzen van Tubbergen in de buurtschap Agelo ligt en voor een oude Romeinsche legerplaats gehouden wordt. Vroegere ontgravingen der grafheuvels daar ter plaatse hebben aan dit volk doen denken: de straks gepasseerde grafheuvels nabij de Schans, waarin geen urnen gevonden zijn, worden voor eene begraafplaats van Germanen aangezien. Ik stel mij omtrent deze vraag geen partij, maar wel omtrent de landeweren, in het Jaagopperveld nog zichtbaar en deel uitmakende van die aarden wallen, die door verschillende Twentsche marken heen uitloopen op den Hunenborg in Volthe en mij voorkomen overblijfsels te zijn van een oud defensiestelsel.
Weer in 't rijtuig gestapt, rijden we door den prachtigen Reutumschen esch en krijgen het kerkje van Reutum, dat met Haarle eene parochie vormt, in 't oog. De kerk in 1818 gebouwd van de zware baksteenen van het gesloopte kasteel te Saasveld werd in 1819 ingewijd en van uit Ootmarsum bediend: eerst in 1832 kreeg deze welvarende buurtschap haren eigen pastoor. En zoo naderen we spoedig weer Fleringen, waar ons paard voorbij den Viersprong als van nature stil gaat staan bij Olde Mensink en ons er aan herinnert, dat men hier even uitstapt.

Mr. R. E. HATTINK.