Posts tonen met het label Ootmarsum (1906). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ootmarsum (1906). Alle posts tonen

dinsdag 15 maart 2011

Geïllustreerde gids van Ootmarsum en omstreken (1906): Voorwoord



VOORWOORD.

Wat vragen zich velen gedurende de zomermaanden af: "waarheen?" En het antwoord luidt dan dikwijls : “Naar het buitenland met zijne schilderachtige bergen, spiegelgladde meren en schoone vergezichten." Alsof dit alles, hoewel meer in het klein, ook niet in ons land te vinden is. Is het daarenboven ook niet een genot de eigenaardigheden, zeden en gewoonten van onze landgenooten in de meer van het verkeer afgesloten streken te leeren kennen?
Het moest immers niet voorkomen, dat iemand lange reizen in vreemde landen gemaakt heeft en een vreemdeling in eigen land is.
Eén van die bekoorlijke plekjes in ons vaderland, die het bezoeken overwaard zijn, waar te genieten en te leeren valt, is Ootmarsurn met zijne Omstreken. Hoe kan de grootestad-bewoner hier genieten van de rust in het stille stadje, verhalen hooren over oude gebruiken en gewoonten, of zich vermeien in de omgeving, zoo rijk aan natuurschoon, met haar golvend terrein van heuvelen en dalen, hare bekoorlijke vergezichten. Nog te schaars wordt dit mooie plekje van Twenthe bezocht.
De Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingenverkeer te Ootmarsum tracht in dit boekje een beeld te geven van het schoone en merkwaardige in deze streek en vertrouwt, dat velen zich zullen opgewekt gevoelen, alles met eigen oogen te gaan aanschouwen. Tevens maakt zij van deze gelegenheid gebruik om een woord van dank te brengen aan den WelEerwaarden Heer J. van Oppenraaij, vroeger kapelaan alhier en aan den Heer J.H. Frielink voor hunne zeer gewaardeerde hulp, welke zij van hen, bij de samenstelling van dit boekje, mocht ondervinden.

Wie de omstreken van Ootmarsum poëtisch beschreven wenscht te zien, hij leze het schoone gedicht van B. TER HAAR: "Een Landschap bij ondergaande zon" "Avondwandeling in de omstreken van Ootmarsum, mijnen vriend Wernerus lmmink toegewijd."

Geïllustreerde gids van Ootmarsum en omstreken (1906): het verleden

HET VERLEDEN.

Vóór 1196 lag Ootmarsum, waar nu Oud-Ootmarsum ligt, alzoo ten N.O. der tegenwoordige plaats. In dat jaar werd het door vuur vernield door graaf Otto van Gelder in zijn strijd tegen den Bisschop van Utrecht en werd het herbouwd op de plaats, waar het nu gelegen is. Hoe Ootmarsum aan zijn naam is gekomen, is zeer onzeker. Hij wordt afgeleid: én van den krijgsgod Mars, én van den volksstam de Marsen; anderen denken aan "heim van Othmar of Othimar", waarschijnlijk de eerste Saksische aanvoerder in deze streken. (‘t Werd geschreven: Oitmershen, Oetmershen en wordt nog in de buurt Ootmorschen genoemd). Nog anderen leiden den naam af van Odemarus, een koning der Franken, die dan als stichter wordt aangewezen. Odemarus zou er gestorven zijn en zijn graf nog door burgers zijn aangewezen in 1659. Een afbeelding van Odemarus als stichter berust op het stadhuis. Die stichting zou dan plaats hebben gehad in 126 n. Chr. Zeker is, dat het reeds bij den eersten tijd van het Christendom bekend was, toen in deze streken alleen te Ootmarsurn en Oldenzaal het doopsel werd toegediend. Reeds tijdens Lebuïnus, die in 773 stierf, was er te Ootmarsum een kerk. In 917 stierf alhier de H. Radbodus, die van uit Deventer de plaatsen van Twenthe bezocht. Met Twenthe kwam Ootmarsum al spoedig onder het bestuur van den Bisschop van Utrecht. Van nu af is er omtrent Ootmarsums historie veel te vinden in het oud-archief der gemeente. Men ziet daar, dat er vóór 1485 niet gesproken wordt van een Burgemeester. De schepenen met den rechter, door den Bisschop benoemd, vormden toen de gewone, lagere rechtsmacht voor de stad. De gemeenslieden of ‘gezworen meentsleuden’ oefenden toezicht uit op het beheer der schepenen en later ook op dat der Burgemeesters. Het hooge of lijfstraffelijk gericht werd uitgeoefend door den Opperschout of Drost. De Ootmarsummers dienden de Bisschoppen trouw en werden daarom vaak door hen begunstigd, waarvan vele aanteekeningen, voornamelijk uit de 14de en 15de eeuw zijn overgebleven.
In 1314 geeft o.a. een Bisschop aan de stad het recht wekelijks op Dinsdag en jaarlijks daags vóór en daags ná den Zondag na Maria Geboorte markt te houden. Dit was een bevestiging van de stadsrechten.
In 1397 zeeft de Bisschop 'aan Ootmarsum, "dat Humbroik om der stad to vesten ende to verbeteren ende den singhelgraven to maken, als den scepenen dat guet ende best dunket to sijne."
Ook werd haar toegestaan tol te heffen en weggeld te vorderen van "beesten en allerhande vrachten" om met de opbrengst daarvan de wegen te verbeteren. Natuurlijk waren de wegen niet geplaveid en meestal in zeer slechten toestand. Ook mocht er in 1502 een windmolen geplaatst worden.
Kerkelijk behoorden vroeger tot Ootmarsum: Almelo, Tubbergen, Albergen, Geesteren, Vasse, Mander, Hezinghe, Nutter, Oud-Ootrnarsum, Brekkelenkamp, Latttrop, Tilligte, Noord-Deurninge, Denekamp, Berchem, Klein- en Groot Agelo, een deel van Weerselo, Reutum en Haarle. Langzamerhand werd zijn kerkelijk gebied kleiner. Reeds in 1100 gingen er Denekamp en Berchem met waarschijnlijk Noord-Deurninge af. Almelo werd in 1236 kerkelijk van Ootmarsum gescheiden. In 1576 werd Tubbergen een zelfstandige parochie. Nog gingen verloren in 1795 Weerselo, in 1803 Vasse en Mander, in 1816 Lattrop, in 1818 Reutum. Thans behoort nog tot de R.K. Parochie de stad, een deel van Nutter, Oud-Ootmarsum, Klein- en Groot Agelo, den Postelhoek, Brunninkhuishoek en Springendal. Hoe uitgebreid dat kerkelijk gebied was kunnen we hieruit beoordeelen, dat er gemeld wordt, dat de pastoor in 1595 vijf vicarissen en twee kapelaans had. Daarenboven waren er in de marken nog dikwijls vicarissen of onderpastoors.



Ligging.
Ootmarsum schijnt ingesloten te zijn geweest door een muur, waarachter een vrij breede gracht liep. Daarachter was een wal - welke nu nog als zoodanig bestaat - en dan waarschijnlijk weer een muur met gracht, waaromheen een weg liep van de eene poort naar de andere. Aan den binnenmuur waren hier en daar versterkingen aangebracht. De stad had twee poorten, de Zuiderpoort, welke toegang gaf tot Almelo en Oldenzaal en de z.g. Steenenpoort, die leidde naar Denekamp, Lage en Vasse. Beide waren op de binnengracht aangebracht. Misschien was er nog een poort op de plaats waar nu de Notaris woont, aan den weg naar Oldenzaal.

Oorlogen.
Als vesting heeft Ootmarsurn veel te lijden gehad van de vele twisten in vroeger dagen. Aan den weg naar Lage, op een half uur afstand van de stad, is nog een oude veldschans zichtbaar, die ‘de batterij’ geheeten wordt. Daar versloeg in 1115 de Bisschop van Utrecht Graaf Otto van Bentheim.
Zooals we boven zagen werd de stad in 1196 verbrand en op de tegenwoordige plaats herbouwd. Een paar eeuwen later, in 1417, richtte de Graaf van Bentheim veel schade aan in de parochie Ootmarsum bij een inval in Twenthe. Veel heeft de stad nog te lijden gehad van kleinere twisten, tot zij met Overijssel in 1528 onder het bestuur van Karel V kwam.
Nu volgde een korte tijd van rust, ook nog gedurende de eerste jaren van den Tachtigjarigen Oorlog. Ootmarsum stond toen aan Spaansche zijde, maar werd in 1592 door Prins Maurits veroverd. De kogel in den muur der kerk dagteekent van dat beleg. Reeds in 1593 ging de stad weer over in handen der Spanjaarden die haar beschoten met 250 kogels. In 1597 verschenen wederom de Staatschen voor Ootmarsum. Zij zonden Frederik Hendrik en den Graaf van Solms om de overgave te eischen, welke geweigerd werd, maar na slechts 3 maal schieten kon Maurits binnenrukken. Er lag toen 130 man bezetting. In 1665 en 1672 brachten de Munsterschen onder Bernard van Galen nog een minder welkom bezoek en daarna heeft Ootmarsum van de oorlogen niet meer te lijden gehad.



Gilden.
Als in de overige steden bestonden ook hier gilden, dis echter niet tot grooten bloei zijn gekomen. In 1448 is er reeds sprake van "De Onze-Lieve-Vrouwe-Gilde", wat een stichting schijnt te zijn geweest, die zorg moest dragen voor de armen. Nog worden genoemd “De Hillige Sacrementsgilde" en "De St. Anna-gilde". Al deze gilden stonden onder het bestuur der stad.
Bovendien was er in de zeventiende eeuw nog een vereeniging van "De semtlijcken schoemakeren". In den laatsten tijd nog werden gronden, toebehoord hebbende aan die vereeniging verkocht o.a. "de Koem".

Stichtingen.
Belangrijke stichtingen trof men hier aan in den laatsten tijd der Middeleeuwen:
1. De Commanderie der Duitsche orde.
2. Het Gasthuis met kapel en officie.
3. Het Huis voor melaatschen.
4. De Kapel aan den z.g. Willigendijk.

1. De leden van de Duitsche Orde waren gebonden aan de drie kloostergeloften. De overste heette commandeur (vandaar Commanderie), de anderen ridders. Het Huis Ootmarsum, gelijk het genoemd werd, werd opgericht in 1290, het ressorteerde eerst onder Westphalen en kwam in 1312 onder Utrecht. Het huis lag in de nabijheid der stad (zie kaartje; copie van een kaart, dagteekenend van het jaar 1550).



Om er te komen, kon men twee wegen volgen. Men liep de Zuiderpoort uit, kon dan den wal overgaan om op het paadje te komen, dat naar de bleekerij leidt. Op dit pad gekomen had men aan de rechterzijde een grooten kolk. Aan de linkerhand, waar nu een klein beekje uitstroomt, trof men een watermolen aan. Verderop bereikte men weldra aan de linkerhand den eersten ingang van het klooster. Hier stond de kloosterkerk, wellicht een kapel, die voor een ieder bij godsdienstoefeningen openstond.
De tweede, de groote ingang, was veel schooner. Sloeg men, de Zuiderpoort uitgaande, eerst den weg naar Oldenzaal in, dan had men eerst, evenals nu aan de linkerhand weiland, dan den moestuin en den boomgaard van het klooster. Ging men verder door en sloeg men daarna links af, waar nu ongeveer het R.K. kerkhof eindigt, dan begon daar een prachtige lindenlaan. Deze laan doorgaande, kwam men spoedig aan de Witte Poort van het klooster, aan den hoofdingang. In beschrijvingen van het huis wordt gesproken van prachtige standbeelden, heerlijke fonteinen en springbronnen. Op de kaart ziet men nog de St. Johannesmolen, die ook bij het huis behoorde.
Aan de rechterzijde van het pad naar Klein Agelo lag het bekende groote bosch, waarin in 1767 door den laatsten Drost van Twenthe een wildbaan werd aangelegd. Daarin lag ook één der twee jagershuizen op de plaats waar nu 't Café Rolink (‘t Bosch nog genaamd) staat. De geschiedenis van het Klooster staat nauw in verband met die der stad.
De kloosterlingen stonden in voortdurende verbinding met de inwoners van Ootmarsum en tusschen beide werden verschillende overeenkomsten gesloten, zooals uit het oud-archief blijkt. O.a. werd met vastenavond de stad op het klooster van spijs en drank voorzien, wat ‘den vastelavondganck’ heette. Ook na de Reformatie, toen het huis aan de familie van von Heiden behoorde, duurde dit gebruik voort en werd als recht beschouwd.
Gedurende geheel den Tachtigjarigen Oorlog woonden de ridders op het huis. De laatste commandeur was Johan Diederik von Heiden, gestorven in 1669. Deze nam den nieuwen godsdienst aan en kocht de commanderie Ootmarsum voor 30.000 gulden van de Balye van Utrecht. Het onmiddellijk gevolg daarvan was, dat de hofkerk werd gesloten. Vooreerst bleef "de vastelavondganck" nog bestaan, daarna werd overeengekomen, dat de bezitters van het huis spijs en drank in de stad zouden brengen, maar ook dit werd later afgekocht.
De familie von Heiden noemde zich later von Heiden-Hompesch en werd in den adelstand verheven. Een lid dezer familie, Sigismund, Gustaaf, Lodewijk, graaf von Heiden-Hompesch, gestorven in 1790, was de laatste Drost van Twenthe en Salland. Hij staat nog bij het volk bekend als een verschrikkelijk dwingeland. Verschillende rechten, die de stad of het stedelijk bestuur bezat, trok hij aan zich.
De gehate Drostendiensten, die in 1782 werden afgeschaft, zijn nog overal bekend. Ook aan het huis Ootmarsum kwam een einde. In 1811 en 1812 werden gebouw en kerk, landerijen en goederen verkocht of vernietigd.

2. Gasthuis met kapel en officie. Gaat men van de markt de Achterstraat in tot aan den achterkant van het huis van den Heer Oosterwijk, dan komt men aan de plaats, waar de gebouwen dezer stichting begonnen. Aan de overzijde dier straat lag het kerkhof van het gasthuis. Deze stichting, waar armen en vreemdelingen huisvesting vonden, dateert van 1398. Langzamerhand vermaakten velen hunne goederen aan het gasthuis, later Heilig Gasthuis en daarna nog Gasthuis van St. Antonius genoemd. Vele hebben daar huisvesting en verpleging gevonden. In 1571 trof de Bisschop van Deventer er op zijn visitatiereis 20 zieken en onvermogenden aan.
Voor de Hervorming werden er uitsluitend Katholieken opgenomen, daarna personen van elke religie. Uit eene rekening van 1632 blijkt, dat de bezittingen van het gasthuis lagen in: Tilligte, Tubbergen, Haarle, Fleringen, Deurningen, Albergen, Almelo, Zwolle en Munster. Omtrent 1849 zijn alle nog overgebleven bezittingen verkocht en de gelden vereenigd met die van het armengilde.

3. Het Melaatschen Huis. Het z.g. Lazarushuis heeft waarschijnlijk gelegen in de nabijheid en op het terrein van het vroegere klooster en waarschijnlijk werden ook de zieken door de Ridders verpleegd. Een melaatsche mocht 3 maal per week, Zondag, Woensdag en Vrijdag rondgaan om giften op te halen, doch dan gehuld in een bepaald voorgeschreven masker. Omtrent 1580 staat het Lazarushuis nog op de kaart aangegeven.



4. De kapel aan den z.g. Willigendijk lag op een kwartier afstands van de stad, waar nu de kapelgaarde is (zie de kaart.) Het moet een zeer druk bezocht gebedenhuis zijn geweest. In den omtrek van Ootmarsum lagen tijdens de Bisschoppelijke regeering reeds en later vele kasteelen of burchten, o.a. te Tilligte het kasteel Reve, waarvan de naam Borggreve (tegenwoordige boerderij) zal afgeleid zijn. De ridders noemden zich heeren van Tilligte. Na 1500 schijnt deze familie te zijn verdwenen en komt het kasteel aan het Duitsche huis te Ootmarsum.
Van dit kasteel met landerijen werd al in de zestiende eeuw een boerderij gemaakt. Een ander kasteel te Tilligte werd eerst bewoond door de familie van den Berg, later door de Tuars.
Onder Lattrop lag het bekende huis Brekkelenkamp (nog aanwezig,) omstreeks 1600 bewoond door de familie Bentinck. Onder Rossum, waar nu de familie Palthe woont, stond het huis Everlo, dat in 1812 werd afgebroken. Aan deze zijde van Denekamp lag de heerlijkheid Singraven (nog aanwezig), te Albergen niet ver van den tegenwoordigen straatweg Ootmarsum-Almelo lagen de heerlijkheden Weemselo en Kemna.
Beide namen zijn overgegaan op boerenerven en bestaan aldaar nog. Weemselo werd bewoond door de familie van Bevervoorde en Kemna door de familie van denzelfden naam. Te Fleringen lag de heerlijkheid Grubbe, later Herinckhave (nog aanwezig), te Tubbergen de heerlijkheid Eschede (nog aanwezig.) Te Albergen en Weerselo stonden bekende kloosters. Een gedeelte van Albergen wordt nog het Klooster, een gedeelte van Weerselo nog het Stift genoemd.
Een andere merkwaardigheid treft men nog aan onder Volthe, n.l., den Hunenborg, die volgens eenigen dagteekent uit den tijd der Romeinen, volgens anderen een vesting der Hungaren (Magyaren) geweest is. De plaats der nederzetting is nog zeer goed zichtbaar, evenals de gracht, die er eertijds omheen liep. Puin, aldaar opgegraven, wordt in de nabijheid bewaard en bestaat uit dufsleen en een soort baksteen.

Geïllustreerde gids van Ootmarsum en omstreken (1906): het heden

HET HEDEN.

Uit de geschiedenis van Ootmarsum is ons gebleken, dat de stad in beteekenis is achteruitgegaan. Eene wandeling door haar straten en een kijkje in enkele gebouwen zal ons doen zien, wat er nog rest van vroegere grootheid en wat het heden aanbiedt. Laat ons als punt van uitgang kiezen de splitsing der wegen van Almelo en Oldenzaal. We zien hier de Stoom-Zuivelfabriek Tubantia aan onze linkerhand en komen dan weldra aan den "wal", die om het stadje loopt en waarvan de naam nog een overblijfsel is uit den tijd, toen Ootmarsum nog een vesting was.
Hier stond de Zuiderpoort. Aan het einde van deze straat bevindt zich de R.K. Pastorie. Hier wordt bewaard een verguld zilveren monstrans, afkomstig van het klooster Frenswegen. Deze monstrans, in 1404 door Bernard van Bentheim aan genoemd klooster geschonken, wordt geschat op een waarde van 60.000 gulden.
Bij de Pastorie maakt de straat een scherpen bocht naar rechts; deze inslaande, zien we spoedig voor ons het marktplein, waar ons dadelijk het stadhuis in het oog valt.



Het dagteekent uit het midden der achttiende eeuw. Boven den ingang prijkt het gemeentewapen. Er naast staat een hardsteenen pomp uit denzelfden tijd als het stadhuis. (Een vroeger stadhuis werd bij den algemeenen brand in 1606 vernield.) In het gebouw bevinden zich twee zilveren bekers, afkomstig van het stadszilver; de eene is voorzien van het wapen der stad, waar boven staat: ’S Oetmarscheim’ en daaronder ‘1670’. Nog wordt er bewaard een drinkhoorn met koper beslagen, waarop gegraveerde jachtvoorstellingen staan, benevens het wapen der stad en daaronder: ‘Anno 1663’, en een reep fluweel, waarop in losse zilveren letters: ‘Stadt Oethmersheim’. Deze letters zijn afkomstig van den stadspijper. Eigenaardig is nog een op doek geschilderd portret, voorstellende een koning met ter zijde een gezicht op Ootmarsum. Aan de linkerzijde van dit portret staat:

Odomarus Ko-
ninck der Franncken
fundator der stadt
Othmaersheim so
gestorven in Anno
126.

Een zeer kostbaar archief bevindt zich nog hier, hoewel een gedeelte in 1673 naar Munster werd weggevoerd. Bij den brand in 1606 hebben de charters veel geleden. De oude doop- en trouwboeken zijn ook hier, evenals meestal elders, aanwezig en wel van 1668-1811.



Vervolgen we onzen weg van het marktplein langs de Groote Straat, dan treft ons dadelijk ter linkerzijde een huis met baksteenen gevel en zandsteenen versieringen, waarin een gevelsteen met huismerk en het jaartal 1656.
Een weinig verder rechts passeeren we het huis K No. 92. met het jaartal MDCCXXXXVII in top. Weer komen we nu aan den wal en wel op de plaats, waar voorheen een poort stond. Hier bevinden zich ter eener zijde het postkantoor, ter andere zijde de openbare school. De school draagt aan de voorzijde het ingemetseld wapen der stad, gedekt door een kroon en daaronder ‘1648’. Later is daaronder gebeiteld 1876, slaande op den bouw der school.
De stad hier verlatende, leidt de weg verder naar Denekamp. Aan de splitsing der wegen naar Denekamp en Lage staat de stoomweverij: Twentsche Damast-, Linnen- en Katoenfabriek. Van de markt gaande langs het kerkplein, komen we in een straat, waar aan de rechterzijde het Vincentiusgebouw en wat verder het Radbodusgesticht staat. Loopen we, links afslaande, om het laatstgenoemde gebouw, dan zien we voor ons een van de open putten, z g. bergputten, omdat zij op de hoogste punten der stad voorkomen. Met haar boomen en puthaken leveren zij een eigenaardig gezicht op. Hier weer links afslaande, staan we voor een huis K No. 115, met een eikenhouten balk voor den ingang, waarop staat: "Si Deus pro nobis quis contra nos. Anno
Dni 1573". Deze straat brengt ons weer op het kerkplein, waarop de R.K. kerk staat. De toren der kerk is nog van jonge dagteekening ; in 1842 werd de oude, wegens voorgewende bouwvalligheid, afgebroken. Onderstaand tijdvers boven den ingang, waarin de vette letters den tijd, het jaartal 1843 aangeven, vermeldt de wijziging, welke plaats had, aldus:

Tribus et Sex Secu
Lis detrita turris et
Frontis tecta
fides et pietas
donis gloriose
renevarunt.

De kerk, gewijd aan de Heiligen Simon en Judas, dagteekent uit verschillende tijdperken. Het oudste gedeelte (12de eeuw), was oorspronkelijk Romaansch en omvat het schip, bestaande uit drie beuken en een dwarspand. De middenbeuk en het dwarspand zijn even hoog, de zijbeuken zijn lager en sluiten met lessenaarsdaken tegen de middenbeuk aan. Meer in 't bijzonder vestigen wij de aandacht op dezen bouwaard. Dit gedeelte is meer in Byzantijnschen stijl uitgevoerd en mogelijk van den tijd omtrent 1400. Tegen dit gedeelte aan is in het begin der 15de eeuw een inspringende verlenging van het dwarspand met een koor aangebouwd in verheven Gothischen stijl. Dit koor heeft vijf zijden van een achthoek tot sluiting. De sacristie is gelijktijdig met het koor gebouwd en is geheel in Bentheimer steen opgetrokken.



De kerk heeft 3 ingangen, één aan den westgevel en één in elk der zijbeuken. Die aan de zuidzijde is oorspronkelijk en rijk versierd met staven en pilaren met kapiteelen. Wat de vensters betreft, vindt men nog de oorspronkelijk Gothische traceeringen in het koor en den aanbouw uit dien tijd. De andere ramen, oorspronkelijk Romaansch, waarvan nog sporen aanwezig zijn, werden alle in het midden der achttiende eeuw door groote ramen vervangen. Opmerkelijk zijn aan den zuidkant de oorspronkelijke en rijke bovenomlijstingen der ramen in het dwarspand en bij het raam boven den zuidelijken ingang. Eveneens is opmerkelijk het menschenhoofd tegen den zuidoostelijken kleinen pilaar aan de oostzijde. In het koor vindt men tegen den noordwand bij den ingang tot de sacristie een muurschildering, den boom van Jesse voorstellende. Deze muurschildering komt ook voor in de Buurtkerk te Utrecht,



In de sacristie, met kruisgewelf overdekt, verdient vermelding de piscina met Gothische omlijsting uit den tjjd van den bouw (15e eeuw.) Het altaar is geplaatst in 1871 door Mengelberg, het orgel dagteekent van 181l.

We verlaten de kerk, gaan langs de kazerne der Marechaussée, over de oude Ganzenmarkt naar de Ned. Hervormde Kerk. Het opschrift MDCCCX boven dan ingang, vermeldt het jaar van haar bouw. Binnentredende valt ons oog op een predikstoel uit het einde der 17de eeuw, wit met goud geschilderd en overgebracht uit de oude kerk. Aan den predikstoel is een gegoten koperen lezenaar verbonden, voorzien van een mannen- en vrouwenwapen. Het mannenwapen komt overeen met dat op een grafzerk, liggende voor den predikstoel. Deze grafzerk met volle wapen, omgeven door dertien kwartieren, heeft tot opschrift: ‘Ao. 1669, den 29 Augustii is seer godtsaligh in den Heere ontslapen den Welgeboorne Johan Diderick Baron von Heijden tot Schoenradt, Bruchboeck en Rhede Heere des Huijses Oetmarssen."
Het orgel der kerk dagteekent uit 1781 en is uit de oude kerk overgebracht.



Ootmarsum bezat vroeger een gymnasium, hetwelk een zeer goeden naam had, vooral ten tijde toen de Heer Moquette het rectoraat waarnam. Zeer vele personen, o.a. de Heeren Goeman Borgesius, A. van Laer, de Ranitz, de Savornin Lohman, Grobbe en Geertsema hebben hier gestudeerd. Na het vertrek van den Heer Moquette ging het gymnasium in beteekenis achteruit, hetgeen misschien ook wel veroorzaakt werd door gebrek aan geschikte localiteit. Twee rectoren, de Heeren Gicherie en ten Brink zijn na het vertrek van den heer Moquette in 1862 nog hier geweest, doch aangezien er toen weinig gebruik meer van gemaakt werd is het opgeheven.
Verder had men hier een dameskostschool van Mej. van Koningsveld, welke school eveneens opgeheven werd.
Bij de rechterlijke reorganisatie in 1875 werd het kantongerecht alhier opgeheven; de laatste kantonrechter was de heer Kromhof en de laatste griffier de heer van Delden.
In tegenstelling met menige andere plaats in Twenthe, waar oude gewoonten en gebruiken reeds verloren gegaan zijn, bezit Ootmarsum nog het zoogenaamde Vleugelen met Paschen en het gezang in de Nieuwjaarsnacht. Het vleugelen bestaat hierin, dat de burgerij, groot en klein hand aan hand achter elkander optrekt van de paaschweide naar de stad, onder het zingen van een kerkelijk lied. Hier en daar trekt deze guirlande van menschen door een huis, op een andere plaats om den middenstijl der groote deur. Ten slotte uitkomende op het marktplein voor het stadhuis, wordt, na eenig zingen, de stoet ontbonden.
Ook het branden van het Paaschvuur op de paaschweide wordt hier geregeld ieder jaar gedaan. Schier ontelbaar is het aantal vuren, dat men op dien bewusten avond vanaf den Kuiperberg en Heezeberg kan zien. Op den Oudejaarsavond bij het slaan van 12 uur trekt de burgerij, voorafgegaan door den nachtwacht door de straten, onder het zingen van een heilwensch waarvan het refrein is:

De nachtwacht wenscht met elkaar
Veel heil en zegen in het nieuwe jaar.

Voor belangstellenden zijn de woorden, zoowel van het Paaschlied als van het Oudejaarsavondlied steeds bij ons bestuur kosteloos verkrjjgbaar.

Geïllustreerde gids van Ootmarsum en omstreken (1906): Fietstochten

Fietstochten

1. Naar Oldenzaal.

Wanneer men, te Ootmarsurn vertoevende, plannen maakt voor verschillende fietstochten, dan valt als van zelf het eerst de keus op een tochtje naar Oldenzaal. Deze stad toch, met hare bekende, mooie omstreken, is een bezoek overwaard, en langs den nieuw aangelegden weg over Rossum zoo gemakkelijk te bereiken, dat de afstand, zelfs voor minder geoefende fietsrijders en -rijdsters geen bezwaar kan zijn. Wij nemen onzen weg langs de Uitspanning "Het Bosch", passeeren na een afstand van een half uur loopens te hebben afgelegd, het kanaal Almelo-Nordhorn en bereiken door een aardige laan al spoedig de buurtschap Rossum. Door een omweg te maken van slechts eenige minuten, kunnen wij even langs het aardig gelegen kerkje rijden en komen door de laan al spoedig weder op den grooten weg, welke ons na ongeveer een kwartier fietsen te Oldenzaal brengt. Oldenzaal is een zeer oude stad met veel industrie. Voor verdere bijzonderheden omtrent de stad en hare omgeving, verwijzen wij U naar den Gids voor Oldenzaal.

2. Naar Denekamp.

Een zeer aardig ritje per fiets is het naar Denekamp. Dit is een wegje van 9.4 K.M., een aardig kronkelende weg met veel afwisseling. Op ongeveer 3 K.M. afstand van Ootmarsum passeert men een gedeelte waar terzijde van den weg, over den berm een voetbrug is gemaakt, om personen in de gelezenheid te stellen, des winters, wanneer door den hoogen waterstand dit gedeelte dikwijls overstroomd wordt, toch den weg te kunnen passeeren.
Ongeveer 1 K.M. verder heeft men de buurtschap Tilligte met kerkje, pastorie en school.


FIETSTOCHTEN.

Na de brug over het kanaal Almelo-Nordhorn gepasseerd te zijn, komt men in bet bosch van Singraven. Aan de rechterhand heeft men een aardig gezicht op bet Huis Singraven, bewoond door den Heer Roesingh-Udink van Singraven.
Denekamp is een aardig gelegen dorp met, vooral aan den kant van Oldenzaal, mooi hout. (Borchtbosch, Sterrebosch). Terug rijden door het Borchtbosch over Singraven is wel aan te raden. Voor bijzonderheden raadplege men den Gids van Denekamp.

3. Naar Lage en Neuenhaus.

Zeer gemakkelijk kunnen we van Ootmarsum uit een buitenlandsch tochtje maken. De afstand van Ootmarsum naar Neuenhaus bedraagt 11.6 K.M. Na onzeveer 4 K.M. te hebben afgelegd, passeeren wij reeds de grens. Nog 4 K.M. en wij bereiken Lage, een klein plaatsje. Wij moeten niet verzuimen hier de ruïne van een oud slot in oogenschouw te nemen, waarin we nog een soort van gevangenis aantreffen. Deze ruïne ligt in een tuin, behoorende bij het huis te Lage, eigendom van Baron van Heeckeren van Wassenaar, wonende op Twickel bij Delden. De weg van Lage naar Neuenhaus is aan weerszijden met boomen beplant en wij hebben over weiden met grazend vee, spoedig een aardig gezicht op Neuenhaus. Neuenhaus is een klein welvarend stadje. Bezienswaardigheden zijn er niet. Door de Bentheimer Kreisbahn is het verbonden met Nordhorn en Bentheim.

4. Naar Almelo.

De weg van Ootmarsum naar Almelo biedt veel afwisseling. De afstand bedraagt 17.9 KM. Wij passeeren eerst den berg bij Ootmarsum, vanwaar we een prachtig uitzicht hebben op de naburige Duitsche plaatsen en Oldenzaal, Enschede, Hengelo, Borne, Delden en Almelo. Na ongeveer 5 K.M. te hebben afgelegd, voert linksaf een straatweg naar Reutum, welke buurtschap we echter links laten liggen. Thans krijgen we een lang, recht eind van 2 K.M. en komen dan aan een kruispunt. Rechts af gaat de weg naar Tubbergen (3.7 KM.), links af naar Weerselo (4.3 K.M.) en recht door naar Almelo (11 KM.) Spoedig bereiken wij thans een herberg en zien we aan het opschrift op bet uithangbord: "Halt op Halfweg," dat we reeds den halven weg naar Almelo hebben afgelegd. Eenige K.M. verder passeeren we de buurtschap Albergen en komen na ongeveer 1 K.M. aan een open veld, waar we de torens en schoorsteen en van Almelo reeds voor ons zien, en leidt een fietspad van hier recht op Almelo af.
We passeeren spoedig het kanaal en hebben dan een mooien beschaduwden weg tusschen zware eikeboomen door naar Almelo. Langs de uitspanning Het Jagertje bereiken wij het huis te Almelo, slaan hiervoor links af en komen langs de Hoogere Burgerschool Almelo binnen. Nemen we het fietspad niet, dan kunnen we den grooten weg volgen, welke ons langs een kleinen omweg over den Mekkelenberg en door Ambt-Almelo naar onze plaats van bestemming leidt. Almelo is een flinke plaats met veel nijverheid en handel. Op onzen terugweg kunnen we tevens Tubbergen aan doen. We fietsen dan den grooten weg, doch slaan bij den wegwijzer op 3.2 K.M. afstand van Almelo links af en bereiken dan na 6.8 K.M. Tubbergen.
Door de hoofdstraat van het dorp fietsen we nog even naar de onmiddellijk achter Tubbergen gelegen heerlijkheid Eschede, een der vier adellijke kasteelen, welke in de gemeente Tubbergen voorkwamen. Tubbergen is een klein plaatsje met weinig natuurschoon. Op den weg van Tubbergen naar den viersprong laten we rechts liggen het huis Herinckhave, bewoond door den burgemeester van Tubbergen Mr. von Bönninghausen. Bij den viersprong komen we weder op den eerst gevolgden weg. (Almelo naar Ootmarsum (over Tubbergen) is 20.6 K.M.

5. Naar Nordhorn.

Een zeer aan te bevelen tocht van 39.9 K.M. is een rondrit over Denekamp naar Nordhorn en terug over Neuenhaus en Lage. Denekamp-Nordhorn is 8.4 K.M., men passeert het kanaal en vervolgens de grens. Nordhorn is een welvarende plaats met veel nijverheid (weverijen en spinnerijen.) Op den weg van Nordhorn naar Neuenhaus (10.5 KM.) passeeren we de buurtschap Frenswegen, waar we vooral het oude, deels vervallen, onbewoonde klooster Frenswegen even gaan bezichtigen. Ten tijde van den Fransch-Duitschen oorlog zijn hier vele Fransche soldaten als krijgsgevangenen opgesloten geweest en vindt men in de onmiddellijke nabijheid een begraafplaats, waar vele Fransche strijders rusten. Later is door een brand de kloosterkerk geheel
vernield, welker overblijfselen echter nog duidelijk te zien zijn.

6. Naar Uelsen.

Een ander rondritje is van Ootmarsum over Lage, Neuenhaus naar Uelsen en terug over Tubbergen naar Ootmarsum. Uelsen is een aardig gelegen stadje met veel natuurschoon. Tusschen Uelsen en Tubbergen passeert men weder de grens. Geheele afstand 41.3 KM.

7. Naar Bentheim.

Een tocht van grootere uitgestrektheid is naar Bentheim. Het badplaatsje over de grens. Dit is een tocht van 28.5 K.M. doch men kan indien men de Lutte bij Oldenzaal gezien heeft, gerust het eerste gedeelte Oldenzaal-Gildehaus per trein afleggen en van Gildehaus naar Bentheim weder fietsen (Gildehaus Bentheim 3.2 KM.) Te Gildehaus vinden wij de steengroeven, waaruit nog steeds groote hoeveelheden Bentheimer steen gehaald worden. Bentheim is een prachtig gelegen plaats met zijn oud slot en mooi hout, in welks midden het Kurhaus met de bekende modderbaden en zwavelbronnen is gelegen. Een dag naar Bentheim loont de moeite zeer.

Vele van deze fietstochten zijn natuurlijk te cornbineeren, zoodat men de omgeving geheel kan doorfietsen. Door nieuwe kunstwegen van Weerselo naar Oldenzaal en Weerselo-Borne zijn de plaatsen Borne, Hengelo en Delden gemakkelijk per fiets te bereiken en is ook een ritje enkel naar Weerselo wel aan te raden.