Posts tonen met het label Salland (1935). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Salland (1935). Alle posts tonen

woensdag 8 augustus 2012

Wij trekken door Twente en Salland (1935): Achtergrondinformatie en inleiding

ACHTERGRONDINFORMATIE EN INLEIDING

De auteur van Wij trekken door Twente en Salland was G. Krämer te Enschede. Hij was journalist/redacteur bij de Twentsche Courant Tubantia. De laatste twee hoofdstukken werden geschreven door zijn collega van het Deventer Dagblad Jac. van Dam.
De uitgever Ten Brink was van 1917 tot 1937 in Arnhem gevestigd, voor en na deze periode in Meppel.



Achter in het boekje wordt verwezen naar Ten Brink's Nieuwe Provinciekaarten. Fragmenten van deze provinciekaart, gedrukt eind jaren dertig, zijn op dit weblog tussen de tekst door opgenomen.


INLEIDING

Wij trekken door Twente en Salland

door G. KRAMER.

HET was op een schoonen namiddag in Mei. We liepen op den weg van Ommen naar Hellendoorn. Rechts van ons een groote bruine, langzaam omhoog loopende vlakte, eindigende in een breeden heuvelrug: de Lemelerberg. Daartusschen de rulle sporen van breede zandwegen, die hoogerop in het niet schenen te verdwijnen. Hier en daar lichtte het helle geel van de brem in vollen bloei. Daarover speelde het licht van de reeds ter kimme neigende zon. We stonden stil, diep getroffen door dit prachtige schouwspel. Welk een machtige invloed ging er uit van die langgestrekte heuvels, die onder deze belichting imponeerende bergen leken, die tot bestijging lokten. Aan die verleiding konden wij geen weerstand bieden. We gehoorzaamden aan een innerlijken drang. We gingen omhoog naar den top van den Lemelerberg. In onze gedachten kwam het lied van Joannes Reddingius:

Doorzichtige wolken ze glee'en
en weken àl wijder en wijd,
àl schoonheid omhoog en benee'en,
àl zomerheerlijkheid.
Hoog-open de lucht met het gouden
gewemel van zonnelicht fijn,
en rustig de wachtende wouden
en licht het harte mijn.
Daar ginder al over de heide,
was weelde van leven en lach,
mijn oogen keken zoo blijde,
dank, dank voor dezen dag.

We gingen door de hooge heidestruiken, de lucht was vol van prikkelende, opwekkende geuren. Schichtige konijnen verdwenen bij onze nadering in snellen ren. Toen kwamen we boven. Vaak hebben we gestaan op de hooge toppen der Alpen, in het Rijk der eeuwige sneeuw. Maar vreemde gewaarwording: de Lemelerberg deed in ons oog in geen enkel opzicht onder voor die grootsche bergen. Het uitzicht, dat zich hier ontvouwde, was van een minstens even groote aantrekkingskracht. Heel Overijsel lag aan onze voeten. Aan de eene zijde het vlakke land, met aan den gezichtseinder de contouren van Zwolle. Oostelijk en Zuidelijk van ons bosschen, heide- en korenvelden, heuvels en blauwende verten: Salland en Twente.

Afbeelding: Lemelerberg

Hier, op den Lemelerberg, zonder twijfel een der schoonste plekjes van ons vaderland, breidden Twente en Salland zich uit als het beloofde land voor den trekker. Naar dat land vol afwisseling, vol van prachtig, vaak ongerept natuurschoon, willen wij U voeren in dit boekje, dat niet alleen een wegwijzer wil zijn door deze schoonheden, maar dat U tevens nader wil brengen tot een volk, dat nog steeds trotsch gaat op zijn oude gewoonten, dat den machtigen storm van den alles nivelleerenden nieuwen tijd nog altijd heeft doorstaan. Hier in het land der oude Saksen, waar op de boerenhoeven de voorvaderlijke gebruiken nog in eere worden gehouden, waar in de donkere dagen voor Kerstmis de midwinterhoorn zijn melancholieke klanken doet hooren, waar nog zooveel herinnert aan langvervlogen tijden, zullen wij trekken langs de ruigbegroeide oevers van grillig kronkelende riviertjes, over de heuvels met de wijde vergezichten, over de hooge esschen, waar het graan golft, door de groene vlakten, waar de IJsel stroomt als een breed zilveren lint.

Het land van verscheidenheid en contrasten.
Twente en Salland. We noemen het in één adem, maar toch is er een groot verschil tusschen beide streken. In Salland is de bodem doorgaans minder heuvelachtig dan in Twente, de natuur is er van een grootere gelijkmatigheid, en ook de taal en gewoonten van de bewoners dezer beide deelen van Overijsel contrasteeren vrij sterk. Maar beide hebben dit gemeen: men kan er trekken door gebieden, die door de menschenhand nog vrijwel onberoerd zijn gelaten. Hier is het èchte domein van den trekker, die in deze streken veel zal vinden, dat zijn hart luider zal doen slaan: de wildernissen van het Vechtdal, de wijde heidevelden van Noord-Twente, de poëtische plekjes langs de riviertjes en nog zooveel meer, dat men aantreft in dit met oorspronkelijk natuurschoon rijk begiftigd land.

Veel is er ook in Twente en Salland te vinden, dat wijst op den invloed der menschen. Waar een eeuw geleden zich nog slechts woeste gronden, onafzienbare heidevlakten bevonden, vormen thans de landerijen een lust voor het oog. Voor den natuurminnaar is er geen reden om hierover te treuren. Wie bij een tocht door dit deel van Overijsel goed rondkijkt, zal tenslotte tot de conclusie komen, dat, al is er soms veel van het oorspronkelijk landschapschoon verdwenen, de ontginningen nieuwe schatten van schoonheid hebben gebracht. Waar de heide reeds vele jaren geleden werd omgeploegd, ontstonden dichte loof- en naaldbosschen, boerderijen, omzoomd met hoog-opgaand houtgewas. Het landschap won er in hooge mate door aan verscheidenheid. De contrasten werden er door vergroot, hetgeen steeds een bijzonder aantrekkelijk cachet geeft.

Velen hebben het in voorbije jaren betreurd, dat de Twentsche grootindustrieelen hier complex aan complex rijden, waardoor veel prachtig natuurschoon moeilijk bereikbaar werd. Maar thans is men er slechts dankbaar voor. Veel werd daardoor gespaard voor den soms met wel wat al te grooten ijver werkenden ontginner. Zelfs is het boschbezit door geregelden, doelmatigen aanplant de laatste tientallen jaren in niet onbelangrijke mate toegenomen.
De Natuurschoonwet, welke voor de bezitters van groote landgoederen verlichting in lasten beoogde, heeft bijna al die groote bezittingen zeer gemakkelijk toegankelijk gemaakt. De natuurminnaar kan er thans ongestoord ronddwalen en genieten van een schat van schoonheid, welke gedurende een lange reeks van jaren met zorgzame hand in stand werd gehouden. Vooral Twente is in dit opzicht zeer rijk bedeeld. Geen streek wordt er in ons vaderland gevonden, waar men zulk een groot aantal prachtige landgoederen aantreft. Ruim 60 van dergelijke bezittingen met een oppervlakte van ongeveer 8000 H.A. vallen in Twente onder de natuurschoonwet. Voor den trekker door dit deel van Nederland is het van het grootste belang zich van den toegang tot die landgoederen te verzekeren, waarvoor ook verzamelwandelkaarten verkrijgbaar zijn. Vooral den leden van onzen onvolprezen A. N.W. B. wordt het in dit opzicht gemakkelijk gemaakt.

Afbeelding: Rijwielpad in mooi Twente

Twente en Salland. Welk deel van Nederland is zoo rijk aan prachtige fietspaden? Het is hier niet alleen een ideaal land voor den wandelaar, maar ook voor den rijwieltourist. Haast ontelbaar zijn de wegen met harde zijkanten, welke hier berijdbaar zijn. Ze brengen den wielrijder gemakkelijk naar de meest afgelegen plekjes. Zeer groot is daarnaast het aantal aangelegde rijwielpaden. welke in hoofdzaak eveneens voeren door natuurschoon. dat op geen andere wijze te bereiken is. De Rijwielpadvereenigingen hebben hier schitterend werk verricht. dat nog wordt verhoogd door de paddestoelenbewegwijzering, welke de A.N.W.B. overal heeft aangebracht.
Het behoeft geen betoog, dat Twente en Salland ook een ideaal gebied vormen voor den kampeerder. Het is dan ook geen toeval, dat hier de Nederlandsche padvinders hun domein hebben uitgekozen (Ommen).
Vaak zijn velen weerhouden hierheen te trekken uit vrees voor rook, stof en bonkige fabrieken. Hoe ongegrond dit is behoeven we nauwelijks meer te betoogen, want steeds sterker is de waarheid doorgedrongen, dat de industrie in geen enkel opzicht afbreuk doet aan de schoonheid van het land. De fabrieken vindt men slechts in de steden en dorpen. Maar menige Twentsche stad, waar de textielindustrie de hoofdbron van bestaan vormt, lijkt in niets op een stoffig fabrieksnest. De liefde voor de vrije natuur zit den bewoners van deze streken in het bloed; de bebouwing is ruim en overal is in de woonwijken aan groen en bloemen een ruime plaats gegeven.



Wij trekken door Twente en Salland (1935): Naar het land van de heuvels en de blauwende einders

Naar het land van de heuvels en de blauwende einders

Het heuvelland van Overijsel! Wie er eenmaal kennis mee heeft gemaakt zal steeds weer terugdenken aan de dagen, toen hij toefde in deze liefdelijke streek. Op de kammen der heuvelen heeft men een verrassend uitzicht op een wijde omgeving. Overal ziet men de dorpen liggen, verscholen onder het groen. Welk een machtige taal spreken de donkere dennebosschen, de heidevelden en de holle, afloopende wegen, aan het eind waarvan de verten blauwen .... De geologen vertellen, dat de heuvelreeks, welke dwars door Twente loopt, haar ontstaan te danken heeft aan het landijs, dat van het Oosten kwam aandrijven. Diepe ravijnen snijden zich hier en daar door het heuvelland, dat met zijn bosschen, zijn heide met opslag van dennen, een sfeer van rust en schoonheid ademt. Men komt onweerstaanbaar onder den invloed van de machtige taal, welke hier de natuur tot den nietigen mensch spreekt. Het heuvelland van Twente en Salland bevat een schat van schoonheid, welke nog tè weinig aan de landgenooten bekend is. Hoevelen, die het Schwarzwald en de Harz op hun duimpje kennen, weten iets van de haast mystieke pracht van de "Overijselsche bergen", welke in menig opzicht de vergelijking met de genoemde toeristencentra kunnen doorstaan, al zijn de heuvels hier heel wat minder hoog.
De mensch is bezig geweest om deze natuur te "verfraaien". In Holten, op een der mooiste punten van het heuvelland, kruipen de landhuizen reeds ver den berg op, maar gelukkig heeft het provinciaal bestuur, dat zeer veel hart heeft voor het natuurschoon, hier bijtijds ingegrepen. De autowegen tusschen Nijverdal-Hellendoorn en Holten hebben inderdaad de wondere pracht der Overijselsche heuvels voor een grooter publiek ontsloten. Maar toch .... men krijgt een wrang gevoel op plekken, waar vroeger alleen de wandelaar en een enkele, zeer volhardende fietser kon komen, de claxons te hooren en de benzinedampen op te snuiven. Maar het moet gezegd worden, dat de wegen met kennis van zaken zijn aangelegd en dat al het mogelijke is gedaan om het schenden van natuurschoon zooveel mogelijk te voorkomen. Vandaar, dat deze autowegen, welke toch ook hun goede zijde hebben, niet zoo storend werken.


Goor is het uitgangspunt van onzen tocht door het land der heuvels. Achter Goor stijgt de weg naar Markelo, om zich over den Herikerberg te werken. Opzij ziet men rulle zandwegen, die zich in een wazig blauw verliezen. Ter rechterzijde van den weg rijst de belvedère op, vanwaar men een uitzicht heeft over bijkans geheel Twente en Salland. Wild en ruig is de Herikerberg; helaas hebben vandalen hier veel vernield, waardoor de eigenaar zich genoodzaakt heeft gezien om de vroeger geheel vrije wandeling te verbieden. Een bijzonderheid van den Herikerberg vormen de leemkuilen, waarvan sommige een diepte van pl.m. 20 meter bereiken. Die oude leemkraters, waaruit vroeger het materiaal voor de aan den weg naar Goor gelegen steenfabrieken werd gedolven, zijn de moeite waard, zoowel voor den geoloog als voor den botanicus. Een wilde flora wordt hier aangetroffen, overal groeien braamstruiken, in de steile wanden nestelen de oeverzwaluwen. Duidelijk zijn in deze leemkuilen de bodemprofielen te herkennen; ook hier golfde vroeger de zee, hetgeen blijkt uit de talrijke haaientanden, die men gevonden heeft in de leemlagen. Daalt men verder den heuvel af, dan komt men in de vriendelijke buurtschap Herike.
Wij keeren echter terug naar den grooten weg en slaan thans links af, waar het Twente-Rijnkanaal door de eertijds haast ondoordringbare moerassen van het Stokkumer Vlier snijdt, een waar paradijs voor watervogels; zelfs de roerdomp houdt daar verblijf. En dan naar Markelo, het aardigste, welvarendste Twentsche dorp, dat we kennen, met een zeer vriendelijke bevolking. Hoewel de Markeloërs goed met hun tijd meegaan, zijn hier nog tal van aardige oude gewoonten bewaard. Markelo is het dorp van de Twentsche boerendansers, die een speciale vereeniging hebben opgericht en overal hun oude volksdansen ten beste geven bij de muziek van de "spöllieden", de harmonicaspelers.

Afbeelding: Markelosche boerendansers

Rond Markelo, waar eeuwen geleden de Saksers hun gouwvergaderingen hielden en de eerste Christenzendelingen in Twente predikten, rijzen de heuvels. De weg naar het op 3 kwartier afstand van het dorp gelegen station slingert zich over den prachtigen Stokkumer esch. De jongelingschap van de uitgestrekte buurtschap Stokkum was vroeger in den wijden omtrek gevreesd. Op alle kermissen in de omgeving verschenen de Stokkumers om te slaan en te snijden naar oude traditie. Enkele tientallen jaren geleden kon men vele Stokkumers zien met groote litteekens, waarop ze niet weinig trotsch waren. Aan die liefhebberij is door krachtig optreden der politie gelukkig een eind gekomen.
Op den avond van den eersten Paaschdag levert de omgeving van Markelo een bijzonderen aanblik op: op alle heuvels worden de Paaschvuren ontstoken. Nergens in Twente komt dit oude gebruik zóó tot zijn recht.
De Markelosche berg ligt vlak ten Zuiden van de kom van het dorp. Van zijn top geniet men wellicht het mooiste uitzicht in de omgeving; vooral de blik op het nabije Markelo en op de wijde korenvelden is van een zeldzame bekoring. Rijk is hier het plantenleven; in den zomer bloeien overal de bloemen in groote verscheidenheid. Van den Markeloschen berg, ook wel Koelenberg geheeten, voeren prachtige paadjes Westelijk naar den Dingselerberg en den Kattenberg. Hier stuiten we op de Schipbeek met haar met bloemen bezette boorden. Vooral in de omgeving van de Roosdomsche brug is het landschap idyllisch; daar komt men in het mooie Markelerbroek. Ten Oosten van Markelo liggen, ook in de onmiddellijke nabijheid van de dorpskom, twee andere heuvels: de Hulpe en de Hemmel. Romantisch zijn overal de holle ruige wegen, veelal loopend tusschen donkere dennenbosschen. Afwisselend en uiterst liefelijk is overal het landschap.

Afbeelding: Bij Markelo in den oogsttijd

In Noordelijke richting verlaten we Markelo, in welker prachtige omgeving men dagenlang kan ronddolen. De grintweg naar de buurtschap Elsen brengt ons naar een der mooiste deelen van de uitgestrekte gemeente. Bij de herberg "De Kemper" gaat men linksaf naar den merkwaardigen Friezenberg, een plek, waaromheen vroeger een geheimzinnig waas zweefde. De top, welke den vorm heeft van een afgeknotten kegel, is met dennen begroeid; vele sagen zijn aan dezen typischen heuvel verbonden, die een paar jaar geleden door den heer G. J. van Heek jr. te Enschede aan de Vereeniging "Het Overijsselsch Landschap" ten geschenke werd gegeven. Een uitgestrekt heideveld ligt aan den voet van dezen "berg", waar vele voorwerpen uit overoude tijden werden opgedolven. Een heel Germanenkerkhof werd hier blootgelegd.
Vlak bij is de waterrijke buurtschap Elzen met beken en broeklanden. Een binnenweg loopt van hier naar Enter het dorp der klompenmakers. Overal ziet men hun werkplaatsen; voor vele huizen staat wilgenhout opgetast. De stroompjes bij Enter, waren vroeger bevaarbaar, waardoor het dorp eertijds de standplaats van vele schippers was. Het dorp, dat tot de gemeente Wierden behoort, maakt een verzorgden indruk. Aardig is de omgeving van de oude Ned. Herv. Kerk.

Afbeelding: Enter, het afwerken van de klompen

Terug in Elzen volgen we zoolang den grintweg naar Markelo, tot we een rijwielpad ontwaren, dat ongeveer in Noordelijke richting loopt. Dat pad voert midden door de bosschen en heuvels ten Zuiden van Rijssen, door het bekende Hollandsche "Schwarzwald", zooals men eens in een onzalig oogenblik dit schoone plekje vaderlandschen bodem heeft gedoopt. Misschien herinneren de prachtige dennebosschen sommigen inderdaad aan het Zwarte Woud, maar het is jammer, dat men dit gebied op die wijze voor een soort tweedehandsch toeristenstreek gaat verslijten. Dit bosch- en heuvelland heeft een eigen schoonheid van groote waarde. Wijd open liggen er de heidevelden, bemoste paadjes slingeren er zich door de bosschen. De gele brem, de zonnedauw, de wolfsklauwen andere planten groeien hier welig; eenig in geheel Twente is de driedistel. Het zeer mooi in het landschap passende hotel Rijsserberg biedt vanaf zijn terras een grootsch vergezicht.

En dan het breede pad bergaf, naar Rijssen. Korenvelden op de hellingen boeien het oog. Aardig is de entrée in het hoogst merkwaardige stadje, dat tot de weinige plaatsen in Nederland behoort, die nog een geheel bijzonder karakter dragen. Een ieder, die in Rijssen komt, zal onmiddellijk getroffen worden door de typische sfeer. Tal van vrouwen en meisjes ziet men hier in ouderwetsche kleederdracht met het zwarte jak en de witte schort. Verschillende straten leveren een ongewonen aanblik op; boerenhuizen rijen zich daar aaneen, woningen van het echte oud-Saksische type met het "achtereinde" naar de straatzijde. Zeer merkwaardig is vooral het Haareind, waar overdag een echt boerenbedrijf heerscht. Vele landbouwers, die hun gronden buitenaf hebben liggen, wonen in een van die oude boerenhuizen in het stadje. Nog niet zoo lang geleden - misschien komt het zelfs nu nog voor - zagen we in Rijssen voor ettelijke woningen mesthoopen, waarop kippen en andere dieren rondscharrelden.

Afbeelding: Rijssen, Bouwstraat

Een wandeling door Rijssen's straten moet men niet overslaan. Een bijzonderen aanblik leveren de stadspompen op, die vermoedelijk spoedig door een waterleiding zullen worden vervangen. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad voor die waterleiding er kwam; het is een heele kleine-stadsgeschiedenis op zich zelf. De oude molens aan verschillende kanten van het plaatsje trekken de aandacht. Voor hoe lang nog? Misschien is er al een van zijn luister, zijn wieken beroofd, wanneer dit boekje verschijnt. Vooral de pelmolen naar den kant van Wierden moet worden genoemd.
Het is haast vanzelfsprekend, dat in Rijssen vele oude gebruiken nog voortleven. Heel typisch is de z.g. Stadsbleek, waar op den waschdag - des Dinsdags - de wasch door vrouwen uit alle deelen van het stadje wordt behandeld in het water van een hier ontspringende bron. Een merkwaardigen blik levert die stadsbleek op, wanneer de wasch van vele ingezetenen er te drogen wordt gelegd. Om diefstal gedurende den nacht te voorkomen, is een speciaal gebouwtje voor den nachtwacht op de Stadsbleek opgericht. Een dergelijke gemeenschappelijke bleek vindt men ook in Diepenheim.
Een andere bijzonderheid van Rijssen is de stadsweide "de Mors", welke zich achter het station uitstrekt. Daar weiden des zomers honderden koeien van de ingezetenen. Vele Rijssenaars, ook al zijn ze geen landbouwer meer, houden er nog een koe op na. Vooral op den lentedag, wanneer het vee voor het eerst naar de weide gaat, heerscht er op "de Mors" een groote drukte. Voor de ingezetenen van den ouden stempel is het dan een ware feestdag.
Aan alle zijden van Rijssen is het een mooi land voor den trekker. Ten Noorden ligt de boschrijke buurtschap Zuna. Eenigszins ten Oosten daarvan het schilderachtige Notter met vele rustieke huizen. Aardig is het bij het oude veer aan de Regge, bij de adellijke behuizing Oosterhof en de plek, van het voormalige sterke kasteel "de Grimberg", waaraan allerlei overleveringen zijn verbonden. Temidden van het mooie bosch ligt nog de oude gracht.
Vele andere mooie plekjes, zooals de Esch en het Rijssensene Veen zouden we nog kunnen noemen.

We verlaten Rijssen langs den grooten weg naar Nijverdal. Even buiten het stadje gaan we linksaf en volgen een weg, waarlangs een breede sloot loopt. Veel bekoorlijks biedt het landschap vooreerst niet; alleen de nabijheid van de Sallandsche heuvels verleent er een apart cachet aan. Wij volgen echter deze route, omdat wij daardoor op de mooiste wijze in het gebied van den prachtigen Holterberg komen.

Afbeelding: Holterberg

De vele paddestoelen, welke de A.N.W.B. hier plaatste, wijzen den weg vanzelf, die langzaam oploopt. Ongemerkt komen we weer in het land van de heuvels, in een gebied, dat tot het allermooiste behoort, dat de "bergen" van Salland en Twente bieden. Wijd en schoon is hier de heide met dennenopslag; rulle zandwegen geven aan het geheel een bijzonder aspect. Dicht vlijen zich de dennebosschen tegen de heuvels aan; steeds weer afwisseling van heide en bosch. Prachtig is het hier, wanneer de heide bloeit en de bijen zoemend vliegen van bloem tot bloem. Wanneer men dan terneerzit in de heide onder de schaduw van een boom en zijn blik ver in het ronde laat gaan, zal men erkennen, dat dit land schoon, O zoo schoon is. De autowegen, die we reeds noemden, ontsluiten dit wonderland voor velen. Vooral op den kam der heuvelrij komt men onder den indruk van de groote schoonheid; wijd gaat de blik naar het Westen, waar het vlakke Salland zich uitstrekt tot aan den gezichtseinder.

Diep loopen de ravijnen door dit grootsche gebied, waar de dennen zoo prikkelend geuren en den moeden stadsmensch nieuwe levenskracht geven. Prachtige steensoorten boeien hier den geoloog, oude mystieke volksverhalen spreken tot de verbeelding. Een bijzonder punt is het ravijn het "Niemendal". Verdroomd ligt tusschen de bosschen het "kolkje".

Afbeelding: ‘t Kolkje

Voor kampeerruimte is in Holten ruimschoots gezorgd; er zijn zelfs speciale kampeergebouwen ingericht. Holten ligt pittoresk aan de Zuidzijde van den "Berg"; welke in een theehuis met belvedère en een "los hoes" nog speciale attracties bezit. Voor natuurminnaars is de veel minder bekende Zuurberg ten Zuiden van Holten haast nog mooier dan de "berg", daar er slechts weinig toeristen komen. Hier frappeeren vooral de aardige, in het groen verscholen boerderijtjes aan den voet van den heuvel.

Een mooie weg loopt van Holten naar Raalte door de buurtschappen Neerdorp en Eespelo. Verder naar den kant van Deventer ligt Dijkerhoek, dat meer een specifiek Sallandsch karakter draagt met veel groene weiden, waarin het mooie rood-bonte IJselvee graast.

De merkwaardige Helhuizerweg leidt langs de Westzijde van den Holterberg en Neerdorp naar het rustige dorpje Haarle in de gemeente Hellendoorn. In de Helling van den berg boort zich het typische ravijn "de diepe Hel". Mooi is het op den Haarlerberg met zijn uitgestrekte, zeer wildrijke bosschen.

En dan komen we in Nijverdal, de industrieplaats in een prachtige omgeving. Het dorp heeft zijn opkomst te danken aan Thomas Ainsworth, die hier de textielnijverheid vestigde en die in het thans gerestaureerde kasteel "De Eversberg" overleed. Even verrukkelijk als de omgeving van Holten is die van Nijverdal. Ga naar den 83 Meter hoogen Koningsbelt, naar het Endmeer, het Stort en andere plaatsen; we zouden slechts in herhaling vallen door steeds weer te vertellen van heuvels, heide, dennebosschen en blauwende horizonten. Zoo is het overal op en langs de heuvelrij van Overijsel. In den Nijverdalschen Berg is zelfs goud gegraven, waarmede in 1902 een maatschappij begon. Goud werd er wel gevonden, maar het werk was zoo kostbaar, dat het niet loonend bleek. Nijverdal heeft een kampeergebouw, mooie kampeerterreinen en niet te vergeten een schitterende, nieuwe jeugdherberg "Doevenbree".

Afbeelding: Bij Hellendoorn

We vervolgen de heuvelreeks in Noordelijke richting; van de toppen der "bergen" leiden berken- en dennenlaantjes naar omlaag waar tusschen de boomen het mooie dorpje Hellendoorn schemert. Ten Westen van de heuvels slingert zich het riviertje de Regge door het land, dat door de kanalisatie veel van zijn vroegere schoonheid heeft verloren.

In Hellendoorn, waar de oude dorpskerk in zijn toren een klok bevat van den beroemden klokkengieter Gerard van Wou, werd het eerste Volkssanatorium in Nederland gesticht in een verrukkelijke omgeving. De prikkelende reine boschlucht heeft velen de verloren levenskrachten hergeven. Uitgestrekte bosschen van loofhout en dennen strekken zich rondom het sanatorium uit.

Haast ontelbaar zijn de steeds rijzende en dalende wandelwegen in dit land van zeldzame schoonheid. Hellendoorn is een ideaal oord voor kampeerders, die hier vele geschikte terreinen kunnen vinden. Een heel mooi plekje ten Noorden van Hellendoorn is 't Hancate, waar een ophaalbrug in den weg naar Ommen over het Overijselsche kanaal voert. Vlakbij wordt de Regge door het kanaal geleid. Een schaapskooi trekt de aandacht; nog kan men hier den herder met zijn wolvee zien ronddolen. Noordwaarts rijst de Lemelerberg op, waar het heuvelland van Twente en Salland zijn bekroning vindt in een top met een machtig vergezicht ....


Wij trekken door Twente en Salland (1935): Het land van de Vecht

Het land van de Vecht

Van Vroomshoop Noordwaarts leidt de weg naar Mariënberg, welk plaatsje wordt gevormd door een station en enkele verspreide huizen. Hier vlakbij ontmoeten wij de Overijselsche Vecht, welke ten deele is gekanaliseerd en door stuwen bedwongen. Die kanalisatie is oorzaak, dat verschillende bochtige armen werden afgesneden. Die oude Vechtarmen hebben zich in den loop der jaren vervormd tot ware schatkamers der natuur; rijk en wild is daar de plantengroei. Ondanks de kanalisatie blijft de Vecht een sieraad voor dit gebied, dat op sommige punten tot de mooiste streken van heel ons land kan worden gerekend. Vooral rondom Ommen is het wondermooi. De Vecht, welke zeer geschikt is voor watertoerisme, is buitengewoon vischrijk. Het hengelaarsgilde van half Overijsel gaat in den vischtijd, vooral op Zondagmorgen, Vechtwaarts. Het is jammer, dat het water van de aardappelmeelfabrieken in de veenkolonies, die op de Vecht loozen, jaarlijks duizenden visschen vernietigt.


Volgen we de Vecht stroomopwaarts, dan komen we in Heemse, Hardenberg en Gramsbergen. In Heemse is een mooie jeugdherberg 't Weidehuis. Indrukwekkend is dit deel van de Vechtstreek niet, maar toch, we hebben er veel gevonden, dat ons bekoorde. De flora in de buurt van Hardenberg is van beteekenis: plantenliefhebbers kunnen hier uren lang rondzwerven in een voor hen zeer belangwekkend gebied. Van de vele planten in deze buurt noemen wij: de hemelsleutel, de roode pimpernel, de langbladige eereprijs, de heideanjer. de roode oogentroost en het knopkruid. Opvallend zijn vooral de fraaie kleuren van den hemelsleutel.

Hardenberg is een oud, bedrijvig stadje, het centrum voor een vrij groot gebied; het zeer mooie zwembad noemen wij hier in het bijzonder. De kortste weg naar het reeds in Drente gelegen Coevorden, de toegangspoort voor het Noorden, bekend uit de historie, voert langs het kanaal over het rustige Gramsbergen. Belangwekkender is echter de langere route over Collendoorn, Ane en Holthone, door een gebied waar de slangenwortel en de veenbes groeien.

Ane is bekend door den slag, welke daar in 1227 de Drentenaren bisschop Otto leverden, die met tal van Stichtsche en Hollandsche edelen sneuvelde. Over Heemse gaat de groote weg naar Ommen. Maar haast nog mooier is de tocht via Mariënberg door het boschrijke Junne. De heide, welke zich vroeger langs den grooten weg uitstrekte, is zoo goed als geheel verdwenen. Overal is het land ontgonnen; slechts hier en daar is een stukje van de oude schoonheid bewaard gebleven. Allerwegen ziet men echter nog de steenanjer; ook de merkwaardige parasolzwam is hier niet verdwenen.

Het rustige Ommen, dat alleen op marktdagen groote bedrijvigheid kent, ligt mooi aan de Vecht, temidden van een gebied, dat de zeer bijzondere opmerkzaamheid van den trekker verdient. Talrijk zijn de idyllische plekjes in deze omgeving. Kijk eens naar die oude boerenhuizen met rieten daken, waarbij op sommige plaatsen nog van die echte, ouderwetsche schaapskooien worden gevonden, herinneringen aan den tijd van de onafzienbare heidevlakten, die reeds lang in cultuurgrond zijn herschapen. Ten Oosten van Ommen liggen Beerse en Junne, De dichte bosschen worden afgewisseld door de blinkend-witte zandstuifvlakten. Aan de oevers van de Vecht is het een ideaal land voor de kampeerders.

Afbeelding: Zandverstuivingen bij Ommen

En dan: naar Eerde, het grootsche, verrukkelijke landgoed, een der mooiste plekjes, welke wij kennen. Eerde heeft in de geheele wereld bekendheid gekregen door het Sterkamp, dat hier werd gevestigd. Het rechts van den weg naar Den Ham gelegen kasteel, dat door een dubbele gracht wordt omgeven, werd in 1715 gebouwd door Johan Werner van Pallandt. Ver rondom het huis strekken zich de geweldige bosschen uit, waar de wildstand buitengewoon rijk is. Geen wonder, want baron Van Pallandt wenscht niet, dat op zijn bezittingen wordt gejaagd; alleen voor de konijnen, die tot het schadelijk wild behooren, is een uitzondering gemaakt. Wij zijn meermalen in den zeer vroegen ochtend op een tocht naar de vischrijke wateren van de Vecht over den weg van den Ham gekomen, die midden tusschen de bosschen van Eerde doorvoert. Steeds zagen we aan weerszijden heele kudde reeën, de wildsoort, welke hier het sterkst vertegenwoordigd is. Maar ook tal van andere dieren kan men op een tocht door het bosch ontmoeten. Zelfs Reintje de Vos en de das zijn hier bekende verschijningen. En dan de vele vogelsoorten, waaronder de fazant een der eerste plaatsen inneemt.

De bosschen van Eerde worden aan de Westzijde begrensd door de Regge, het dartele, kronkelende riviertje van weleer. Thans wordt het stroompje bekneld door dijken; de waterstaatdeskundigen hebben hier hun werk verricht, zooals trouwens overal in het stroomgebied van de Regge, waartoe het grootste deel van Twente behoort. We nemen graag aan, dat het werk noodig was. Maar toch: het is jammer, dat hier zooveel schoon verloren ging. Gelukkig komt er onder de menschen van Waterstaat een andere strooming. Men beseft meer en meer de waarde van het behoud van natuurschoon, ook uit een economisch oogpunt. Want vreemdelingenverkeer is een belangrijke bron van inkomsten. Wanneer al het schoone wordt vernield, heeft het geen doel meer te prediken, dat men binnenslands zijn vacantie moet doorbrengen. Die veranderde houding stemt tot verheugenis. Wij wezen er reeds op bij de Buurserbeek en bij den aan leg van het Twente-Rijnkanaal. Het is een groote verdienste van ir. Wentholt, onder wiens leiding dat kanaal tot stand kwam, dat hij zoo'n open oog heeft voor het landschapsschoon.
Vroeger was de Regge bij Eerde, waar ze tusschen den Besthemerberg en den Lemelerberg doorstroomt, van een zeldzame pracht. Vooral bij Hoogen Oever, thans een afgesneden rivierarm, was het wondermooi. Of liever: het is 't daar nog, want hier heeft zich een weelderige plantengroei ontwikkeld. Gelukkig is bij de Regge zelf de natuur reeds eenigszins als heelmeesteres opgetreden, daar de rijke begroeiing veel van de leelijke dijken wegneemt. En tenslotte is de omgeving er zoo fraai, dat men er gaarne vertoeft.
Aan de andere zijde van den weg, waar zich een belangrijk deel van de bezittingen van Eerde met het Sterkamp uitstrekt, klimt een boschpad den 44 Meter hoogen Besthemerberg op, vanwaar men een schitterend uitzicht heeft op Ommen; vooral de roggevelden aan den voet van den berg hebben ons steeds geboeid. Het Sterkamp maakt de omgeving er eigenlijk niet mooier op, want de prikkeldraadafscheiding is buitengewoon storend.
Bij Besthem met zijn oude boerderijen liggen temidden van de dennebosschen eenige meertjes, waarop de waterplanten drijven en de watervogels geschikte plekjes vinden om te broeden.

Een groote bezienswaardigheid van Ommen is het landgoed "Het Laar", waar enkele jaren geleden de woudreuzen genummerd stonden om aan den meestbiedende te worden verkocht. Dit mooie riddergoed, dat zich uitstrekt tusschen Regge en Vecht en reeds van voor 1200 moet dateeren, zou vermoedelijk aan houtkoopers ten offer zijn gevallen, indien de gemeenteraad van Ommen niet een wijs besluit had genomen, nl. om de verwaarloosde bosschen en het reeds ten deele vervallen huis aan te koopen. Door dit besluit heeft de vroedschap van Ommen geheel natuurminnend Nederland aan zich verplicht. Het oude stadje aan de Vecht bleef een zijner grootste bezienswaardigheden behouden. Hoewel het complex slechts pl.m. 56 H.A. groot is, onderscheidt het zich door een groote afwisseling: hoog opgaand hout, kreupelhout, waardoor zich vele paadjes slingeren, prachtige vijvertjes temidden van het eeuwen oude bosch, een stukje hei, hier en daar een weide, kortom een dorado voor allen, die rust en schoonheid zoeken in de natuur.
Vlak bij Ommen ligt ook het buitencentrum van de Nederlandsche Padvinders Vereeniging "Ada's Hoeve". Zuidwaarts voert de weg over Lemele naar Hellendoorn. Aan onze rechterhand rijst de 80 Meter hooge Lemelerberg op, welke heuvel een imposanten aanblik oplevert. Volgens de legende ontstond de Lemelerberg aldus: Een geweldige reus kwam uit het Noorden, met een zak vol zand op zijn nek. Over de Vecht struikelde hij, waardoor een hoop zand uit de zak gutste: dat werd de Besthemerberg. Over de Regge struikelde hij ten tweede male. Bijna viel hij en zoo kwam een groote hoeveelheid zand uit zijn zak: De Lemelerberg. Dat verdroot hem zoo, dat hij al voortgaande de rest van het zand maar uitschudde. Daaraan heeft het Overijselsche heuvelland zijn ontstaan te danken.

Afbeelding: Lemelerberg

De schoonheid van den Lemelerberg schetsten wij U reeds in den aanvang van dit boekje. Prachtige weggetjes leiden door rogge- en heidevelden, waar overal de brem groeit, naar den hoogsten top, vanwaar men een uitzicht heeft over bijkans geheel Overijsel. Een steen staat op het hoogste punt; een leeuw is op een andere plaats opgericht ter herinnering aan 1813. De omgeving is hier het "park 1813" genoemd.

Wanneer men de Vecht verder stroomafwaarts volgt, bereikt men het landgoed Vilsteren met vele verrukkelijke wandelingen. Verderop onder Dalfsen ligt de machtige oude burcht, het kasteel Rechteren, een groote bezienswaardigheid van dit gebied. Overal langs de Vecht groeien de langbladige eereprijs en steenanjer. Op verschillende plaatsen vindt men de kruisdistel, de kattedoorn en de Britsche alant.
Het kasteel, dat vroeger de geheele streek beheerschte, heeft een machtigen, vier verdiepingen hoogen toren. Het interieur is vrijwel geheel in tact gebleven.
Dalfsen is een rustig plaatsje, heel mooi gelegen aan de oevers van de Vecht. Vele geschikte kampeerterreinen zijn hier en in Oud-Leusen beschikbaar. Ook in deze omgeving is de natuur van bijzondere schoonheid.
Zuidwaarts leiden de wegen naar het landelijke Heino en het flinke dorp Raalte, het middelpunt van een der uitgestrektste gemeenten der provincie. Het land is hier niet zoo heuvelachtig meer, hoewel Raalte toch ook een "berg" bezit, nl. den Luttenberg. Weide, akkers en dennebosschen wisselen zich in de gemeente Raalte af, waartoe ook de kerkdorpen Heeten, Nieuw Heeten, Luttenberg en Broekland behooren. Vele mooie buitengoederen trekken in Raalte de aandacht, zooals Schoonheeten en het Reelaer.

Wij trekken door Twente en Salland (1935): In de IJselstreek

In de IJselstreek

Door JAC. VAN DAM.

Hier, in het IJseldal, is het vagebondeeren een lieve lust. Wij streken vanavond neer niet ver van het dorp Gorssel, een typisch Geldersche boschgemeente tusschen Zutphen en Deventer. Wij bouwen onze tent op een open plek in een mooi dennenbosch, bij den straatweg naar Zutphen, in de buurtschap Eefde waar vele groote en kleine landhuizen staan. Hoog en goudgeel staat de rogge op de akkers, die ons bosch omringen, met hier en daar een klein doorkijkje over weiden.

Afbeelding: Aan den IJssel. Tegenover ‘t veer van Gorssel

De man, die stroo ging koopen en op drinkwater uit was, komt opgetogen weerom. Zijn kennismaking met dorpelingen, die noch schuw, noch achterdochtig zijn en, zooals hij beweert, de vriendelijkheid zelve, hield schoone beloften in. 't Klopt, want buurlui-kampeerders hebben het ook al over de gemoedelijkheid van deze aan vreemdelingen gewende Gelderschen, die tegelijk een merkwaardige folklore-reputatie bezitten, vroolijk verworven op binnen- en buitenlandsche reizen ter demonstratie van plattelands-volksdansen, uitgevoerd door een groep jolige Gorsselsche boeren. Dat past hier allemaal wonderwel in de sfeer van de streek met een bevolking, die van landbouw en veeteelt leeft en die het geheele jaar door met vreemdelingen verkeert: pensiongasten, verblijvend in villa's en flinke, groote hotels. Onze kamp-buren verhalen van hier doorgebrachte week-ends, zoo huiselijk, alsof dit kamp een volkstuintje is, waar het ordelijk toegaat, maar toch de afgepaste gewoonten van het eigen thuis het bosch zijn ingestuurd.
Denzelfden avond al gingen we baden in den IJsel. Daarvoor moesten we een eindweegs het Noorden in, langs den straatweg naar Deventer, de dorpskom door, tot aan den Houtwal, een los- en laadplaats aan de rivier. Een welverzorgde bad-inrichting, niet te groot en heelemaal niet te duur, wachtte ons daar. Met klatervroolijke baadsters en zwemmers, die na de plaspartijen met ons gingen naar de oude boerenherberg aan de rivier, waar men goede thee en geurige koffie opdiende. Wij genoten in een rozengaarde van het uitzicht over schilderachtige rivierbochten, waarin langzaam zware, diepgeladen tjalken vergleden en nijdig-scherp motorbooten puften. Hier is het ook de vaste pleisterplaats van waterkampeerders, die komen in ranke kano's of sierlijke zeiljachten. Zij slaan hun tenten op tegen de zandige oevers der rivier, achter wuivend riet en akkermaalshout. Hengelaars onder hen zitten er wijsgeerig op hun dobber te staren en willen niet gestoord zijn bij hun jacht op dikke voorns en bleien.
Den anderen dag op boerenvisite, zien we, hoe welvarend deze bevolking is en hoe zij alles in de puntjes begeert te hebben. Op een dagtrip werden we dat nog meer gewaar. Wij zagen eerst, dicht bij ons kamp in Eefde, de geweldige sluiswerken van het Twentekanaal, dat hier in den IJsel uitmondt.

Afbeelding: De sluis van het Twente-Rijnkanaal te Eefde (Gorssel) bij den IJsel

Even verder stroomafwaarts aan de rivier ligt de stichting Nederlandsch Mettray, een opvoedingsgesticht voor jongens. Wij gingen naar het Noorden langs den Rijksstraatweg
en even vóór de dorpskom volgden we een handwijzer naar het slot "Nijenbeek". We konden er heen varen, na een wandeling over sappige weiden, over de rivier. Het slot staat op het gebied van Voorst en mag worden bezichtigd. Het is een roofnest geweest van Karel van Gelre, die er de voorbij komende schippers en kooplieden placht uit te schudden en te berooven. Even verder stroomafwaarts ligt het fraaie landgoed “de Poll" met ook hier schitterende parken en diepdonkere bosschen. Met daartusschen alweer twee zwembaden tegelijk, op den weg naar het dorp Voorst. Het lijkt wel, alsof deze dorpers hier half op het land en half in het water leven!
In Gorssel terug, bij het dorp, mochten we ons vermeien in een heerlijk schoon park, "het Amelte", met dichte dennenbosschen, lanen van oud loofhout en zonnige weiden, omzoomd door berken, wier zilverige stammen in scherp contrast afstaken tegen het diepe donker van de dennen er achter.
Wij gingen over den breeden Stationsweg naar het landgoed 't Joppe, door breede lanen van forsche beuken. En .... heerlijkheid voor jonge trekkers, daar stond, aan den weg naar Bathmen langs de "Drie Kieviten": een in het hout verscholen boerenbehuizing met café, de jeugdherberg "de Kleine Haar". Het is een mooi houten gebouw in Noorschen stijl. Er komen jaarlijks duizenden gasten. Wij hebben hier vele sportieve ruiters gezien, die van de landelijke rijvereenigingen op hun dikke, welgedane rossinanten en de welverzorgde paarden van een manege bij Gorssel.
Van "de Kleine Haar" trokken we, over rulle zandwegen met diepe karresporen, langs de buurtschap Harfsen, naar het vriendelijk gelegen dorp Almen, deel van Gorssel, waar Staring's "Hoofdige boer" is geboren en de gemeente Deventer een vorstelijk ingericht sanatorium bezit, het "P. W. Janssen Ziekenhuis", te midden van koele beukenbosschen. Men heeft ons hier een wondermooien weg gewezen, over een wijd heideland en door het duister van dichte bosschen, over 't Joppe, naar de kleine buurtschap Epse, wederom een deel van het groote Gorssel. Overal staan daar groote en kleine boerderijen tusschen de duizenden bunders met goudgeel graan bezet bouwland.

Hoe talrijk zijn onze tochten geworden, van het vroolijke Gorssel uit ondernomen. Wij reden op een mooien, warmen zomermorgen naar Borculo, teneinde een bezoek te brengen aan het boerenmuseum "de Lebbenbrugge", waarin al het goede oude van het Geldersche boerenleven met kennis van zaken wordt bewaard.

Afbeelding: Boerderij bij Bathmen

Op een anderen dag begaven we ons Overijsel in, aan den kant van 't kleine Bathmen. Van de jeugdherberg “de Kleine Haar" af is dat een wandeling van een uur en de weg voert langs een fraai kasteel, “huize Dorth", met een paradijsachtig park er bij, toegankelijk na het
halen van een toegangskaart. Bathmen zelf ligt alweer in de bosschen als verscholen, aan de pas genormaliseerde Schipbeek, waaraan de dorpers de gasten graag laten kampeeren, omdat vreemdelingenbezoek voordeelig is en vertier brengt. Men kan ook hier alweer zwemmen in mooi, frisch beekwater, overhuifd, door oud loofhout.

Van Bathmen af, over den Rijksstraatweg Deventer- Almelo, lokken in het Oosten de hellingen van den Holterberg en naar het Westen ligt het wijde Salland voor ons, waarin de beken uit het Geldersche en Overijselsche land hun water storten, dat wordt afgevoerd op den IJsel. Die straatweg naar Deventer gaat dwars door heerlijkheden van den eersten rang. Hier ligt het geweldig groote landgoed "de Bannink", waar de jachtopziener Wassink ons gratis een wandelkaart uitreikt op de conditie, dat wij hem zullen helpen, de natuur te beschermen. Er zijn rijk van allerlei veldgedierte voorziene wildbanen, met weiden, grauw van de konijnen en waar fazanten pronken in het zonlicht. Hier is ook nog heide. Wij zijn er heen gegaan om de stemmige kleuren van de erica te genieten, als ze bloesem draagt. De imkers hebben er de bijen heen gebracht in korven en kasten, dikke hommels klemmen er zich met hun volle gewicht vast aan de dicht met geurige bloemen bezette heidestruikjes, om zoo hun deel te krijgen van den zoeten, schier onuitputtelijken voorraad, die zoo geurt, dat zelfs het groote levende harsreukwerk van de dennen tijdelijk in de minderheid komt te verkeeren. Tegen den avond is hier de heideweelde misschien wel het best te genieten en dan, voor de vroege wandelaars, in den morgen, als de zon er door is, want er behoort zonnebrand bij voor overdag, nagebleven warmte voor den avond tot tegen den nacht daar een parelgrijzen nevel trekt over de terreinglooiingen. Wij hebben er ons neergezet, zoo maar te midden van de bloeiende struiken, bij een aanplant van jonge dennen, die nog nauwelijks uitsteken boven de bodemruigte. De avond is hier overheerlijk. Terwijl de gouden zonneschijf wegzinkt aan den IJselkant van het landschap, voelt men aan den lijve het einde van den langen zomerdag. Het oog vindt geen steun meer aan vaste omtrekken, die snel vervagen en die het eerst verdwijnen in de boschgangen, waar alleen de berkenstammen het licht nog vasthouden, totdat ook daar de nacht komt en de kleine mensch wegvlucht. Wij hooren nog lang, in onze tent, naar de verre geluiden, die van den straatweg komen en van de niet zoo veraf gelegen stad, Deventer. Wij zwaaiden voorloopig om de stad heen. Deventer is mooi en goed en alles uit den omtrek trekt er heen, om te markten en te winkelen, maar kampeerders zoeken liever de ruimte van het land. Daarom trokken we van Colmschate uit langs niet al te breede wegen Diepenveen verder in, waar kampeerders zich helaas niet mogen nestelen, doch dat hindert trekkers niet, die wel buiten de grenzen van Diepenveen hun tenten kunnen opslaan en inmiddels genieten van den Diepenveenschen overdadigen boschrijkdom, nog nauwelijks door de inwoners In exploitatie gebracht. Het niet druk bevaren Overijselsch Kanaal, dat van Deventer een tak heeft naar Lemelerveld, ligt prachtig in het ruige land. Er zijn grappige vlotbruggetjes in, waarop onze auto een raren wip maakt. In het oeverriet kwinkeleeren vogels en boven het water dansen juffers op bruidsvlucht. Volgt men het kanaal, dan komt men in Raalte terecht, tusschen bosschen en landerijen door, waar vroeger veel ijzeroer is gegraven.


Verderop Diepenveen in naar den Westkant loopen zooveel wegen, dat er een terreinkaart bij noodig is, om er uit wijs te worden, waarheen we het eerst en het best de landgoederen zullen vinden, die hier den wandelaar wachten. Een van de mooiste is "de Kranekamp", eigenlijk gesloten voor publieke wandeling, tenzij men den eigenaar of den jachtopziener weet te bewegen, den prachtigen aanleg te laten kijken. Ons is dat gelukt en het oponthoud werd rijkelijk beloond door het uitzicht over roerlooze vijvers, boschpartijen, die als reusachtige coulissen staan op een geweldig groot tooneel en langs de Soestwetering, die, van den Holterberg komend, hier romantische plekjes schept. Dichtbij kleppen, devoot, de kloosterklokken van "Sion", een abdij der Trappisten.
Even verder is, langs den Averloschenweg, een ander landgoed, "de Hoek", zóó door een publieken weg doorsneden, dat men er naar hartelust kan dwalen langs en over de schoonste natuurtafereelen. Het is hier een mooi voorbeeld van goede ontginning zonder natuurschennis. Vroeger ontoegankelijk bosch met moerassen is nu zoo gecultiveerd, dat mooie boomgroepen bleven staan en daartusschen open plekken uitzicht geven op andere bosschen. Hier staat hout van eeuwen, aan wegen, die niet door het groote verkeer zijn aangeraakt. Uit de bosschen komt de fijne geur van paddestoelen ons tegen. De bodem is bedekt met gevallen blad van beuken en eiken en overal staat prachtig boschopslag in allerlei kleuren. Reeën kruisen onzen weg in den vroegen morgen. Ander wild is veel brutaler en nadert onbeschroomd den passeerenden wandelaar.

Diepenveen is zoo houtrijk als bijna geen andere gemeente in deze omgeving. Wij komen in de dorpskom, die ons weinig aantrekt en daarna bij het fraaie, groote landgoed "Rande", waar spoedig bij den boschbaas of den jachtopziener een wandelkaart is verkregen. Ook hier weer de heerlijkste waterpartijen en zware lanen, waarvan er een uitkomt op den Rijksstraatweg naar Zwolle waarlangs we de overschoone IJselstreek ver kunnen overzien en waar onze blik lang blijft rusten op het diepe groen der uiterwaarden.
Naar Olst toe trekt ons onweerstaanbaar het oude kasteel "de Haere" met zijn dichte bosschen en glooiende begroeide terrassen, waarvan de ondergrond bedekt is met bruin beukenblad, dat in de zon schittert als oud goud.

Afbeelding: Kasteel “de Haere” te Olst

Olst zelf is een genoeglijk dorp met fabrieken van worsten en andere conserven. Het is er, als in Gorssel, alles buitengewoon welvarend en het uiterlijk der huizen getuigt daarvan mede. Wij hebben alweer hier de voor kampeerders direct aangewezen plaats opgezocht, aan den IJselkant, met het uitzicht over den breeden stroom. Ook hier is een zwembad, dat den moeden vreemdeling graag ontvangt ter verkwikking. In het middaguur maken we, langs den IJseldijk Noordwaarts, een tochtje naar Wijhe, een ander lJseldorp, waar, evenals in Olst, veel wordt gedaan aan fruitkweekerij en de boomgaarden prachtig zijn verzorgd. Wij hadden het buitenkansje, gedaan te krijgen, dat we op het kasteel "de Gelder", van baron De Vos van Steenwijk, met inachtneming van gepaste bescheidenheid mochten wandelen, ook in een heerlijken fruittuin, die zoowaar zelfs vijgen voortbrengt.
De weg naar Olst terug kozen we langs binnenpaden, smal voor wagenverkeer, doch voldoende bij voorzichtig gebruik. Die wegen daar hebben duizend bochten om kapitale boerenplaatsen heen. Van Olst uit gaat een fraaie binnenweg langs het kasteel "Hoenlo" en langs het buiten "Wijnbergen" naar Deventer. Vergeet daar niet, te vragen naar het buiten "de Hei", van den heer Dikkers, te Diepenveen, die ook al weer den wandelaar, die zich weet te gedragen, graag zijn gang laat gaan. Daar wachtten ons bij een bezoek de heerlijkste tafereelen, die de IJselstreek in het beboschte land kan bieden, met overschoone onderplantingen onder het zware hout en een boerderij te midden van golvend graan.

Afbeelding: Het buitengoed “de Hei” te Diepenveen

Diepenveen heeft trouwens, aan den Raalter kant en in de richting van het tot Olst behoorend dorpje Wesepe, nog veel meer aantrekkelijks. Boschpaden slingeren hier in het landschap. Geen stadsrumoer verstoort er de stilte van het buitenleven, dat den toerist opneemt en omvangt.

dinsdag 7 augustus 2012

Wij trekken door Twente en Salland (1935): Deventer en Naschrift.

Deventer

Hoe dikwijls heb ik toeristen door Deventer geleid! Daarvoor bestaat een ongeschreven programma, dat vrij gevolgd kan worden al naar den aard van de bezoekers. Houden die van bouwkunst, dan leid ik hen naar de St. Lebuïnus- of Groote Kerk, de Krypt, die daarin is, naar de fraaie Bergkerk en langs de groote patriciërshuizen met de zeer mooie antieke gevels. Daaraan is Deventer zoo rijk in de binnenstad, dat je er niet mee verlegen behoeft te zitten. Natuurlijk ken ik ongeveer de geschiedenis van de meeste der gebouwen uit mijn hoofd en ik draai verhalen af over het mooie gebouw, dat tegenwoordig als politiebureau dient en over het Muntentorentje, over de Waag en over het huis "de Drie Haringen".

Afbeelding: Het huis “de Drie Haringen” te Deventer

En over nog veel meer. Zijn de bezoekers wetenschappelijk aangelegd, dan wijs ik hen op de Athenaeum-bibliotheek en op den rijken inhoud van het Museum "de Waag". Natuurvrienden worden geleid door de schitterend aangelegde plantsoenen der stad, tuinachitectuur van Leonard A. Springer en naar den IJsel, waar de natuur in elk jaargetij, maar 's zomers in elk geval, nieuwe wonderen te voorschijn toovert. Of ik ga met hen de IJselbrug over naar de parken en landgoederen van Twello. En 's avonds naar buiten: een kopje thee in Epse, met een wandeling op het landgoed "het Hassink", of een uitje naar Diepenveen of Twello, met een wandeling over "het Schol", het "Buddezand" en de Groote en Kleine "Noordijk".
De bezoekers van Deventer brengen graag een tijd aan de rivier door op den zomeravond. Daar is het lekker koel en de rivier drijft vol kano's met kleurig gekleede sportlui. Aan den linker-lJseloever is het verrukkelijk wandelen in het park de Worp. En, als ik op een Vrijdag gasten krijg, gaan die strijk en zet met mij mee naar de markt, waar altijd leven en vertier te over is, ook op den Zaterdagavond, want dan houdt men hier opnieuw een markt.

Afbeelding: Naar de Markt te Deventer

Even nog een altijd weer belangwekkende merkwaardigheid van Deventer. Ik bedoel de Schipbrug over den IJsel. Het heeft er iets van, dat die brug er den langsten tijd geweest zal zijn, omdat ze zal worden vervangen door een vaste oververbinding, welke beter in staat is, het drukke verkeer te verwerken. Die Schipbrug is anders eeuwenlang ook de trots van de stad geweest, al wordt ze nu verguisd. En een mooi decoratief stuk is ze zeker, met haar drijvende schepen en zware draagbalken.

Wat me steeds opnieuw opvalt, bij het geleiden van vreemdelingen, is, dat zij het hier gezellig vinden. Dat komt, omdat de Deventernaren er zelf gemakkelijk toe meewerken. Dat is de landsaard, dezelfde, die ons in de Gelderschen zoo kan treffen. Zij geven zich gemakkelijk aan wie van ver komt en stellen er prijs op, dat de vreemden hun hulp aanvaarden. En dat is toch voor den tourist goud waard!

Naschrift.

Onze tocht door Twente en Salland is ten einde. Wij hebben getracht een beeld te geven van de groote schoonheden, welke dit deel van ons land den bezoeker bieden. Het is ons streven geweest naast den rijkdom der natuur tevens te wijzen op het typische karakter, dat zoovele plaatsen kenmerkt. Met nadruk herinneren wij nogmaals aan de buitengewone verscheidenheid van dit gebied, waardoor allen, die deze streek niet kennen, getroffen worden. Wij hebben u gevoerd door de bosschen en de zandverstuivingen langs de Dinkel, naar het romantische Noorden van Twente, naar de schitterende omstreken van Oldenzaal en Enschede, de verrukkelijke Buurserbeek, het land der kasteelen met Twlckel, naar het land van de heuvels en de blauwende einders, het veenland en de onvolprezen Vechtstreek. Onze collega Jac. van Dam, redacteur van het Deventer Dagblad, wien wij zeer veel dank verschuldigd zijn voor zijn medewerking, beschreef tenslotte de pracht van het IJselland.

Door dit geheele gebied loopen de wandelwegen van den A.N.W.B., die de mooiste plekjes aandoen.
Aan allen, die ons terzijde stonden bij de totstandkoming van dit boekje, onzen hartelijken dank. Vooral aan de directeuren van de Verkeersbureaux te Almelo en Enschede, die ons vele van hun mooie cliché's afstonden. Moge dit boekje er toe bijdragen, dat velen zich gedrongen zullen voelen kennis te maken met het schoone Twente en Salland.

Enschede, winter 1935.


G. KRÄMER.