Posts tonen met het label Rijssen (1928). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rijssen (1928). Alle posts tonen

donderdag 30 januari 2014

Wandelingen door Nederland - Overijssel (1928): Goor - Enter - Rijssen

Den volgenden morgen was het ... stralend mooi weer. Men gevoelde zich buiten als in eene kamer welke, na langdurig gemorrel aan de kachel die eerst niet branden wilde, eindelijk doorwarmd is. Na eene al te geweldige regenperiode was de Zomer toch doorgekomen. Hoe heerlijk lag Delden dien ochtend in de zon! Men heeft niets te veel gezegd, het punt is eenig in Twenthe; hier waren dan ook vrij wat gasten, zoodat ik mij bijna met de badkamer van 't hotel had moeten vergenoegen.

Voor iemand die den eersten keer dezen kant uit komt, zou de richting-keuze nu moeielijk kunnen zijn. Het doel van vandaag is Rijssen, de rechtstreeksche verbinding een prachtig zandpad met veel schaduwen dus verkieslijk; maar 't schijnt ongepast niet over Goor te gaan. Want Goor is eene plaats, die voor de opkomst van Twenthe van groot gewicht is geweest. Veel vroeger al had de stad beteekenis; bij eene vlugge wandeling door de enkele lange straten zou men 't nu niet zeggen, gezien ook het kale gemeentehuisje en niet meer dan éen oud huis waaraan wat bijzonders is, de kosterswoning met bloemslingers en druiventrossen in kleur, en het jaartal 1696, - de gevel is overigens bedorven. Alleen de grafkapel van 't Weldam, in de tamelijk verknoeide kerk, met de zerken van "Catrina van Vorst... frow vä Unico Ripperda" (overl. 5 Aug. 1606) en "Johan Ripperda tom Weldam" (overleden 15 April 1591) getuigt waardig van 't verleden. Maar de katoen-, tevens nettenfabrieken Arntzenius Jannink & Co., kortweg "Jannink", herinneren aan andere daden dan die dezer heeren en van de rumoerige graven van Goor: 't was hier en op drie andere punten in de buurt dat de Nederlandsche Handelmaatschappij in 1833 eene weefschool oprichtte om de verbeterde weefmethode in Twenthe ingang te doen vinden, waarvoor zij Thomas Ainsworth, den Engelschen deskundige, daarheen zond. Van heinde en verre kwamen de wevers naar Goor om in de nieuwe methode onderricht te ontvangen. Zouden we niet even naar 't oude kerkhof gaan en zijn gedenkteeken bezoeken? Iemand, die den dank van Overijssel verdiende, gelijk daarop vermeld staat, is wel een gang waard. Geboren te Bolton-Le-Moors (Lancashire), zegt de steen, den 22 December 1795, overleed hij op den Huize Eversberg bij Nijverdal, den 13 February 1841. Nadat nl. de weefscholen drie jaren bestaan en voldoende uitwerking gehad hadden, werden ze opgeheven - Arntzenius nam den inventaris over - doch spoedig daarna, ook onder Ainsworth's leiding en op last van dezelfde Maatschappij, werd eene nieuwe onder Hellendoorn gesticht, in de buurt van den Eversberg, om de snel oplevende machinale textielnijverheid verder tot steun en voorlichting te zijn. Zoo vestigde Ainsworth zich in 't nijvere dal. - Eenige wapenschildjes, bovenaan 't monument, zijn met 3 strijdbijlen (2, 1) beladen.

Er is nog een andere reden, waarom men over Goor zou gaan. Niet om de plek te zoeken waar, omstreeks 1770, de beruchte Huttenklaas op 't vinkentouw zat - wiens "stoel" de oudheidkamer te Oldenzaal als een soort kostbaar kleinood bewaart. Maar, de landstreek tusschen die stad en Delden is vol afwisseling: weiland, roggevelden, strooken dennenbosch en hei, hier en daar moerassig, volgen elkaar op langs den beschaduwden weg, op welks bermen de akkerscabiose bij massa's groeit. Boerderijen liggen vaak te midden van veel boomen, dicht op 't huis staand; mooie steenen huizen. Een steenen schuur: éen groote tusschen twee kleine poorten, met baksteenen rondboog waarvan aanzetten en sluitsteen uit den berg schijnen. Daarnaast het woonhuis, de
bovendrempel der ramen eveneens (schijnbaar) versterkt met drie stukken "bergsteen", daarboven een puntgevel van loodrechte planken, bovenop een kruisje. Naast het huis, een kookhok in denzelfden stijl. Vlak voor de voordeur, de ronde waterput met boom. En dan staat daar, bij de Hagmolenbeek, waar de overigens rechte weg een paar mooie bochten maakt, een oude herberg met antiek uithangbord: "In den Markenrichter van Weddehoen en Cottwich". (Namen van marken in de buurt.) Eene herinnering aan den tijd der marken, die niet ontgonnen werden omdat ze van allen waren en van niemand. In uw verbeelding ziet ge het oude Twenthe, met uitgestrekte heiden en bosschen waardoor slechte wegen, dorpen en stadjes als oasen, en ge bepeinst misschien deze vraag: Is gemeenschappelijk grondbezit het ideale einde dan wel het onbeholpen begin, en komt er na elk communisme altijd weer eene markeverdeeling? - En ten slotte, niets aantrekkelijker dan eene wandeling over de beboschte heuvelen van Goor naar Rijssen.

Doch wie die streken reeds heeft bezocht kan, zonder iemand of iets onrecht te doen, over Enter gaan. Ik haakte dus mijn rugzak weer vast en stapte nogmaals de stad door, langs 't deftige raadhuis, - wel wat groot voor "stad" alleen maar niet voor "stad" en "ambt" samen - waar de burgemeester 't op dat oogenblik drukker had dan anders, met de behandeling van omstreeks 100, grootendeels uit Ambt-Delden ingekomen, verzoeken om schadevergoeding wegens stormschade. 'k Zou spoedig zelf iets van de ramp zien. Even voorbij een molen verlaat ik den verharden weg, linksaf, en ga weer op zand. De bodem is hier hoog, er groeien aardappelen en de rogge staat schoof bij schoof. Een lange laan begint, beuken en eiken, spoedig tusschen hooge dennen. En daaraan ligt het Elbertsbosch, geheel ondersteboven. Men wil eerst niet weten dat er niets aan te doen is, dat al die boomen niet weer overeind gezet kunnen worden. Zij leven immers nog. Er is verwarring, nog geen sterven. Arme boomen! Even verder ben ik 't onheil al haast vergeten, want zoo mooi is het landschap, boomen
genoeg aan deze laan met de prachtige zijlanen; 't begint waarlijk arcadisch te worden in een schaduwstreep zonder einde. Naar ik hoopte; in de volgende bochten geeft hoog struikgewas nog beschutting, en dan komt een open stuk waarop de zonneschichten gloeiend neervallen. 't Land aan weerskanten is een beetje "goor". De wandelaar wenschte, dat de bramen langs den weg reeds wat rijper waren.

Ophaalbrug over de Regge en ‘Binnen-Gerrit’

Een bordje verkondigt hem, dat hij daar de gemeente Wierden betreden gaat. Een eikenboschje, dat meteen dient om eenige boerenwoningen te beschutten, verschaft hem 't rustige plekje van dezen dag. Het heidebed is zacht; tormentil en ander kruid erdoorheen kruipend, in plaats van dien schraalhans 't zwartkoorn, duiden op beteren grond, geen wonder want tien minuten verder stroomt de Regge. De oude ophaalbrug is vastgespijkerd, niet uit gemakzucht door den man van 't brugwachtershuis, den Binnen Gerrit! Er komt geen schip meer langs. Dus dient de Regge hier alleen nog de afwatering, en 't landschapsschoon. Om niet al te gauw 't land onder water te kunnen zetten, is zij tusschen twee kaden gevat. Wanneer ge, op de brug staand, stroomopwaarts ziet hebt ge een wel zeer karakteristiek stuk Overijssel voor u: stroomend water, groenland en verspreide populieren. Binnen-Gait zat te diep in zijn huisje verborgen voor een gesprek, misschien sliep hij. Aan 'n paar kleine jongens bij den put kan men niet veel vragen. Dat de familie van 't Cattelaer sliep, is heel zeker. Van dat oude goed, even over de brug, bestaat nog slechts een bouwhuis en de gracht. Het bouwhuis is stellig oud, want raamkozijnen en deuromlijstingen zijn van zandsteen. Nu, ik kon kloppen en morrelen aan luik en klink zooveel ik wilde, geen geluid. Toch waren ze binnen: voor de deur stonden klompen, daar lag een blauwe kiel, een schort, een strooien hoed op de steenen. De hond, heel lui en slaperig onder een kar in de wagenschuur, was voor een waakhond merkwaardig stil. Iedereen dacht: niets zeggen, zelfs niet blaffen, dan zijn we hem 't gauwste kwijt. 't Is immers ons
slaapuurtje; wandelaar, gij klopt te vroeg!

Boerderij van ‘t Cattelaer

Derhalve ging ik verder, en nu trof 't zoo, dat ze in de volgende boerderij net weer wakker waren. Eén lag nog languit in den moestuin, op 't gras; maar bij den put stonden een jonge boer en zijn jonger zusje, en spoedig stond ik daar ook. 't Kan soms gebeuren dat een mensch bij vreemden komt - en het is of men hem verwachtte. Zoo ging het hier. 'k Weet zelf niet meer hoe we begonnen, doch al heel gauw zat ik binnen en hoorden we elkander uit: de belangstelling was wederkeerig. Een schouw vol antieke tegels, een staartklok, een letterdoek in lijst bij gelegenheid van 't huwelijk der ouders door de vrouw gemerkt, het groene gordijntje voor de bedstede, een muurkast je met glazen deurtje, eene kast op verhooging, dat alles was gelijk 't in een ouderwetsche boerderij behoort. Naast deze kamer-keuken bevonden zich achter mekaar de volgende ruimten. Ter linkerzijde: een waschhok met karnton, waarvan echter de "pol" of stok, in 't midden van een ronde plank met ronde gaten bevestigd, eene lange rust genoot; de "kelder", éen trede lager slechts; en aan de deel, een aardappelenhok (vroeger weefkamer) en de koestal zónder grup, dus een "potstal" waar 's Winters 8 beesten op de plaggen stonden. Ter rechterzijde, eene slaapkamer met bedsteden en ledikant; en aan de deel, een rommelhok waarin de gesneden kleerenkist (een pracht!) en het vischtuig op eene plank erboven, een varkenshok en de paardenstal in tweeën met troggen van Bentheimersteen, een voor merrie en veulen samen. Achter tegen de schouw aan stond een groote haverkist op de deel, die met "balkensleter" was afgedekt en aan 't achtereind door een dubbele deur, de middenpaal waarvan hier "middeler" (elders "stipel") heet, gesloten werd. Boven deze middeler, welke evenals alle andere - ter bescherming tegen veeziekten - een diep ingesneden merk in zandloopervorrn, ongeveer op borsthoogte, draagt zit de sluitsteen in den poortboog, met initialen I S G H, een vierbladig bloempje en 't jaartal 1850. Op de hilde boven de koestal komt hooi, op de balkensleter rogge en hooi, boven de paardenstal later stroo van de machinaal gedorschte rogge. In de wagenschuur achter 't huis wordt ook hooi en stroo geborgen, daar zijn meer varkenshokken, waarboven turf, en een massa fuiken. Achter deze schuur ettelijke rogge-, haver- en hooimijten. Een kookhuisje opzij, waar in 'n wijden diepen ijzeren pot op een houtvuurtje slechte groene aardappelen voor de varkens gekookt worden. Daarachter bergplaats voor turf en boonendrogerijtje en een kippenhok.

Zoo was die boerderij - nu al niet meer, want ze zou dezen Winter verbouwd worden - en om iets meer ervan mee te nemen dan wat in de herinnering blijft mocht ik haar "kieken". Liefst in bedrijf. 't Leek eene filmvertooning, ieder speelde zijn rol en was er erg in: daar stond het meiske bij den put en schuurde melkbussen, daar kwamen de "jongens" van 't veld op den wagen ... Vader had fluks zijn twee paarden uit de wei gehaald en voor den mooisten wagen gespannen, in welks gekleurde “skimmeI" (plank boven de achteras) de initialen zijner ouders en een jaartal, 1873, gesneden waren. Zelf stond hij hen levendig te begroeten, voor zoover dat dezen zeer kalmen man lukken wou, terwijl zijn jongste over 't onderstuk van de deeldeur hing. Opdat ik gelegenheid had platen te wisselen, werd het rommelhok even tot donkere kamer ingericht. Vier man kwamen eraan te pas en hielden een zak, stijf tegen deur en drempel, tegen een gat in den muur, een gat in de zoldering; een lag bovenop om den dag tusschen dak en muur doorschijnend te verduisteren. Als we zoover zijn heb 'k van de boerin wat verdiend voor mijn "harde werken", d.w.z. een glas melk behalve de koffie. En onderwijl, tusschen allerlei praatjes door, vertelt de vader uit den tijd toen zij den Binnen-Gerrit bewoonden. Hij is er geboren. Vroeger was daar drukke scheepvaart, met scheepjes van 16-20 ton, waarvan zij 't bruggeld genoten. Ook eene aanlegplaats. Goederen: turf, houtskool, timmerhout; veel eikenhout uit de bosschen ging naar Friesland. Het huis moet, nog langer geleden, een berucht smokkelkroegje zijn geweest. Wie bij Gerrit binnen kwam zonder door de kommiezen, die vóor de brug lagen, gepakt te zijn was inderdaad "binnen". In Enter woonden toen 30-40 schippers. Met hun ganzenfokkerij voor de Londensche markt is het daar ook gedaan.

En de zoons vertellen van hun eigen leventje, nadat ik wat van 't mijne verteld heb. Hendrik houdt het wandelen voor 'n goed ding, ook stelt hij belang in historische bijzonderheden, welke hij tusschen de bedrijven door uit de krant opdiept. Wij loopen nog eens door huis en hof, en tegen de schuurdeur geleund staande vraag ik naar kinderspelen. Wat bijzonders van hier kennen ze niet. Het gooien naar centen op een op zijnen kant geplaatsten baksteen, "op butjen" geheeten, wordt weinig meer gedaan. Wel "op meetjen", 't geen evenmin speciaal Enterbroeksch is. Men trekt eene streep en een klein vierkantje er tegenaan, het huisje. Nu gooit men, van eenige meters ver, met centen naar de streep, enkele ronden, telkens een paar centen; wien 't gelukt in het huisje te gooien, die mag alle centen welke vorige spelers ernaast wierpen oprapen. Lukt dat niemand, dan zijn alle centen óver de streep voor hem die 't dichtst bij het huisje kwam. Met die ervóor mag hij "husselen", volgens afspraak: wat met munt of letter naar boven valt is voor hem. Hetgeen overblijft mag de na hem 't dichtst bij het huisje liggende speler ophusselen, enz. - En daarop moesten ze weer aan 't werk. 't Was een hartelijk afscheid, ik wist al alle namen, maar Hendrik aarzelde: ik weet niet hoe ik U noemen moet; en toen, met dat ik mijnen naam gezegd had, was 't in orde. "Nou, dag Jolles", en iedereen zei "dag Jolles", en de oude boer "tot weerziens, als 't wezen mag".

De laan uit en over eene brug, en 'k stap Enter binnen. Een lang dorp aan eenen straatweg Zuid-Noord, nogal antiek van bouwerij. Voor vele huizen ligt een hoop spaanders en stukken boomstam. Wat dat te beduiden heeft? Eindelijk zie ik een man buiten aan 't werk: klompen maken; daarvoor is 't dus dat de Canadeesche populieren van de Reggevallei zoo hoog opgroeien! Hun R.K. kerk, inwendig wit met goud, schijnt te hebben uitgediend; een nieuwe werd ernaast gebouwd. De grootere Protestantsche is erg leelijk, waaraan de linden en iepen rondom weinig verhelpen kunnen; men betwijfelt zelfs, of het boven den ingang in een lijstje geverfde jaartal 1709 wel echt is. De pastorie stond leeg. Opmerkenswaard zijn ook de uitgesneden kruisjes aan vele geveltoppen, met en zonder miskelk of maansikkeltjes: meer of minder christelijk. In Rijssen ziet men weer andere modellen.

Ik hield tot het laatst toe den zandweg, binnendoor. Zoo kwam ik achter den Oosterhof uit, een der havezathen bij Rijssen welker geschiedenis met die van de stad ten nauwste samenhangt, en waarvan de vorige bewoners, uit het geslacht van Ittersum, dan ook vele generaties lang in 't kerkbestuur hun vaste plaats, in de kerk hun bank met wapen en hunne graven hadden. De voorgevel, waarvan best meer goeds zou te maken zijn, valt niet mee. Eenige op een zijkant geschilderde blinde ramen brengen den tijd der vensterbelasting in herinnering. Het eenig overgebleven bouwhuis is, volgens opschrift, van 1652 en hernieuwd in 1737 (de “Voorloopige Lijst" geeft een anderen datum).

De stad binnenkomend, overkwam mij het grootste geluk van dezen dag. Vanwege de warmte had een tamelijk bejaarde heer zijn stoel op straat, en zijn kopje thee buiten tegen 't venster gezet. Ik sprak hem argeloos aan om te vragen "of die oude pomp (bij vroegere gelegenheid gezien en geteekend) er altijd nog was". Die was er nog. Daarop zei hij: Ik zie dat U zich ook voor oudheden interesseert ... vijf minuten later zaten wij sámen thee te drinken. En de handen, waarin ik gevallen was, hielden mij den geheelen volgenden dag vast en zouden mij een, twee weken daar vast hebben gehouden indien ik vrijheid had den duur mijner wandeltochten naar eigen zin te verlengen. Ik was ten huize van den plaatselijken oudheidkundige. Beste meester van W.! Gij en Uw Gids hadden nauwelijks tien minuten noodig om mij ervan te overtuigen, dat Rijssen het punt was dat ik op elken wandeltocht zoek, het groote rustpunt waar wat langer geluisterd en wat dieper ingedrongen kan worden, eene plek ook om in de gedachten te blijven als het hoogtepunt van den geheelen tocht. Er is te veel verschil tusschen de Zuiderzeelanden en het Oosten der provincie, dan dat deze stad mij eene soort samenvatting van gansch Overijssel zou kunnen zijn, maar van Twenthe, - zij mag dan op 't uiterste puntje daarvan liggen - is zij het stellig geworden.
Ik had dien dag al genoeg rondgeloopen, we zouden dus in 't late middaguur alleen de verbouwde kerk opnemen. Toen ik haar in 1924 bezichtigde, was men nog niet begonnen, sprak zelfs van bezwaren der Rijkscommissie; intusschen puilde de gemeente - 't was op een Zondagmorgen - aan alle kanten de kerk uit. Het "Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten. Hebr. X : 25a" op een steen boven den hoofdingang was dáar niet te vergeefs gesproken. Er zouden honderden zitplaatsen bijkomen. Nu was het werk af en 'k moet zeggen, in aanmerking genomen al 't geknoei met cement tegen tufsteen enz. van vroeger, mag men tevreden zijn. Verschillende andere ongeoorloofdheden verdienden te verdwijnen, even zoo binnen, waar de witkalk ook op plaatsen was aangebracht, welke zoo'n streekje heelemaal niet noodig hadden.
De tufsteen in den Noordbeuk met het boogfries, en de Noordelijke koorsluiting, waarvan steunbeeren en tusschengelegen muren op groote zwerfblokken rusten, vormen 't oudste gedeelte; in Zuidbeuk en Zuidelijke koorsluiting overheerscht de baksteen en komt tuf slechts in banden voor, terwijl het nieuwe front van ná 1826 toen de toren is ingestort geheel van helrooden baksteen is opgetrokken. Die gevel doet het zeer goed. Ter weerszijden van den ingang zijn gebeeldhouwde bloemslingers aangebracht, bovenop den muur een houten fronton, waarboven 't houten torentje, van kleur rood en grijs, met omgang en korte ingebogen spits oprijst. Tusschen 't groen der kastanjes van het kerkplein komt alles aardig uit, alleen op afstand heeft het torentje geen effect: tot het stadssilhouet draagt het weinig bij. Op een der heuvels ten Zuiden van de stad staand, moet men het zóeken. Rijssen heeft trouwens geen mooi silhouet, vooral niet aan dien kant. Een páar fabrieken en fabrieksschoorsteenen bederven, wat misschien een heele massa, op haar manier dan altijd, weer goed zou maken. Het schoon van Rijssen, dat is meer In de stad te vinden, in verscheidene haast ongeschonden bochtige straatjes, de Wal- en de Bouwstraat met haar rijen Twentsche boerenhuizen, puntdak aan puntdak een en al ernst en waardigheid, dan aan den buitenkant - uitgezonderd de zijde van Holten met "Höfte" en "Haar"; en wat daar verder aan schoonheden te vinden is, dat ligt in de zeldzaam bekoorlijke omgeving,

Ned. Herv. Kerk en lappenmarkt

Het inwendige der kerk was dan veel ruimer geworden, al beweert men, dat het nu reeds weer te klein is. De eiken preekstoel, indertijd "opgeknapt", d.w.z. wit geverfd en met gouden blezen "versierd", is gelukkig in de oorspronkelijke gedaante hersteld. Een zandlooperhouder vond ik er niet aan wel een koperen bakje waarin - zei bij vorig bezoek de koster - "de doopouders de centen leggen," Een koperen doopbekkenhouder: mansarm en hand met verticale staaf waarop 't bekken in drie armen rust, is daar ook bevestigd, Het grafmonument, van marmer volgens de V. L. maar meer uitziend naar zandsteen, ter eere van de "Hoch Wel Geboren Vrouw Frederica van Ittersum Geboren tot Gerner Aö 1650 Weduwe van Willem Diderich van Schade Heer van Landegge obiit Aö 1729 Den 9 December" (de laatste drie woorden later bijgehakt), draagt in rood de "driedubbele ezel" van Ittersum en den helm in rood en goud met 3 roode vaantjes bovenop van Schade, en vele kwartierwapens, waaronder dat van "Vos v: Steenwijk v: Batinge"; het Batinge dat wij op onzen tocht door Drenthe 't vorig jaar bij Dwingeloo leerden kennen. De voorstelling op 't bovenstuk, doodskoppen en geraamten in beweging gekomen, tot leven gewekt - "en de beenderen naderden, elk been tot zijn been ... toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hunne voeten, een gansch zeer groot heir" (Ezechiël XXXVII) - onder 't bazuingeschal van een der hooger zwevende engelen, behoort m.i. niet op deze plaats waar men eerder eene opstanding uit de graven
zou verwachten. Wat de eigenlijke beteekenis van de aangehaalde bijbelplaats niet is, noch van deze afbeelding.

Wij namen afscheid met een "tot vanavond". Ik ging naar 't hotel en na me aldaar geïnstalleerd te hebben verdiepte ik mij in den "Gids". Het hotel ligt aan 't Schild, naast de kerk en tegenover 't raadhuis. Die overbuur heeft geen aangenaam gezicht, maar de kijkjes in twee, drie straten van welke een, de Haarstraat, loodrecht op de beide in elkaars verlengde gelegen andere staat, terwijl alle drie op het Schild uitkomen, zijn de moeite waard.
Dat Schild is en was het belangrijkste punt der stad, hier is veel gebeurd en gebeurt dagelijks nog allerlei, dat bezienswaardig is. En twee malen des Zondags trekken honderden kerkgangers er overheen. Dan ziet ge de vrouwen in zwart, soms donkerblauw of groen jak met schootje alleen aan de achterzijde, vóor een schortje, lange iets uitstaande rok, gladde kap met geplooide strook naar achteren over nek en schouders. 's Avonds wandelen daar de meisjes twee aan twee (of jongen en meisje), ook in 't zwart met tot een driehoek gevouwen zijden doekje rond den hals geknoopt, een punt naar achteren. En zooals ze loopen is 't reeds eigenaardig, tenminste voor een stadsmensch gewend aan het gewiegel der hedendaagsche jongedames: de statige Rijssensche schoonen houden 't bovenlijf kaarsrecht en zoo stil mogelijk in 't gaan, zij bewegen zoo te zeggen alleen de beenen.

't Spreekt vanzelf, dat mijn lectuur telkens onderbroken werd. Twee dezer onderbrekingen waren voor 't leven der stad veelzeggend. De eerste veroorzaakte een stroom menschen, komend uit de Spoorstraat en zich in verschillende richtingen over het Schild verspreidend. De jutefabriek van Ter Horst ging uit! Nu heeft iedereen wel eens eene fabriek zien uitgaan, 't geen hem op de een of andere wijze kan getroffen hebben, maar 't kan hem ter wereld niet zóo getroffen hebben als het dat in Rijssen doet. Ook niet elders in Twenthe. Ziet ge bijv. in Oldenzaal de arbeiders van H.P. Gelderman voor 't hek hunner fabriek staan wachten, dan valt het u niet in, in hen iets te zien dat hen onderscheidt van alle andere textielarbeiders. De arbeiders van Ter Horst hebben zooiets. Ziet hen vlug over 't Schild loopen, in rijen van vaak vier tot acht, de meisjes gearmd, in eene kleeding welke weinig heeft van wat men gewend is fabrieksarbeiders te zien dragen, in boersche kleeding zoodat men zich afvraagt, waar loopen deze landbouwers in grooten getale zoo vlug heen? - want dát zou immers eene bijzonderheid van boeren wezen, niet het groote getal maar het vlugge loopen. De tweede onderbreking gaf daarop iets als een antwoord. Uit dezelfde straat stapten, tegen schemerdonker, nu niet vlug en op rijen doch heel bedaard en zoetjes achter elkander aan, een massa koeien. Zij ook gingen over 't Schild en verdwenen in verschillende straten en straatjes. Sommige werden begeleid, andere schenen vrij te loopen en zelve haren stal te vinden. In vroeger dagen, vertelde mijn hotelhouder, kwamen de meesten uit eigen beweging huiswaarts, doch sinds de spoorweg in gebruik is waarover zij, van de Mors (de ± 180 H.A. groote gemeenteweide) komend, heen moeten vinden de eigenaren 't veiliger daarop eenig toezicht te houden. 't Kon eertijds ook gebeuren, dat zij eens niet op tijd waren, dan trok 't geheele gezin uit om haar te halen. Met die buitengewone zorg voor de beesten, welke hun welzijn bovenaan schijnt te stellen; want kwam het voor dat de kinderen 's avonds om tien uren nog niet in huis waren, dan lieten de ouders soms eenvoudig een achterdeurtje open en gingen naar bed ... Zoo begreep ik uit een en ander, en den volgenden dag, na eene wandeling door de stad met talrijke van de straat afgekeerde boerenwoningen waar de hooiwagen voor de deeldeur stond, nog beter dat vele Rijssenaren het beesten houden en den bouw niet geheel verzaakt hadden. Wel doen ze 't meer en meer: de dagen toen overdag 600 koeien de Mors bevolkten zijn voorbij. Het dagelijksche heen-en-weer, om begrijpelijke redenen, is een last en om de verdienste, van een of twee koeien trouwens gering, behoeft men 't nu de fabrieksloonen bevredigend zijn niet langer te doen. 'I Is echter de vraag of de gemeente, nu het weiden zooveel minder opbrengt, de groote onderhoudskosten aan het op peil houden van den ouden hei grond verbonden nog langer dragen wil en niet, althans aan een deel van het gunstig gelegen terrein, eene andere bestemming gaat geven.

De avond ging zeer genoeglijk om. Ik wil den Gids niet trachten na te maken door er veel van mee te deelen; dit is zeker (zonder het boekje onrecht te doen), het mooiste dat de meester weet staat er er niet in, dat kan hij alleen vertellen. 'k Bedoel niet sommige verhaaltjes, daar verzwegen behalve uit plaatsgebrek omdat hij zijn stadgenooten een warm hart toedraagt en niet zou willen, dat de onverschillige buitenwereld zich over hen vroolijk maakte. Och, grappige anecdotes bestaan er van stad en dorp, al zijn ze vaak typeerend, 't betreft toch slechts een kantje en raakt vaak niet het diepste en beste in die menschen. Maar ik bedoel dat ge hem hooren moet, waar noodig in 't eigen forsche dialect, om van bijzonderheden 't meest te kunnen genieten. Hoe leeft dan de geheele belangwekkende historie van 't Rijssensch verleden voor u op! Vooral daar waar hij, die zelf door vader en grootvader stevig in dat verleden staat, uit hunne nalatenschap rijk aan gebeurtenissen, verhalen en gedichten - op welke laatste punten de vader, naar 't mij bij helaas vluchtige kennismaking voorkwam, niet voor Meester Heuvel onderdeed - het leven zijner stad toelichtte. Wij die te dikwijls nog 't goede oude dat verdween betreuren, kunnen hier als elders, waar 't nog in sommige menschen blijkt te leven dankbaar erkennen, dat de geest van al dat mooie over ons en onze kinderen weer vaardig worden kán. Immers, het wanhopige "komt nooit weerom" van een tijdje geleden vindt vandaag al niet meer zoo gemakkelijk instemming. De volkskunde, niet voor niets propagandistisch, blijkt zelfs ten deele eene "technische wetenschap" te zullen worden.

Wandelingen door Nederland - Overijssel (1928): Rijssen

Tegenover het raadhuis zat ik den vorigen avond, voor de gelagkamer en aan de drukste zijde van het Schild; nu, dezen morgen, in de ouderwetsche achterkamer aan het stille kerkplein, met uitzicht op de kerk. Daar was het donker door 't dicht gebladerte der bijna de ramen rakende takken. Ook was er weer wat anders te zien. Vooral binnen. Een zware schouw in eenen hoek, met paarse tegels waarin twee groote figuren van telkens vier, een gegoten plaat over de geheele breedte, in 't midden hooger, waarop engelen en paardje , en middenop den boezem 't stadswapen: het beroemde rijsje. Koperen pan en schuimspaan, aan een spijker. Eenige meubels, commode, penanttafeltje, spiegel in vergulde lijst dragend zeis, hark, dorschvlegel, hoed, mand met appelen enz. Een porceleinkastje waarin drie goede borden, wat sierlijke wijnglazen. Verder een paar tinnen koffiekannen, tinnen borden op de schouw. Dit alles ware nog niet zoo bijzonder indien daar niet bijkwam, dat het meeste uit het kasteel de Grimberg afkomstig is, bij zijn afbraak ter belooning eener langdurige dienstverhouding gekregen, of ook gekocht. De Grimberg, vele eeuwen oude havezathe, waarvan meester v. W. gisterenavond eene zoo romantische geschiedenis vertelde, van dien Duitschen ambachtsman, bij den timmerman Peddemos te Vriezenveen in dienst, die, na allerlei wederwaardigheden in West-Indië rijk geworden, in 't land teruggekomen de havezathe, welke hij als arme knecht reeds begeerde te bezitten zoo vaak hij, naar Rijssen op karwei gaand, haar passeerde, kocht en, als op dat oogenblik eenige collator met volmacht van de andere havezathen, den zoon zijns vroegeren patroon tot het predikambt te Rijssen beriep.
Ook elders vindt men overblijfsels van dat Huis, zoo aan een kleine woning in de Bouwstraat: twee zandsteenen vleugelstukken en eene gevelbekroning met leeuwenkop, alles wit en geelbruin geverfd en niet mooi. Wij bekeken verscheidene gevels uit de 17e - begin 19e eeuw, een in de Walstraat van 1728, een trapgeveltje aan 't Smittenend (oude straatnaam, met andere niet lang geleden in eere hersteld) van 1664, het kappershuis aan 't Haareind met jaartal 1750, een halsgevel aan het Schild (waarop mijn hotelhouder, oneerbiedig, een der masten van zijne radio-installatie had geplaatst), een veel deftiger heerenhuis met Ionische pilasters, enz. In gezelschap van den meester die, doordat hij iedereen en iedereen hem van de banken zijner school af kende, overal vrijen toegang had, kwam ik ook hier en daar binnen; wanneer de menschen niet thuis waren trokken wij eenvoudig aan 't riempje van de bovendeur waarmede de klink werd opgelicht, en zoo was 't ook goed. 'n Aardig inkijkje, over de donkere deel door de ruitjes der keukendeur in de lichte keuken. Soms vonden we er kostbaar meubilair, kasten die in het deftige heerenhuis met de Ionische pilasters een goed figuur zouden maken, en een lange rij borden afwisselend Delftsch blauw en tin, een heerlijk gezicht. Aan verkoopen, begeerige lezer, wordt echter niet gedacht want het geld heeft men niet noodig, gelukkig niet, de stad zou er slechts bij verliezen. Toch waardeerden de eigenaren hun mooie dingen maar matig. Ergens toonde me de gastvrouw een glazen kastje vol kopjes en ander klein goed: niets aan, vond ze. ,,'k Zou er nog geen dubbeltje 't stuk voor geven." In dat huis hing ook een letterdoek, waarop behalve 't Abc de verspieders, komende van het land Kanaän met den geweldigen druiventros uit het dal Eskol (Numeri XIII, 23), gemerkt waren. Eene voorstelling welke onzen voorouder in hun land van melk en honig vloeijende zeer geliefd moet geweest zijn, want men vindt ze op honderd verschillende voorwerpen. Iedere aandachtige bezoeker van 't Muiderslot zal zich haar herinneren, van een groot geelkoperen bord in de keuken. Bij Katholieken zagen we weer andere, in den geest van hun geloof, zoo eene Maria O. Ontvangenis, met engeltjes en ankers in de hoeken. - Op sommige deuren, van winkels, viel op dat de bewoner - zeker ter onderscheiding van eenen naamgenoot, met het oog op de klanten - achter den eigen naam zijn bij de stadgenooten in gebruik zijnden "scheldnaam" had laten schilderen ...

Walstraat


En toen werd het langzamerhand tijd om bij een der kerkvoogden op bezoek te gaan. 'k Had nl. naar oude papieren gevraagd. Op 't raadhuis was niets meer, alles verbrand of lang geleden zoek geraakt; maar de Ned. Herv. kerk bezat een archiefje waarin wellicht wat zou te vinden wezen, dat niet of slechts ten deele beschreven was. Een enkele morgen ware niets voor een groot archief; voor een paar notulenboeken kon hij toereikend zijn, ik wilde althans probeeren.
De kerkvoogd bleek een vriendelijk man. De boeken lagen klaar, hij zette zich tegenover mij aan het tafeltje en gaf alle gevraagde inlichtingen, met groot geduld, twee uren lang. En om 't bezoek nog interessanter te maken dook hij af en toe in een kamertje achter dit, waaruit hij verscheidene merkwaardigheden te voorschijn haalde. Daar was eene tabaksdoos bij welke in Twenthe, in "het dankbare Overijssel". een reliek zou kunnen zijn nl. de tabaksdoos van Thomas Ainsworth. Een lid der familie Koedijk van hotel "De Kroon" - tegenover 't mijne ook aan het Schild en reeds drie eeuwen door haar bestuurd, vroeger posthuis - had haar van Ainsworth gekregen, ter belooning van zekere bewezen diensten, en later aan den kerkvoogd overgedaan. Een prachtig ding, parelmoeren boven- en onderplat en zilveren ingebogen tusschenkant. Op 't parelmoer waren sierlijke krullen, gestyleerde planten gegraveerd, op het deksel rondom een wapen, heel anders dan dat op 't grafmonument: een baar, in de beide kwartieren een gesteeld hart, het schild gedekt door eenen helm waarboven putje met opgehaalden emmer. Mogelijk dat van eenen eigenaar vóor Ainsworth.
Er waren drie boeken, het oudste begint met 1738. (Het voorafgaande: boek (1615-1737), zeer belangrijk, is tusschen andermans boeken buiten 't archief geraakt: er wordt naar gezocht.) In 1739 is predikant H. Immink; naam in die streek, ook bij Delden, welbekend. 1743: mededeeling over het witten van de kerk, dan reeds geschied en betaald. Juist kwam van Ernst van Ittersum eene gift binnen, groot f 25.-, voor dat doel. Zoodat men den predikant verzocht, het geld "maar ergens anders toe, dat noodigh is en syn opsigt op deze kerke heeft, te willen besteeden". " ... de kerkmstr Jan ter Horst geordoneert om de Galmgaaten aen den tooren onder de Luyfel wat grooter te laaten maaken op dat de klokken te beter konnen gehoort worden." - Op de vergaderingen van collatoren, kerkmrs en predikant vertegenwoordigen burgemeesteren de stad Rijssen, de kerkmrs de boerschappen. Telkens handelt men over koop of verkoop van "een sitstoel" ; bijv. omstreeks 1750 is verkocht "de halfscheyd of het onderste deel van een houte gestoelte of sittbank staande in deze kerk aan de Noordzyde van 't gestoelte van den Heer tot Eversbergh, voor de somma van 28 gulden." Volgt een mededeeling over eene leverantie vloersteenen in de Wheeme (= predikantswoning), en verscheidene over zoogen, uitgangen. Dit waren kleine pachten of andere geldelijke verplichtingen, rustende op stukken land, huizen enz. De predikant had daar eenig voordeel bij, waarom hij de lijst eens nazag en ontdekte, dat éen uitgang over 't hoofd was gezien, welke n.b. van 1625 af had bestaan. Wordt daarover opnieuw genoteerd, “dat gemelte Erve beswaart was met een uijtgang van 2 mudde Roghe sjaarlyck aan de pastorije van Rijssen." 's Mans inkomsten waren niet groot, zoodat oneenigheid tusschen het kerkbestuur en hem over zeker "emolument", hem toekomend, dat genoemd bestuur op eenen dag meende te mogen inhouden, dubbel onaangenaam was. Na vele deliberatieën, waarmede bladzijden gevuld zijn, worden de f 6 - 16 - voldaan.
Op de rekening en verantwoording, telken Jare door kerkmee ters gedaan paraisseert in 1801, onder 't hoofd aangeschafte benodigdheden "een spinnejager - 13 –“ Wijders, “ aan J.W. Koedijk tot verteering van de collatoren op het stadhuis van wegens de koude .f 1 - 2 -. Onder de inkomsten blijkt, dat het verhuren van de kerkeladder een kleinigheid opbracht. Veel had men trouwens niet noodig, er was een flink batig slot, zie op 1810: Inkomsten f 255 - 10 -, overschot 1809 f 118 - 3 - , waartegenover Uitgaven f 261 - 2 - 14, blijft over f 112 – 10 - 10. - Van 1807 af is G. van Wijngaarden, de schoolmeester en adjunct-maire die zoo goed Fransch sprak, custos en scriba; men ziet het aan de keurige hand. 't Schijnt, dat men voortaan tijdens de vergadering 't verslag opmaakte, door den scriba later in het boek overgeschreven; ook de onderteekening is van zijn hand met een "was get. “ Vroeger teekenden de heeren zelf in ’t notulenboek, van Heerdt (op den Eversberg ), van Ittersum, of een T of kruisje waarnaast "dit is het handt. van" enz.
Aan dezen gang van zaken en zaakjes komt in datzelfde jaar een plotseling einde. Een stoutmoedig, om niet te zeggen brutaal, verzoekschrift der R.K. door de Franschen overmoedig geworden minderheid brengt de gemoederen in opschudding. "Request van de kerkmannen der R.C. gemeente dezer stad, waar by zy aan Z. M. den koning van Holland, de kerspelskerk, het Pastorijhuis en kerkegoederen alhier reclameeren ... Is na deliberatie over deze gewigtige zaak besloten ... door den Heere Racer, aan den Heere Landdrost voorn: berigt te doen indienen, om ware het mogelijk, het daar henen te wenden, dat in het verzoek der R.C. gemeente, als strijdig tegen alle billijkheid, worde gedificulteerd". Gelukkig blijkt spoedig, dat de R.C. van hun eersten eisch afgezien hebben "doch hun aandeel van de kerkegoederen pretendeerden." Wederom zal men hierover "den Heer Racer te Oldenzaal consulteren." Deze stelt een request op dat voorzichtigheidshalve eerst naar den Landdrost gaat, door wien "en de andere Advokaten" men het heeft "doen examineeren". Opgemerkt wordt door die heeren, dat “alhoewel het stuk allen Lof verdiende, het zelve nogtans eenige uitdrukkingen omtrent Z. M. bevatte, die wat al te sterk waren, en het voorts al te uitgebreid was, tot het oogmerk, waar toe het moest dienen." Het kortere stuk volgt dan. De wijze raadsman, die zich eerst te zeer door het oude vuur, waarmede hij de Hattemsche patriotten te hulp snelde, heeft laten bezielen besteedde aan dit al zijn koele scherpzinnigheid. Zijne argumentatie, onder 1e 2e enz. in punten, luidt als volgt: "Dat zoo het al waar was dat eenige van die goederen afkomstig waren van R. C. voorouderen van over oude tijden, zoo als de Requestranten wilden, dan nog geenszins blijkbaar is, dat de tegenwoordige Requestranten van die R.C. voorouderen afkomstig zijn, neen, maar uit de Geschiedenis van dit Rijk is veel eer af te nemen dat van die R.C. voorouderen de tegenwoordige Hervormde Gemeente afkomstig is." Eene redeneering, welke die menschen van dézen tijd overdenken en ter harte mogen nemen, die telkens in krant of periodiek schrijven over "kerkgebouwen, welke aan de Roomschen moeten worden teruggegeven." Alsof kathedraal èn oude dorpskerk niet een erfstuk zijn óok van hun eigen voorvaderen, zoodat de Protestanten ten opzichte daarvan een even duren onderhoudsplicht hebben te vervullen!
Verder: dat "ook in de Staatsregeling van den eersten van Wijnmaand 1801. Art: 13 reeds uitdrukkelijk vastgesteld geweest is: "dat ieder Kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit van het gene met den aanvang dezer Eeuw door het zelve werd bezeten." Ten 3e weerlegt hij het bezwaar der tegenpartij, dat sommige R.K. tot den Protestantschen eeredienst moesten bijdragen, nl. door de "uitgangen". Racer toonde aan, dat dit eenvoudig "een bezwaar liggend op hunne goederen" was, dat zij ervan wisten toen zij die goederen kochten en 't dus niets vernederends of onaannemelijks inhield. Trouwen, wie er niet mede accoord ging kon den uitgang afkoopen. - De Protestanten waren bovendien verontwaardigd, omdat de R.C. eenige weken tevoren reeds een verzoekschrift om f 6000.- steun voor hunne kerk hadden ingediend, waarop ook door de regeering van Rijssen gunstig was beschikt. De actie der R.C. loopt op niets uit.
Ook in 1810 verkrijgt Ds. Cramer emeritaat. Volgens regeling door den koning ingesteld, moet hij een half jaar later zijne bediening neerleggen, hij dringt dus aan op beroeping van eenen nieuwen. Voor de kerkfondsen beteekende dit eene extra uitgave, want Ds. C. behield de rijksbijdrage groot f 200.- p. jaar tot zijnen dood; zoolang diende de gemeente haar uit eigen middelen aan den opvolger te geven. Over een drietal wordt gedelibereerd. De bezoldiging is nu f 650.-. No. 1, Ds. Verhagen Metman, vraagt of ze niet verhoogd kan worden, of men zijn personeele belasting, haardstedengeld en verhui skosten ook zou willen betalen, hierbij in aanmerking nemend, dat hij reeds in 9 maanden geen traktement ontving! No. 2, Ds. Colmschate, verzoekt om eene verhooging tot f 700.- No. 3 is Peddemos. Hij had reeds eenmaal in Rijssen gepreekt, tot groot genoegen van collatoren, en nu de collator Ludwig Eberhart Friedrich Nehrkorn, heer van den Grimberg, gewezen timmermansknecht bij des dominees vader, door omstandigheden alleen te beslissen heeft is P. Jr. na een tweede proefpreek van de overwinning zeker. En zij blijven hem graag mogen. Uit eene wat verder opgenomen briefwisseling tusschen P. en een collega te Uelsen, die hem vraagt daarheen over te komen, blijkt dat P. f 300.- verhooging heeft gekregen en ondanks den veel zwaarderen dienst toch liever te Rijssen blijft.

Hetgeen volgt is minder belangrijk of te nieuw om meegedeeld te kunnen worden. Vermeldenswaard nog dit, dat niet lang geleden eene zitplaats verkocht is, uit een nalatenschap of op andere wijze, voor f 835. - Veel geld wordt jaarlijks aan huur betaald; stoelen en banken doen van 30-100 gulden. - Onder de organisten trof ik een bekenden naam: in 1856 kwam hierheen als zoodanig Johannes Schoonderbeek, op f 200.- salaris. Hij was een oom van den grooten, helaas overleden, Johan te Naarden.

De Regge, met den rustenden oliemolen van Ter Horst

De middag werd aan eene wandeling rondom Rijssen besteed. Wij liepen 't Smittenend uit en kwamen langs de "oude" fabriek met kantoorgebouwen op den Wierdenschen straatweg, waaraan eenige buitens van fabrikanten liggen. Hier, op de brug over de Regge, genoot ik weer van 't Overijsselsch waterlandschap, op den achtergrond quasi verlevendigd door een ouden pelmolen, nu buiten dienst. Is het niet waar dat een "doode" molen het landschap op den duur geen goed doet? Wil men hem in stand houden, dan in bedrijf; de doode molen is een droevige figuur, of rijp voor 't Openluchtmuseum. - Vandaar zwierven wij door het bosch rond de plek, waar eens de Grimberg stond, nu een hooge weide binnen eene gracht, en bezochten twee boerderijtjes, min of meer "los hoes", al had men door 'n paar kasten dwars te plaatsen eene ruimte tot keuken afgeschoten. Hier zaten ze op de keitjes waarin initialen, aan den rand. Op eene plank stonden antieke brandewijnkommen, de borden echter waren leelijk nieuw. Ook bevonden de varkens zich niet langer met hen onder een dak; "dat stinkt te veel", zei de vrouw.

Daarop zijn we teruggegaan en hebben, zonder de stad te raken, achter den Oosterhof om en over den Schapendijk het heuvelland ten Zuiden bereikt. In wijden boog, langs de Israëlitische begraafplaats en de steenbakkerijen, kuierden wij naar den straatweg van Holten. Naar rechts keken we op den Esch, daar hebben de stadsbewoners hun rogge- en aardappelvelden, waar 't werk zoowat gedaan raakte; in September werd het er weer druk wanneer mannen en vrouwen, vooral vrouwen, aan 't rooien gaan. Op vele plaatsen ziet men dan de witte rook van 't in brand gestoken loof dwarrelend opstijgen. En naar links zagen we over een heuvelland met tallooze beboschte koppen en valleien, en voor ons uit, heel ver weg Noordwaarts gericht, den langgerekten heuvelrug naar Ommen. Al kunnen we 't minder waardeeren dat sommige Rijssenaren zoo weinig eigens zien in dit hun schoone land, dat zij het van verrukking met een Duitschen naam doopten, wij voelen gaarne den trots van dien anderen Twenthenaar mee, in den trein naar Enschede ontmoet, die, over Valkenburg sprekend waar hij eenige vacantiedagen had doorgebracht, Zuid-Limburg in vergelijking met zijn eigen "bergen" niets mooier vond, och wat, ,,'n luk gras, 'n luk boomen, 'n luk bergen ... " en daar tevergeefs gezocht had naar iets, dat bij zijn bosschen en weiden haalde.

Door de Haarstraat keerden wij terug. De meester was een beetje moe, al wilde hij 't nauwelijks bekennen, en ging naar huis; ik, met jongere beenen, liep nog door om 't Volkspark en het daarin gelegen groote Parkgebouw te bezichtigen. Daar is gewoonlijk druk bezoek in vrije uren, door de week nog meer dan 's Zondags. Men wandelt in den prachtigen tuin, verdienstelijk aangelegd met aardige zitjes rond de vischvijvers en bij de volière, of men zit in 't eigen gemeenschappelijk tehuis waarin lees- en conversatiezalen, een groote tooneelzaal met toebehooren enz., volgens jaartal in de windvaan van 1914, doch door den oorlog en zijnen nasleep eerst den 20en December 1919 geopend. Zijn de arbeider van Ter Horst er blij mee? Naar 't drukke bezoek, naar wat ik van enkelen hoorde en naar de merkwaardig vele tevreden gezichten in den "optocht" van gisterenavond te oordeelen, zeer zeker. Zou men niet meenen, welke theorieën men ook aanhangt, dat zoolang in den arbeid eene verhouding bestaat van werkgever tot werknemer als van "meerdere" tot "mindere" - en wie ter wereld zal eenen arbeid van gewicht verzinnen waarbij de leiding van zulke meerderen mag ontbreken? - het op den weg der leiders ligt zulke dingen te doen, en op den weg der geleiden ze dankbaar te aanvaarden?

Natuurlijk moest ik dien avond nog komen "kuieren". D.w.z. praten, of buurten zooals het elders heet. Helaas gaat het kuieren - misschien niet dat per telefoon, die tegenwoordig in Rijssen "kuierdraod" heet - de laatste jaren hard achteruit. Een oud Rijssenaar had het denzelfden dag nog tegen den meister gezegd: de kuieraovende zijn heelemaol oet. Zoo kwamen we op oude gebruiken en wat ervan over was. Heel gemakkelijk heeft het goede oude 't in Rijssen ook niet. Sinds de stadsblousjes werden ingevoerd is 't er met de burgerlijke genoegens in sommige opzichten niet beter op geworden. Doe daar eens wat aan. Het is makkelijk genoeg oude feestelijkheid als "uit den tijd" of om zekere vaak overdreven bezwaren af te schaffen, maar daarvoor iets in de plaats doen stellen dat beter is, dat is de kunst. Al gingen feesten eertijds met te veel rumoer en erger gepaard, er was ook aardigheid in; waar nu 't een met het ander verdwenen is, daar bestaat de verbetering soms alleen hierin, dat men zelf naar de winkels gaat om zijn geld te besteden en het gekochte, zonder eenigerlei omhaal van woorden of manieren, op de hoeken der straten verbruikt. Eenige dagen later in eene andere stad aangekomen, mocht ik uit de beste bron vernemen, hoe die bevolking juist tot op dat punt gezakt was, dat zij eigenlijk geen vermaken meer kende. Ze mág zoo weinig meer, en sedert zij zich in dien dwang van kerk of overheid schikte, wat zal er nog van haar uitgaan? Wie is daar die verzuimd heeft, wat het volk in zijn eenvoud uitdacht en op touw zette bijtijds te helpen veredelen? Nu spant weliswaar het tegenwoordig hoofd zich in, om althans de jeugd weer tot iets te krijgen, en niet zonder succes; maar 't kost moeite.
Wat er nog was, daarvan vertelde de meester. Van "töfelkesaovend", eene eetpartij met Oudejaar, waarvan 't stevige menu luidde: 1. een borrel om den eetlust op te wekken, 2. aardappelen met stokvisch en vleesch, 3. rijstebrei met bruine suiker, 4. chocolade uit den ketel... Het geestelijk jolijt is aan geen vaste regels gebonden. Dit is wel 't geval wanneer ze "de pipe haolen" gaan. Als iemand "ofekundigd" is, ziet men 's avoncls een 20-tal buurmeisjes door de straten trekken, eerst koopen ze een lange Goudsche pijp, versieren den steel met kunstbloemen, doen er tabak in en terwijl een van haar rookt zingen ze onder t loopen.

Wi goot de pipe haolen
Zoete lieve Gerritje
Wi kun 't ook wel betaolen
Zoete lieve meid.

Wi hoeft 'm niet te poffen
Wi goot nog niet op sloffen
enz.

Bij den bruidegom aangekomen, biedt men hem de pijp aan; op de bruiloft moet hij er uit rooken. Meteen wordt een huwelijksgeschenk, iets voor 't huishouden, gegeven. De bruigom trakteert daarop de meisjes in 't huis zijner bruid De pijp wordt later op ‘t linnengoed gelegd of voorin de kast bevestigd; breekt ze, dan is dat een slecht teeken. Ook de fabriek viert de bruiloft mee: het bruidje vindt hare schort met bloemen versierd, zoo haar weefgetouw; den bruigom houdt men op aardige manier wat voor den mal, bijv. in verband met zijnen bijnaam.

Na zoo’n dag is een menschengeest: vol. Het is of ge 't geheele stadsleven gefilmd hebt, in 't duister ziet ge een lange rij beelden van den afgeloopen dag en meent nu toch heel wat te omvatten. Totdat het tot u doordringt dat voor omvatten de tijd nóg te kort was. Wat weet en begrijpt ge al van deze menschen? Daar sta ik weer voor de moeielijkheid. 't Is veel gemakkelijker snel door te reizen. Doe vluchtige indrukken op en praat naderhand over "de bevolking" naar aanleiding van een uit den mond des hotelhouders, bij wien ge een glaasje gedronken hebt, opgevangen gezegde, een paar in den "Gids voor Twente" gelezen bijzonderheden, en meer toevalligs. Zet u eens hier en daar bij de menschen neer en luister wat langer. Wat is dán een dag, eene week? Hoevele dagen moest ik blijven om volledig inzicht te hebben in hun verkeer en in gewichtiger dingen als bijv. hunnen godsdienst? 'k Dacht aan mijn vrienden op Enterbroek: kwam ik in 't naburige Rijssen om te hooren, dat "die lui uit Enter" slim en gevat zijn op eene wijze, dat men er van "Entersvoel" praatte of gepraat had? Ligt het alle misschien in 't verleden, ook hun "vinnigheid" op de jenever waarmede zij eens door die van Twickel gevangen werden toen zij, de boeren rond 't Cattelaer, het graafwerk aan de Twickelsche vaart trachtten te verhinderen? Evenzoo vertellen andere "buitenlanders" kwaad van de Rijssenaren: hun godsdienstigheid, eeuwig theologiseeren, had niet veel om 't lijf. Bijbelvast waren ze, zóo vast, dat ze aan een paar plaatsen als gelascht zaten. Doch ik vraag mij af, zou men zich week aan week over een paar bijbelplaatsen druk maken? Zou men kerksch wezen over bijna niets en den last op zich nemen, 't weer in andere vormen te zijn - er bestaan daar drie afgescheiden gemeenten - om niets? En de gansche kerk in eene richting kunnen drijven zonder eigenlijke kracht? Toen viel mij een klein voorval in, van dezen middag. Wij slenterden door de Haarstraat op weg naar huis. Als gewoonlijk, met de belangstelling waaraan men den vreemdeling herkent, liep ik middenop den rijweg en keek links en rechts de gevels aan. Ergens bij een der oudste huizen stond een man die, mij zoo bezig ziende, ons iets toeriep en twee groote deeldeuren begon te openen. Voor den dag kwam: een balk met opschrift, waarnaar hij meende dat ik zocht: FERLAT DI NICHT OP ERSCHE DINGE DAT T1TLICK GOT FOSSWINT GERINGE WAT D IE MENSCHE WIESELICK DOT DE DAER SOC DAT
EFGI GOT ANNO 1656.
Kan de vreemdeling op éenen dag meer te weten komen dan dit: al het kwaad dat de ‘buitenlanders’ gesproken hebben, voor zoover het kwaad is dat de Rijssenaren doen, moet zijn gelijk eene deur voor een goede spreuk? Dit, lezer, is de verklaring van het zinnetje in mijn reisdagboek, - Voorloopige samenvatting: een goede spreuk achter een deur; kan verschrikkelijk klemmen, maar staat ook vaak wijd open.'