Posts tonen met het label Losser (1926). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Losser (1926). Alle posts tonen

dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): Losser en zijn zandsteen

“In 't Verleden ligt het Heden
In 't Nu wat worden zal."

LOSSER EN ZIJN ZANDSTEEN.

In de diepe dalplooi tusschen de bergen van Oldenzaal en Bentheim stroomt sedert duizenden en duizenden jaren de Dinkel noordwaarts. Even ver van de oude stad Oldenzaal ligt als een landelijk kind Denekamp ten noord-oosten daarvan en Losser ten zuid-oosten. Losser is aan den linkeroever der Dinkel gebouwd en Denekamp heeft ter rechterzijde een plaats gevonden.
Wie een Grondsoortenkaart van Nederland beschouwt, zal bij Losser naast het geel en groen een rood bloedvlekje vinden en als verklaring daarvan: Secundaire gronden. Dergelijke roode vlekjes vinden wij nog een paar bij Winterswijk en vele in Zuid-Limburg, terwijl ze verder over de heele kaart ontbreken. Nu dien ik even een kleine verklaring te geven van dat woord secundair. Want hoewel de studie der Geologie ook in de breede lagen van ons volk aan 't opkomen is, mag ik niet veronderstellen, dat alle lezers van "Ons Dinkelland" reeds het voorportaal dezer nieuwe wetenschap zijn binnengetreden.
De historie van ons Vaderland - wij allen leerden dat reeds op de schoolbanken - werd ingedeeld naar den duur der regeerende vorstenhuizen. Deze historie omvat echter slechts een tijd van 2000 jaren. De wording der aarde (en daaronder hoort ook het ontstaan van ons Vaderland) loopt evenwel over millioenen jaren, en om daar nu ook wat orde en regelmaat in te scheppen, is deze historie verdeeld in tijdvakken, welke gebaseerd zijn op het veelvuldig voorkomen - regeeren - van bepaalde planten en dieren: van varens, wolfsklauwen, trilobieten, belemnieten, zeesterren, zeelelies, brachiopoden, ammonieten, vogels, reuzenhagedissen, enz. enz.
Vorstenhuizen komen op, bloeien en gaan te niet en evenzeer is dat in den loop der eeuwen geschied met planten- en dierenfamilies. Er is voor hun ook een tijd van komen en van gaan.
Daar zijn ook soorten onder, vele honderden soorten, die uitgestorven zijn en andere, die eerst de wereld beheerschten en thans nog in verzwakte nazaten een ondergeschikte rol spelen.
Een van de indeelingen was: Primair. Secundair. Tertiair en Quartair, ofwel: eerste-, tweede-, derde- en vierde tijdvak. Het Primair is de Oude Tijd der aardvorming; het Secundair de Middeleeuwen, terwijl de andere beide deelen de Nieuwe Tijd vormen. (Niet te verwarren met gelijke namen uit den Historischen tijd.)
Het Secundair, waar wij in dit hoofdstuk mee te maken hebben, wordt nog weer onderverdeeld in drie lange tijdvakken; n.l. Trias, Jura, Krijt, waarvan de Trias de oudste is. Bezien wij een oud bouwwerk, een oude schilderij, oude boeken, wapens, munten, urnen of bijlen, dan vragen wij ons af: hoe oud zijn die voorwerpen? uit welke tijd, welke eeuw stammen ze? Gewoonlijk kan een deskundige ons daarop wel een antwoord geven. Welnu, zoo is het ook in de Geologie.
Deskundigen kunnen ons zeggen, hoe oud die berg, dat rivierdal, die vuursteen, die kalksteen, die leisteen is. Zij kunnen aan de resten, die er van planten en dieren in steenen teruggevonden worden, den ouderdom van het gesteente bepalen. Meen echter niet, dat dit op een eeuw, of op een paar duizend jaren na te schatten is! Daarvoor loopt het ontstaan der aarde te veel in de millioenen. We moeten al tevreden zijn, als we weten wat ouder, wat jonger is; wat er het eerst waren de heuvels van Oldenzaal of de zandsteen en in den Losser-esch!

De Geoloog Staring wist al, dat bij Losser in den Esch die als een heuvelrug ten Westen van het dorp loopt, zandsteen voorkwam, welke hij identificeerde met die van Gildehaus, een uurtje over de grens. Bij het putten graven in den esch stootte men herhaaldelijk op rotsbodem en men vertelt, dat sommige boeren er een put doorheen geslagen hebben.
De groeve, die door een Amsterdamse steenhouwersfirma R. daar gegraven en reeds over de vijf meter diep was, had nog niet de er onderliggende klei bereikt. In ’t najaar van 1917 is men begonnen bij den molen een groeve te delven van ongeveer vier meter middellijn. Later is deze verwijd tot tien meter. Op een der zonnige herfstdagen van midden October fietsten wij met een paar liehebberende collega’s er naar toe. Van verre zagen we reeds een paar mannen bezig, die de grijsgele steen op lange hoopen neerstortten. Het werk was dus in vollen gang. Het eerst gingen wij naar de put, vanwaar daverende mokerslagen tot ons doordrongen. Men was juist bezig een rotsblok los te werken dat een zeer eigenaardige versteening bevatte. Het leek of er ’n vergaan stuk boombast van een meter lengte en twintig centimeter breedte aan vastgegroeid zat. Het was het overblijfsel van een boomstam, die eerst door het vele gewicht (zand is immers nog al zwaar!) ineen gedrukt en daarna langzamerhand vergaan is. De bastafdrukken in het eenmaal natte zeezand waren duidelijk bewaard gebleven en de weinige overgebleven hout- en bastresten waren door een bruine ijzerafzetting omgeven en doortrokken. Doordat het zand reeds verhard was, vóór het hout geheel was verteerd, bleef er een holte over, die tot op den huidigen dag intact was gebleven.


Klik op afbeelding voor vergroting

Mooier vondst dan deze was een groote Ammoniet, plat slakkenhuisvormig, die een middellijn had van 23 c.M. Het zandopvulsel van de holle schelp, verhard tot zandsteen, vertoonde nog alle fijne ribbelingen van het slakkenhuis en lag geheel vrij in het gesteente, daar, na de opvulling met zeezand, de schelp, die uit kalk bestaat, door het in de steen circuleerende water is opgelost. Behalve deze steenkern was ook de afdruk van de buitenkant der schelp in het gesteente bewaard gebleven, nog wel met kokerwormen die zich op de schelp hadden vastgezet. Om zich van dit interessant verschijnsel' een goede voorstelling te maken, ga men het eksemplaar in Natura Docet zien. Nog meerdere afdrukken werden gevonden, o.a. van Ostrea' s, Pecten en Cardita' s. De eerste waren gewoonlijk onduidelijk, daar de schaal weinig teekening bevat. Veel fraaier waren de geribbelde afdrukken der laatste, welke vaak met een bruin ijzervernisje waren overtrokken, waardoor ze nog beter tegen het geelgrijs van den steen afstaken.
IJverig hebben we een uur lang geklopt, daarbij geholpen door Losser’s jeugd, die ijverig meehielp ons de "schulpen" aan te wijzen. Voor wij den terugtocht aanvaardden, maakten wij even een schetsje van wat ons de wand der put te zien gaf. Onder de zwarte humus van het bouwland, een halve meter dik ongeveer, zat wat leemig zand en daarbij een laag grijze keileem met oranje vlammen, vermengd met steenen van allerlei kleur, noordsche keien, sommige zoo groot als een kinderhoofd. Wat lager kwamen direct brokken zandsteen, die hoe langer hoe menigvuldiger werden en die zich op twee meter diepte al tot vaste schollen hadden verbonden.
Deze schollen waren nog te dun om een bruikbare steen te leveren en daarom werd nog steeds dieper gehakt. En de verklaring van dit profiel?
De grijze keileem is een gave der gletsjers. Deze hebben ook de zandsteen danig aangetast, verbrokkeld en vergruisd. Immers, de ijsmassa, die in den IJstijd (oudste dilivium) over den bodem voortschoof en deze omwoelde, heeft ook den zandsteenrug van Losser, die boven de omliggende klei uitstak, onder handen genomen, afgeschuurd, gekneusd en gebroken. Naar beneden kunnen we dus hoe dieper hoe minder geschonden lagen aantreffen. De zandsteen van Losser dagteekent uit de oude krijtperiede, het Neocoom.

Ter oriënteering diene het volgende schema.

Verdeeling van het krijt

Bovenkrijt:
8. Deensche lagen
7. Senoon
6. Emscher mergel
5. Turoon
4. Cenomaan

Onderkrijt:
3. Albien (Gault)
2. Neocoom (Hils)
1. Wealden (Deister]

Het is een zeevorming, wat wij o.a. aan de schelpenafdrukken kunnen zien. De ouderdom moet op minstens 800.000 jaar geschat worden. Ze kan evengoed een paar millioen jaren oud zijn. Even oud is de zandsteen van Gildehans. Beide uit het Midden Neocoom. De Bentheimer zandsteen is ouder, n.1. Onder Neocoom, evenals de Isterberg. Tusschen beide formaties in ligt een leemlaag van een 20 meter dikte, welke bij Gildehans o.a. is aangeboord en daar aan de oppervlakte moet komen.
Veel jonger is de blauwe klei, die aan den weg van Losser naar Oldenzaal door de steenfabriek verwerkt wordt. Dezelfde oorzaak, die de Lutter heuvels heeft doen ontstaan, heeft ook door een diepe plooi de zandsteen van Losser van hare zuster de Gildehauser gescheiden. De Dinkel heeft deze laagte voor den afvoer van hare wateren benut en het onvruchtbare zand langs de oever is te Losser, evenals in de Lutte, tot zandduinen opgewaaid. Even woest als de Dinkel met het omliggende land, even wild dooreen zijn de huizen in het dorp Losser geplaatst. Gezaaid ware een beter woord, want de plaatsing mist totaal alle regelmaat. Over de naamsafleiding valt weinig met zekerheid te zeggen. Sommigen willen het afleiden van klooster, waarop de t duidt, die de spraakmakende gemeente in het woord voegt: ‘Loster’.
De Dinkel zou vroeger Denge geheeten hebben, zooals de boerenhofstede ter Denge (aan de Den e) aan de Dinkel zou bewijzen. Denekamp zou dan beteekenen "Dengenkamp" nederzetting aan de Denge, en inderdaad hoort men meerdere bewoners van Beuningen en de Lutte het dorp aan de Dinkel nog zoo benoemen.
Het is de Zeer Eerw. Heer W. Knuif, die voor deze naamsafleiding in de vergadering van "Overijsselsch Regt en Geschiedenis" - Denekamp 1917 - de aandacht vroeg. Met meer waarschijnlijkheid is Denekamp (in zijn oudste schrijfwijze - 800 - Daginghem) af te leiden van den persoonsnaam Dago, en zal dus Dago's zoon zich hier een heim hebben gesticht.

Het was al laat, toen wij op den rand der put staande met onze stalen rossinanten bij de hand, den rugzak loodzwaar voelden drukken en nog eens met een tevreden gemoed het landschap overzagen. In het Westen ver over Hengelo neigde de zon ter kimme en verguldde het landschap, het zacht golvende, dat in herfsttooi stond. Naar den kant van Duitschland zagen wij op de heuvels Gildehaus oprijzen uit de vlakte, een groot heideland, waarover langzaam grauwe avonddampen opstegen. Wij hadden dien dag al vele heuvels gereden. Heuvels op en heuvels af. Lange kaarsrechte wegen, vervelend en taai als 't leven van lieden, die slechts leven om te eten en te potten. Kronkelende paadjes waren we gefietst, rakelings langs allerlei boomen en heesters, die een eerewacht vormden, helden uit brons en goud gegoten. Wij waren gepeddeld over knetterende paadjes, waarboven het gouden loover van beuk en eik te glanzen hing en waar het koel was en blauwe wierookreuken hingen als in een oude kerk.
Wij moesten ons haasten, wilden wij bij het terugrijden nog van diezelfde pracht genieten. Wij gleden den molenheuvel af en eenmaal op den grintweg buiten het menschengedoe, hadden wij het genot van bij kalmen avond de schuine zonnestralen te zien glimmen op de gelende berken en de met krullend brons beladen eiken. De zon werd hoe langer hoe goudener en daarna als een vlammend vuur. Het daglicht werd getemperd. IJle wolkjes als luchtig geweven sluiers dreven in vuurrood en paars en purper om het leger der slapen gaande lichtgodin.
Langs hooge walheggen. die de groene akkers en weiden omzoomen, ging het over een smal fietspad door het vruchtbare Berghuizen, waar smalle beekjes in het geaccidenteerde terrein het treurig overschot zijn der waterstroomen, die hier jaren lang in een kouder klimaat de flanken der heuvels aanknaagden en breede dalen uitslepen. Zoo mijmerende over het verre verleden, tegelijk ook genietende van een schoonen dag in het heden, waren wij ongemerkt het stedeke Oldenzaal genaderd, waar de last der steenen over meerdere rugzakken werd verdeeld en ons door gastvrije hand een kop thee als een genotvolle lafenis werd aangeboden.
De weg naar Denekamp was toen niet ver meer en .... niet moeilijk!

Ons Dinkelland (1926): Nog eens naar Losser

NOG EENS NAAR LOSSER.

Op een mooien dag in Augustus - 't was net Denekamper kermis - hadden we het voorrecht, nog eens onder bij uitstek deskundige leiding naar Losser te gaan, om nieuwe dingen te zien. We dwaalden 's morgens in den Losser esch en de buurtschap de Zoeke rond, en keken vol verwachting wat de 2 M. lange handboor uit den grond naar boven bracht. En 't bleek, dat de zandsteen in den esch op verschillende plaatsen zoo verweerd was, dat ze niet meer op steen leek, doch op tamelijk grofkorrelig bruingeel zand. Na een uur of wat, zakten we naar de Dinkel af, en bereikten weldra den grintweg, die van Losser zuidwaarts naar Gronau voert. De stoomtram begeleidt de straat. Waar de stopplaats Essenhuis is, zijn we dicht bij de Dinkel. Een zandweg brengt er ons. Is dat het heldere stroompje van 't Lutterzand en Beuningen? 't Lijkt op een vuile modderbeek en 't weinige water dat er in is, en dat door geulen in het rivierbed traag voortstroomt, zich hier en daar tot een poel verbreedt, lokt niet aan tot pootjesbaden. Bladeren en stengels van pijlkruid en zwanebloem zijn met een vieze zwartgrijze korst bekleed. Vuile klonters en flarden slik drijven in het water. 't Zijn de Gronausche fabrieken, die de schuld van deze verontreiniging zijn. Gelukkig maar, dat het water zich zelf weer reinigt, en in het Lutterzand weer zoo klaar als kristal is.
De lage waterstand is echter een buitenkansje voor ons; we kunnen ons nu langs den steilen oeverrand laten afzakken, en voorzichtig een deel van de drooggeloopen bedding betreden. Die harde bruine bank daar in den oever is geen zand; ook geen zandoer, waar ze veel op lijkt, doch zandsteen, sterk aan 't verweeren. De laag is hier niet dik; 't is 't onderste restje van het eenmaal veel dikker pak. Wat er boven lag, is door de erodeerende kracht van het Dinkelwater meegevoerd. Dezelfde massa, die we uit den Dinkeloever kunnen losmaken, vormt de bovenlaag van de armelijke weide tusschen de Dlnkel en de tramlijn. De boer, die met dit onvruchtbare steenachtige laagje niet gediend was, is bezig het er af te halen. Hier en daar liggen er nog hoopen van. Ten W. van de stopplaats Essenhuis is een beekje, in den zomer geheel droog. Ook de oevers van deze waterleiding bestaan uit hetzelfde verweeringsproduct van den Losserschen zandsteen. Dat het werkelijk steen is geweest en geen zand, gewoon Dinkelzand, zien we aan de hardere afgeronde brokjes, nog vrij gaaf, die we uit den oeverrand kunnen lossteken.
Dit zoo terloops; nu naar de Dinkel terug! Het drooggeloopen stuk van de bedding ziet er vuil, blauwgrijs uit. We denken eerst, dat dit komt door het vieze bezinksel uit de Gronausche ververijen, maar neen. Als onze leider een schopje vol heeft uitgestoken, en we een proefje van de grondsoort bekijken, blijkt het tot onze verrassing leem te zijn, donker grijsblauwe vette leem met een loodglans. Het is leem uit de Wealdformatie en we staan hier precies bij de scheiding van Weald en Neocoom. Ook in den oeverrand, onder het verweerde zandsteenlaagje, zit die vette taaie leem. Wel wisten we, dat bij Gronau en den Isterberg deze onderste afdeeling van het Krijt in groeven mooi te bestudeeren is, doch dat we het Weald op Nederlandschen bodem zouden vinden, dat was een verrassing. We waren onzen leider dankbaar, dat hij ons op deze plek gebracht had. Maar hij zou ons het Weald nog beter laten zien. Even op de fiets gestapt; het was niet ver.
Een breede, nieuw aangelegde zandweg gaat niet ver van Essenhuis door de Zoeke zuidwaarts, westelijk van de Dinkel. Boerderijen met eschgronden en lage weiden laten we spoedig achter ons, en we zijn weldra op de heide, die ook hier voortdurend inkrimpt door ontginning en huizenbouw. Zacht golvend strekt het bruine kleed zich uit en daalt met een breede plooi af naar het dal van de Glanerbeek. Vlak bij, tien minuten naar 't zuiden ligt Glanerbrug, achter een bosch rijzen de rookende schoorsteen en van Gronau op, aan den horizon de heuvels van Gildehaus. Bij de eenvoudige steenbakkerij (Nijland) stappen we af. Op het veld staat de vrij primitieve oven, daarbij de pas gevormde steenen op droogrekken. Aan de overzij van den weg is een rechthoekige kuil gegraven. Hier wordt de grondstof voor de steenbakkerij vandaan gehaald. De bovenste laag is de ons welbekende keileem, mooie zwerfsteenen liggen op een hoopje. Die keileem wordt op zij gegooid, om de grondsoort te bereiken die er onder zit. En dat is het zuiverste Weald dat men zich kan voorstellen; blauwe en blauwgrijze vaste kleilagen, afgewisseld door hardere mergelbankjes: dat zijn brokkelige bankjes van vergruisde schelpen met leem als bindmindel. Merkwaardig verschijnsel: Op het onderste Krijt uit het Secundair ligt direct Diluvium. Van tertiaire lagen geen spoor. Zijn die hier nooit afgezet, of zijn ze er wel geweest en voordat het landijs kwam weer weggespoeld? Een vraag, die nog op beantwoording wacht. Hier bij Losser is de eenigste vindplaats van het Weald in Nederland. Het ligt niet in 't bestek van dit hoofdstuk, om over deze formatie uit te wijden; de lezer zie het artikel over Gronau-Bentheim-Isterberg verder op in dit boek.
Tien pas van de eerste kuil verwijderd zijn een paar proefkuilen, waaruit nu geen leem meer wordt gestoken. Maar op de heide aan den rand der kuilen liggen hoopen mergel, die natuurlijk geen geschikte specie was voor de steenbakkerij en daarom op zij is geworpen. Spoedig heeft een onzer een schelpje te pakken, een aardig torenvormig slakkenhuisje met vele windingen van 11/2 cM. lengte. 't Heet Melania (= Glauconia) strombiformis. En nu onze aandacht er op gevestigd is, rapen we er tientallen op en brengen er een doosje vol mee voor Natura Docet. Ze liggen alle op de hellingen van den afvalhoop. De regen heeft ze hier uit de massa losgespoeld, en de zon heeft ze gedroogd. Daar ligt nog een ander ovaal schelpje, een dekseltje van nog geen cM. doorsnede, een Cyrena ovalis. Doch Cyrena's liggen er lang zoo veel niet als Melania's.
Even een paar honderd Meter verder fietsen, voorbij het nieuwe St. Olofsklooster, dan links langs een paar boerderijtjes en we staan aan de Glanerbeek, die hier de grens tusschen Nederland en Westfalen vormt. Aan deze zijde der beek staat grenspaal 849, aan de overzij een mooi eikenbosch. Hier gooien we de fietsen tegen een hek, en gaan op de beek af. Precies zoo'n ding als de Gele- of Rammelbeek bij Denekamp. In honderden slingers stroomt het Noordoostwaarts, om bij de boerderij Mulderman in de Dinkel te vallen. Aan den met gras begroeiden oever staan wat lage boschjes en struikgewas. De oevers der beek zijn hier steil en afgebrokkeld, maar we zoeken een steunpunt voor onze handen en voeten aan struiken en boomwortels en staan meteen al in het bed van de Glanerbeek. Wat we verwachten, wordt gevonden; we staan op dezelfde blauwe Wealdenleem als straks. Twee soorten steenen liggen op den drogen beekbodem en in het water: vlakke leiachtige brokjes (kleischalie) en platronde of ovale, gladde bruine steenen. We kennen deze van Gronau: 't zijn zoogenaamde Geoden, kalkconcreties om een of andere kern gevormd. Nieuwsgierig slaan we er een stuk: 't gaat niet zoo gemakkelijk, want ze zijn taai en zoo vast als ijzer. Maar we vinden niets. Hoeveel mooie parelmoerglanzende ammonieten hebben we vroeger bij Gronau uit die Geoden geklopt! Doch hier hebben we geen geluk, al slaan we er dezen middag verscheidene doormidden, onze moeite wordt jammer genoeg niet beloond.



Een vijftig Meter volgen we het beekje stroomafwaarts, dan over een brugje en het smokkelpaadje op, dat langs den oostoever van het stroompje loopt, nog precies op Hollandsch gebied. Waar de steile rand van het bouwland begint, die bij hoog water den beekoever vormt, daar is Duitschland. Spoedig krijgen we meer ruimte, want daar, waar de soliede prikkeldraad-afrastering is, wijkt de grens van de beek oostwaarts af. Onder het draad doorgekropen en naar den waterkant. Ook hier stroomt de Glanerbeek over de Wealdformatie, maar nu zijn 't harde banken, die richels in de bedding vormen. Gemakkelijk slaan we met onzen hamer mooie platen er af, ook liggen er losse steenen genoeg. Uit honderden schelpjes en schelpfragmenten blijken onze steenen te bestaan; meest zijn 't Cyrena's, ook Glauconia's. En bovendien visschen we nog aardige brokjes "Tutenmergel" op, kalkbrokjes met een eigenaardige straalvormige structuur.
Wie weet, wat deze streek bij voortgezet onderzoek nog aan den dag zal brengen? En gegraven wordt er gelukkig nog voortdurend. Een flinke groeve in het Weald - en er zal een Brancasaurus of een Iguanodon te voorschijn kunnen komen. Immers deze vreemde dieren hebben tijdens de Wealdvorming geleefd. In Gronau zijn er reeds meerdere wervels van gevonden, zelfs een volledig geraamte van de Brancasaurus Brancai (Wegner), dat thans in 't Geologisch Museum te Munster prijkt. Ook wervels van den Iguanodon. Wie de skeletten van deze dieren uit Bernissart in het Museum van Brussel heeft gezien, van Sauriers, 9 M. lang, schuin opgericht, met gevaarlijke kaken, zal begrijpen, welk een aanwinst het zou zijn voor de Nederlandsche Geologie, als daar op 'n gelukkigen dag zoo'n monster werd opgedolven!