Posts tonen met het label Denekamp (1926). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Denekamp (1926). Alle posts tonen

dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): De rijke verscheidenheid van Bögelskamp en Singraven

Het mag als een achteruitgang in onze Kultuur beschouwd worden, als de Natuur minder waardeering ondervindt dan de Kunst.

DE RIJKE VERSCHEIDENHEID VAN BÖGELSKAMP EN SINGRAVEN.

Ten Westen van Denekamp leidt een zandweg naar Singraven. Achter de hooge esch met Look en Vogelmelk daalt de bodem vrij snel naar het Dinkeldal, dat een breedte heeft van ± 10 minuten. Van Bögelskamp tot Singraven is het een groot moeras, doorsneden met diepe slooten, terwijl de Kampbeek er midden doorstroomt. Het is een uitgestrekt moerasveengebied, waar riet en lischdodden en kreupelhout dooreen gegroeid zijn als in een der mooiste hoekjes van ons waterrijke Holland of Friesland. Alleen na een lange droogperiode kan men over de walletjes een heel eind in die wildernis doordringen en ‘t is een genot zoo vlak bij Denekamp een brok wilde, ongestoorde natuur te bezitten. Bezitten noem ik dat. Wel ja, die rijkdom bezitten wij immers evengoed als de eigenaar, die er wat hout gaat kappen of er eens ’n wilde eend schiet.
Vanaf den weg naar Singraven heeft men twee toegangen tot het terrein. Als ge de laan naar Bögelskamp, waar het zware hek voorhangt, gepasseerd bent, zie je als eerste opening in de walheg een ‘rit’ van nog geen twee meter breedte. Elzenstruiken staan aan weerszijden en ruige pluimen van het rietachtig Kanariegras wuiven u het welkom tegen. Je voelt het aan de donzige zode, dat hier zelden gras gemaaid wordt. Het zijn dan ook voor den bezitter de slechte ‘Sek’ grassen, die alleen voor paardenvoer of strooisel geschikt zijn. Zoo'n wilde weide is juist voor ons veel belang. Je vindt er vooreerst de volgende Zegge-soorten: Carex pulicaris, disticha, remota, echinata, elongata, Flava, var. Oederi, Hornschuchiana, Pseudocyperus, vesicaria, riparia e.m.a., waarom we dit hoekje grond: het Carexlandje gedoopt hebben.



Er groeien verder nog Orchis latifolia, Pedicularis, Thalictrum, flavum met zijn mooie bladeren, sierlijke Bevertjes, kleine en groote Valeriaan, Wollegras, vele Juncus-soorten en de zeldzame Isnardia palustris.



Als het erg droog is, kun je door hooge rietgrassoorten stappen naar het plekje, dat twintig pas verder ligt en een poosje in kultuur schijnt te zijn geweest. Er zijn mooie rechte slooten gegraven, er zijn met de uitgeworpen aarde akkertjes gemaakt, begroeid met els en wilg en hoog gras, Distels, Harig Wilgenroosje, Valeriaan en Koninginnekruid. In de ondiepe slootjes staan hier en daar heele plekken met de Bittere Veldkers, Cardamine Amara. Op ‘n breed stuk, 't lijkt niet meer dan een weg, wordt thans zelfs eenmaal per jaar gemaaid. Maar daar achter is het een groote, heerlijke wildernis, waar Karekieten, Boschrietzangers, gewone Rietzangers, Sprinkhaanrietzangers, Watersnippen en Rietgorzen hun tenten hebben opgeslagen.
Waar de Kampbeek in 'n tak van de Dinkel uitmondt, de z.g. Visscherij, welven zich hooge Elzen over het water. Het is daar een uitgezocht plekje voor den IJsvogel en de Waterhoentjes. Ook de Dodaars heb ik daar gezien. In de slootjes groeit het Waterblaaskruid met de mooie leeuwebekachtige bloemen, Pilvaren en Oeverkruid in duizenden plantjes.
Ook hier weer Isnardia met de roode stengeltjes, en op het droge gedeelte: Zonnedauw, Pinguicula, Kartelblad, Parnassia en Oogetroost. Hier fladdert de zeldzame Coenonympha Tiphon, mooie Blauwtjes en zeldzame Eéndagsvlïeqen (Haften).



‘O snorrende libelle, wat beschouw
je mij verbaasd, in 't grillig zweven even
stilstaand in lucht? Vast lijkt mijn leven jou
een leelijk, log en onvolkomen leven,
jij, prachtig, vaardig schitterding ! dat zwiert
maar door den wind, en glimt hard in de stralen
van 't hevigst licht, met glimmer als metalen,
met feller leven, naar het korter tiert’.

Ge doet een paar stappen op den weg aan en een mooi gezicht over een breede rivier, waarop witte waterlelies drijven en de waterhoentjes roeien, ligt half verscholen tusschen riet en biezen en hoogopgaand hout. Scheeren en Waterduizendblad zetten er de laagveenvorming in. Aan den overkant ligt een wild boschje, waar goudvinken en merels nestelen en waar hoog uit klinkt de klokjesheldere zang van de Zwartkop. Hier vlogen eens vele Limenitis Sybilla (IJsvogel genoemd, hoewel het een vlinder is) en een paar exemplaren van de nog zeldzamere Apatura Iris (de Weerschijnvlinder). Wij gaan verder langs het water en zien de staalblauwe IJsvogel naar een vischje happen. Groote Libellen (Aeschna' s) glijden in wilde ren en happen, als de zwaluwen, vliegen en muggen in de vlucht.
Wij komen weldra aan een witte brug: Piggenbrug. Als wij haar overgingen, en het donkere wegje tusschen de hooge sparren volgden, zouden wij weldra in gezelschap van de kronkelende Dinkel in 't Borchbosch komen. Doch wij stellen deze wandeling tot een volgenden dag uit, en houden midden op het brugje halt. Kijk nu eens links, en laat uw blik zweven over het effen watervlak, waar ge langs zijt gewandeld. Droomerig liggen blanke waterlelies met gouden harten te rusten op den onbewogen waterspiegel, die de boomen en heesters, het lisch en het piekgras aan weerszijden weerkaatst. Op een overhangend takje zit een ijsvogel, onbeweeglijk, tot hij eensklaps als een flonkerende saffier omlaag schiet. Zijn scherpziend oog heeft een vischje bespeurd. Nauwelijks raakt hij het water, of weg scheert hij al weer, met zijn prooi in den grooten snavel, om een andere, het water overwiegelende tak op te zoeken als observatiepost.
Wend u even om. naar het Westen, waar de zon nog achter de boom en hangt, en het tooneel is geheel anders. Ge ziet weer over het water, dat zich hier verbreedt, om een zijtak naar de Dinkel te zenden. De achtergrond wordt gevormd door de boomgroepen van het Singravensche park en de lage weiden, waardoor de Dinkel zijn kronkels slingert, met alleen ginds een groepje elzen. 't Lijkt wel een Hollandsch landschap, die vlakke weidestreek, waarop het bonte vee niet ontbreekt.
Lang zoudt ge hier willen toeven, doch wij moeten verder, dat kaarsrechte laantje door. Links vergezelt ons het water, rechts zweeft onze blik over uitgestrekte bouwlanden, om te blijven hangen aan den donkeren boschrand van het Nieuwe Werk, aan welks zoom zich hechten de nederige boerenhuizekes. Beschermend breiden hooge dennen hun armen uit over het verweerde rood der hellende dakenvlakken. Vredig, eenvoudig, liggen ze daar. Vredig en eenvoudig als het volk, dat zij er beschermen.
Weldra wandelen wij, onder hoog opgaand eikenhout, langs de vijvers van Singraven. Allerlei waterplanten groeien daar in. Fonteinkruiden steken hun bloeiaren omhoog. Waterviolieren heffen op slanke stengels hun étagevormige bloeiwijzen boven het water uit. Blaartrekkende boterbloem en hoog Watertorkruid betwisten aan Vlotgras en Partijke licht en lucht. Ja, je kunt het treffen, dat je er bloeiend Kroos vindt. En dan bloeiende Waterpest. Dat is wel een interessante geschiedenis met dit plantje. 't Hoort hier niet thuis; 't is een indringer uit Noord-Amerika, dien ze hebben laten ontsnappen uit een botanischen tuin in ons waterrijke Holland, een zestig jaar geleden. Binnen korten tijd heeft Elodea (dat is haar Zondagsche naam) gansche gebieden voor zich veroverd, en nog steeds gaat de plant voort, op vreedzame wijze nieuwe landstreken te ‘bezetten’. Ja, zij verbreidt zich zoo sterk, dat de scheepvaart er hinder van heeft. En dit is te merkwaardiger, als ge weet, dat de plant in onze wateren nooit vruchten voortbrengt. Zij is n.l. een tweehuizige plant, waarvan de mannelijke (meeldraad-) vorm hier geheel ontbreekt. Alleen de stamperbloemen zie je hier. De plant laat ze op glashelder rose steeltjes als bootjes op het water drijven, zooals je hier op dezen vijver ziet. Maar geen nood, ook zonder vruchten redt de Waterpest zich; een klein stukje stengel is reeds instaat wortel te schieten, knoppen te vormen, en zoo voor de voortplanting en verspreiding te zorgen. Hoe hinderlijk dit gewas ook is, het weet de afvalstoffen van dieren, die het water vuil en troebel maken, te gebruiken tot opbouw van eigen lichaam, om zoodoende bij te dragen tot de zuiverheid van het water. Aquariumbezitters weten van deze eigenaardigheid profijt te trekken.


Fragment van: Wandel- en fietskaart van Denekamp en omstreken (1930)

Nog een ander merkwaardig plantje, doch interessant alleen voor de gelukkige bezitters van een microscoop, kun je hier vinden. Het is het kogelwier Volvox , een eencellig plantje, behoorende tot de groote groep der kiezelalgen, dat zich een pantser heeft gebouwd van kiezel, net een glazen bolletje van de fijnste sculptuur. Bewonder het onder 't microscoop, dit kunstwerk der natuur. Maar hoe het in handen te krijgen? Je moet het opvisschen met een heel fijn zijden netje, dat je door 't water haalt, en in welks punt zich dan allerlei kleingoed verzamelt. Dit spoel je uit in een glas water. Van deze massa leg je dan kleine druppeltjes onder 't microscoop, en wat je dan ziet, zal je verwachting overtreffen. Natuurlijk heb je, behalve de kleine algen-kolonie Volvox. allerlei ander klein goed gevangen, 't bekijken en bestudeeren overwaard.



Doch verder; er is nog meer te zien. Allereerst het huis Singraven met zijn mooie perken en breede gazons, waar je in groote kuipen decoratieve planten ziet staan: Palmen, Yucca's, die in warme zomers een groote aar van roomwitte leliebloempjes omhoog schieten; Agapanthussen met hun lintvormige bladeren en forsche schermen van blauwe bloemen. Het geruisch van vallend water doet ons haasten. Daar ligt de watermolen, een der meest ydillische plekjes om Denekamp. Waar vóór den molen het water door een stuw wordt opgehouden, heeft het zich verbreed tot een wijden vijver. Daar is bijna geen stroom in te bespeuren, vooral op Zondagen, als het molenrad van de Zondagsrust geniet. Dan ligt het breede vlak zoo roerloos tusschen de hooge eiken, die er zich in weerspiegeld zien. Slechts nu en dan verbreekt een spelend vischje de rust van den gladden spiegel, maar spoedig zijn de golfkringetjes uiteengeëbd, en ligt alles weder in onbewogen kalmte te droomen.



Wordt de waterstand in dezen molenvijver te hoog, dan heeft de mulder, als hij tenminste zelf het water niet noodig heeft, slechts een schut op te trekken, om een nieuwen weg te openen voor het Dinkelwater, Dit stroomt dan bruisend door een zijtak, de Z.g. Omdinkel, die zich door lage weiden kronkelt, onder voortdurend afknagen van de oevers, om zich bij 't Harseveld voor het Kanaal met den moederstroom te vereenigen.
Wandel nu eens vlak bij de raderen van den molen langs, over den planken vloer, en kijk naar de muren. Allerlei kruiden hebben zich tusschen hun voegen genesteld. Het levermos Fegatella conica bedekt heele vlakken van den grijzen Bentheimer steen . ‘t Lijkt veel op zijn verwant: Marchantia polymorpha, waarvoor een leek het misschien zou houden. Ook op het balken- en lattenwerk tusschen de waterraderen hebben nog allerlei lagere planten, voornamelijk algen en mossen, zich gevestigd, en gedijen er goed, bevochtigd als ze voortdurend worden door de spattende droppels.



Hoeveel eeuwen zingen die wentelende raderen niet haar rusteloos waterlied ! Reeds in de middeleeuwen wordt de molen van Singraven genoemd. De lotswisselingen der havezathe heeft hij trouw gedeeld. ‘Hier spreken de steenen: in de kaden herinneren niet minder dan 13 grijze wapensteenen ons aan de Wisselvalligheid van het aardsche bezit en aan de stadige worsteling van den mensch tegen het rustelooze stroomgeweld’ . (ter Kuile].
Nu om den molen heen, naar het kleine, oude bosch er achter. Daar zie je de Dinkel geheel anders. Schuimend en bruisend stort haar water zich van de raderen in den Molenkolk, om daarna met nieuwe kracht zich voort te reppen, noordwaarts. Een smal, maar diep dal heeft het zich uitgeschuurd. In het Molenboschje zelf vind je nog een ouden, haast dichtgeveenden Dinkelarm. Reeds lang heeft de stroom dit bed verlaten; waarschijnlijk hebben menschen hier een handje geholpen.
Maar nog een ander, interessanter bosch ligt hier dichtbij, aan de overzijde van de Dinkel. Wijlen de heer Roessingh-Udink heeft het om zijn zeldzamen plantengroei voor de bijl gespaard. Het is een hoekje, waar planten en dieren ongestoord hebben geleefd, eeuwen lang; waar alleen de natuur gezaaid en gemaaid heeft. Onder de oude, knokige eikreuzen groeit een dichte mengeling van hazelaren, lijsterbessen, braam en ruigte. De vochtige bodem is bedekt met ’n dikke, bruine bladerlaag, voor 't grootste gedeelte verteerd en één geworden met den humusrijken ondergrond.
Dergelijke bosschen vindt men als kleine hoekjes hier en daar verspreid nog wel meer in Twente. Men kent ze direct aan den ondergroei van wilde planten, die een niet-kenner altijd over het hoofd ziet. In April heft daar de zeldzame Gagea Spathacea (Geelster) zijn puntige sterretjes boven den donkeren bodem. De Primula's bloeien er met hun trossige schermen gelig goud. Muskuskruid vertoont er zijn kubusje van groene bloempjes. Anemonen wuiven er hun rose en paarse kelken. Het ijle Gierstgras steekt er zijn punten omhoog.



In Mei komen daarbij de Salomonszegel met zijn slanke veeren; het zeldzame Heelkruid (Sanicula) met zijn lage schermpjes; de nog zeldzamere Rapunzel (Phyteuma spicatum) met zijn puntig aartje van allervreemdst gevormde geelwitte bloempjes.



De kleine Bosch-Wederik kruipt er over en langs het weinig betreden pad. En Ranunculus auricomus is er volstrekt niet zeldzaam. De Vogelnestorchis bloeide er in 1917 in drie exemplaren. Een keur van bloemen, waar de botanisten uit Holland van watertanden en gaarne een dag reizens voor over hebben, groeien hier op een paar honderd meter broederlijk naast een. Hier in dit nooit gekapte en nooit omgezette bosch, hebben de veteranen uit het plantenrijk, die de woelige bebouwde plekken van ons Vaderland mijden, een laatste schuilplaats gevonden.



Een 500 eeuwen geleden, toen het ijs zich uit deze streken terugtrok en den bodem kaal, verwoest, eenzaam als een woestijn achterliet, heeft het nog millenniën geduurd voor heide en bosch door de natuur gezaaid en opgegroeid waren. De wind, het water en de vogels brachten er de zaden van allerlei planten uit de bosschen van Midden-Duitschland en deze oude, oeroude flora is het, welke zich op enkele plekjes in ons land heeft kunnen handhaven.
Een dergelijk hoekje grond noemt men een Natuurmonument. En evenals de monumenten der menschen getuigen van vroegere grootheid en onze bescherming verdienen, zoo ook wenscht men voor de monumenten der Natuur bescherming en waardeering. Amerika heeft zijn nationaal Park, Zwitserland heeft zijn typische Alpentafereelen, Duitschland zijn Lüneburger heide, door Rijk en Heemschut beschermd en ook Nederland - al kwam het achteraan - heeft zijn Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten.



Een natuurmonument is ook dit oerwoud aan de Dinkel. Wat een bloemen, wat een vogels! Ik moet nog noemen het Boschviooltje, Gele Doovenetel, Springzaad en Doornzaad. En aan de overzijde vonden wij eenige jaren geleden een groote struik van een zeldzame varieteit der Verfbrem (Genista tinctoria).



In den winter vliegen er 5 soorten meezen en goudhaantjes. Zij doen mij denken aan Gezelle's:

‘Twintig meezenvoetjes
hippelen in 't groen
zurkelende zoetjes
zoo de meezen doen.

Sprongen, rechte en kromme
doen ze elkander na
oppe, neêre en omme
ga en wederga.

Hoort ze vijzevazen
altijd even stout
reppen, roeren, razen,
weg en weêre, in ’t hout’.

In Mei hoort ge er den Nachtegaal, de Boomklever, de Boomkruiper, de Bonte Specht, Fitis, Tjiftjaf, Braamsluiper, Fluiter, Zwartkop, Wielewaal, Boschrietzanger, Grasmusch en Tuinfluiter. Hoe is daar te genieten op alle tijden van het jaar. Het is een tempel der Natuur, die het menschenhart even zeer weet te ontroeren als een zaal vol schilderijen of 'n donderend orkest.
De schoonheden van de Natuur - het wordt lang niet altijd ingezien! - zijn beter in staat liefde voor de Kunst aan te kweeken, dan een saaie lezing in ‘n rookerige zaal.
De Natuur is de oudste en de jongste, de eerste en de laatste, de meest nabije en de meest intense van al onze leermeesters! Zij is altijd en overal bij ons. Zij beheerscht, zij beïnfluenceert ons, vaak zonder dat wij het weten. En nochtans negeeren wij haar. De Natuur verblijdt, vertroost, sterkt, geneest ons. Aan hare bronnen zich te laven, is een rein genot.
Nu de cultuur van Twente met reuzenschreden naar het toppunt van stoffelijke welvaart streeft; nu de dorre heide en de wilde, woeste gronden alom in cultuur worden gebracht, nu is het tijd te bedenken, dat wij een enkel plekje ongemoeid moeten laten, om te kunnen zeggen aan onze kinderen en kleinkinderen: ‘Zie, zoo was het eens!’ En hierin is de tegenwoordige eigenaar van de Achterhof het zeer gelukkig met ons eens.

Ons Dinkelland (1926): Sterrebosch - Borgbosch

De denneboomen, die als pijlers rijzen,
De beuken slank, met kroon van levend goud
De eikenstammen, die de tijden grijzen,
Staan, als een kerk, die nooit vervalt, gebouwd,
(Frans Bastiaanse)

STERREBOSCH-BORGBOSCH.

Elk menschenkind ondervindt de groote bekoring, die uitgaat van een bosch. Het oprijzen der machtige stammen, die hun takken als sterke armen uitstrekken; de dichte kronen, die geheimzinnig suizen; de struiken, die er beneden in mollige kussens van zijïg mos als te droomen staan; het getemperde licht en de groote rust, die er altijd heerschen, hebben de dichters er toe gebracht, het bosch te vergelijken met een kerkgebouw.


Fragment van: Wandel- en fietskaart van Denekamp en omstreken (1930)

Onze heidensche voorvaderen hebben zich het bosch steeds voorgesteld als de woonplaatsen der goden en richtten daar hun feest- en offermaaltijden aan. Die liefde voor het bosch sluimert heden ten dage nog in ieder mensch, hij moge grove of fijne tastorganen bezitten.Ik heb het bosch bezocht in de Lente, als er de merel en zanglijster floot en er het roodborstje kweelde, ik heb er gedrenteld en gerust als de zomerzon speelde door het loofgordijn en er bloemen geurden in allerlei kleuren en vormen. Ik ben er geweest in den Herfst, als de beuken er bruin staan en de adelaarsvarens geel; zoo veranderd, dat ik het haast niet meer herkende. Ik heb er geloopen bij wintertijd, als een dikke vracht van donzige sneeuw de sparren deed kraken, als het op den bodem één groot, wit dek leek, waaronder alle zomersch leven begraven was. Wie het bosch alleen in de groote vakantie bezoekt en bestudeert, kent het nog niet half. Begin Mei is een veel rijkere tijd. Dan zweven de beuken vol jeugdig groen. De vogels jubelen hun liederen uit in de hooge gewelven, ja, doen ze verre weergalmen boven de toppen uit.



Dan moet ge eens luisteren naar de Tuinfluiter en de Zwartkop, naar de kleine Fluiter, die er van tak naar tak al zingende fladdert in sierlijke lijn; dan moet gij hooren de krachtige vinkenslag, het kwetteren der meezen en de luide roep van den gelen Wielewaal. In den vroegen morgen hamert er de Bonte Specht aan een dorren boomtak; de Boomklever schokt langs de stammen en fluit zijn blijheidskreet: de Eekhoorn vertoont er zijn acrobatische toeren. In ‘t Sterrebosch liggen blank de twee vijvers, die lucht en boomen weerspiegelen. Langs de oevers groeien, tusschen Molinia en Carex, Geldersche roos en Sporkelhout, waartegen de larven der Libellen omhoog kruipen, om zich in een paar uren tijds uit hun eng, vuil omhulsel te werken en dan de lachende zon tegemoet te gaan. Staal- en koperglanzende torren, Calosoma inquisitor, kruipen tegen de stammen op. om er rupsen te verschalken. De Viervlekkige Aaskever, Silpha quadripunctata, zoekt ge er niet tevergeefs.



Het Sterrebosch, zoo genoemd naar de paden, die in sterren met 8 punten te zamen loopen, herbergt weinig zeldzame planten. Het is te nieuw, te veel aangelegd. In een paar hoekjes is de man met zijn spade gelukkig niet geweest. Dat ligt aan de oude Dinkelarm, die sedert ± 1820 afgedamd is en waarin naast veenvorming ook een eigenaardige afzetting van zoetwaterkalk plaats vindt. De bladeren, die er in vallen van de overhangende boomen, worden door kalk omkorst, versteenen als het ware. In het hoekje nu tusschen het groote wandelpad, dat eigenlijk de Dinkeldijk is, en dit stukje oude Dinkel, vond ik in 1907 de zeldzame Monotropa hipopytis (Stofzaad), dat door zijn gemis aan bladgroen op voedselroof aangewezen is. Daar groeien in den Herfst ook de mooiste Paddestoelen, o.a. de Oranje Koraalzwam, de hazenoorachtige Peziza leporina, de kleine Phallus caninus en de z.z. Lentinus cochleatus.



In den herfst, als de beuken haar tooi verliezen, kunt ge de hangnesten van de Wielewalen, zes meter hoog boven het wandelpad, ontdekken. Misschien hebt ge dan ook meer kans den prachtigen IJsvogel in 't vizier te krijgen, die hier steeds komt visschen op de vijvers en de Dinkel. Zeldzame vogels leert ge echter het best ontdekken, als ge luistert naar de zangen en klanken, die buiten klinken.
Dit wil ik er nog wel bijvoegen: zonder bestudeering van den zang, zult ge het in de vogelstudie nooit ver brengen. Daarom in April en Mei herhaald geluisterd.



Wij steken thans dwars den straatweg over. Daar ligt het Borgbosch, ouder, mooier en grooter dan het Sterrebosch. Borgbosch, het bosch van den Burcht. De plaats, waar die eens stond, is nog door de oude gracht aangewezen. De burcht zelf heeft moeten plaats maken voor een boerderij. De groote weide naast de Dinkel, waar edelen en jonkvrouwen zich voor eeuwen vermaakten, ligt op' n prachtige plek naast het hooge bosch. Ook ik heb me daar menige dag vermaakt met ... vlinders vangen. Het was in ‘t begin der verzameljaren. Die groote, bruine vlinders met glinsterende zilverplekken en strepen aan de onderkant, vlogen daar toen bij massa's, zooals ik ze nog nooit weer ontmoet heb. Paarlemoervlinders heeten ze en ze hebben prachtige Latijnsche namen: Argynnis Aglaja en Paphia. Ik ving er verder de Eikenpage met blauwen weerschijn, de Limenitis Sybilla, bruine Melitaea's, Hesperia's en de zeldzame Spilosoma Mendica, waarvan het mannetje bruinzwart en het wijfje sneeuwwit is, beide met een paar donkere stippen. Daar vliegt de groene Zomervlinder, de zwart-roode Catocala sponsa (‘t Karmozijne Weeskind, zeer zeldzaam) en de zwarte Mania Maura (de Spookuil), begeerige objecten voor elken verzamelaar.
In Mei bloeit er het witte Dalkruid bij duizenden. Dan vindt ge overal de gele Hengel en zeldzamer de wasachtige bloemen van Klein Wintergroen; terwijl heel achterin op de heuveltjes der z.g. ’Schans’ het Eénbloemig Wintergroen in een 20-tal exemplaren voorkwam.



Het bosch is daar gerooid. Paarden kwamen en trokken er de zware stammen sleepend over den grond en het treurig gevolg daarvan is geweest, dat ik ze er later niet terugvond. Misschien hebben zich de wortelstokken nog kunnen herstellen en hoop ik over eenigen tijd de zeldzame plant, nog een unicum voor ons land, er terug te zien. Voorloopig moeten we er ons maar tevreden stellen met de pas genoemde, waarbij je nog voegen kunt: Lysimachia nemorum of Boschwederik. de Circaea lutetiana of Heksenkruid, een beeldig bloempje, met de forsche Epipactus latifolia of te wel Breedbladige Moerasorchis en de Gebogen Beukvaren.



Achter het Bosch, een vijf minuten, weet ik nog de Maagdepalm en de Gymnadenia. Op de weiden langs de Dinkel groeit het Trilgras, de Orchis Morio en O. Latifolia bij duizenden, terwijl de welriekende Nachtorchis op de aangrenzende heide er welig tiert.



Het mooist is het Borgbosch in het achterste gedeelte. Dat is vochtig en het lijkt wel een oerbosch. Wild groeit er alles dooreen; de paden worden bijna niet bewandeld. Korstmossen groeien er in alle weelderigheid aan stam en takken. Aan de berken op den heuvel van de ronde mos-sofa groeit zelfs het zeldzame Baardmos. Een dichte ondergroei van allerlei heesters verhindert of bemoeilijkt u den doortocht.



En als de Herfst over 't Bosch gekomen is, zingen we met den grooten, goeden natuurkenner Gezelle:
‘t Is lief en lustig diepe nu
en door den bosch te dwalen;
te zien hoe de oude boomen al
hunne oude schoonheid halen
te schranken uit! wat tijd beleeft
gij, vrienden, die zoo'n vreugde u geeft?

Hier vindt ge de zeldzaamste paddestoelen, o.a. die allervreemdste Doodstrompetten, Craterellus cornucopioides, ook wel Hoorn des Overvloeds genoemd. Ze staan in een grooten heksenkring om den voet van een eik. De Macropodia heft er haar grijzen beker omhoog en de Cordiceps woekert er op de truffels. In het hooge mos staat de langgesteelde Cortinarius armillatus, met roode banden gesmukt, als ware hij een ridder van den Kouseband!



't Is er plechtig stil en schemerdonker. Ik wandel er vaak door die lanen en dreven, en luister naar de wind, die in de toppen der dennen geheimzinnige woorden fluistert. Ik bespied er de Bonte Specht en de wezel, de Zanglijster en de Zwartkop en wie daar al meer huizen in dat ongeschonden brokje natuur. Er zijn er vele en van allerlei slag. Het is er schoon bij morgen en bij avond. En daarom zal niemand, hij moge slechts één procent natuurliefde bezitten, er onvoldaan van huiswaarts keeren.

De avond daalt. In gouden gloed verzinkt de daagsche pracht tot zwarte duisternis. Spoken zweven in de donkere lanen, tot het maanlicht ze verdrijft en op de lichte open plekken in het woud treden de elfen in lichte gewaden ten sierlijken dans.
Menschenkinderen eigen thuis.

‘Nu is er niets dan wijd-gespreide rust,
En 't zachte bloeien van de bleeke maan,
Waarin de huizen en de boornen staan
Als droomesprook, hun schoonheid onbewust’.

Ons Dinkelland (1926): Het museum Natura Docet

HET MUSEUM: "NATURA DOCET".

DE NATUUR ONDERWIJST.
Honderden malen komt men mij vragen, hoe is toch dit Museum in Denekamp gekomen? En dan leggen velen nog een extra klemmetje op Dénekamp! alsof ze willen zeggen: Op zoon dorp, in een uithoek van het land! Welnu, beknopt zal ik in dit hoofdstuk trachten het ontstaan en de ontwikkeling van "Natura docet" zoo objectief mogelijk te bespreken. Er was te Denekamp een jongen, uit onbemiddelde ouders geboren, die graag onderwijzer wou worden. Toen hij 15 jaar oud was, kreeg hij verlof om de Normaalschoollessen te Oldenzaal te volgen, mits hij er dag aan dag heenkuierde. Die afstand is ongeveer 10 K.M. en die wandelingen dag op dag, in alle tijden des jaars, ontwikkelden de liefde voor de natuur, waarvoor hij van jongs af reeds niet ongevoelig was. Hij herinnert zich tenminste nog, dat hij van zijn moeder de volksnamen der onkruiden leerde, die hij als negenjarige knaap uit de aardappelen moest helpen wieden. Door veel determineeren en droogen van bloemen als leerling van de 3e klasse van de "Nor", raakte hij goed bekend met de eigenschappen en de indeeling der planten en de soorten, die in zijn streek voorkomen. Juni 1897 werd hij een paar maand na het examen als onderwijzer aan de Dorpsschool benoemd. Nu kreeg hij volop tijd om de flora der omgeving grondig te bestudeeren.
Hij deed mee aan het onderzoek naar het voorkomen der wilde planten in Nederland, door den heer H. Heukels op touw gezet. Het heugt hem nog, hoe hij als blijk van waardeering voor het inzenden van vele zeldzame planten, Heukels' Flora van den Schrijver ontving en zoo een oude Suringar, die niet meer bij was, door een spiksplinternieuwe "Heukels" kon vervangen. Terzelfder tijd had hij zich geabonneerd op De Levende Natuur, en had hij de toen uitgekomen eerstelingen van Heimans en Thijsse verslonden. Die spoorden hem aan ook de fauna te bestudeeren en dat begon met vlinders en libellen. Doosjes en hulpmiddelen moesten zelf vervaardigd worden en wat in den zomer verzameld was, ging ‘s winters door stof of schimmel grootendeels weer te niet. Een handleiding, hoe alles te prepareeren en te verzorgen was, ontbrak. En zoo moest hij langzamerhand door schade (en schande?) wijs worden. In 1902 werd aangeschaft: Ter Haar Onze Vlinders en daaruit heeft hij niet alleen gezien, de rijkdom aan soorten en de schoonheid van elk diertje, maar ook de kracht geput, om elken zomer met onverdroten ijver te herbeginnen.

Die verzamelaar had echter niet alleen de lust tot verzamelen. Van hetgeen hij erbij en erdoor genoot, dat wilde hij ook aan anderen te genieten geven. En daarom toonde hij graag, wat schoons hij had, aan wie hij dacht, dat er iets voor voelen zou! En daartoe behoorden wel in de eerste plaats zijn "kinderen". Ieder jaar was dat weer een nieuwe klasse, zoo ongeveer een 45-tal.
Zei Dr. Thijsse niet in de Lutte op een vergadering der Twentsche onderwijzers, dat voor het kind de natuur een groot stuk speelgoed was en dat het aan ons pedagogen de taak was, ze dat speelgoed op de richtige manier te leeren hanteeren?! En nu is het bekend, dat een kind speelgoed mooi vindt en gaarne bezit, doch het o zoo spoedig weer vernietigt. De jeugd van elke plattelandsgemeente is uit den aard der zaak gemakkelijk in staat om veel van de natuur als speelgoed te genieten en helaas ook, om er veel van te vernietigen. Om dit laatste tegen te gaan, werd een club voor vogelbescherming opgericht, welker leden door een "gouden medaille" aan de pet kenbaar waren. Zij moesten een kern vormen, die de rechten en vrijheden der meest vervolgden in de natuur verdedigde. Later werd een Natuurhistorisch clubje, "Klimop" genaamd, van grootere jongens en meisjes opgericht, waarmee "de meester" elken Woensdagmiddag wandeltochtjes maakte en het leven van bloem en vlinder, van vogel en kever met ze naging en waarbij gewezen werd op het schoone en rijke alom.
Eens toen op school aan de 6-jarige kleinen een versje geleerd moest worden, waarin o.a. deze twee regels:
“'t Spreeuwtjen in zijn glanzig pak
Fluit een wijsje op het dak",
achtte hij als pedagoog het noodzakelijk, dat die kleinen een heusche spreeuw in haar prachtkleed werd voorgehouden. Aanschouwelijk bij het onderwijs te moeten zijn, daarvan was hij overtuigd. En . . . . hij besloot er "preparateur" bij te worden. Laat ik hier direct aan toevoegen, dat zonder deze schakel in het praktische werk "Natura docet" nooit tot stand gekomen zou zijn.
Het was ± 1900. De flora der streek was bekend. De vlinder- en kever-collecties breidden zich uit. Libellen, wilde bijen en wespen werden in studie genomen. Een vogel-collectie was bezig te ontstaan. Was het wonder, dat de schoenmakerswerkplaats van zijn vader, de huiskamer en de slaapkamer onder het dak volgepropt werd met allerlei moois, dat langzaam aan de belangstelling trok van collega's in de buurt, van natuurkundigen uit andere gedeelten van het land? Behalve zijn "kinderen" trachtte hij nu ook ouderen van het interessante der natuur te onderwijzen. Daarom schreef hij artikels o.a. in De Levende Natuur en in een Enschedesche courant. Algemeen in den lande ontwaakte de liefde voor de natuur. De Nederlandsche Natuurhistorische Vereeniging werd opgericht met afdeelingen in de verschillende groote plaatsen. Ook Twenthe kreeg zijn afdeeling en op ekskursies, die maandelijks werden gehouden, vond B. een nieuw arbeidsveld. Heimans en prof. De Vries met studenten uit Amsterdam, de afdeeling Groningen der Ned. Nat. Hisr. Ver ., prof. Janse met studenten uit Leiden, de Ned. Entomol. Ver. e.m.a. bezochten achtereenvolgens Denekamp, om daar van de zeldzaam rijke en fraaie natuur te leeren en te genieten. Al die menschen moesten ook in B.' s huis de geprepareerde flora en fauna zien! en dan moest in een drietal vertrekken met weinig ruimte de boel worden uitgepakt en uitgestald!
Tijdroovend, lastig en ondoelmatig! Daarom werd uitgezien naar een eenvoudig museumzaaltje, waar alles bijeen kon gebracht worden. Maar hoe dat te krijgen? Voor 1200 gld. berekende de architect, zou een kamer van 8 X 4 Meter gebouwd kunnen worden. Maar zelfs dat bedrag is voor een onderwijzer, minimum lijder, een onbereikbaar cijfer!
Dan maar de stoute schoenen aangetrokken. Een plan in overleg met de Redactie der Levende Natuur, met F.W. Craandijk uit Amsterdam en andere natuurvrienden, werd opgemaakt. Er zal worden geprobeerd of Nederland reeds rijp is, om het nut van een dergelijk plaatselijk museum, zooals Duitschland en Amerika er reeds meerdere tellen, in te zien. Bernink schreef toen in de Levende Natuur, blz. 184 van den 14den Jaargang, wat er te zien zou zijn in het nieuwe Museumpje, waarvoor het dienen zou, enz. Direct er onder volgde er 'n aanbeveling van Prof. Dr. Hugo de Vries, die luidde:

Geachte Heer!

Ik ben het geheel met u eens, dat de vertrekken, waarin ik het voorrecht had met mijne leerlingen uwe verzameling te bewonderen, daarvoor reeds toen veel te klein waren, en dat een ruime opstelling de waarde er van zeer verhoogen zou. Ook ben ik overtuigd, dat zij dit ten volle verdient en op deze wijze veel nut zou kunnen stichten.
HUGO DE VRIES.

Dan volgde een woord van de Redactie:

Heel gaarne en met aandrang ondersteunen wij het verzoek van onzen Bernink. Wij zijn overtuigd, dat dergelijke kleine musea op plaatsen en in streken, waar aan een groot niet te denken valt, veel nut kunnen stichten, en ongetwijfeld zal het bij dit eene in Denekamp niet blijven; een goed voorbeeld vindt altijd navolging. Help maar vast aan het eerste.
De grootste waarde evenwel zal dit Museum-Bernink ontleenen aan den stichter zelf, die met zoo veel ijver en toewijding de zaak van de natuurlijke historie dient; hij kan en zal van alles aan de bezoekers vertellen; hoe hij er aan kwam en wat er merkwaardigs aan is.
Nu zult ge misschien zeggen. dat dan met Bernink ook het Museum zal moeten vallen en vervallen. Dit is in de eerste plaats niet zeker, menschen hebben nakomelingen en opvolgers, en ten tweede: Bernink is nog zóó jong en sterk, dat, als het museum, door uw giften tot stand gekomen, het maar zóó lang uithoudt als hij, uw geld zijn nut dubbel en dwars heeft gedaan.
Beloften met een cijfertje, aan ons of Bernink zelf s.v.p.
HEIMANS en THIJSSE.

Nou, daar hadden nu de lezers van de L.N. iets om er over te peinzen. Een bekend ornitholoog, toen te Wageningen, zond denzelfden dag f 10.- en opende daarmee de lijst der vele giften, die uit alle oorden des lands binnenkwamen, waaronder meerdere van f 1,- van natuurminnende collega' s. De heer F.W. Craandijk schreef onder den titel: “Meesters droombeeld" op bl. 209 van denzelfden jaargang der L.N. nog een sympathiek woord over het lieflijke Denekamp en het nut van een klein Museum, “dat zeker de liefde voor plant en dier zou opwekken en bevorderen, en ongetwijfeld meer zachtheid jegens hen tengevolge zou hebben ..... zeker zeer ten bate van de als het ware in den ban gedane diersoorten, maar misschien zelfs ook ten bate van onzen evenmensch",
In Tubentia, dagblad te Enschede uitgegeven, schreef B. zelf nog een artikel met opschrift: "Een Museum voor Twente".

Daarna kwamen de giften los. 25, 40, 50, ja 100 gld. werden uit sympathie voor het doel gezonden. En toen duurde het niet lang meer of met de bouw van een Museumpje kon worden begonnen. Op 2de Pinksterdag 1911, had de feestelijke opening plaats. Nadat in Concordia Dr. Hondelink als voorzitter der feestcommissie de aanwezigen had welkom geheeten, sprak de heer F.W. Craandijk de feestrede uit. B. antwoordde daarop en dankte voor den onontbeerlijken steun, alom ondervonden. Het Museum werd bezichtigd. Een rondwandeling gemaakt over Beugelskamp naar Dinkeloord, waar men nog lang gezellig bijeen was.



Het bezoek is niet uitgebleven. Het eerste jaar bedroeg het aantal 874. In 1914 reeds 1129, in 1915 1620, in 1916 2580, in 1917 2038. Het ledental steeg tot ± 250. Dat de bezoekers tevreden waren en er leerden en genoten, bleek wel uit de talrijke schenkingen en de aangiften voor het lidmaatschap. Reeds in 1914 werden twee vertrekken van het woonhuis als museum-localiteit ingericht en in 1916 werd een stuk grond gekocht, 8700 M2. voor 4550 gld., gunstig gelegen aan de Oldenzaalsche straat, waarop te zijner tijd een flink museum zou verrijzen. De vijf jaren, dat "Natura Docet" bestond, mochten als proefjaren gelden en de voorzichtigen tot bewijs strekken, dat we met de uitbreiding van het Museum ons niet op glad ijs waagden. Laat ik daar even bijvoegen, dat toen men hoorde van de gedane stappen tot uitbreiding, ons ongevraagd twee giften van f 500 en een van f 300 werden toegezegd. April 1918 werd door N.N. uit Enschede f 1000 aan de Vereeniging "Natura Docet" gezonden! Deze Vereeniging, Koninklijk goedgekeurd 20 December 1913, heeft als art. 2 van haar Statuten als doel aangegeven: het verspreiden van kennis der natuur. En in art. 3 wordt gezegd: zij tracht dit doel te bereiken door:
a. het oprichten of in stand houden van een museum voor natuurlijke historie;
b. het doen houden van voordrachten en cursussen op het gebied van de natuurlijke historie;
c. het reserveeren van terreinen uit een natuur-wetenschappelijk oogpunt merkwaardig;
d. andere wettige middelen, die aan het doel bevorderlijk kunnen zijn.

Natuurlijk was de voornaamste taak der Vereeniging gelden bijeen te brengen voor een nieuw gebouw. In 1919 en '20 werd de actie flink aangepakt. Het Bestuur had binnen een jaar tijds f 42.000 bijeen. Hartelijk dank aan de gevers, ook van deze plaats. De aanbesteding volgde. Er werd voor ca. 45000 gld. verbouwd. Naast het Museum kwam de Directeurswoning. In landelijke eenvoud ligt het midden in de Natuur, op een geriefelijk plekje voor de bezoekers.



De 27ste Mei van 1922 werd het tegenwoordige Museum feestelijk geopend. Het eerste jaar werd het door ± 8000 personen bezocht. Het ledental steeg tot 530. De bezoekers betuigden herhaaldelijk hun tevredenheid en meerderen kwamen in 't zelfde seizoen meerdere malen terug.
Er is dan ook veel te zien, te studeeren en te genieten.

De Rijks-Iandbouwleeraar L. J. Louwes te Meppel d.d. 16 Jan. 1915:

"dat het hem voorkomt, dat een bezoek aan het Museum "Natura Docet" van zeer veel nut voor de leerlingen der Landbouwcursussen kan zijn. Met vele dingen toch, die ze op den cursus hebben hooren bespreken, zaken, die ze nooit met eigen oogen hebben aanschouwd, kunnen ze hier kennis maken. Ik raad daarom ook alle landbouwonderwijzers voor zoover ze in de gelegenheid zijn, aan, een hunner zomerlessen, liefst in het tweede jaar te besteden aan een bezoek aan het museum "Natura Docet".
Mochten er onder de landbouwonderwijzers in Twenthe zijn, die het museum zelf nog niet hebben bezocht, dan kan ik hun aanraden spoedig eens te gaan zien. Ik zou het zeer gewenscht achten, indien er onder de oud-leerlingen van cursussen enkele waren, die uit eigen beweging nog eens weer gingen kijken.
Hoogachtend.
De Rijkslandbouwleeraar voor Overijsel.
LOUWES.

Een nuttig en goedkoop uitstapje voor onze Twentsche Scholen.
Het museum "Natura Docet" te Denekamp is een niet alleen in Twente, maar een in geheel Nederland bekende stichting. Maar is het ook voldoende bekend, welk een nuttig gebruik hiervan kan gemaakt worden voor onze lagere scholen, vooral voor Twente? Zooveel wordt op de scholen geleerd uit het gebied der natuurlijke historie, verteld van voortbrengselen uit Nederlandsch Indië, zonder dat de voorwerpen in natura getoond kunnen worden, en zonder dat daarvan juiste voorstellingen ontstaan.
In het museum "Natura Docet" vindt men een zoo rijke verzameling van dit alles, dat een uitstapje daarheen met een hoogere klasse der school niet genoeg kan worden aanbevolen. Heeft de onderwijzer zich eerst op de hoogte gesteld met hetgeen daar te zien is en bij een bezoek een lijst gemaakt van die dingen, welke hij met zijn leerlingen daar wil bespreken of hun wil toonen, dan zal een uitstapje naar Denekamp en een bezichtiging van "Natura Docet" rijke vruchten geven en aangename herinneringen achterlaten. Daarbij is Denekamp voor Twentsche plaatsen zonder groote kosten te bereiken, zoodat ook dit geen bezwaar behoeft te zijn.
Wat een kostbare verzameling het museum bevat voor onderwijzers, studeerende voor de hoofdacte of voor hen, die hun kennis van natuurlijke historie en aanverwante vakken wenschen op te frisschen of uit te breiden, zal een ieder ondervinden, die daarvan eens de proef wil nemen. De veel-omvattende kennis van den stichter, den Heer J.B. Bernink, die voor zijn stichting leeft en zwoegt, en zoo volgaarne en bereidwillig alle gewenschte inlichtingen geeft, zal hun daarbij niet weinig behulpzaam zijn.
De Schoolopziener in het Arrondissement Oldenzaal.
J. PAS.

Hier heb ik weinig aan te voegen. Steeds dankbaar gedenk ik den ons bij vooortduring verleenden steun, zonder welke het onmogelijk is, dat het Museum blijft voldoen aan de gestelde ideeële verwachtingen: uitbreiding van de kennis der Natuur; waardeering en bescherming van deze, en dit alles weder tot vermooiing en verdieping van eigen geestelijk leven.
Door de Heeren J.H. van Heek, G.J. van Heek Jnr. en A.H. van Heek is in 1923 aan het Museum geschonken het Molenven bij Borne, een stuk heide, dennen, bosch en water, groot 42 H.A., om als Natuurmonument te worden bewaard.



Mogen dan velen door de beschouwing van het schoone en leerzame, te zamen gebracht in Natura Docet, komen tot oplettend rondzien in eigen omgeving. Dan pas zullen schoonheden en rijkdommen ontdekt worden in ons kleine Nederland en niet het minst in het Dinkelland van Oost-Twente; schoonheden en rijkdommen, waarvan men voorheen het bestaan nooit vermoedde.
Hieraan mee te werken moet voor velen een prettige gedachte zijn, waarom we toetreding tot de ledenlijst (jaarlijksche bijdrage f 1.- als minimum) of een bijdrage in eens, ten zeerste aanraden en . . . op prijs stellen. En met deze "Oratio pro domo" kan ik gevoegelijk de pen aan den lezer overgeven . . . . . . . . om zich aan te melden als lid.