dinsdag 23 april 2013

Gids voor Twente (1917): Haaksbergen

HAAKSBERGEN.

Eeuwenlang lag het daar eenzaam en vergeten temidden van groote heivelden en venen. 't Was een armelijk dorp, waar men zich geneerde met een beetje huisindustrie van spinnen en weven bij den schralen landbouw. De ambachtslui togen in 't voorjaar als trekvogels uit naar de Hollandsche steden, keerden in 't late najaar terug en zwierven bij winterdag in de omstreken rond, ventende met allerlei koopmansschap.
De meeste inwoners waren - als nog heden - R. Katholiek, maar een kleine minderheid meer welgestelde Protestanten had de groote kerk in bezit. Dat was gekomen in den tijd, toen Maurits zegevierend door Twente trok. Toen volgden er donkere dagen voor de Roomschgezinden. Slechts in 't geheim konden ze hun godsdienst uitoefenen. 't Was in het 12-jarig Bestand, dat een wilde hoop in het dorp viel, om den pastoor op te lichten; deze ontkwam in het Munstersche, maar de vicarius, vluchtend van huis tot huis, werd op een opkamer doorstoken. Naar luid der overlevering was de vloer niet van de bloedvlekken te reinigen, totdat het huis in 1843 afbrandde. 't Eerste kerkhuis was op de Winkelhorst in 't Munstersche en werd bediend door paters van 't Zwilbroek ; na 1699 was het in Niekerk over 't veen.
Bij Haaksbergen lag 't kasteel Blankenborg, waaraan nog een straatnaam herinnert. 't Was eerst een vrije heerlijkheid, maar kwam later aan den bisschop. Van 1448-‘60 was Rudolf van Bevervoorde er kastelein.


Afbeelding: Haaksbergen

In zijn afgeslotenheid was het hier een echt land van "veurkiekers" of "menschen met het tweede gezicht", zooals men die ook in Munsterland tot den huidigen dag heeft gekend. Het meest vermaard werd Berend Laarveld of "Kieke-Berend" in 't begin der 19e eeuw. Allerlei visioenen heeft hij gehad, allerlei voorspellingen uitgesproken, van welke eenige vervuld zijn, andere weer niet. Was alles boerenbedrog? Misschien liep er wel eens humbug onder, maar toch - vaak hebben die zieners, als ze het landhek voor een lijkwagen moesten opendoen te middernacht, als ze een bruidswagen rijden of een huis in vlam zagen, toekomstige gebeurtenissen geweten.


Afbeelding: In Haaksbergen. Huis met 2 woningen aan de Eibergsche weg.

Zoo was het oude Haaksbergen met zijn welhaast verdwenen losse huizen, zijn schaapskudden en antieke zeden. Het nieuwe heeft een ander aanzien. Het "schaddenspoortje" klingelt er langs en bij 't station verrijzen groote fabrieksgebouwen. Daar is de stoomkatoenweverij der firma Jordaan, opgericht in 1781 en vernieuwd na den brand in 1899. Verder een weverij van katoenafval van Frankenhuizen, een weverij van Ten Hoopen, die ook een bleekerij heeft aan de Schipbeek, terwijl over 't spoor een wolfabriek in aanbouw is.
Op het Marktplein verheft zich de groote R. Kath. kerk, geheel van Bentheimersteen, die al van oude tijden heugt. De kogelgaten in het muurwerk verhalen van gevechten, hier lang geleden op het dorpsplein gevoerd. In den toren en aan 't zuideind vindt men 't jaartal MCCCCXX.
Een weinig verder ziet men 't aardig koepelkerkje der Herv. gemeente, gebouwd in 1810. Op den omgang van het torentje heeft men een prachtig uitzicht op heiden, bosschen en torens langs de kim, terwijl naar 't N. Enschede met zijn schoorsteenpijpen en zwarte rookwolken de aandacht trekt.
Naast die kerk staat een deftig oud huis, blijkens het opschrift boven de deur gebouwd door den rigter Dr. Joan van der Sluys in l721, die afkomstig was van de Oude Sluis bij Diepenheim. Hij vermaakte dit huis met andere goederen aan de Herv. Diaconie. Toen pastoor de Beer het in 1721 waagde godsdienstoefening te houden bij Scholte ten Hagen nabij het dorp, liet Van der Sluys hem arresteeren, maar ontsloeg hem 14 dagen later onder borgtocht.
Veel antieke huizen vindt men niet in het dorp; de groote brand van 1847 heeft het oude opgeruimd.


Afbeelding: 't Möllenveld van buiten


Afbeelding: Möllenveld in de keuken


Afbeelding: Möllenveld, op den Brink

Menig schilderachtig punt is er in de buurtschappen, zooals de oude hofstede ’t Möllenveld - naar 't Z.W. in boschrijke omgeving; met haar hooge hoekkamer, haar put van Bentheimersteen, haar ouderwetsch interieur geeft deze voormalige herberg aan den heirweg uit Munsterland een beeld uit de 18de eeuw. Romantisch is het iets verder bij den ouden watermolen op de Schipbeek, die als een oase wegschuilt tusschen bosschen en heivelden; die grijze molengebouwen, die hoog opgestuwde beek met een mooie bocht tusschen 't geboomte heenglijdend, dan bruisend over 't rad, om zich verder te verliezen in de bosschen; dat nette Muldershuis, waar de oude linden zich buigen over het blanke stroompje; die vervallen oliemolen, ook inwendig zoo schilderachtig. Men zou er dagen willen omdolen en droomen van schoonheid en vrede.


Afbeelding: Watermolen bij Haaksbergen. Aan de overzij van den molen.


Afbeelding: Watermolen bij Haaksbergen


Afbeelding: Watermolen bij Haaksbergen. De linden langs de beek.


Afbeelding: Achter den watermolen te Haaksbergen


Afbeelding: Interieur van den oliemolen bij Haaksbergen

De Schipbeek vloeit verder door 't heerlijke Langheterbosch, vroeger van de heerlijkheid Mallum, sinds 1895 eigendom van den heer Van Heek.
Zoo zullen we telkens genieten van 't eenvoudig landelijk schoon, als we dwalen door de buurtschappen Langelo (ten Z.W.), Brammelo, Eppenzolder en Stepelo over de spoorbaan: hooge bouwkampen tusschen oude eikenwallen, holle wegen in de Meimaand door 't goud van de brem omzoomd, antieke hofsteden met hoekkamertjes en daartusschen heidevelden en dennenbosschen. Hoe aardig ligt het schooltje van Brammelo daar tusschen de dennen aan de spoorbaan en de juffrouw zit er op mooie dagen met de meisjes in 't lommer bij 't geven der handwerkles. In 't wijde Stepelosche veld, waar de leeuweriken jubelen, de kieviten en wulpen roepen bij de heiplassen, ziet men lange zandruggen, naar men meent äsar van het smeltwater uit den ijstijd.


Afbeelding: Ingang van het Langheterbosch


Afbeelding: Het huis de Pinge, bij het Langheet


Afbeelding: In het huis bij 'de Pingel'.

Zuidwaarts over de Schipbeek opent zich de wijde vlakte van het Haaksberger en Buurserveen tot ver over de grenzen. Over opgezande wegen geschiedt het verkeer door dit hoogveen met zijn heide- en mosvegetatie. In den voorzomer is het hier levendig. Als de watervogels spelen en roepen bij de bruine plassen, als het "vennepluus" (wolgras) wuift in den wind, dan zijn de menschen hier druk in de weer; ze steken schadden (brandbare zoden), splaot (losse turf) en steekkluun (harder turf). Kort vóór Sint Jacob begint het "modden" of baggeren; ze staan in slootvormige putten, met hun donker werkpak kleurend naar den zwarten bodem als een mimicry, scheppen ze de modder omhoog en spreiden
het uit in een dun bed; straks wordt de bagger getrapt en gesneden; zoo krijgt men de "pleddekluun". Eerst zet men de turven in hazen (twee aan twee), later worden ze "opetond" (in doorluchtige tonnetjes gevlijd) en ten slotte aan mijten gepakt. De veenboer bergt ze onder afdaken en in schuren, om ze later naar zijn klanten in dorp en stad te brengen. Zoo gaat het b.v. bij de "Pedde", ginds aan den vijfsprong; de jonge Wientjes vertelt ons van het kienhout in het veen: eiken, soms wel 1 M. dik, met de wortels in den grond, van boven zwart als afgebrand en de stammen er naast; dieper zitten de dennen; tweemaal vond hij een brug van boomstammen, man aan man gelegd, wel 2 M. diep in 't veen; ook koehoorns zaten er in en haaientanden er onder. Of dat alles van den zondvloed herkomstig is?

Midden in 't veen ziet men een paar huisjes, elk op een zandhoogte, door hooge berken en ander hout tegen de stormen beschut. Eertijds waren het hutten, wier bewoners met turfgraven, schapenteelt en stroopen naast den schralen landbouw den kost moesten winnen. Over de zandige haren in het veen konden in den Franschen tijd de smokkelaars bij nacht en ontijd zoo goed over de grenzen sluipen en aan de gendarmes ontkomen. Ook tegenwoordig zal hier menig nachtelijk avontuur spelen.
Ruim is hier 't vergezicht; naar 't O. ziet men de torens van Lunten en Ammeloe in 't Munstersche; daar aan de grenzen in Siberië moet nog veel turf zitten. Aan de westzij sluiten de Langheter- en Assinkbosschen den horizon af. Zwaarmoedig en melancholisch wordt het landschap als in laten herfsttijd de donkere wolken langs den hemel jagen. Staande bij zoo'n grijzen smeltwaterrug uit de glaciaalperiode, is het ons te moede, alsof wij alleen zijn
nagebleven uit verren, verren voortijd.

De grintweg brengt ons in een flink uur in het dorpje Buurse. In het golvende heiland van Honnesch zien we ver weg over de bruine vlakte, slechts afgebroken door enkele hoeven en geboomte, de zwarte rookwolken boven "de stad" (Enschede). Op hooge zandruggen tieren de wakels; een jongen ligt fluitend bij een troepje heischapen. Achter gindschen poel, het Galgenslat, stond op een hoogte weleer de galg. Rechts nabij de Schipbeek is een oude schans uit den Spaanschen tijd; een vierkant van aardwallen met halfdroge grachten rondom. Halverwege passeert men de Buurserbeek, bovenloop der Schipbeek, die hier kronkelt door zandige hoogten. Dan komt men in welige landouwen. Eindelijk zien we het dorp; ginds is de Roomsche kerk en hier de Protestantsche. In deze buurt stond in 1911-‘12 een boortoren van de Rijksopsporing van delfstoffen. De boringen onder leiding van den districts-geoloog C. Huffnagel hadden het volgende resultaat: op een diepte van 270 M. begon een zout bank van 20 M. in het Röt, het bovenste van den nu volgenden Bontzandsteen; op 875 M. werd het Zechsteinzout bereikt; bij ruim 900 M. moest men ophouden wegens een ruime toevloed van zoutwater; op 1100 à 1150 M. werd de kolenformatie verwacht.

Een kwartiertje oostwaarts over de grens onder Alstätte vindt men aan den molenkolk van de Haarmölle een "Woudleemvorming". Mooi geboomte omgeeft den grijzen watermolen, maar het meest boeit ons toch die golfkalk; 't zijn ribbetjes door de golven eener binnenzee uit den Trias-tijd geboetseerd en wij laatgeboren menschenkinderen staan hier aan het strand eener ondergegane wereld, ouder dan de rotsen van Bentheim.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen