dinsdag 23 april 2013

Gids voor Twente (1917): Enschede-Lonneker

ENSCHEDE.

"Nederlands Manchester" telt meer dan 30 fabrieken: 8 stoomkatoenspinnerijen en 15 weverijen met 3600 getouwen, bijna alle tevens ververijen, sterkerijen en drukkerijen. Een kleine 10.000 menschen, waarvan 1/3 vrouwen en meisjes, verdienen hun brood in de fabriek. Reeds uit de verte ziet men den rook hangen boven “de stad", zooals de Twentenaar zegt. Bij andere steden bepalen de torens het aanzien, hier de hooge schoorsteenpijpen.

Er is iets neerdrukkends in zoo'n groote industriestad, vooral op donkere winterdagen, als de rook in roetvlokken neerslaat, waarvan de muren zwart zien, als het water zwart is en alles goor en grauw; dan benauwt dat eeuwige geraas en gegons van machines, dat geratel van vrachtwagens, enz. den vreemdeling, die van het stille land komt.

Maar er is ook iets verheffends in. Treed eens een spinnerij binnen, waar de duizenden spillen draaien en gonzen, terwijl vrouwen en meisjes zich er bedrijvig heen en weer bewegen. Of bezoek een weverij, waar in de metalen getouwen het spoeltje rusteloos heen en weer vliegt, de kammen op en neer gaan en de laden klepperen, alles bewogen door
draaiende assen en glijdende riemen. Dan bewonderen we het menschelijk vernuft. Vooral bij avond, als de flikkerende gasvlammen al dat gedoe met haar glans omhullen, is het een grootsch schouwspel. Dan voert verbeelding ons naar de katoenplantages over den oceaan in Amerika en Indië, waar het pluis wordt geteeld, dat we aan het station in groote balen zien aanvoeren; ook naar Java, China, Eng. Indië, waar de tropenbewoners in luchtige katoenen kleeren wandelen onder de palmboomen; we zien de Javaansche schoone in haar kleurigen sarong trippelen door de dessa, even bevallig als onze dames over 't asphalt.

Voor 4 millioen gulden werd in 1910 aan werkloon uitbetaald door de fabrikanten. Heel Enschede bestaat ervan en de arbeiders hebben een goed bestaan. Toch bezitten ze nog een ander ideaal: een nieuwe maatschappij met sociale productiewijze en rechtvaardiger verhoudingen, want slaven voelen ze zich, al hebben ze eten volop en plezier op zijn tijd.

Die fabrikanten zijn een eigenaardig slag; maar zelden de parvenu, meestal degelijke eenvoudige menschen, die werkzaam zijn van den morgen tot den avond, die het liefst praten in onvervalscht Twentsch dialect, al bewonen ze een deftig huis in de stad of een fraaie villa daarbuiten, al zijn ze millionairs, die landgoederen koopen. Schoone typen van zulke groot-industrieelen waren H. J. van Heek, de schenker van het Volkspark, en zijn broeder G. J. van Heek (overleden 1915), lid der Eerste Kamer, die graag op zijn klompjes door de stad wandelde en naar 't kantoor ging. Mooie gebouwen van oude architectuur zal je in Enschede vergeefs zoeken. Alles is er nieuw. De brand van 7 Mei 1862 is de wedergeboorte van het oude Twentsche stadje geweest. In 6 uren (van 1 tot 7 uur in den namiddag) zijn 633 woningen, 25 stallen en 44 pakhuizen in de asch gelegd en 600 gezinnen dakloos geworden. Het voorjaar was droog; de houten gevels en gedokte daken boden zooveel brandbaars, dat het niet was te stuiten. Zoo ontzettend was de hitte, dat een brandspuit op straat verbrandde en een steenen gebouw op 100 M. afstands in vlam vloog. Een hevige wind joeg vrouwenkleeren zelfs tot Hardenberg, 10 uur ver. Den 9 Mei kwam minister J. R. Thorbecke de plaats des onheils bezoeken en hij zond 400 tenten en 6000 dekens uit de Rijksmagazijnen te Delft.

In 1912 is op de Markt bij de Herv. kerk een monument opgericht met tafereelen en symbolen en bas-relief, ter herinnering aan den brand. Toen waren er 3675 zielen, nu is het inwonerstal welhaast 40000.


Afbeelding: In de buurt bij Enschede. De oude schuur onder hooge boomen.

Enschede heeft al iets grootsteedsch. Het bezit een waterleiding, de Haverstraat is een echte winkelstraat, zijn School voor Handel en Nijverheid is beroemd; er is een Kantongericht en ten Z. der stad het mooie Volkspark met restauratiegebouw en monument voor den stichter.

Wie van Oud-Enschede wil vernemen moet bij de heeren J. J. van Deynse en C. Snuif wezen, beiden snuffelaars en kenners van lokale geschiedenis. Die verzuime ook niet de Twentsche 0udheidkamer te gaan zien naast het Stadhuis. Wat al voorwerpen uit oude boeren- en burgerhuizen zijn daar bijeen. Een groep wassenbeelden vertoont de ouderwetsche kieederdrachten van Usselo en Brekkelenkamp. In een halfdonkere weefkamer, een trapje onder den beganen grond, zien we een weefgetouw, repel, hekel, spoelwiel, trille, weverslampje, al het gerei der oude huisindustrie. Er is een verzameling van voorhistorische urnen, klokbekers, steenen- en bronzen werktuigen en sieraden en van nog vroeger voortijd voorwereldlijke schelpen, haaientanden, enz.

Magister Olivanus van Keulen predikte in 1215 met goed gevolg een huistocht in Twente. In Mei te Eschede komende, vond hij het volk daar bijeen een vroolijken rijgendans uitvoerend. Eerst vonden zijn woorden niet veel ingang, maar door toedoen van den pastoor namen toch eenigen het kruis aan. De burcht Enschede moet gestaan hebben, waar G. J. van Heek woonde. Hij is in 1750 door brand vernield, maar herbouwd.

Enschede was voormaals een vesting. Maurits heeft haar ingenomen in 1597. Zijn legerkamp was achter 't Wageler.

LONNEKER.

De gemeente Lonneker omsluit met haar buurtschappen Enschede geheel en ze heeft voortdurend den invloed van "de stad" ondergaan. Toen deze nog een dorpsche weversplaats was aan de "endscheide" van 't gewest, bleef in haar omgeving het
eeuwenoude karakter bewaard. Maar toen Enschede uitgroeide tot een moderne industriestad, drong het moderne leven ook in Lonneker door.
Voor een 30 jaar nog vond men er meer losse huizen dan verdeelde. We hebben daar gezeten in die schemerige hallen, waar de groote ketel met de "wendezoele" op het schaddenvuur was gedraaid en het vrouwvolk over dag nog de bontgebloemde katoenen kap droeg. Iedere groote hofstede was omgeven door de huisjes der "wönners", pachters van den boer, die jaar in jaar uit werk vonden op de groote plaats, maar van den boer omgekeerd ook paardenhulp en andere diensten genoten. 't Was een verhouding als ons geschilderd wordt in Immerman's "Oberhof" in het Westfaalsche land.
Hoeveel is er sinds veranderd. De boterfabrieken en de kunstmest hebben allerwege in de zandstreken den boerenstand tot welvaart gebracht, maar nergens wellicht is hij zoo vooraan als in Lonneker. Samenwerking, coöperatie is het tooverwoord. De Lonneker Coöperatieve Vereeniging is een model. Haar programma is uitgebreid: aankoop van voederartikelen en kunstmeststoffen, aanschaffen der nieuwste landbouwwerktuigen voor gemeenschappelijk gebruik, stoomlijnkoekmalerij, melkcontrole, bevordering van landbouwstudie door lectuur en reizen. Hier werd de eerste Raffeisenbank opgericht. Verder ontstond er een "Centraal Bureau" voor 't heele land, dat gevestigd is te Enschede en dat "Wekelijksche Mededeelingen" uitgeeft. Nergens in de zandstreken ziet men dan ook beter gewassen en mooier vee - al veel in 't stamboek opgenomen - dan onder Lonneker. Flinke nieuwe huizen met luchtige grupstallen zijn er gebouwd of vóór aan de oude is een dwarshuis gezet, maar dan stookt men des zomers - herinnering aan het oude - vóór op de deel tegen "den stapel". De losse huizen zijn gauw te tellen.
Maar gebleven is de rijkdom aan hooge eiken rondom de huizen, die ons overal in Twente verheugt. Daar is een schoone piëteit voor deze oude schutsgeesten. Vele boerinnen dragen des Zondags nog de typische Lonneker-muts, die boven 't voorhoofd tuitvormig opstaat. Andere gaan liever met het bloote hoofd en worden in alles stadsche juffers.

Een omstandigheid, die het landschapsschoon in stand houdt en bevordert, is het feit, dat rijke fabrikanten uit de stad er gronden koopen en lustverblijven stichten. Zoo is er in de buurtschappen veel moois te genieten.

Het “schaddenspoortje" brengt ons zuidwaarts eerst in Usselo, een aardig kerkdorpje met glooiende esch en tal van verstrooide hofsteden in 't geboomte.
Het volgende station is Boekelo. Daar verrijst een mooi fabrieksgebouw: een bleekerij en drukkerij met tal van arbeiders, waarvoor de beek haar helder water moet geven. Rondom zien we vriendelijke boerenhuizen uit het geboomte gluren. In deze buurt zijn ook een drietal landhuizen der Van Heek's: het Weele, het Tiessink en het Roombeek in een golvend heideland aan de Rutbeek. Westwaarts, waar dit beekje, onder 't houtgewas door, heen vloeit, ligt een boerderij met bosch en vijver, waar vóór 't jaar 1817 de Hof te Boekholt stond. 't Was een echte middeleeuwsche burcht met twee hoektorens. Omstreeks 1678 woonde er een baron von Münchhausen, wiens broeder op Oldemeule zetelde. Een prachtige eikenlaan verbond beide sloten. De broeders streden in den Spaanschen Successie-oorlog; Boekholt wilde zich door 's vijands gelederen slaan en had zijn broer gelast hem te volgen, maar deze verschool zich, waarop de ander hem voor lafaard schold. Hij sneuvelde, maar zijn windhond vond het huis terug, waar de meester nooit weer zou komen.
Elk jaar op St. Maartensdag ging de koster der kerk van Alstätte over 't eenzame Usseler heipad naar den Hof de Boekholt, om er vóór 12 uur den verplichten tijnsbeker van lindenhout te brengen. Zulke bekers, net een klein tonnetje, gebruikte men in later tijd bij de boeren wel als zoutvat en één is bewaard in de Oudheidkamer te Enschede.


Afbeelding: In de buurt van Enschede. Voor de schuur.

Van Boekelo brengt de trein ons weldra aan de halte Twekkelo. Wat is het daar mooi en lommerrijk. Prachtig geboomte omringt de oude hofsteden. 't Is een landschap vol afwisseling: vruchtbare korenvelden, malsche weiden en donkere bosschen. Nabij de halte is een antiek boerenhuis met groote hoekkamer en boven het kleine keukenraam dit opschrift:

"Wie in den nutten boerenstand
Zijn zorgen, vlijt, voor vee en land,
Met kunde en goede zeden paart,
Is aller braven achting waard. 1849."

In dit huis kwamen weleer in dagen van vervolging (vooral in 1665 en 1672) de Doopsgezinden uit den omtrek heimelijk bijeen, om door een voorganger gesticht te worden. Hier, in dit afgelegen land, waren ze nog het meest veilig.
Aan den grintweg naar Enschede ligt het vriendelijke landhuis het Stroot met boerderij, lanen en bosschen. 't Was een lustverblijf van den ouden G. J. van Heek en bij zijn begrafenis (Dec. 1915) was de kist bedekt met takjes uit de laan, waar hij zoo gaarne wandelde. De poort aan den ingang, met koppen en jachttafereelen versierd, is van het oude kasteel Hengelo (0.)
Van Enschede gaat een spoorlijn, en nu ook een kunstweg, naar 't antieke Duitsche stadje AIstätte aan de Schipbeek in heuvelachtige omgeving. Die weg komt door de buurtschap Broekheurne. Aan 't eind der "Coesfeldstege" (zoo genoemd naar den Hof te Coesfeld rechts, nu een boerderij) is de Sparrengaarde van Mr. ter Kuile, een boerderij met een paar heerenkamers te midden der bosschen. Voorbij 't station breidt zich een groote heidevlakte uit tot over de grens.

Noordwaarts ligt het Amstveen, grootendeels over de grenzen. Dichtbij stond nog in de 17e eeuw het kasteel Hölterhof. De laatste heer zou een roofridder geweest zijn, die met zijn bende door plunderen, brandstichten en afpersen in den omtrek gevreesd was. Toen Maurits in 1597 Enschede had ingenomen, zou hij den Hölterhof stormenderhand veroverd en verbrand hebben. De roovers zouden op de Galgenmorsch opgehangen en op den Bottenkamp begraven zijn. Wat de overlevering verhaalt, wordt door den historicus betwijfeld. Later sloeg in deze buurt een Munsterlander Peter een hut op den markengrond op. Zijn zoon, die op de heide tot een reus was opgegroeid, verkocht zich voor f 100 de voet aan Frederik Wilhelm I, Koning van Pruisen voor diens lijfwacht. Die zoon was "Huttenpeters vul" (veulen) zooals de boeren schertsten en lang praatte men van Huttenpeterskamp.

Weer wat naar 't N. aan de rijksgrens komt men aan Glanerbrug. 't Is net zoo'n uitstapje op Zondagmiddag met de electrische tram naar "de Brugge". Mooie villa's met parken en bosschen zie je langs den straatweg geschaard. Het plaatsje, met zijn fabrieken, kerken, klooster met school in boschrijke omgeving, heet naar een beekje, de Glane, dat in de Dinkel uitloopt. Hier stond vóór 1812 het klooster Maria-vlucht, waar op 't einde der 17e eeuw het Jansenisme tierde. De “laoksteenen" langs de grens droegen het Bourgondische kruis, wat nog aan enkele te zien is. In 1705 velde men er een eik, die als "laok" diende. In de heide is de Hessenweg op Deventer nog na te sporen.
Eschmarke, ten O. der stad, heeft de rijkste esch van heel Twente, omgeven door kapitale hoeven in 't geboomte.

De lokaalspoor brengt ons langs fabrieken en arbeiderswoningen naar 't dorpje Lonneker met een R. K. kerk als centrum. Rondom ligt de esch en verder mooie donkere bosschen. Daar is o.a. 't landgoed Amelink van den heer H. B. Blijdenstein, fraai aangelegd met schoone coniferen, treurwilgen, enz. Op den fraai beplanten Lonnekerberg is een grafmonument van zware veldkeien voor den ouden heer J. Blijdenstein, die hier rust temidden zijner geliefde natuur.
Een uurtje ten O. van Lonneker, eerst over een esch en verder over een uitgestrekte hooge heide, waar men Gronau en de heuvels van Gildehaus in de verte ontwaart, komen we aan de dennenbosschen van het landgoed Oldenzaalsche Veen, van mevr. Ledeboer uit Enschede. Eenzaam temidden van de suizende naaldboomen schuilt het aardige huisje van den boschbaas er weg nabij den koepel, die uitzicht heeft op een drietal ineenloopende vijvers, die stil blinken in hun lijst van donkere dennen. Daar achter, waar de grintweg naar Losser door de heivelden loopt, mekkert nog het "vennevul" (watersnip) bij de veenpoelen en heeft de vos zijn hol in de zandhoogten.

Van Lonneker naar 't W. (door de boschrijke buurtschap Groot-Driene komt men aan een heerenhuis temidden van een zwaar bosch, toebehoorend aan den heer H. Cromhoff te Enschede. Dat is Espelo, de oude Meijerhof van Lonneker met 21 hofhoorige erven, alles van het kapittel Sint Pieter te Utrecht. Men vertelt, dat een Spaansch hopman er huwde met een Twentsch meisje en de stamvader was der d’Avina's, die hier wel 1 1/2 eeuw woonden. In de 16e en 17e eeuw hebben ook vele Roomschgezinde boeren in de Spaansche legers gediend en in oude Twentsche boerenhuizen zag men soms een ruitje van gekleurd glas, voorstellende een boer met Spaanschen kraag en zwaard achter den ploeg.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen