dinsdag 23 april 2013

Gids voor Twente (1917): Wierden

WIERDEN.

Een weversspoel en een roggeaar zijn de teekens in het wapen van Wierden en nu weer met recht: aan beide dankt het zijn tegenwoordige welvaart. De bontweverij der H.H. Jannink uit Goor was te niet gegaan; een deel der Wierdensche wevers toog naar Almelo of Nijverdal, om daar in de fabrieken te werken, maar echt blij waren de luitjes toen de firma Bos uit Almelo de oude fabriek kocht en er wollen goederen liet weven. En de landbouw! Wat een verschil bij voor een 30 jaar! Dank zij het Waterschap de Regge zijn de uitgestrekte wilde hooilanden naar den kant van Almelo, die vroeger een groot deel van 't jaar blank stonden, nu ontwaterd en in goede weiden met tam gras herschapen. Door meer en beter vee bij een toenemend gebruik van kunstmest werd ook het bouwland al vruchtbaarder. Er kwam een export-slachterij en het varkensmesten bracht boer en burger geld aan. Dat alles floreert, ziet men aan de nette woningen langs de dorpsstraat, dat merkt men aan mooier kleeding en betere voeding. Wierden heeft ook drukke veemarkten en vooral de Mei- en Sint-Maartensmarkten zijn vermaard in den omtrek.

Wierden heeft alles wat zoo'n dorp pleegt te hebben: een R. K. en een Herv. kerk, een kerkje der Gereformeerden, een gemeentehuis, postkantoor benevens een aantal vergunningen en café's. Het logement Nijhof is van ouds bekend. 't Heette vroeger Schottenhuys en was een pleisterplaats voor den gaanden en komenden man, Voor de deur stond de tolboom van den huize Almelo en de waard ontving er 't weggeld van wagens, reizigers en vee, maar de ingezetenen der heerlijkheid waren vrijgesteld.
Wat al passanten hebben hier niet vertoefd in den den loop der tijden, immers de oude postweg van Deventer op Bentheim ging hier langs, reeds in de 17e eeuw. De Hessenwagens trokken er voorbij sinds onheugelijke tijden, zware wagens met huiven overdekt, door 2 of 4 paarden getrokken. Ze waren a.h.w. de kameelen der zandwegen, een soort reizende magazijnen, die onderweg kochten, verkochten en ruilden. De voerlui in blauwen Hessenkiel ('t waren lang niet altijd Hessen) toefden vaak slechts een paar maanden thuis en zwierven anders van plaats tot plaats, onderweg naar Brunswijk, Bremen e.a. Niet zelden brachten ze den nacht in hun wagen door, dien ze van vader hadden geerfd, wien ze reeds als jongen op de tochten hadden vergezeld.
In de oorlogsjaren 1672 en '73 hebben vele officieren en knechten hier maaltijd gedaan, genoten Fransche ruyters, oversten, hopmannen, vendericks, carpiraels, soldaten en wifen er kannen bier, muskes brandewijn en nachtlogies. In later tijd zag men Hannoveranen, Franschen en Kozakken voorbijtrekken, allen vol moed, allen verdwenen van het tooneel
dezer wereld. In Juli 1812 reisde de jonge W. de Clercq, de latere improvisator en voorman van 't Reveil, met den postwagen van Deventer naar Almelo en hij vertelt in zijn dagboek hoe het bijna den geheelen dag ging door onbewoonde landstreken in een slechte koets over een erg hobbeligen landweg. In 1819 kwam de straatweg. Evenwel klaagt nog in 1847 de Drentsche assessor H. Boom over de hobbelige straatkeien in Wierden, maar hij roemt er de lekkere stoete en klare jenever. De weg naar Almelo was een zanddijk tusschen ondoorwaadbare moerassen met zes lange bruggen er in. In 1732 vertelde Schoemaker, dat hij in de waterrijke omgeving van het dorp zoo veel snoek had gevangen.

Tot de gemeente Wierden behooren de buurtschappen Heksel, Notter, Zuna, Rectum, IJpelo, 't dorp Enter en Enterbroek.
De zandweg van Wierden naar Friezenveen ligt nog als in Adams tijden, maar een harde weg loopt van Wierden door 't Loo over 't Hooge Hexel en sluit aan bij den weg van Friezenveen naar den Ham. 't Hooge Hexel is een golvende zandhoogte met dennen en uitgestrekte heidevelden, waar ook de ontginning veld wint. Een groot stuk grond op de Pixen (men heeft bij dezen naam wel eens aan de Picten gedacht) met twee boerderijen erop was indertijd gekocht voor f 10.000 en is nu verkocht voor f 48.000.
Ruim is hier 't vergezicht, want oostwaarts strekken zich de Almelosche venen uit tot over de Duitsche grenzen, een wijde bruine vlakte tot aan den verren horizon. Waar de spade van den turfgraver nog niet kwam, ligt nog de ongerepte natuur, woest en ledig als in den morgen der schepping. Daar is 't een grootsch oorspronkelijk land, zwaarmoedig en
melancholisch in eenzaamheid en eindeloosheid. Vroeger zag men daar op droge Meidagen de zwarte veenrook opstijgen, die de zon als bloed kleurde en alles met valen tint overtoog. Maar de wisselvallige boekweitbouw der arme veenboertjes is aan den kant en de bijen puren er nu in den nazomer alleen honig uit de paarse heibloempjes. 't Getal iemkers is ook niet zoo groot meer als vroeger. Nu is daar ginds aan de Punt een nieuwe veenkolonie Vroomshoop ontstaan; daar staan de huizen in lange rijen langs de vaart, daar graaft men turf, fabriceert turfstrooisel en briquetten, daar varen de scheepjes, daar hebben Groninger boeren op den dalgrond mooie boerderijen.

Zuna ligt ten Zuiden der A, zooals men hier de Regge noemt. Het is een lief, schilderachtig land. De lommerrijke landsteeg kronkelt er langs boerenhuizen met rieten daken en endskamers, oude schuren, enz. in schaduw van hooge boomen; onregelmatige kampjes bouwland en groene weidjes zijn omringd door hagen en boomen. Een brug voert ons over de Regge, die door een grazige vallei kronkelt, in de buurtschap Notter. Ook hier zijn mooie plekjes, zooals in de omgeving der school, maar 't bouwland is er schraler (men teelt er nog boekweit) en er is te weinig weiland. Uit deze omgeving zijn voor en na tal van boerenmenschen naar Amerika vertrokken, sinds Ds. van Raalte in 1847 met een kolonie van Gereformeerden naar de wouden van Michigan toog. Velen zijn er tot welvaart gekomen, maar geen ander bracht het zoover als Gerrit Jan Kollen, (1843-1915). Zijn moeder, een weduwe met 5 kinderen, vertrok in 1851 naar het toen nog half maagdelijke Michigan, en vestigde zich in het dorp Overijsel, dat er onder leiding van Ds. Bolks ontstond. Het jongetje, dat eerst een school van boomstammen bezocht, werd professor in Hope-college, Hij huwde met Van Raalte's jongste dochter en werd in 1883 directeur van die stichting, in welke functie hij een vaderlijk leidsman en opvoeder der studenten was. Zijn moeder, de oude Kollenvrouwe, werd 100 jaar en heeft de glorie van haar zoon nog beleefd. Op de farm in Overijsel woont nu haar kleinzoon. Zij was afkomstig van de Höfte in Notter.
Ten W. van de A. ligt de buurtschap Rectum; 't riviertje heeft mooie bochten en men ziet Sallands heuvelen in de verte. Aan den weg van Wierden naar Enter ligt de oude hofstede Exo met heerenkamer en veranda van den heer Jansen uit Friezenveen. In deze buurt lag vroeger 't kasteel Leijerweerd.
De mooie houtrijke buurtschap IJpelo strekt zich ten O. van de A. uit. Daarbij is het Mokkelengoor, een wijd moerasland, waar de grutto roept en de zeldzame roerdomp den laten wandelaar verschrikt met zijn uproemb ! Hier zal het heimänneken, de geest der wildernis, soms gehoord worden.

Gids voor Twente (1917): Almelo

ALMELO.

Almelo, het Overijselsche Haagje, is de oude hoofdstad van Twente en de derde fabrieksplaats van dit gewest. Men heeft er een katoen- en een wolspinnerij, 7 katoenweverijen, 2 tricotweverijen, de stoomververijen met drukkerij en chemische wasscherij van Gebr. Palthe, een houtzagerij, 3 stoomkapokfabrieken, 3 ijzergieterijen, 3 tabakskerverijen, 3 inrichtingen voor machinaal breien, 3 inrichtingen voor 't maken van kleedingstukken, 1 fabriek van dekkleeden en oliegoederen, 1 wattenfabriek, 2 fabrieken tot zuivering van katoenafval, 1 fabriek van kapokreinigingsmachines, 1 turfstrooiselfabriek. 't Is een heel rijtje. Geen wonder, dat de lucht er met gegons en geraas is vervuld. Gaat men langs het kanaal Almelo-Zwolle, dan ziet men ter weerszij de fabrieksgebouwen met haar hooge schoorsteenen en de pakhuizen oprijzen. Levendig is het aan de havenkom, "de kop van de vaart"; op Zwolle is een dagelijksche stoombootdienst; 5 beurtschepen varen 2 maal per week op Amsterdam. Tal van binnenschippers, die 't heele land bevaren, leggen hier aan. Men moet eens praten met die veelbereisde menschen en een kijkje nemen in het lage roef je met bedsteden en kasten langs de wanden; 't is een wereldje apart.


Afbeelding: Weekmarkt te Almelo

Het flinke kanaal Almelo-Nordhorn naar de West-Duitsche kanalen beteekent nog niet veel voor 't verkeer. Bij den slechten toestand van 't Overijselsche kanaal is veler hoop gevestigd op een nieuw Twentsch kanaal, waarvoor verschillende plannen zijn ontworpen.

Bij de havenkom sluit het ruime Marktplein aan, omringd door mooie gebouwen, als 't Kantongericht, 't Waaggebouw, de Markthal e.a. Op Donderdag, als de boeren uit den omtrek met hun kleedwagens naar stad komen, is het hier een gezellige marktdrukte.

Dichtbij aan de Wierdensche Straat is de Rechtbank, waar allerlei tragische en komische levensvoorvallen aan het licht komen, waar de Twentsche jongens voor "'t gerichte" komen, als ze "zich gehouwen" (elkaar geslagen) hebben om een liefje met het gevolg, dat ze hier in Almelo moeten brommen achter de tralies voor hun dapperheid.

Almelo is een echt mooie grootstad. De Groote Straat is een moderne winkelstraat; het heeft een drinkwaterleiding, gasfabriek, electrische centrale, ziekenhuis, enz., er zijn tal van goede scholen, normaallessen, H. B. S. met 5-jarigen cursus; er zijn ook kerken van allerlei gezindten tot een Darbistenkerkje toe. De Herv. kerk ligt nabij het huis Almelo. Mooi is het gezicht over het Kolkje, een deel der buitengracht, op deze kerk en op den slanken toren der R. K. kerk in de verte. In 1735 werd de Herv. kerk tot een kruiskerk verbouwd; men ziet er een graftombe van de grafelijke familie van Rechteren. Een der eerste predikanten was Christoffel Ledeboer, een Duitscher van oorsprong en eerst Lutheraan. Hij was eerst paedagogus (huisonderwijzer) op 't Weleveld en is de stamvader der Ledeboers in Almelo en Enschede.

Wie iets over oud-Almelo en over Twentes verleden wenscht te vernemen, vindt er een betrouwbare vraagbaak in Mr. G. J. ter Kuile, den schrijver van het mooie standaardwerk over "de Twentsche havezathen".

Langs alle wegen is de stad in de laatste jaren uitgebreid met lommerrijke villa's of met reeksen arbeiderswoningen, zooals in Sluitersveld. Een tuindorp is in wording.


Aan de haven van 't Kanaal te Almelo

Rustig en kalm tusschen weiden en lanen ligt, nabij de stad, het kasteel Almelo van den graaf van Rechteren. Het bosch met de uitspanning "het Jagertje" en de Gravenallee zijn de meest geliefde wandelingen der stadsmenschen; wandelt men de allee door, een 40 min. ver, waar zij een breede zandweg is geworden, dan komt men op de Pook.
Je hoort de dennen ruischen aan weerszij. Een weg slingert zich door een boschje naar de vlakte, waardoor 't kanaal naar Nordhorn loopt, eertijds een groote hei, nu al meer gecultiveerd. Achter je rijst het zware geboomte als een muur. Mooi, zeg je. Waarom? Dat is "het ik en weet niet wat", dat men poëzie noemt.

Gaat men de mooie laan naar Wierden een 20 min. op, dan kan men linksaf over de schoone boerderij Bellinkhof het Nijreesbosch bereiken, tusschen de wegen naar Delden en Borne, meest dennen op heuvelig terrein.

Aardig zijn ook de wandelingen van 't Jagertje rechts over het stroompje de Loo-Lee, naar den Borner weg; de Friezenveenschen weg langs 't klooster "De Goede Herder" en over den Hollandergraven linksaf. Een mooi gezicht heeft men van den Mekkelenberg, waarover de weg naar Ootmarsum gaat (1 uur ten N.).

Gids voor Twente (1917): Vriezenveen

FRIEZENVEEN.

Nooit zal ik vergeten, welken indruk Friezenveen op mij maakte, toen ik het voor de eerste maal zag in de lente van 't jaar 1884. 't Was op een mooien Zondagmorgen. We kwamen van 't Hooge Hexel onder Wierden. Aan 't Westeind stapten we de Kanaalbrug over en dan begon 't dorp, dat tot aan 't Oosteind een uur lang is. Naar de Herv. kerk, waarheen we gingen, was 't een half uur. Daar lagen de huizen, meest heel ouderwetsch, ieder op hun smal erf, door slooten afgescheiden, ter weerszij van de straat. Die straat snijdt de erven niet rechthoekig, maar schuin en zoo liggen de woningen ook schuin langs den weg en hebben naar twee kanten uitzicht.


Afbeelding: Gezicht in Friezenveen aan de straat


Afbeelding: Dorpsstraat in Friezenveen (vooraan de Herv. kerk)

Alle boomen werden groen en voorjaarsbloemen sierden de tuintjes voor de huizen. Welk een overvloed van geboomte: bloeiende vruchtboomen, laantjes van wilgen en elzen naast de woningen naar 't land, groepen van mooie eiken, esschen en popels. 't Leek een sprookjesland en die eindelooze dorpsstraat scheen wel een boschlaan; hier en daar vormde 't houtgewas een groene poort. En dan die antieke huizen met zwarte plankengevels, kleine ramen met halve blinden, kleine ruitjes, soms nog in lood; die waterputten van Bentheimersteen met wip en zwengel of wel beneden van turfmuurtjes (goede filters) en boven met planken; die verweerde bijgebouwtjes: schuurtjes, varkenshokken, tot een overdekt zandhok toe. De zwaluwen begonnen te nestelen onder de gevels en de wildzang zong van Mei en minne. Ons werd verteld, dat hier zooveel rijke menschen waren en dat de bewoners van heel nederige huizen er vaak warm inzitten. Dat doet de handel. Half Overijsel zei men - heeft geld van Friezenveen.


Afbeelding: Herv. Kerk te Friezenveen (houten klokketoren).

De Herv. kerk, in 't midden, waar de kunstweg van Almelo uitkomt, is geheel vernieuwd in 1801 en vergroot in 1871, toen ze ook een orgel kreeg. De zuidmuur echter is nog van 1666. De zwarte houten klokkentoren staat niet op, maar naast de kerk. Rondom ligt nog het oude kerkhof met grauwe zerken tusschen 't gras.

We hebben Friezenveen telkens weer bezocht. Op een mooien najaarsdag kwamen we van Wierden uit over een mullen weg door de heide, waar twee kudden schapen weidden. Links zag je het geboomte van 't Hooge Hexel op zijn zandrug en rechts heel ver weg de flauwe omtrekken der heuvels van Oldenzaal en Ootmarsum. Over 't kanaal witte en grauwe zeilen, zacht voortzwevend; een schipper trok aan de lijn en zijn jongen in 't scheepje, bestuurde 't roer. De schaduw der wieken van een ouden molen aan 't kanaal ijlden regelmatig over den zandwal. Bij 't Westeind zie je, ver weg, Vroomshoop liggen aan de Punt van 't kanaal, een jonge kolonie in de onafzienbare venen. Aan 't Westeind is de groote fabriek van Jansen en Tilanus voor Jägerondergoed (nu 250 getouwen) en daaraan verbonden een groote breierij van wollen- en katoenen stoffen. Ook is er een briquettenfabriek.

Bij den grooten brand van 16 Mei 1905 zijn in de westerhelft wel 200 huizen verbrand. Vliegende stukken spek staken telkens weer andere woningen aan. Daar is het nu nieuw en nuchter geworden. Maar 't Oosteind, dat ook meer boersch is, bleef even schilderachtig. Daar heb je nog doorbalkte muren en rietendaken; daar bewonder je die mooie doorkijkjes tusschen poorten van hooge eiken of populieren met rustieke landhekken aan den ingang; noordwaarts zijn het bouwland en heel ver weg het veen, zuidwaarts zijn de weiden, alles op smalle heel lange akkers of perceelen. Soms vindt men twee of drie woningen bij elkaar op één strook van broers en zusters die het ouderlijk erf deelden.


Afbeelding: 'De Zwarte Plas'. Veenplas tusschen Friezenveen en Geesteren.


Afbeelding: Aan 't Schipsloot op 't Oosteind van Friezenveen.

Buiten 't Oosteind aan de Schipsloot is het mooi: dat stille water met een bruggetje, een paar schuiten, een sluis en een ophaalbrug, daarover zware eiken, die eens een hofstede beschaduwden en dan die wijde vergezichten. Daar verder komt men bij de Pollen, een buurtje van huizen en hutjes op hoogten of pollen, zoo aardig in het hout. 't Is daar indrukwekkend: over heiden en venen ziet men heel, heel ver weg naar de eenzame buurten Bruine Haar en Kloosterhaar, aan 't eindje van de wereld, waar geen land meer achter is. Hier en daar liggen in grootsche eenzaamheid moerassige veenplassen, die de wolken des hemels weerspiegelen (o.a. de "Zwarte Plas"). De aarde ligt er nog als op den
eersten scheppingsdag. Twee zandruggen loopen van uit het Duitsche deel van het hoogterras in de venen zuidwaarts en werden allengs door arme boertjes bevolkt, die turf groeven en boekweit teelden op het afgebrande veen, dat zijn de "Bruine Haar" en de Kloosterhaar (over de grens Balderhaar). Op de laatste lag voor meer dan 3 eeuwen het klooster Sibculo. Omstreeks 1405 werd het gesticht in een schier ondoordringbare wildernis, die door paters en leekebroeders allengs in een herbergzaam land met vruchtbare hoeven werd herschapen. Te Striepe, even over de grens, hielden ze een kudde van meer dan 1000 schapen. Er was een voortreffelijke boekverzameling (vooral van 1420-'67). Als de prior van Albergen Sibculo bezocht, vergezelde de abt hem op den terugweg halverwege tot "de Haspel" (een stuk bouwland bij Geesteren) en aan 't Oosteind van F. wijst nog den "paterswal", een paadje naar 't klooster. Nu is alles verdwenen. In de 17e eeuw zijn de gebouwen voor huizenbouw gesloopt. Er zijn nog keldergewelven en men mompelt van onderaardsche gangen.


Afbeelding: Smidse in Friezenveen

Toen het klooster gesticht werd, was Friezenveen er al. De eerste bewoners kwamen, naar men meent, uit West-Friesland, door watervloeden verdreven, herwaarts (begin 14e eeuw). Na 1350 waren 't meer Friezen uit het eigenlijke Friesland, of door overstroomingen of door oorlogen (Schieringers en Vetkoopers) verjaagd. Een overlevering gewaagd van Friesche heksen, die uit hun land verdreven, van den graaf van Almelo verlof kregen op het veen te wonen, waarom men de plaats wel eens "Haksenvenne" en de bewoners "Vennehaksen" noemde. In een brief van 1364 staat vermeld, dat elke volle hoeve jaarlijks een emmer boter moest voldoen met Sint-Martini op den huize Almelo. Op Gregoriusdag 1420 werd Fr. tot een dorp verheven bij open brief van Egbert, jonker van Almelo en zijn gemalin.
Driemaal is de plaats N. waarts verlegd, opgeschoven met de ontginning van het veen, den laatsten keer na den grooten brand van 1666. Op een 20 min. naar 't Z. ziet men, te midden der weiden en lage venen nog de oude huis plaatsen van vóór 1666, door houtgewas langs de scheidslootjes omgeven. Nog verder komt men eerst aan de A. en dan aan den Hollandergraven (een half uurtje van Almelo), een naam die wellicht op de Hollandsche herkomst der oudste "Venneluu" wijst. Van hier ziet men Friezenveen als een uitgestrekt bosch, evenals van den noordkant.


Afbeelding: Huizen aan de straat te Friezenveen.

Zwervend waren de eerste bewoners herwaarts gekomen en zwerven bleef hun aard. 's Winters togen ze met de mars door het land om kramerijen, linnen, olie, enz. te venten en in 't vroege voorjaar met tuinzaden, zelfs naar 't Bentheimsche en Munsterland. En nog zijn er, die met den groenen zak heinde en ver hun zaderijen aan den man brengen.
Vooral de linnenhandel werd belangrijk. Ondernemende handelaars reisden zelfs naar Spanje, Portugal en Italië. J. N. van Hesteren vertelt daarvan in zijn "Pleegzoon van Friezenveen", een aardig romantisch verhaal, dat speelt in den tijd der Munstersche oorlogen (1665 en 1672). Sinds het midden der 18e eeuw begon de handel met Oost-Pruisen en Rusland. "Bijna geen oude Friezenveensche familie, of haar voorvaderen hebben de boorden der Newa aanschouwd." Vroeger ging de reis per zeilschip of ook wel met wagens vol linnen, waarmee men 3 à 4 weken onderweg was. In 1905 is de laatste groene reiswagen (van Harmsen) verbrand. Toen een oude meester van Fr. omstreeks 1860 zijn 40-jarig jubileum vierde, kwam een zijner zonen ter bijwoning van het feest uit Rusland over en bracht een album mee, waarin de portretten van pl.m. 40 leerlingen, toen als handelaren in Rusland gevestigd. In 1813 stonden de Kozakken niet weinig versteld, toen ze in Friezenveen op zijn Russisch werden toegesproken en terechtgezet.


Afbeelding: Achterhuis met schuurtje in Friezenveen.

Nog zijn er Friezenveners, die groote manufactuurmagazijnen hebben in Petersburg, maar ze keeren allen aan den levensavond naar het stille geboortedorp terug, waar we de mooie villa's der "Ruslui" tusschen de boersche woningen zien staan.
Zoo is er veel, dat spreekt tot de verbeelding. We zouden de verhalen willen hooren van die oude familiën over verre reizen en wonderlijke avonturen. We zouden in die antieke huizen 's avonds aan den haard hooren vertellen van spoken en heksen, van de witte wijven op een woeste ruigbegroeide zandhoogte ten Z. van F., van duivelbanners, die den Booze vastklonken, dat men den ketting hoorde rammelen, van de broeders van Sibculo, die bij nacht over den Kloosterweg kwamen, om hun bijen naar 't Hooge Hexel te brengen en zoo meer en dat alles in eigenaardig Friesch-Twentsch. Men zegt in 't Fjaensch: "Njemt nen stoul en smiet oe dale; 't water kwakt (kookt) in 'n kjettel; 't verbauw van ragge, boukwaite; de kou (koe) huijen; goud scheiten (goed schieten), een pannekouke dei steit in de mage.
Een vader vertelt van zijn dochter Gaidiene: "De vente sljiept er op de kaaimsen ok al mangs met no de haaibaaigen (herbergen) en lesten hebt er menkaar ók al es tweije umme esjlàgen. Op de Bissing (een zomerjaarmarkt) he'k en vaaiken van 't maark e-haald, en dregtig möttien vuur tweiendatig geulen en een dubbeltien."

Gids voor Twente (1917): Tubbergen

TUBBERGEN.

Tubbergen met zijn 9 buurtschappen is wellicht het meest oorspronkelijk deel van Twente, immers het kent spoortrein noch tram en maar zelden dwaalt een toerist af naar dit vergeten land, waar toch zooveel moois verscholen ligt.


Afbeelding: Dorpsplein in Geesteren, met scharenslijpersfamilie


Afbeelding: Boerenhuis met hoekkamer in Geesteren, aan den weg naar Tubbergen

Van Almelo uit komen we 't eerst in Geesteren, een klein dorp in vruchtbare boschrijke omgeving. 't Zijn er meest eigenerfde boeren; het kruisje op den geveltop zegt ons, dat de R. Kath. kerk hier de heerschende is. Op het pleintje voor de R. K. kerk was een stoelenmatter-scharenslijper met zijn gezin gelegerd. 't Is hier een gastvrij land met goedhartige, kinderlijk eenvoudige menschen en daarvan profiteeren ook de landzwervers. Even buiten het dorp zagen we het meestershuis, waar W. G. A. J. Röring meer dan 40 jaar als hoofd der school heeft gewoond; hij was een kenner der geschiedenis en volkskunde van deze streek en gaf in 1911 zijn "Kerkelijk en Wereldlijk Twente" (2 dln.) in het licht. Een tijdlang was hij lid der Provinciale Staten.


Afbeelding: Boerenhuis achter Geesteren aan den weg naar Tubbergen


Afbeelding: Boerenkeuken met wijden schoorsteenboezem (Geesteren, aan den weg naar Tubbergen)

Aan den grintweg naar Tubbergen ziet men op een zandige hoogte een ouden molen met aarden omwalling en rieten dak, zooals men ze in deze omgeving meer heeft. Twee rijen hooge jeneverstruiken zijn er voor geschaard.
Even vóór Tubbergen ligt mooi in 't geboomte het kasteel Eschede of de Eeschhof. Daar werd in 1844 de dichter-staatsman Dr. H. J. A. M. Schaapman geboren. Zijn vader, die burgemeester van Tubbergen was, bewoonde het oude landgoed. In 't jaar 1582 lag "die woeninghe wueste en onbewoent ende durch 't krychsfolck merendeels vernyelt." Van 1892-'98 was het een R. K. Opvoedingsgesticht, dat in 1898 naar Borculo werd verplaatst. Boven de deur vindt men 't jaartal 1719 en op een paar steenen platen in den linkervleugel staan wapens met de jaren 1780 en 1786. De tegenwoordige eigenares, mevr. Paehlig-Hoboken heeft er een fraaie collectie antieke meubels.


Afbeelding: 't Kasteel Eschede bij Tubbergen (geboortehuis van Dr. H.J.A.M. Schaepman)

Tubbergen is een groot dorp met een drietal stoomververijen. De groote R. K. kerk en de toren zijn voor een groot deel uit Bentheimersteen opgetrokken. Het N. Herv. kerkje dateert - als overal in Twente - van 1810, ingevolge Koning Lodewijks reis in 1809.
Noordwaarts voert een kunstweg over Mander, een boschrijke buurt, naar het Duitsche stadje Uelsen, met hoogen toren en verklinkende klokken in een mooie, heuvelachtige omgeving. Als men de rijksgrens nadert, beginnen de heivelden en dennenbosschen en men ziet de heuvelen blauwen in 't Neder-Bentheimsche land.

Linksaf komt men in Manderveen en Langeveen, waar het kale hoogveen zich uitstrekt tot ver over de grenzen. Daar lag tot in ‘t begin der 19e eeuw een eeuwenheugend woud met reusachtige boomen, de Drieschicht. Vossen en korhoenders waren er overvloedig en tot 1750 huisden er wolven en wilde zwijnen. In 1803 kwam er 't eerste huisje en nu is daar de parochie Langeveen.


Afbeelding: Boerenhuis in Fleringen (nabij 't Herbergje 'Halfweg')

Van Tubbergen naar 't Z.O. gaat een grintweg door de buurtschap Fleringen. Wondermooi, schier romantisch, is het op den glooienden Fleringeresch. Daar links, aan den rand der korenvelden, waar maaiers en bindsters het koren in hokken zetten bij 't dalen van den avond, verheft de Kroezeboom zijn breede kruin. Die woudreus draagt heugenis van eeuwen; hij heeft gezien, hoe in de dagen, toen de Roomschgezinden hun godsdienst niet in 't openbaar durfden uitoefenen (1687 o.a.), hier op een zomer-Zondagmorgen heel in de vroegte de scharen van heinde en ver in alle stilte bijeen kwamen; hoe een kapelaan, met een draagbaar altaar van over de grenzen gekomen, er het H. Misoffer opdroeg en van den wagen af preekte, terwijl de wildzang jubelde en de bloemen geurden als wierook. Nu is de boom oud: de zwammen woekeren in zijn geweldigen stam (wel 8 M. in omtrek) en meer dan een zware tak is dor. In 1909 is er een kapelletje onder gebouwd, waarin een beeld van Christus met het H. Hart. Over den wijden esch zagen we bij ondergaande zon, links de heuvelen van Ootmarsum, paarsblauw in wazig verschiet, ginds het spitsje van Vasse's toren opstekend uit het geboomte en rechts de bosschen van Herinchave. Door een donkere laan van sparren en eiken, met bosschen ter weerszij, komt aan de verroeste poort voor het oude kasteel; het onkruid groeit hoog op het binnenplein, de waterplanten tieren in de stille grachten, gevoed door een beekje, dat eenmaal een watermolen dreef, die nu rust en vermolmt; de luiken zijn gesloten. "Zoo blijft een woning eenzaam achter, verreist de heer naar verre kust" (nu gekocht door Mr. Kerkwijk te Almelo). De laatste Bönninghausen (hij was burgemeester van Tubbergen) is voor kort gestorven. We denken aan zijn voorzaten, die woonden op dit huis. Eén was er officier in de lijfwacht van Koning Lodewijk; hij ontving in Spanje 't Legioen van eer, maar bij Poncorbo gewond, stierf hij in Toulouse. Zijn broeder,
eerst page aan Lodewijks hof, toog in 1812 mee naar Rusland, werd gekwetst bij Smolensko, onderscheidde zich bij Waterloo en stierf in 1822 op Herinchave.

Van het mooie boschrijke Fleringen brengt de grintweg op Ootmarsum ons door de buurtschap Reutum.
Eerst komt men over uitgestrekte heivelden, waar de scheper droomend de schaapskudde bewaakt; toch wordt ook hier het bruin allengs omgetooverd in groen door het wondermiddel van kalk en kunstmest. Reutum heeft weer zoon ruime esch met een zee van koren. Oude schilderachtige hofsteden en mooie nieuwe liggen er om het kerkje.


Afbeelding: Op den Reutumer Esch in den oogsttijd

Van Fleringen den grintweg op Almelo volgende, komt men eerst weer door wijde, blijde heiden. De Tubbergsche heiden bezitten hier en daar z.g. urnenvelden, een aantal kleine heuveltjes met een greppeltje rondom. waarin de urnen zijn bijgezet en brandstapels daarbij met houtskool, grijze asch en beenderresten, alles met heide overgroeid. Ze moeten afkomstig zijn van Proto Saksische stammen uit het begin onzer jaartelling tot diep in den keizerstijd. Soms vindt een plaggenmaaier of een schaapherder hier een speerpunt, een bijl of een halsring van brons, een steenen hamer of zoo iets.

We komen in de buurtschap AIbergen. Een kerkje met pastorie onder één dak, een school, een boterfabriek, iets verder een cichoreifabriek met de villa van den eigenaar (den heer Eenhuis) erbij in boschrijke omgeving, een mooie esch en flinke hofsteden, ziedaar Albergen. In vroeger eeuwen heeft het meer beteekend. In de late middeleeuwen was er een beroemd klooster, dat van 1520-'30 meer dan 100 kloosterlingen telde. Het was een leven met God in de vrije natuur. Men had leekebroeders als opzichter van den watermolen, opzichter der bijen, hoeder der beesten in de gemeene weiden, schaapherder, olieslager, tuinier, steenenbakker en ander handwerk. In de bosschen liepen de varkens, die vet werden van de eikels. Gelegen aan den grooten weg van Deventer op Hamburg, vonden tal van reizigers er nachtverblijf. Vreemdelingen en armen werden gastvrij ontvangen. In "de stille week" en op twee andere jaartijden onthaalde men er honderden armen.
Gezegend middelpunt van beschaving in ruwe tijden. Van die ruwheid getuigen de herinneringen van 't Weemselo, eertijds een slot onder Albergen, evenals 't Kemna, in dezelfde buurt, beide van de familie Bevervoorde. Nu zijn er nog twee boerderijen van dien naam. Gerrit van Bevervoorde, heer van Weemselo, ontvoerde in den nacht van 28 Sept. 1589 de twaalfjarige dochter van Hendrik van Reede, heer van Brandlecht, die met zijn echtgenoote op 't Weemselo te gast was. Ondanks den tegenstand der ouders, die in hun hemd werden neer geworpen, droeg hij het krijtende en schreeuwende meisje over de brug naar een wagen en reed met haar naar Arnhem. Op 17 Oct. 1597 werd de maagdenroover te Brussel onthoofd. Moeder en dochter stonden in een venster en "saghen hem sterven om haer gemoet te sadighen met wrake."

Eenzaam en vergeten aan de Duitsche grens (nu pas komt er een grintweg) ligt de buurtschap Vasse. 't Is er een heerlijk landschap: prachtige korenesschen, donkere bosschen, oude hofsteden, schoone vergezichten van den Haamberg, deel van een heuvelrij, die zich van Ootmarsum tot ver over de grenzen uitstrekt, koele bronnen en lustige beekjes, die schilderachtige watermolens drijven, twee naar de zij van Mander en twee andere aan den kant van Ootmarsum. Niet ver van de kerk ligt het erve Geerdink, met andere in deze streek meer dan 1000 jaren oud, heugend van den tijd, toen de Saksers er zich vestigden. Daar werd in 1803 Johannes Geerdink geboren, die van 1837-1868 pastoor in de Lutte was (overleden 1879). Als jongske vond hij in 't ouderhuis in een kast allerlei oude akten, meest op perkament met witte zegels eraan, een geslachtsregister van wel 4 eeuwen terug en zoo meer. 's Avonds aan den haard luisterde hij naar 't verhalen der overleveringen, hier van geslacht tot geslacht bewaard. Om de grafheuvels der heivelden
zweefden de schimmen der heidensche voorgeslachten. Alles sprak van oeroude tijden en toen hij ouder was geworden, snuffelde hij overal in dit antieke land en verzamelde vele bouwstoffen. Zoo ontstond het boek, dat in het licht werd gegeven door zijn neef E. Geerdink, pastoor te Vianen: "Eenige bijdragen tot de geschiedenis van het Archidiaconaat
en Aartspriesterschap Twente" (1895)•

Gids voor Twente (1917): Haaksbergen

HAAKSBERGEN.

Eeuwenlang lag het daar eenzaam en vergeten temidden van groote heivelden en venen. 't Was een armelijk dorp, waar men zich geneerde met een beetje huisindustrie van spinnen en weven bij den schralen landbouw. De ambachtslui togen in 't voorjaar als trekvogels uit naar de Hollandsche steden, keerden in 't late najaar terug en zwierven bij winterdag in de omstreken rond, ventende met allerlei koopmansschap.
De meeste inwoners waren - als nog heden - R. Katholiek, maar een kleine minderheid meer welgestelde Protestanten had de groote kerk in bezit. Dat was gekomen in den tijd, toen Maurits zegevierend door Twente trok. Toen volgden er donkere dagen voor de Roomschgezinden. Slechts in 't geheim konden ze hun godsdienst uitoefenen. 't Was in het 12-jarig Bestand, dat een wilde hoop in het dorp viel, om den pastoor op te lichten; deze ontkwam in het Munstersche, maar de vicarius, vluchtend van huis tot huis, werd op een opkamer doorstoken. Naar luid der overlevering was de vloer niet van de bloedvlekken te reinigen, totdat het huis in 1843 afbrandde. 't Eerste kerkhuis was op de Winkelhorst in 't Munstersche en werd bediend door paters van 't Zwilbroek ; na 1699 was het in Niekerk over 't veen.
Bij Haaksbergen lag 't kasteel Blankenborg, waaraan nog een straatnaam herinnert. 't Was eerst een vrije heerlijkheid, maar kwam later aan den bisschop. Van 1448-‘60 was Rudolf van Bevervoorde er kastelein.


Afbeelding: Haaksbergen

In zijn afgeslotenheid was het hier een echt land van "veurkiekers" of "menschen met het tweede gezicht", zooals men die ook in Munsterland tot den huidigen dag heeft gekend. Het meest vermaard werd Berend Laarveld of "Kieke-Berend" in 't begin der 19e eeuw. Allerlei visioenen heeft hij gehad, allerlei voorspellingen uitgesproken, van welke eenige vervuld zijn, andere weer niet. Was alles boerenbedrog? Misschien liep er wel eens humbug onder, maar toch - vaak hebben die zieners, als ze het landhek voor een lijkwagen moesten opendoen te middernacht, als ze een bruidswagen rijden of een huis in vlam zagen, toekomstige gebeurtenissen geweten.


Afbeelding: In Haaksbergen. Huis met 2 woningen aan de Eibergsche weg.

Zoo was het oude Haaksbergen met zijn welhaast verdwenen losse huizen, zijn schaapskudden en antieke zeden. Het nieuwe heeft een ander aanzien. Het "schaddenspoortje" klingelt er langs en bij 't station verrijzen groote fabrieksgebouwen. Daar is de stoomkatoenweverij der firma Jordaan, opgericht in 1781 en vernieuwd na den brand in 1899. Verder een weverij van katoenafval van Frankenhuizen, een weverij van Ten Hoopen, die ook een bleekerij heeft aan de Schipbeek, terwijl over 't spoor een wolfabriek in aanbouw is.
Op het Marktplein verheft zich de groote R. Kath. kerk, geheel van Bentheimersteen, die al van oude tijden heugt. De kogelgaten in het muurwerk verhalen van gevechten, hier lang geleden op het dorpsplein gevoerd. In den toren en aan 't zuideind vindt men 't jaartal MCCCCXX.
Een weinig verder ziet men 't aardig koepelkerkje der Herv. gemeente, gebouwd in 1810. Op den omgang van het torentje heeft men een prachtig uitzicht op heiden, bosschen en torens langs de kim, terwijl naar 't N. Enschede met zijn schoorsteenpijpen en zwarte rookwolken de aandacht trekt.
Naast die kerk staat een deftig oud huis, blijkens het opschrift boven de deur gebouwd door den rigter Dr. Joan van der Sluys in l721, die afkomstig was van de Oude Sluis bij Diepenheim. Hij vermaakte dit huis met andere goederen aan de Herv. Diaconie. Toen pastoor de Beer het in 1721 waagde godsdienstoefening te houden bij Scholte ten Hagen nabij het dorp, liet Van der Sluys hem arresteeren, maar ontsloeg hem 14 dagen later onder borgtocht.
Veel antieke huizen vindt men niet in het dorp; de groote brand van 1847 heeft het oude opgeruimd.


Afbeelding: 't Möllenveld van buiten


Afbeelding: Möllenveld in de keuken


Afbeelding: Möllenveld, op den Brink

Menig schilderachtig punt is er in de buurtschappen, zooals de oude hofstede ’t Möllenveld - naar 't Z.W. in boschrijke omgeving; met haar hooge hoekkamer, haar put van Bentheimersteen, haar ouderwetsch interieur geeft deze voormalige herberg aan den heirweg uit Munsterland een beeld uit de 18de eeuw. Romantisch is het iets verder bij den ouden watermolen op de Schipbeek, die als een oase wegschuilt tusschen bosschen en heivelden; die grijze molengebouwen, die hoog opgestuwde beek met een mooie bocht tusschen 't geboomte heenglijdend, dan bruisend over 't rad, om zich verder te verliezen in de bosschen; dat nette Muldershuis, waar de oude linden zich buigen over het blanke stroompje; die vervallen oliemolen, ook inwendig zoo schilderachtig. Men zou er dagen willen omdolen en droomen van schoonheid en vrede.


Afbeelding: Watermolen bij Haaksbergen. Aan de overzij van den molen.


Afbeelding: Watermolen bij Haaksbergen


Afbeelding: Watermolen bij Haaksbergen. De linden langs de beek.


Afbeelding: Achter den watermolen te Haaksbergen


Afbeelding: Interieur van den oliemolen bij Haaksbergen

De Schipbeek vloeit verder door 't heerlijke Langheterbosch, vroeger van de heerlijkheid Mallum, sinds 1895 eigendom van den heer Van Heek.
Zoo zullen we telkens genieten van 't eenvoudig landelijk schoon, als we dwalen door de buurtschappen Langelo (ten Z.W.), Brammelo, Eppenzolder en Stepelo over de spoorbaan: hooge bouwkampen tusschen oude eikenwallen, holle wegen in de Meimaand door 't goud van de brem omzoomd, antieke hofsteden met hoekkamertjes en daartusschen heidevelden en dennenbosschen. Hoe aardig ligt het schooltje van Brammelo daar tusschen de dennen aan de spoorbaan en de juffrouw zit er op mooie dagen met de meisjes in 't lommer bij 't geven der handwerkles. In 't wijde Stepelosche veld, waar de leeuweriken jubelen, de kieviten en wulpen roepen bij de heiplassen, ziet men lange zandruggen, naar men meent äsar van het smeltwater uit den ijstijd.


Afbeelding: Ingang van het Langheterbosch


Afbeelding: Het huis de Pinge, bij het Langheet


Afbeelding: In het huis bij 'de Pingel'.

Zuidwaarts over de Schipbeek opent zich de wijde vlakte van het Haaksberger en Buurserveen tot ver over de grenzen. Over opgezande wegen geschiedt het verkeer door dit hoogveen met zijn heide- en mosvegetatie. In den voorzomer is het hier levendig. Als de watervogels spelen en roepen bij de bruine plassen, als het "vennepluus" (wolgras) wuift in den wind, dan zijn de menschen hier druk in de weer; ze steken schadden (brandbare zoden), splaot (losse turf) en steekkluun (harder turf). Kort vóór Sint Jacob begint het "modden" of baggeren; ze staan in slootvormige putten, met hun donker werkpak kleurend naar den zwarten bodem als een mimicry, scheppen ze de modder omhoog en spreiden
het uit in een dun bed; straks wordt de bagger getrapt en gesneden; zoo krijgt men de "pleddekluun". Eerst zet men de turven in hazen (twee aan twee), later worden ze "opetond" (in doorluchtige tonnetjes gevlijd) en ten slotte aan mijten gepakt. De veenboer bergt ze onder afdaken en in schuren, om ze later naar zijn klanten in dorp en stad te brengen. Zoo gaat het b.v. bij de "Pedde", ginds aan den vijfsprong; de jonge Wientjes vertelt ons van het kienhout in het veen: eiken, soms wel 1 M. dik, met de wortels in den grond, van boven zwart als afgebrand en de stammen er naast; dieper zitten de dennen; tweemaal vond hij een brug van boomstammen, man aan man gelegd, wel 2 M. diep in 't veen; ook koehoorns zaten er in en haaientanden er onder. Of dat alles van den zondvloed herkomstig is?

Midden in 't veen ziet men een paar huisjes, elk op een zandhoogte, door hooge berken en ander hout tegen de stormen beschut. Eertijds waren het hutten, wier bewoners met turfgraven, schapenteelt en stroopen naast den schralen landbouw den kost moesten winnen. Over de zandige haren in het veen konden in den Franschen tijd de smokkelaars bij nacht en ontijd zoo goed over de grenzen sluipen en aan de gendarmes ontkomen. Ook tegenwoordig zal hier menig nachtelijk avontuur spelen.
Ruim is hier 't vergezicht; naar 't O. ziet men de torens van Lunten en Ammeloe in 't Munstersche; daar aan de grenzen in Siberië moet nog veel turf zitten. Aan de westzij sluiten de Langheter- en Assinkbosschen den horizon af. Zwaarmoedig en melancholisch wordt het landschap als in laten herfsttijd de donkere wolken langs den hemel jagen. Staande bij zoo'n grijzen smeltwaterrug uit de glaciaalperiode, is het ons te moede, alsof wij alleen zijn
nagebleven uit verren, verren voortijd.

De grintweg brengt ons in een flink uur in het dorpje Buurse. In het golvende heiland van Honnesch zien we ver weg over de bruine vlakte, slechts afgebroken door enkele hoeven en geboomte, de zwarte rookwolken boven "de stad" (Enschede). Op hooge zandruggen tieren de wakels; een jongen ligt fluitend bij een troepje heischapen. Achter gindschen poel, het Galgenslat, stond op een hoogte weleer de galg. Rechts nabij de Schipbeek is een oude schans uit den Spaanschen tijd; een vierkant van aardwallen met halfdroge grachten rondom. Halverwege passeert men de Buurserbeek, bovenloop der Schipbeek, die hier kronkelt door zandige hoogten. Dan komt men in welige landouwen. Eindelijk zien we het dorp; ginds is de Roomsche kerk en hier de Protestantsche. In deze buurt stond in 1911-‘12 een boortoren van de Rijksopsporing van delfstoffen. De boringen onder leiding van den districts-geoloog C. Huffnagel hadden het volgende resultaat: op een diepte van 270 M. begon een zout bank van 20 M. in het Röt, het bovenste van den nu volgenden Bontzandsteen; op 875 M. werd het Zechsteinzout bereikt; bij ruim 900 M. moest men ophouden wegens een ruime toevloed van zoutwater; op 1100 à 1150 M. werd de kolenformatie verwacht.

Een kwartiertje oostwaarts over de grens onder Alstätte vindt men aan den molenkolk van de Haarmölle een "Woudleemvorming". Mooi geboomte omgeeft den grijzen watermolen, maar het meest boeit ons toch die golfkalk; 't zijn ribbetjes door de golven eener binnenzee uit den Trias-tijd geboetseerd en wij laatgeboren menschenkinderen staan hier aan het strand eener ondergegane wereld, ouder dan de rotsen van Bentheim.

Gids voor Twente (1917): Enschede-Lonneker

ENSCHEDE.

"Nederlands Manchester" telt meer dan 30 fabrieken: 8 stoomkatoenspinnerijen en 15 weverijen met 3600 getouwen, bijna alle tevens ververijen, sterkerijen en drukkerijen. Een kleine 10.000 menschen, waarvan 1/3 vrouwen en meisjes, verdienen hun brood in de fabriek. Reeds uit de verte ziet men den rook hangen boven “de stad", zooals de Twentenaar zegt. Bij andere steden bepalen de torens het aanzien, hier de hooge schoorsteenpijpen.

Er is iets neerdrukkends in zoo'n groote industriestad, vooral op donkere winterdagen, als de rook in roetvlokken neerslaat, waarvan de muren zwart zien, als het water zwart is en alles goor en grauw; dan benauwt dat eeuwige geraas en gegons van machines, dat geratel van vrachtwagens, enz. den vreemdeling, die van het stille land komt.

Maar er is ook iets verheffends in. Treed eens een spinnerij binnen, waar de duizenden spillen draaien en gonzen, terwijl vrouwen en meisjes zich er bedrijvig heen en weer bewegen. Of bezoek een weverij, waar in de metalen getouwen het spoeltje rusteloos heen en weer vliegt, de kammen op en neer gaan en de laden klepperen, alles bewogen door
draaiende assen en glijdende riemen. Dan bewonderen we het menschelijk vernuft. Vooral bij avond, als de flikkerende gasvlammen al dat gedoe met haar glans omhullen, is het een grootsch schouwspel. Dan voert verbeelding ons naar de katoenplantages over den oceaan in Amerika en Indië, waar het pluis wordt geteeld, dat we aan het station in groote balen zien aanvoeren; ook naar Java, China, Eng. Indië, waar de tropenbewoners in luchtige katoenen kleeren wandelen onder de palmboomen; we zien de Javaansche schoone in haar kleurigen sarong trippelen door de dessa, even bevallig als onze dames over 't asphalt.

Voor 4 millioen gulden werd in 1910 aan werkloon uitbetaald door de fabrikanten. Heel Enschede bestaat ervan en de arbeiders hebben een goed bestaan. Toch bezitten ze nog een ander ideaal: een nieuwe maatschappij met sociale productiewijze en rechtvaardiger verhoudingen, want slaven voelen ze zich, al hebben ze eten volop en plezier op zijn tijd.

Die fabrikanten zijn een eigenaardig slag; maar zelden de parvenu, meestal degelijke eenvoudige menschen, die werkzaam zijn van den morgen tot den avond, die het liefst praten in onvervalscht Twentsch dialect, al bewonen ze een deftig huis in de stad of een fraaie villa daarbuiten, al zijn ze millionairs, die landgoederen koopen. Schoone typen van zulke groot-industrieelen waren H. J. van Heek, de schenker van het Volkspark, en zijn broeder G. J. van Heek (overleden 1915), lid der Eerste Kamer, die graag op zijn klompjes door de stad wandelde en naar 't kantoor ging. Mooie gebouwen van oude architectuur zal je in Enschede vergeefs zoeken. Alles is er nieuw. De brand van 7 Mei 1862 is de wedergeboorte van het oude Twentsche stadje geweest. In 6 uren (van 1 tot 7 uur in den namiddag) zijn 633 woningen, 25 stallen en 44 pakhuizen in de asch gelegd en 600 gezinnen dakloos geworden. Het voorjaar was droog; de houten gevels en gedokte daken boden zooveel brandbaars, dat het niet was te stuiten. Zoo ontzettend was de hitte, dat een brandspuit op straat verbrandde en een steenen gebouw op 100 M. afstands in vlam vloog. Een hevige wind joeg vrouwenkleeren zelfs tot Hardenberg, 10 uur ver. Den 9 Mei kwam minister J. R. Thorbecke de plaats des onheils bezoeken en hij zond 400 tenten en 6000 dekens uit de Rijksmagazijnen te Delft.

In 1912 is op de Markt bij de Herv. kerk een monument opgericht met tafereelen en symbolen en bas-relief, ter herinnering aan den brand. Toen waren er 3675 zielen, nu is het inwonerstal welhaast 40000.


Afbeelding: In de buurt bij Enschede. De oude schuur onder hooge boomen.

Enschede heeft al iets grootsteedsch. Het bezit een waterleiding, de Haverstraat is een echte winkelstraat, zijn School voor Handel en Nijverheid is beroemd; er is een Kantongericht en ten Z. der stad het mooie Volkspark met restauratiegebouw en monument voor den stichter.

Wie van Oud-Enschede wil vernemen moet bij de heeren J. J. van Deynse en C. Snuif wezen, beiden snuffelaars en kenners van lokale geschiedenis. Die verzuime ook niet de Twentsche 0udheidkamer te gaan zien naast het Stadhuis. Wat al voorwerpen uit oude boeren- en burgerhuizen zijn daar bijeen. Een groep wassenbeelden vertoont de ouderwetsche kieederdrachten van Usselo en Brekkelenkamp. In een halfdonkere weefkamer, een trapje onder den beganen grond, zien we een weefgetouw, repel, hekel, spoelwiel, trille, weverslampje, al het gerei der oude huisindustrie. Er is een verzameling van voorhistorische urnen, klokbekers, steenen- en bronzen werktuigen en sieraden en van nog vroeger voortijd voorwereldlijke schelpen, haaientanden, enz.

Magister Olivanus van Keulen predikte in 1215 met goed gevolg een huistocht in Twente. In Mei te Eschede komende, vond hij het volk daar bijeen een vroolijken rijgendans uitvoerend. Eerst vonden zijn woorden niet veel ingang, maar door toedoen van den pastoor namen toch eenigen het kruis aan. De burcht Enschede moet gestaan hebben, waar G. J. van Heek woonde. Hij is in 1750 door brand vernield, maar herbouwd.

Enschede was voormaals een vesting. Maurits heeft haar ingenomen in 1597. Zijn legerkamp was achter 't Wageler.

LONNEKER.

De gemeente Lonneker omsluit met haar buurtschappen Enschede geheel en ze heeft voortdurend den invloed van "de stad" ondergaan. Toen deze nog een dorpsche weversplaats was aan de "endscheide" van 't gewest, bleef in haar omgeving het
eeuwenoude karakter bewaard. Maar toen Enschede uitgroeide tot een moderne industriestad, drong het moderne leven ook in Lonneker door.
Voor een 30 jaar nog vond men er meer losse huizen dan verdeelde. We hebben daar gezeten in die schemerige hallen, waar de groote ketel met de "wendezoele" op het schaddenvuur was gedraaid en het vrouwvolk over dag nog de bontgebloemde katoenen kap droeg. Iedere groote hofstede was omgeven door de huisjes der "wönners", pachters van den boer, die jaar in jaar uit werk vonden op de groote plaats, maar van den boer omgekeerd ook paardenhulp en andere diensten genoten. 't Was een verhouding als ons geschilderd wordt in Immerman's "Oberhof" in het Westfaalsche land.
Hoeveel is er sinds veranderd. De boterfabrieken en de kunstmest hebben allerwege in de zandstreken den boerenstand tot welvaart gebracht, maar nergens wellicht is hij zoo vooraan als in Lonneker. Samenwerking, coöperatie is het tooverwoord. De Lonneker Coöperatieve Vereeniging is een model. Haar programma is uitgebreid: aankoop van voederartikelen en kunstmeststoffen, aanschaffen der nieuwste landbouwwerktuigen voor gemeenschappelijk gebruik, stoomlijnkoekmalerij, melkcontrole, bevordering van landbouwstudie door lectuur en reizen. Hier werd de eerste Raffeisenbank opgericht. Verder ontstond er een "Centraal Bureau" voor 't heele land, dat gevestigd is te Enschede en dat "Wekelijksche Mededeelingen" uitgeeft. Nergens in de zandstreken ziet men dan ook beter gewassen en mooier vee - al veel in 't stamboek opgenomen - dan onder Lonneker. Flinke nieuwe huizen met luchtige grupstallen zijn er gebouwd of vóór aan de oude is een dwarshuis gezet, maar dan stookt men des zomers - herinnering aan het oude - vóór op de deel tegen "den stapel". De losse huizen zijn gauw te tellen.
Maar gebleven is de rijkdom aan hooge eiken rondom de huizen, die ons overal in Twente verheugt. Daar is een schoone piëteit voor deze oude schutsgeesten. Vele boerinnen dragen des Zondags nog de typische Lonneker-muts, die boven 't voorhoofd tuitvormig opstaat. Andere gaan liever met het bloote hoofd en worden in alles stadsche juffers.

Een omstandigheid, die het landschapsschoon in stand houdt en bevordert, is het feit, dat rijke fabrikanten uit de stad er gronden koopen en lustverblijven stichten. Zoo is er in de buurtschappen veel moois te genieten.

Het “schaddenspoortje" brengt ons zuidwaarts eerst in Usselo, een aardig kerkdorpje met glooiende esch en tal van verstrooide hofsteden in 't geboomte.
Het volgende station is Boekelo. Daar verrijst een mooi fabrieksgebouw: een bleekerij en drukkerij met tal van arbeiders, waarvoor de beek haar helder water moet geven. Rondom zien we vriendelijke boerenhuizen uit het geboomte gluren. In deze buurt zijn ook een drietal landhuizen der Van Heek's: het Weele, het Tiessink en het Roombeek in een golvend heideland aan de Rutbeek. Westwaarts, waar dit beekje, onder 't houtgewas door, heen vloeit, ligt een boerderij met bosch en vijver, waar vóór 't jaar 1817 de Hof te Boekholt stond. 't Was een echte middeleeuwsche burcht met twee hoektorens. Omstreeks 1678 woonde er een baron von Münchhausen, wiens broeder op Oldemeule zetelde. Een prachtige eikenlaan verbond beide sloten. De broeders streden in den Spaanschen Successie-oorlog; Boekholt wilde zich door 's vijands gelederen slaan en had zijn broer gelast hem te volgen, maar deze verschool zich, waarop de ander hem voor lafaard schold. Hij sneuvelde, maar zijn windhond vond het huis terug, waar de meester nooit weer zou komen.
Elk jaar op St. Maartensdag ging de koster der kerk van Alstätte over 't eenzame Usseler heipad naar den Hof de Boekholt, om er vóór 12 uur den verplichten tijnsbeker van lindenhout te brengen. Zulke bekers, net een klein tonnetje, gebruikte men in later tijd bij de boeren wel als zoutvat en één is bewaard in de Oudheidkamer te Enschede.


Afbeelding: In de buurt van Enschede. Voor de schuur.

Van Boekelo brengt de trein ons weldra aan de halte Twekkelo. Wat is het daar mooi en lommerrijk. Prachtig geboomte omringt de oude hofsteden. 't Is een landschap vol afwisseling: vruchtbare korenvelden, malsche weiden en donkere bosschen. Nabij de halte is een antiek boerenhuis met groote hoekkamer en boven het kleine keukenraam dit opschrift:

"Wie in den nutten boerenstand
Zijn zorgen, vlijt, voor vee en land,
Met kunde en goede zeden paart,
Is aller braven achting waard. 1849."

In dit huis kwamen weleer in dagen van vervolging (vooral in 1665 en 1672) de Doopsgezinden uit den omtrek heimelijk bijeen, om door een voorganger gesticht te worden. Hier, in dit afgelegen land, waren ze nog het meest veilig.
Aan den grintweg naar Enschede ligt het vriendelijke landhuis het Stroot met boerderij, lanen en bosschen. 't Was een lustverblijf van den ouden G. J. van Heek en bij zijn begrafenis (Dec. 1915) was de kist bedekt met takjes uit de laan, waar hij zoo gaarne wandelde. De poort aan den ingang, met koppen en jachttafereelen versierd, is van het oude kasteel Hengelo (0.)
Van Enschede gaat een spoorlijn, en nu ook een kunstweg, naar 't antieke Duitsche stadje AIstätte aan de Schipbeek in heuvelachtige omgeving. Die weg komt door de buurtschap Broekheurne. Aan 't eind der "Coesfeldstege" (zoo genoemd naar den Hof te Coesfeld rechts, nu een boerderij) is de Sparrengaarde van Mr. ter Kuile, een boerderij met een paar heerenkamers te midden der bosschen. Voorbij 't station breidt zich een groote heidevlakte uit tot over de grens.

Noordwaarts ligt het Amstveen, grootendeels over de grenzen. Dichtbij stond nog in de 17e eeuw het kasteel Hölterhof. De laatste heer zou een roofridder geweest zijn, die met zijn bende door plunderen, brandstichten en afpersen in den omtrek gevreesd was. Toen Maurits in 1597 Enschede had ingenomen, zou hij den Hölterhof stormenderhand veroverd en verbrand hebben. De roovers zouden op de Galgenmorsch opgehangen en op den Bottenkamp begraven zijn. Wat de overlevering verhaalt, wordt door den historicus betwijfeld. Later sloeg in deze buurt een Munsterlander Peter een hut op den markengrond op. Zijn zoon, die op de heide tot een reus was opgegroeid, verkocht zich voor f 100 de voet aan Frederik Wilhelm I, Koning van Pruisen voor diens lijfwacht. Die zoon was "Huttenpeters vul" (veulen) zooals de boeren schertsten en lang praatte men van Huttenpeterskamp.

Weer wat naar 't N. aan de rijksgrens komt men aan Glanerbrug. 't Is net zoo'n uitstapje op Zondagmiddag met de electrische tram naar "de Brugge". Mooie villa's met parken en bosschen zie je langs den straatweg geschaard. Het plaatsje, met zijn fabrieken, kerken, klooster met school in boschrijke omgeving, heet naar een beekje, de Glane, dat in de Dinkel uitloopt. Hier stond vóór 1812 het klooster Maria-vlucht, waar op 't einde der 17e eeuw het Jansenisme tierde. De “laoksteenen" langs de grens droegen het Bourgondische kruis, wat nog aan enkele te zien is. In 1705 velde men er een eik, die als "laok" diende. In de heide is de Hessenweg op Deventer nog na te sporen.
Eschmarke, ten O. der stad, heeft de rijkste esch van heel Twente, omgeven door kapitale hoeven in 't geboomte.

De lokaalspoor brengt ons langs fabrieken en arbeiderswoningen naar 't dorpje Lonneker met een R. K. kerk als centrum. Rondom ligt de esch en verder mooie donkere bosschen. Daar is o.a. 't landgoed Amelink van den heer H. B. Blijdenstein, fraai aangelegd met schoone coniferen, treurwilgen, enz. Op den fraai beplanten Lonnekerberg is een grafmonument van zware veldkeien voor den ouden heer J. Blijdenstein, die hier rust temidden zijner geliefde natuur.
Een uurtje ten O. van Lonneker, eerst over een esch en verder over een uitgestrekte hooge heide, waar men Gronau en de heuvels van Gildehaus in de verte ontwaart, komen we aan de dennenbosschen van het landgoed Oldenzaalsche Veen, van mevr. Ledeboer uit Enschede. Eenzaam temidden van de suizende naaldboomen schuilt het aardige huisje van den boschbaas er weg nabij den koepel, die uitzicht heeft op een drietal ineenloopende vijvers, die stil blinken in hun lijst van donkere dennen. Daar achter, waar de grintweg naar Losser door de heivelden loopt, mekkert nog het "vennevul" (watersnip) bij de veenpoelen en heeft de vos zijn hol in de zandhoogten.

Van Lonneker naar 't W. (door de boschrijke buurtschap Groot-Driene komt men aan een heerenhuis temidden van een zwaar bosch, toebehoorend aan den heer H. Cromhoff te Enschede. Dat is Espelo, de oude Meijerhof van Lonneker met 21 hofhoorige erven, alles van het kapittel Sint Pieter te Utrecht. Men vertelt, dat een Spaansch hopman er huwde met een Twentsch meisje en de stamvader was der d’Avina's, die hier wel 1 1/2 eeuw woonden. In de 16e en 17e eeuw hebben ook vele Roomschgezinde boeren in de Spaansche legers gediend en in oude Twentsche boerenhuizen zag men soms een ruitje van gekleurd glas, voorstellende een boer met Spaanschen kraag en zwaard achter den ploeg.

maandag 22 april 2013

Gids voor Twente (1917): De Lutte

DE LUTTE.

Oldenzaals omstreken zijn in de laatste jaren beroemd geworden om hun natuurschoon en de Lutte spant wel de kroon. Het was lang een vergeten buurschap met heuvels en dalen, met hooge vruchtbare esschen, donkere lanen, wilde bosschen en oude hofsteden. Sinds enkele tientallen van jaren hebben de fabrikanten uit Oldenzaal, Enschede, Hengelo, enz. hier op de mooiste punten hun lustverblijven gesticht. Zij vormen een nieuwen landadel, waartegen de oude althans in kapitaalbezit maar zelden op kan. Zij sparen de bosschen en lanen en verfraaien het landschap.


Afbeelding: In de Hel bij de Lutte, Oldenzaal

De straatweg naar Bentheim gaat door de mooiste gedeelten van de Lutte. We bestijgen eerst den Tankenberg. Door belommerde holle wegen, langs mooie hofsteden en koele bosschen klimmen we langs de helling omhoog. Op den hoogen heuvelrand ligt de villa Egheria van den heer ten Cate uit Almelo met haar grootsch uitzicht. Daar is de koepel met een Latijnsch opschrift, vermeldend dat op dezen berg de tempel van Tanfana stond. die door Germanicus is verwoest (Tacitus, 1e boek); ons boeit het heerlijk panorama op de blauwe bergen van Ootmarsum, de gele Noord-Twentsche esschen en veel verder. Afdalend volgen wij het wandelpad van den Wielrijdersbond door een vriendelijk dal met aardige huisjes, verder slingerend met rijzen en dalen door donkere bosschen naar de Hel (= helling), een lommerrijk dal met een waterkom in de diepte, een liefelijk plekje, waar men droomt van nimfen en najaden. Iets verder weer zoo'n stil intiem valleitje met lief gelegen boerenhuisjes en daarachter op een hoogte rijzige mastboomen. Hier is de Hemel en dichtbij het Domineesbergje. Nog een paar minuten en we zijn weer op den Bentheimschen straatweg hij het alom bekende hotel het Zwaantje, een modern gebouw met koffiekamer, conversatiezaal, badkamers, waterleiding, acyteleen verlichting en een mooie speeltuin erbij. In den omtrek heeft men de schoonste uitzichten van de Lutte. Van het platte dak ziet men de zon over Bentheim opgaan, waar het grijze slot hoog op de rotsen haar eerste stralen opvangt, en ginder over den Tankenberg wegzinken. Noordwaarts, door het dal van Harbert, komt men bij de belvedère op een hoogte nabij het aardige buitentje Duivendaal. Van hier zou men over 't Hanhof de Kribberug en daarachter het woeste duinlandschap Lutterzand kunnen bereiken.


Afbeelding: In de Hel bij de Lutte, Oldenzaal

Ten Z. van den straatweg zijn de mooie bosschen van 't Beernink. Langs 't Kruisselt, waar zich prachtige vergezichten openen op Bentheim e.v. komt men bij 't Klieverink door koele beukenbosschen bij de villa's Kalheupink en de Haer
(van de Geldermans) met mooi geboomte aan de Landreben-allee en zoo bij de stad. Onderweg zien we over een vriendelijk dal donkere bosschen op een heuvelrug; dat is Boerskotten (van Mr. Essink) aan de overzij der spoorlijn; daar is ook een koepel met mooi uitzicht op Oldenzaal. Waar de spoorbaan door een diep ravijn loopt, staat hoog op den Koperberg (links) het buitentje de Koperberg van de fam. Stork.

In deze heerlijke natuur genieten de stedelingen uit Holland en elders in het zomerseizoen; men ziet ze op alle wegen en paden, wandelend, fietsend, tuffend; menige auto houdt stil bij het Zwaantje. Alles is daar modern geworden in de oude Lutte met een mondain tintje er over.

Wij moesten bij het dolen door de Lutte telkens denken aan den ouden pastoor Johs. Geerdink, die hier van 1831-'68 de herderzorg had voor 't eenvoudige landvolk, waaronder hij zich thuis voelde en dat hij liefhad. Het was uit zijn hart ook, wat die Vlaamsche priester zong:

"O lieden van den lande, vrienden al,
die 'k heel mijn leven lang beminnen zal,
omdat ik u het leven en
zoo menig dingen schuldig ben,
die niemand prijst, dan hij die weet
wat edele giften God den armen landman geeft."
(Gezelle).



Afbeelding boven en onder: Los huis 't Groot Bavel bij de Lutte



Hoeveel had hij verkeerd in die schilderachtige boerenhuizen, allemaal nog onverdeeld, sommige zelfs zonder schoorsteen. Bij het vriendelijk haardvuur in die rookerige en berookte halle had hij met hen gepraat over oude tijden en gesnuffeld in hun oude papieren. De Lutte, met haar 80 volgewaarde erven, was weleer de hoofdmark van Twente, waarbij de andere marken in hooger beroep kwamen. De holtrichter riep dan de markgenooten samen op de “Spraaksteê" onder den vrijen hemel en na een gebed werd de bank tot het oordeel gespannen. Van ouds was er veel bosch. “Wanneer God een ackeren geeft (eikels), wijst het markebestuur aan, hoever elk erve zijn varkens mag drijven, om eikels of beuken te zoeken." Omstreeks 1640 had de marke veel zwaar hout, en groote bosschen verkocht voor de brandschattingen. Elk jaar op St. Lamberti om 11 uur kwam de hoofdmarkenrichter van Twente, wonend op Varwick in de Lutte bij de Runne (slagboom in de landweer), om de breedte van den weg te bepalen: drie ridders, naast elkander rijdend, mochten elkaar met de wapens niet raken. Vervolgens strooide hij, na 't opzeggen van een spreuk, een zak met hazelnoten leeg onder wel 100 kinderen, om zoo hun geheugen te scherpen voor de grensaanduiding. Tot 1807 gebeurde dat. In taal en in zeden heeft hier alles veel overeenkomst met Westfalen. Wel 50 grafplaatsen met brandplekken vond men hier op de boerenerven.


Afbeelding: Interieur Los huis 't Groot Bavel bij de Lutte

Gaarne vertelden ouden van dagen van den eerwaarden pastoor Nieuwenhuis te Oldenzaal (overleden 1755): hoe hij na een bruiloft in de stad zijn parochianen een eindweegs naar hun buurt geleidde, om ongeregeldheden te voorkomen; hoe hij, van Rossum naar de Lutte gaande tot den laten H. Dienst, luid op den rozenkrans bad, door een steeds aangroeiende schare omgeven. Geerdink zelf kweekte ook de vroomheid onder zijn trouwe schaapjes en, voordat de processies door den aartsbisschop waren geregeld, toog hij met zijn gemeentenaren (soms wel 400) jaarlijks ter bedevaart naar Stadtlohn.

De R. K. kerk van de Lutte, met een klein gehuchtje erbij, als een school, een winkel, een smidse (juist een van een houtsnee van Rigter), vindt men, als men afslaat bij de uitspanning Scheper, een eindje achter 't Zwaantje op Bentheim aan. De kerk met een aardig kapelletje erbij komt mooi uit tegen een donker bosch met lieve laantjes.