zondag 19 juli 2009

In en om Hengeloo, Borne en Delden: De Achterhoek en 't Weusthach (Weusthag)

De Achterhoek en 't Weusthach

Met dezen min welluidenden naam duidt men het gedeelte van Woolde aan, dat er het einde van vormt, als men van de zijde van Driene begint, het strekt zich uit rechts en links van den Borneschen straatweg.
Als wij bij de fabriek der HH. Hulshoff Pol de Tiemsbrug overgaan, dan hebben wij rechts voor ons een lommerrijke laan, die naar Borne voert. Al dadelijk links krijgen wij het, in een fraai aangelegden en rijk van bloemen voorzienen tuin gelegen landhuis van den heer G. J. O. D. Dikkers. Langs het huis loopt een laan van zwaar hout, een overblijfsel nog van het vroegere ‘huis te Hengeloo’ dat aan 't eind er van lag, dan volgt een weide en dan de gemeentelijke begraafplaats, afgesloten van den weg door een ijzeren hek en waartoe een poort toegang verleent in het gebouwtje, met een torenspits voorzien, voor het groote middenpad, waar rechts de doodgraver zijne woning heeft en links de bewaarplaats is der lijkbaren en gereedschappen, die de man voor zijn somber bedrijf behoeft. Op 't kerkhof zijn eenige fraaie gedenkteekenen, waarvan wij alleen noemen die der HH. J. E. Stork en J. H. Ekker, de medestichters der fabriek van de firma C. T. Stork & Co., omdat zij getuigen van de toewijding hunner arbeiders, die aldus hunne nagedachtenis in gezegend aandenken wilden houden.

Aan de overzijde van den weg treffen wij eerst een werkplaats der HH. Pol, waarin een paar handweefgetouwen door 't raam een blik vergunnen op het ontstaan der Hengeloosche bontjes, een paar heerenhuizen, en een straat, den Dennenboschweg, die met hare zijwegen samen ook wel kortweg het Dennebosch heet. En omdat men er het Israëlitische kerkhof vindt, terwille waarvan een aantal woningen, toebehoorende aan de Twentsche bontweverij, een eind teruggebouwd zijn, met tuintjes voor 't huis, heeft men er, gelijk aan alles in 't aan bijnamen zoo overrijke Twente, ook wel den bijnaam Kanaan aan gegeven. Deze weg voert naar den Achterhoekschen Molenweg. Recht tegenover het kerkhof voert een pad, dat zich door den esch slingert, mede naar genoemden weg.

Dan krijgen wij het tolhek, dat aanleiding gaf tot het maken van dien weg. 't Ging in vroeger dagen soms zonderling toe. Toen de groote straatwegen door Twente gemaakt werden, moesten daarop natuurlijk ook tolhekken komen en gewoonlijk worden deze op ongeveer een uur afstands van elkander geplaatst. Zoo kwam er een te Zenderen, op een uur afstands van Borne en moest het volgende komen bij Borne aan den Hengelooschen kant. Maar de toenmalige molenaar van Borne was een man van gewicht en lid van de Staten en begreep, dat dan de boeren uit den Achterhoek niet meer bij hem zouden laten malen, als zij den tol doormoesten, maar naar Hengelo gaan en hij wist te bewerken, dat dat tolhek vlak bij Hengeloo geplaatst werd. Nu heeft Hengeloo ook aan den weg naar Delden, vlak bij 't dorp, een tol en deze twee zijn groote belemmeringen geworden voor de uitbreiding van het dorp aan die zijden en met groot verlangen ziet men uit naar den tijd, waarop die sta in den weg’s of afgebroken of ten minste een kwartier verder zullen worden geplaatst. Om nu den Hengelooschen molenaars de gelegenheid te geven, ook de boeren uit den Achterhoek tot klanten te maken, werd de genoemde weg aangelegd. Niet de weg naar den molen in den Achterhoek, zooals men misschien meenen zou, maar de weg voor de boeren uit die buurt naar den molen.


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Na die korte historische opmerking gaan wij verder. Dadelijk voorbij den tol slaat weder een weg af door den fraaien Hengelooschen esch naar genoemden weg, die verder langs een voetpad onder hoog geboomte door, ons brengt op Werninckhof. Vervolgen wij den weg, dan houden wij links bouwland en daarachter strekt zich de Hengeloosche weide uit. Na een poos voert, door een hek, waartegenover een vriendelijk huisje gelegen is, dat wij genegen zouden zijn voor een portierswoning te houden, rechts een weg naar het Wilbert, het landgoed van den heer van Alphen, het bekende lid der Kamer. Allervriendelijkst komt het witte, niet groote huis, waarvan alleen het middengedeelte is opgetrokken, uit tegen den fraaien achtergrond van dennen en eiken en zoo we den opweg naar die plaats opgingen, zouden we, even voor wij het huis bereiken, een pad rechts vinden, dat ons ook weder op den Molenweg brengt. Wij gaan echter nog verder en zien nu voor ons eene groote boerderij met prachtig zwaar eikenhout. De weide, die er naast en er voor ligt, is eveneens omzoomd met zware eikenboomen en ook al openbaarden ons de wit geschilderde spiegels der vensterluiken niet, dat wij hier een goed hebben, dat onder Twickel behoort, dan zou de aanwezigheid van dat zware hout 't ons reeds hebben gezegd. De weg, die langs de boerderij leidt, kan ons brengen naar Buren en als wij op de boerderij ons vervoegen bij den ouden, grijzen, blinden bewoner, die op aartsvaderlijke wijze met zijne vrouwen kinderen en kleinkinderen het ruime huis bewoont, zou de 93-jarige Asveld ons de geschiedenis van Woolde en zijn bewoners gedurende 3/4 eeuw kunnen verhalen. Den straatweg vervolgende, krijgen wij nu een herberg met een speeltuin voor de kleinere jeugd, met schommels en wippen en eene rustplaats voor de grootere, die des Zondags de stoelen en tafeltjes komt bezetten bij Wolter van Wezel en in een glas bier het stof van den weg komt wegspoelen. Links krijgen we nu weder eene groote boerderij met veel boomen, waar een heirleger kippen om 't huis zwerft, wachtende op de voedende hand van moeder Dubbelink en een eind verder, tegenover Mogezomp, slaat weder een dwarsweg af naar den Molenweg. Nog een poos de laan houdende, krijgen wij al weer een ‘zwaantje’ bij Welberg. Daar is een kruisweg. Links voert de weg naar Buren, rechts begint de Molenweg en verder doorgaande, zouden wij komen op den ouden Borneschen weg en nog verder doorgaande in Hasseloo. Weldra bereiken wij den grenspaal van Hengeloo en kort daarna de groote brug over de Woolder buitenbeek, die verderop Bornesche beek heet. Eenig nieuw plantsoen, ter zijde links, gaan wij voorbij en zien Borne voor ons.

We keeren nu op onze schreden terug en slaan tegenover Welberg den Molenweg in, den eersten weg rechts nemende komen wij door een fraai Twentsch landschap. Vriendelijke boerderijen in 't geboomte, weiden met veelal rood vee, overal mooi geboomte en golvend bouwland brengen ons achter het Wilbert langs, waar wij de nette tuinmanswoning rechts houden om door een laan van eikenhout den moestuin volgende, eerst langs een hek dan langs een net geschoren haag het voetpad te volgen dat ons voorbij Werninkhof voert, een oude havezate, waar vroeger een aanzienlijk huis heeft gestaan. De tegenwoordige eigenaar, de heer Overbeek, bezit er nog de teekening van. Het huis ligt rondom in zwaar opgaand hout en ter zijde strekt zich een groote boomgaard uit. Wij konden nu over een vonder gaande het pad volgen, dat ons bij den tol weder te Hengeloo bracht maar willen liever het pad volgen langs den esch, deels ter linker zijde, deels aan beide zijden met hout beplant, dat ons weldra weder op den Molenweg brengt. Al zeer spoedig krijgt nu deze weg links en rechts een voetpad onder eikenboomen en recht voor ons zien wij een hek en daarnaast de tuinmanswoning van het Tichelwerk van den heer W. Stork. Even te voren liep het pad af dat tegenover het kerkhof uitkomt en langs een eikenboschje voert, het eigendom der Ned. Herv. kerk, en juist op den hoek komt de Denneboschweg uit.

Dat buiten, het Tichelwerk, ontleent zijn naam aan de steenbakkerij, die wij ter zijde links hebben laten liggen. Achter het buiten loopt een weg langs die van Werninkhof voert naar de Oldenzaalsche straat en waar de weg naar Deurningen en Weerseloo zich op afbuigt. Deze weg loopt langs de steenbakkerij. van den heer ten Cate. Vroeger waren buiten en steenbakkerij in eene hand en zoo kreeg het buitengoed, dat rondom tusschen wegen is ingesloten, dien naam. Als wij voor het hek komen grijnst ons een bordje tegen: Verboden Toegang. Dat is zeer te betreuren, al kunnen wij 't begrijpen, dat de eigenaar, die steeds vrije wandeling op het goed toeliet, behalve onmiddelijk om het huis, verbitterd over de verregaande baldadigheid van een paar bezoekers, den toegang afsloot en daardoor zeer velen bedroefde, voor wie 't een genot was om door de schaduwrijke lanen te wandelen of zich in 't voorjaar te vergasten aan de veelheid van bloeiende heesters en te rusten aan de schoone partij aan den vijver of op een der vele banken, die zulk een mooi uitzicht boden op de veelheid van tinten en tonen, door de met zorg gekozen verscheidenheid van boomen te weeg gebracht. Maar het bordje staat er en wij mogen, als eenmaal Mozes op het beloofde land, een blik er op werpen maar 't niet betreden en zullen daarom den singel vervolgen. Tegenover het Tichelwerk staat een landhuisje van den heer Blenken, op een haar volkomen gelijk aan dat van zijn broeder aan de Oldenzaalsche straat, waar wij aan den vijver een perkje van steentjes zien, zoo als men in N.-Holland, met name te Broek veel vindt. Links van ons krijgen we weer een poort van het Tichelwerk, waardoor ons een blik vergund wordt ter zijde op het huis - ook al weer slechts een blik, want ook daar prijkt zoo'n nijdig: ‘Verboden Toegang.’- Nog een klein eindje en we krijgen rechts van ons een school en hebben de Oldenzaalsche straat. Tegenover ons ligt de uitgebreide boomkweekerij van den heer van Benthem, die wij van den weg geheel kunnen overzien. Even voorbij deze ligt het R. kath. kerkhof en daar tegenover gaat de weg naar Deurningen. Een eind verder ligt den molen van Groothuis en daar achter strekt zich Klein-Driene uit, waardoor wij langs verschillende wegen weder in Driene komen. Even voor het kerkhof is een nieuwe weg, met boomen beplant, aangelegd door de heer v. Benthem. De Oude Molenweg, zoo geheeten omdat daar vroeger de oude standaardmolen van de familie Reudink stond, de oudste der Hengeloosche molens. Deze is echter voor den tand des tijds bezweken en de laatste herinnering er aan, het Molenhuis, is nu ook gesloopt. Deze weg liep vroeger van de Oldenzaalsche straat af met eene groote bocht, de heer v. B. heeft het eerste gedeelte recht aangelegd, zoo ver het langs zijn kweekerij loopt en over de brug gaande, waar links en rechts nieuwe woningen verrezen, bereiken we de Drienerstraat en door deze het dorp.

Als ik u echter den Achterhoek wilde laten zien en het Weusthach oversloeg, dan zou 't er er veel van hebben, of ik u te Rome bracht en gij den paus niet zaagt. Wij zullen daarom er nog eens heen wandelen, maar den kring wat grooter nemen en den ouden Borneschen weg volgen, Wij nemen nu, gemakshalve, maar dadelijk het pad naast den tol en loopen langs het straks beschreven pad op het Wilbert.
Daar gekomen bij de heg van den moestuin, gaan wij niet de laan in langs de tuinmanswoning, maar recht door. 't Is een mooie weg met fraaie vergezichten in 't begin. Rechts zien wij een hoog dak met een achtergrond van eikenboomen. Links de weide van het Wilbert achter laag hout. Wij krijgen dan bij een boerderijtje een tweesprong; links voert weer naar den Bornschen weg, rechtuit gaat het naar het doel, over een nieuwen steenen duiker, die een klein beekje overwelft, gaan wij door, laten den weg links liggen en hebben een fraaien rechten weg, langs eiken boomen en opgaand hout. Wij kruisen hier den weg. die van het bosch ter rechterzijde voert naar de Woolderbrug over de Woolderbeek. Onze weg voert langs een dennenbosch en voor ons uit krijgen wij een prachtig donker boschgezicht, dat op een smoorheeten zomerdag reeds verkoelend op ons werkt bij de gedachte, dat wij er in de schaduw ons kunnen neervleien. Even voor dat bosch zien wij links in de verte den toren van Borne over het hout heenkijken, Wij loopen nu den donkeren boschweg in. Rechts van ons hebben wij een fraai bosch en daarin zijn tal van wandelpaden, nu eens onder dennen, dan onder ander hout doorgaande. Daar vindt de liefhebber van planten allerlei moois; in het vroege voorjaar b.v. is het dalkruid of dalbloempje er in overvloed te vinden. Maar wie daar wandelen wil, moet er zijn weg maar zoeken, verdwalen kan hij niet ver. Want de donkere weg buigt zich om naar links, S-vormig, en dan treffen wij een hek. Daar gaat rechts een weg af, die naar de ster in het plantsoen leidt en verder achter het Tichelwerk uitkomt, zoodat de wandelaar in 't plantsoen daarlangs een uitweg heeft.

Wij gaan het hek door, krijgen een brugje zonder leuningen en krijgen een driesprong. Rechts gaat langs de reeds genoemde ster, zoodat wij links gaan en een fraaie laan volgen. Daar zien wij onder 't geboomte eene boerderij met eene daarvoor gelegen koepel, dat is het Weusthach even als de geheele streek, waar wij sedert wij Werninkhof achterlieten, het eigendom van den heer v. Alphen. Een fraaie laan voert er heen en de bodem er van is, vooral aan 't begin, geheel begroeid met klimop. Daar ligt ter zijde van het huis de fraaie boschweide, waar 't vee zich in de hitte des daags rustig kan neerleggen in de schaduw. Juist tegenover den koepel zien wij 1inks van ons Borne's torenspits over 't weiland heen in eene opening tusschen den zoom van eikenhout. Wij kunnen langs de boerderij gaan - de bewoner, Kwast, zal 't ons wel vergunnen - en kunnen dan, linksom, weder op den weg komen, maar wij keeren liever den opweg der boerderij terug. Juist daartegenover ligt een hek, dat toegang geeft naar eene weide, dat een zeer schoon doorzicht biedt tusschen 't hooge hout.

Als wij nu den weg vervolgen, 't Weusthach rechts latende liggen, krijgen wij weer een hek. Wij gaan er door, links slaat een weg af, over een brugje, naar den Borneschen straatweg, tegenover Welberg uitkomend. Rechtuit, langs een mooi bosch gaande, krijgen wij links een paar boerderijen; voorbij de 2e boerderij krijgen wij een driesprong, rechts voert naar Hasseloo, zoodat wij links gaan, 't blijft een weg vol afwisseling, nu eens links en rechts heide, dan weer dennen of opgaande eiken met onderhout, nu eens boerderijen met weiden en vee, dan bouwland, tot eindelijk de weg S-vormig zich ombuigt en wij den Bornschen straatweg bereiken, vlak voor de brug, dus reeds op Bornsch gebied. Wij keeren nu langs dezen op Hengeloo terug, bereiken Welberg en om nu een anderen weg te kiezen en toch niet te ver om te loopen, slaan wij den weg in naar Buren, d. i. rechtsaf. Wij volgen dezen echter slechts een eindje tot een groote weg dezen snijdt en gaan dan linksom - rechts zou ons op 't Schild hebben gebracht. - Juist bij dat scheidspunt staat een huisje, waar wij desnoods bij Nyhuis (W. 237) den weg kunnen vragen. Rechtuit voert naar Buren en Twickel. Wij gaan dus links en hebben een fraaien, breeden weg. Spoedig bereiken wij boerderijen en zien o.a. in 't weiland een grooten eikenboom, die ons vermoeden wettigt, dat wij Asveld naderen. Daar zien wij in de verte reeds de schoorsteenen van de Spinnerij en de Machinefabriek boven 't hout uitsteken. De weg slingert zich daar tusschen de boerenhuizen door, weldra zien wij de witte spiegels der luiken van Asveld ter zijde, nog eene kleine bocht en wij hebben den straatweg en Hengeloo voor ons. En dan durf ik wedden, lezer, dat gij zeggen zult, als wij dezen weg hebben gevolgd: Ik wist niet, dat de Achterhoek zoo mooi was.

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Borne

Borne

Wanneer wij van Hengeloo komen, 't zij wij den fraai beschaduwden straatweg volgden, 't zij wij den ouden weg hadden gekozen, wij zouden de brug over zijn gekomen over de beek, die hier Bornesche A heet, en nadat eerst een poosje 't uitzicht door hakhout ter zijde van den weg ons is benomen, weldra Borne voor ons zien met zijn torenspitsen, zijn fabriekschoorsteenen en zijn molen op den voorgrond. Borne is al zeer oud. Reeds in 1200 wordt het genoemd en heette toen Burgunde, waaruit sommigen hebben afgeleid, dat het door iemand uit het Bourgondische huis zou gesticht zijn. Het laatste gedeelte van den weg is zonnig, doch hierin zal weldra verandering komen, daar 't Rijk voornemens is, ook dit gedeelte met boomen te beplanten.


Foto: Gezicht op Borne, Hengeloosche straatweg

Weldra hebben wij de Dorpstraat voor ons en zien het huis van Doctor Eekman met zijn vriendelijken tuin rechts van ons. Even verder, links, hebben wij de damastweverij van de firma S. Spanjaard, waar een weg afgaat, de Zwarte weg, die achter 't geheele dorp omloopt en ter hoogte der R.-Kath. kerk uitkomt en ook op verschillende plaatsen weder verbonden is aan de Dorpsstraat. Aan dien weg staat de fabriek van den heer Hofstede Crull, die het dorp van electrisch licht voorziet, want Borne is een der weinige plaatsen in ons land, waar men niet alleen voor de winkels en woningen, maar ook voor de straatverlichting electriciteit bezigt en overal zien wij aan palen - deels aan die van den telegraaf - de kurketrekkerachtig gewonden draden, die ’s avonds de duisternis moeten verdrijven. Weldra hoopt men ook telefonisch met Hengeloo te zijn verbonden, waarvoor concessie is verleend, maar de Waterstaat maakt bezwaar tegen het plaatsen der palen langs den weg. Aan dien achterweg vinden we ook nog een ouderwetsch Twentsch huis, waar de balk boven de groote schuurdeur het opschrift draagt: O God, bewaert het huys voor brant en voor de vernylende hant. Ao. 1728.28 Maart. Een soortgelijk opschrift kwam vroeger ook voor op de deur der oude brouwerij.


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Wij volgen de Dorpsstraat en treffen eerst het groote huis van mevr. L.S. Spanjaard en even verder het Post- en Telegraafkantoor en daartegenover eene nieuwe villa, Villa Elisabeth, van den heer Albert Spanjaard. Voor deze staat een gebouw, dat het jaarcijfer MDCCCLIX in den gevel heeft. Het is de oude school, toebehoorende aan de Herv. gemeente en die, nu zij als school geen dienst meer doet, voor bibliotheek, Zondagschool, enz. gebezigd wordt en waar somtijds uitvoeringen van rederijkerskamers of muziekvereenigingen worden gegeven. Een ander daar ter plaatse staand huis draagt nog den naam organisthuis. Even verder bereiken wij de Markt, een niet geheel regelmatig plein, waar de Doopsgezinde pastorie, het Raadhuis en het Hôtel de Keizerskroon met zijn vooruitspringende schuur een plaats vinden.

Van de Markt af de Dorpsstraat volgende, die nu den naam van Nieuwstad draagt en waar eenige fraaie winkels onze aandacht trekken, zien wij weldra voor ons de nieuwe R.- Kath. kerk, gewijd aan H. Stephanus.
Deze kerk ligt tusschen twee wegen, de eene, rechts, voert naar Zenderen en Almeloo, de andere, links, naar 't Station, terwijl nog een derde weg, Bolkshoek, zich afbuigt naar den Zwarten weg, een veel door de kerkgangers gebezigd pad. Langs de Kerk naar 't Station gaande, krijgen wij rechts de pastorie, het klooster der Zusters van Liefde met zijn scholen, eene in aanbouw zijnde villa van den burgemeester, Jhr. E. J. J. S. van Bönninghausen en dan de groote fabriek der H.H. Spanjaard, tot het weven van katoenen en linnen stoffen. Nog eene fraaie villa, met torens en tinnen, van den heer S. Spanjaard, daarnaast het vriendelijke landhuis van den heer Meyling, te midden van een fraai aangelegden tuin, van omvang grooter dan menig buiten en er tegenover nog een groot heerenhuis van den heer B. Spanjaard en wij staan aan den overweg van den spoorweg, terwijl een paralelweg ons in weinige oogenblikken aan 't Station brengt.


Foto: Gezicht op Borne vanuit den overweg nabij het Station

Dit is het nieuwe gedeelte van Borne. Waren we echter, in plaats van de Dorpsstraat te volgen, tegenover de damastweverij, rechts af de straat, die den naam van Ennekendijk voert, ingegaan, wij zouden het oude Borne hebben gezien, een wirwar van kronkelende straatjes en steegjes, als een spinneweb, waarvan de Herv. Kerk ongeveer het middelpunt uitmaakt. Aan genoemde straat treffen wij eerst het nieuwe gebouw der R.-K. Werklieden-vereeniging en iets verder een huis uit de vorige eeuw, met een groote vierkante deur en een gevelversiering van zandsteen, waarop een groen geverfde krans prijkt met het jaar 1779. Daar woont de Notaris van Uden. Naast hem staat de Synagoge, kenbaar aan het opschrift in Hebreeuwsche karakters en daartegenover de Bornesche boterfabriek. Iets verder treffen wij links het onaanzienlijke bedehuis der Doopsgezinden en dan draait de weg af en verloopt zich in een zandweg naar Oldenzaal.

In dit gedeelte van Borne vinden wij nog een groot aantal ouderwetsche huizen met hooge houten puntgevels en groote schuurdeuren, met muren van vakwerk en allen zoo zonderling dooreenstaande of ze er neergeworpen waren. Van een rooilijn hebben de ontwerpers geen flauw denkbeeld gehad. Daar treffen wij plotseling een fraaie groote boerderij met een schaduwrijk eikenbosch er naast, de Meijershof geheeten, waar even als op Espelo vroeger de beheerder van het dorp woonde, niet onwaarschijnlijk door Weleveld's heer daar geplaatst. Aan den hof zijn nog door tal van huizen recoguitien verschuldigd o. a. moet de Doopsgezinde kerk er jaarlijks 2 jonge hanen leveren, van den leeftijd, dat zij op den rand van een emmer kunnen springen, een bepaling van leeftijd, die ook elders o. a. in het Rijk van Nijmegen, in oude erfpachtbrieven voorkomt.

Gaan wij het hek door en volgen het voetpad dat over den Meijerhof voert dan komen wij aan de Jurrienstraat. Deze verdeelt zich hier in twee wegen, de eene voert naar Saasveld en Gammelke en naar een buitentje Hemelhorst, bekend om de daar staande beelden van St. Johannes en St. Bernardus, de andere rechts naar de Hoogebrug en verder naar Dulder en Hertme, welken weg wij bij een volgende wandeling buiten Borne zullen bezien. De Jurriënstraat loopt uit op de Koppelsbrink en komt nagenoeg op hetzelfde punt voor het Hôtel uit als de Dorpsstraat.

Even voor de brug over een beek ligt bijna geheel weggestopt achter een paar onaanzienlijke huizen de Herv. Pastorie, een flink huis met een grooten tuin, dat ter zijde uitzicht heeft naar 't R. K. kerkhof en den weg naar Hertme. Is er nu weinig van te zien, omdat het een eind van de straat afligt, onder den vorigen bewoner, Ds. J. C. van de Velde, die er ten vorige jare uit werd grafwaarts gedragen, juist op den dag dat hij 50 jaar als predikant te Borne had gestaan, was er niets van te zien, tengevolge van het zware en hooge hout, dat haar geheel verborg. Zijn opvolger maakte wat ruimte. De straat die de pastorie verbindt met de kerk heeft den zoeten naam van Suikerstraat. Ook van de Dorpsstraat loopt een weg, Horst, naar de kerk, even verder dan de Ennekendijk langs de school, terwijl van deze laatste weer een straatje loopt naar de Villa Elisabeth. Wij zullen de linkerstraat niet ingaan, maar de straat nog een eindje volgen tot wij kort voor de Markt een huis treffen, waar de agent woont der firma van Gend en Loos. Het is echter niet in die hoedanigheid, dat wij den heer Boswinkel wenschen te spreken, maar daar hij koster is der Herv. kerk, moeten wij bij hem ons vervoegen, om de kerk te zien en deze is die moeite waard. Reeds van verre toont zij haar fraaie torenspits, tot voor weinige jaren, toen nog niet overal nieuwe R. kath. kerken waren verrezen met hooge torens, zoo niet de hoogste, dan toch een der hoogste van Twente.

Als we nu door een steegje, dat ons langs de nieuwe catechiseerkamer voert de kerk naderen, ontsluit ons onze geleider het hek en daarna een betrekkelijk lage zijdeur en wij staan in het gebouw. 't Is een oude kerk met kruisgewelven en daar de bogen zonder de minste ornamentatie zijn, laat zich de ouderdom der kerk daaruit eenigzins bepalen. Zij zal vermoedelijk uit het laatst der 14e eeuw zijn. De kerk bestaat uit twee beuken of schepen, achter het eene, vóór afgesloten door den toren, staat een enigzins verhoogd koorgedeelte, waar een aantal zerken met de namen Schele en Hambroek de laatste rustplaats aanwijzen der vroegere heeren van Weleveld. O.a. is er begraven Radboud Herman Schele, op dat kasteel geboren, die den groothertog van Toscane diende en in 1651 op de groote vergadering in den Haag de provincie Overijssel vertegenwoordigde. Ook vindt men er in den muur gemetseld een zerk, waarop vermeld wordt dat twee kinderen van zekeren heer Schele, die verdronken zijn in de gracht, er begraven werden. Jammer genoeg is er van de meeste der zerken slechts weinig leesbaar, zij zijn onder de banken verborgen en ook de laatstgenoemde is door een bank bijna geheel onzichtbaar. De heeren van Weleve1d hebben zich veel aan de kerk laten gelegen liggen. Twee der drie torenklokken zijn geschenken van hen, evenals een zilveren avondmaalsbeker en ook hadden zij stem in de beroeping van den predikant. Zoo wordt vermeld dat zekere Radboud Hendrik van Hambroek, heer van Weleveld, de goedsheeren, die met den kerkeraad de benoeming hadden, convoceerde.

Jammer dat de nieuwerwetsche ijzeren ramen, al hebben ze ook een z.g. gothischen vorm, de oude steenen hebben vervangen. Wat ecbter ongeschonden - tenzij men de bedekking met een witte en gele verflaag schennis noemen wil - bleef, is de predikstoel, een kunststuk uit zandsteen gebouwd. Aan vier zijden dragen de spiegels opgebeitelde opschriften. Math. 28 : 18-20, Job. 13 : 20, Joh. 15 : 26 en 27 en Joh. 16 : 13, Gal. 1 à 9, terwijl de deur van eikenhout in denzelfden trant bewerkt is en 2 Tim. 2 : 15 tot opschrift heeft. Volgens een oude overlevering zou deze preekstoel door middel van een Dominicaner monnik, die er in verborgen was, zijn zonden hebben gebiecht in 1672, toen de Munsterschen ook Borne bezet hadden. De kerk heeft een klein maar welluidend orgel en sinds onheuchelijke jaren is de betrekking van organist er in dezelfde familie.
Wij willen nu onzen geleider dank zeggen voor zijne inlichtingen en ons een oogenblik gaan verfrisschen om dan eens buiten Borne te gaan zien.

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Naar Hertme en Zenderen

Naar Hertme en Zenderen


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Als wij Borne uitgaan, langs den Koppelsbrink, komen wij spoedig op een weg, die ons naar de Hooge Brug voert, die haren naam met eere draagt. We hebben dan het kerkhof aan onze linkerkant laten liggen. Op die brug zien wij voor ons den esch en daarachter met een bosch tot achtergrond, eene groote nieuwe boerderij van Misdorp, derwaarts leidt een voetpad door den esch, tusschen twee wegen. Den weg volgende, komen wij aan een driesprong, de Kruisselbrink, rechts voert de weg naar Dulder, een fraaie weg, eerst door dennen, met een goed voetpad langs den weg tot een brug, die de scheiding der gemeente Borne uitmaakt, dan door de heide met fraaie partijen, o.a. een meertje aan den voet van den heuvel, waarop een molen. Te Dulder krijgen wij rechts het kerkje te zien van de heerlijkheid Saasveld, waar men nog weet te verhalen van den tijd, toen 't kasteel er nog stond, waar nu de kerk staat, een berucht roofslot, en verder in den esch komen de wegen van Borne over Saasveld en Dulder weer samen om naar het Stift Weerseloo te voeren, waar de oude kerk nog bleef van het in 1152 gestichte klooster, oorspronkelijk door Benedictijner monniken, later door nonnen bewoond en na de Hervorming een stift voor adelijke dames, waarvan vele in de kerk begraven liggen en waarvan het nog den naam draagt. Die weg zou ons echter te ver voeren; wij gaan daarom linksaf langs den reeds genoemden Misdorp, verder door een fraaie eiken laan, waar links een voetpad naar de kerk van Hertme leidt. Een weinig verder weer een tweesprong, rechts gaat het naar den reeds genoemden weg op Weerseloo, links langs den Loodiek, (naar de Loo, een der 3 Borne besproeiende beken) met links weiland, die recht op een fraaie boerderij aanloopt van Meyer. Daarvoor buigt zich de weg om en even verder treffen we een laan meteen voetpad er naast, dat ons bij de kerk te Hertme brengt. 't Is een vriendelijk gebouwtje onder een zelfde rood pannendak met de pastorie en met een houten torentje. Een wit plafond, links van 't altaar een beeId, rechts de predikstoel en de doopvont, zonder opsiering, vriendelijk daar gelegen aan den grooten, met een singel omgeven tuin, waarin een vijver geheel in overeenstemming met het landschap. In de vlakbijgelegen herberg verhaalde men ons, men wilde er eene nieuwe en groote kerk bouwen. 't Zou jammer zijn van die omgeving.
Naast die herberg loopt een weg op Albergen en Tubbergen en voor langs op Zenderen. Wij kiezen dezen en gaan eerst op 't Welerveld, thans eene bezitting van den heer Dikkers te Almeloo, vroeger eene havezate, gesticht door het geslacht van Ruinen en later door huwelijk gekomen aan de Schele's, tot in 1725 de Hambroek's het kochten, die 30 jaar later uitstierven. 't Is een vrij zandige weg, met een goed voetpad er langs onder eikenboomen links, later rechts, door het kreupelhout. Links houden wij heide, rechts een esch met een achtergrond van dennen, tot wij een kruisweg krijgen. Recht vooruit gaat een voetpad naar Weleveld, links de weg op Misdorp. Wij gaan rechts tot het dennenbosch en dan daarlangs. Het voetpad voert langs de boerderij van de Haan.


Foto: Gezicht op den Koepel van 't Welerveld te Zenderen

Na de heide begint de esch en wij zien daarboven de koepel van de oude havezate reeds in de lucht steken. Rechts ligt eene boerderij van Knoef. Volgden wij het voetpad, schuin overstekende, ook de rijweg, die de twee rechthoekszijden volgde, is mooi in 't hout gelegen. Het pad voert tot vlak voor het terrein van het gesloopte kasteel, dat zeer mooi in 't hout ligt. Bij den nu komenden driesprong voert de weg rechtsaf dieper Zenderen in, links af over de brug naar den straatweg. Bij den koepel staan prachtige kastanjeboomen. Als wij nu den weg naar Zenderen kiezen en daartoe een pad nemen om een hoek af te snijden, bespeuren wij, dat wij een klooster naderen aan de ons daar ontmoetende paters. Het zijn de geschoeide Karmelieten, die een vroeger buiten het Hulscher kochten en er hun klooster bouwden. De weg loopt langs een nieuw huis van Dijkman en dan treffen wij het bij het klooster behoorende gymnasium, dat, schoon nog pas voor een jaar geopend, reeds vergrooting behoeft. Op het gymnasium volgt het eigenlijke klooster en dan eene fraaie kerk. Daar bereiken wij den straatweg. Aan de overzijde zien wij een oogenschijnIijk lang gestrekt gebouw met een spits torentje. Dat is het klooster der zusters.

Wij slaan de straatweg rechtsom, treffen eerst de coöperatieve boterfabriek ‘de Eendracht’, dan de school, een kerkje in den trant als dat van Hertme maar minder schilderachtig gelegen en nog eenvoudiger. Het draagt het Jaartal 1798 en heeft geen pastorie. De dienst wordt er gedaan door den pastoor van Hertme.
In de herberg van Haarhuis rusten we uit. We kunnen haar gemakkelijk herkennen aan de heg van palm, geknipt met een paar hanen en in de ruime gelagkamer vinden wij den schoorsteen bekleed met ouderwetsche tegeltjes waarvan elk een bijbelsche voorstelling bevat, terwijl als ornament een vogel in een kooi, uit een 6tal tegels bestaande, daarin is aangebracht Ook de lambriseering bestaat uit tegels maar deze zijn van den nieuweren tijd.

Tegenover deze herberg loopt een weg naar de halt van den spoorweg en naar een bezitting van de familie Palthe uit Almeloo met name Storkserf. Wij zullen haar niet gaan zien, want het tegenwoordig overal verrijzende verbod van toegang grijnst ons ook daar aan, als wij voorbij de boerderij de laan willen opgaan.
Wij wandelen nu den straatweg langs en naderen Borne weer, na onderweg nog opgemerkt te hebben den weg die van Weleveld daar uit komt. Eerst krijgen wij den molen met het bijgelegen landgoed van den heer Dikkers, dan de zeepfabriek van den heer Rierink, vervolgens een vriendelijk huisje van den heer Ledeboer en daarnaast een groot huis met een ijzeren poort en daartegenover gelegen koetshuis van de heeren Spanjaard en bij de R. C. kerk van Borne zijn we weer op bekend terrein.

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Van Borne naar Delden

Van Borne naar Delden

Wanneer wij van Borne naar Delden willen wandelen, kunnen wij drie wegen kiezen, den eenen meer oostelijk over Buren, den anderen meer westelijk over Azeloo en een derden daartusschen in. Wij kiezen den laatsten en verlaten Borne, bij de villa van den heer Meijling, den spoorweg overstekend. Wilden wij naar Azeloo, wij zouden tegenover de villa van de heeren Spanjaard, aan den Almelooschen straatweg, langs diens koetshuis hebben kunnen inslaan en zouden dan ten westen van 't Station een overweg hebben gevonden, Die weg leidt langs het Israëlitische kerkhof en is een zonnige weg door de heide. Wij willen dan maar liever een kleinen omweg maken en kiezen den reeds genoemden overweg, beoosten het Station.


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Dadelijk over den spoorweg treffen wij de machinefabriek der firma Ledeboer rechts, en vervolgens de weverij, vroeger van de HH. Kleijn en Ledeboer, nu toebehoorende aan eene vennootschap en den naam dragende van Bornesche stoomweverij en ververij. Nu volgen aan de rechterzijde twee heerenhuizen, waanvan het eene, bewoond door den heer Kleijn, een aaadig trapgeveltje heeft. Aan de linkerzijde zien wij een fabrieksschoorsteen op enen kleinen afstand van den weg, dat is het tichelwerk, de steenbakkerij van den heer Morselt, waar men een ringoven heeft, zoodat men voortdurend kan bakken. Een weinig verder staat, rechts aan den weg, aan een plas, door de Bornesche jeugd 's winters als ijsbaan, 's zomers als zwemkom gebruikt, een klein onoogelijk gebouwtje met een schoorsteen. In elk ander deel des lands zouden we meenen een klein stoomgemaal te hebben, maar dat verwachten we hier in de heide allerminst. Toch is 't er een. Maar even als een Hollander onder eenen watermolen verstaat een molen, die 't water wegmalen moet en men in Twente daarentegen er eenen molen onder verstaat, die door water gedreven wordt, zoo is ook dit stoomgemaal niet bestemd, om den plas leeg te malen, maar dient alleen, om in tijden van droogte, als de fabrieken der HH. Spanjaard gebrek aan water hebben, deze van uit dien plas er van te voorzien. De weg was vroeger een min of meer verharde zandweg en wordt nu in goeden staat gebracht. Zoo ver hij op Bornsch gebied ligt, is hij van een daar langs loopend voetpad afgescheiden door paaltjes, waar deze ophouden, begint de weg eigendom te worden van Twickel. Wij volgen dezen weg, rechts en links met dennen afgewisseld. Al spoedig krijgen wij een vijfsprong, rechts gaat een weg naar Azeloo, links naar Buren en bet Schild, tusschen den weg, dien wij afkwamen en dien naar Azeloo voert de weg door het Bornesche Veld in de richting naar Zenderen. Wij zien dan ook al spoedig in de verte een rood dak tegen 't bosch afsteken aan de linkerzijde, dat onder Buren behoort.
Daar begint de weg van Twickel en houdt Borne op. Wij krijgen eene eikenlaan, waar wij onder door, ter zijde de rossige heide zien en fraaie partijen en krijgen weder een afweg rechts naar Azeloo, dien wij zullen onthouden.

Den weg vervolgend, treffen wij daar ter zijde rechts in 't bosch groote hoopen steen en en puin. Daar laat de eigenaar van Twickel, als er geen ander werk voor de arbeiders is, steenen tot puin stukslaan, om er de wegen mede te verharden en daar de Twentsche steen over 't algemeen hoog rood gekleurd is, kan men de wegen die er mede zijn bewerkt gemakkelijk kennen. We zullen er verschillende ontmoeten. Daarop volgt een weide, die 's winters als ijsbaan wordt gebruikt door de Bornesche jongelingschap. We krijgen dan zeer kort van elkander twee bruggen, waar de beide beeken naar Azeloo stroomende, onderdoorloopen en bespeuren dat wij meer en meer het kasteel naderen. De boomen worden grooter, de dennen aan den weg worden ware woudreuzen, die kaarsrecht omhoog zich verheffen en links en rechts van ons breidt het bos er zich uit. Wij kunnen bijna de verzoeking niet weerstaan er in af te dwalen, maar volgen nu echter den weg en krijgen een brug over de Twickeler vaart. Steeds houden wij hooge denneboomen langs den weg van welke sommige scheef over de aangrenzende sloot hangen. Bij een open plek komen rechts fraaie boomgroepen in een weide in 't gezicht. De weg buigt zich nu S-vorming dicht langs de sloot, die met palen en een ijzeren stang is afgezet. Nog een huis ter rechter zijde en wij zien voor ons den handwijzer aan de groote laan, waar wij op uitkomen juist tegenover den moestuin.

Wij gaan nu links af, merken eerst nog den weg op die langs den moestuin loopt en naar den Watertoren en Hoogspel voert en gaan langs de fraaie tuinmanswoning de laan af naar Delden. Weldra is de weg niet meer door een muur - maar door een fraai ijzeren hek begrensd en wij hebben de wildbaan van het eigenlijke park ter zijde, waar wij groote troepen herten zien grazen, tot wij rechts van ons het kasteel zien verrijzen. Daar tegenover ligt de groote boerderij en een eind verder een paar vriendelijke huisjes Alpha en Omega geheeten, grootendeels onder klimop verscholen, en wij zijn aan 't eind der laan. In een uurtje is van Borne uit het stadje te bereiken.

Willen wij niet den kortsten weg gaan maar een fraaieren, dan zouden wij den weg kunnen kiezen over Azeloo. Even nadat de weg van Twickel begon kregen wij een kruisweg. Die voert links naar Buren, rechtsaf juist, waar een paaltje, ‘verboden toegang’ verbiedt het hout nevens den weg te betreden, voert een weg naar een boerderijtje (Bokdam), waar een hek den weg afsluit om 't vee in de daarachter gelegen weide tegen te houden, juist bij dat hek is een eikenboom, een tweede weide volgt met mooie boomgroepen, ter wille van 't vee afgerasterd en de weg leidt verder over een nieuwe brug over de Oelerbeek weder in een weide met eikenboomen omzoomd en ook hier en daar met afzonderlijke boomgroepen en voert door een hek op den Azelooschen weg.

Linksaf gaande zouden wij al spoedig den Azeloosche watermolen, den Noordermolen hebben bereikt en rechtsaf gaande zouden wij langs de vroegere havezaten Dubbelink en Graes achter om den Azelooschen esch zijn gekomen, die hoog gelegen ons een zeer schoon uitzicht op Borne geeft en waar een weg links ons naar de school voert. Maar dat zon ons nu te ver voeren. Wij gaan tegenover het hek, waar wij den weg bereikten een pad in dat ons dwars door een heideveld met dennen aan de ‘Schipvaart’ of Twickelervaart brengt. Daarlangs vervolgen wij den weg. Linksom gaande kwamen wij langs die vaart op den zelfden weg naar den Molen uit. Die weg langs de vaart is een rijweg en zeer schoon, de vaart zelve ligt tusschen hoog hout, meest dennen, en daar de weg hoog oploopt langs den zoom der vaart, die wij links in de diepte houden, terwijl rechts over het bouwland twee boerderijen, de een geheel in 't hout de andere meer open zich aan ons voordoen, de reeds genoemde havezaten. De weg loopt nu van de vaart af en brengt ons op een langen weg, rechts afgaande zouden we spoedig de school ter rechter zijde krijgen en kunnen dan daarlangs een weg inslaan, die ons in de eigenlijke buurtschap brengt.
Willen wij de wandeling in die richting verder uitstrekken, dan kunnen wij den weg vervolgen, die ons weer achter in den esch brengt, op sommige punten een mooie holle weg en zoo om die buurtschap heengaan of ook , voor de school langs een driehoek omloopen, die een fraai landschap te zien geeft.

Wij gaan nu linksom en bereiken al spoedig een brug, de Almeloosche brug, over de vaart. Daar komen 3 wegen samen, de eene, een roode weg, met puin verhard, naar Almeloo, de 2e, de weg van Azeloo, die wij afkwamen en daartusschen nog een 3e, die 't veld ingaat.
Den rooden weg vervolgend, tusschen dennen met mooie doorzichten en rechts en links veldwegen door de Berghuisbraak. Weldra houden de dennen op en begint zwaarder hout te komen, een zijweg links voert weder naar den Watermolen, de weg is hier omzoomd met lariksen, die echter weldra vervangen worden door zware eikenboomen en daar begint het bosch. Reuzenbeuken verheffen loodrecht hunne stammen hemelwaarts en welven hun bladerdak over den weg; wij maken eene kromming en hebben de lange laan voor ons.
Als we nog even omzien, zien wij, dat daar ook 2 of eigenlijk 3 wegen samenkomen, de weg van de Almeloosche brug rechts, een andere, die afvoert in de richting naar Bakkenhagen en daartusschen een naar eene boerderij, Kamphuis, die juist aan 't eind van den weg voor ons in 't hout zich opdoet. Die tweede weg loopt achter de Deldener esch om, terwijl 't begin der laan ook dezen ter zijde houdt.

Dadelijk aan 't begin der laan krijgen wij rechts een groep forsche eiken. Even verder ligt een heuvel met jong opgaand hout beplant, de berg, in den esch en dan krijgen wij links twee vierkante vijvers.
Tegenover den tweeden vijver, juist als de straatweg begonnen is en den rooden puinweg heeft vervangen, ligt eene groote keisteen ter zijde van den weg. Een krans van eikenboomen is om hem heen geplant en hij draagt tot opschrift: Getrokken door 12 paarden ben ik uit Azelo gekomen 23 February 1845. Niet onwaarschijnlijk is het de deksteen geweest van eene oude heidensche offertafel of van een steenen graf, zoo als men die in Drente bij Eext vindt. Wij kunnen nu de laan vervolgen, langs den moestuin van het kasteel, door een muur van den weg gescheiden en komen dan weer uit op het punt, waar de gewone weg van Borne op de laan komt. Achter dezen steen over den Berg gaande, krijgen wij rechts voor ons het erve Wannink, de modelboerderij van Twickel. Daarbij staat een groep van 3 zeer zware eikenboomen. Daaraan is nog een historische merkwaardigheid verbonden. Naar de overlevering wil, zouden daar in den tijd der Hervorming hagepreeken zijn gehouden, zij heeten: de heilige eiken.


Foto: Gezicht op de Watermolen in Azeloo

Wij hebben een paar malen den Watermolen of Noordermolen genoemd en die partij is te schoon, om er niet even heen te gaan. De molen zelf is een vierkant gebouw en werd, toen het scheprad nog in wezen was, waarvan nu de overblijfselen ons aan de vroegere bestemming herinneren, gebezigd als oliemolen. De boeren uit Azeloo en de nabijheid lieten er hun oliezaad slaan en in de stilte van het woud klonk de dreun van den stamper. Nu behoort ook dat tot het verledene en de molen dient als bergplaats, maar is gelukkig voor het landschap gespaard en even als die van Oele herhaaldelijk het voorwerp geweest van de belangstelling van schilders, die hem op doek of paneel hebben vereeuwigd. Wij hadden van de Almeloosche brug aanstonds er heen kunnen gaan, doch nu wij zoover de laan reeds zijn opgewandeld, zullen wij, even voorbij den grooten steen gekomen, links afslaan. 't Is een gemakkelijk te kennen roode puinweg. Na enkele minuten krijgen we ter linkerzijde een boerderij met eikenhout ter zijde en een weide er voor, waar wij onder de boomen een tafel met glazen er op en stoelen er om heen zien staan. In het huis is boven de voordeur een steen ingemetseld met den naam Möllinkswoner. Wij toeven er even en de boerin sehenkt ons een glas melk en als wij den weg vervolgen, hebben wij met enkele schreden den molen voor ons, die aan de eene zijde geheel met klimop begroeid is. Schilderachtig ligt het gebouwtje daar aan den waterkom tusschen de twee bruggen, over de Twickelervaart en de Oeler beek, in de schaduw van de hooge boomen, in alle richtingen een prachtig rustig landschap aan ons oog vertoonend. Op dit punt komen verschillende wegen bijeen. De eene weg gaat langs de vaart op, Noordwaarts en verdeelt zich dan rechts doorgaande naar Azeloo langs het punt, waar wij uit de weide op den weg kwamen, links zich ombuigend tot vlak voor de Almeloosche brug bij Lamaker. Een andere over de brug over de vaart zijn wij afgekomen en brengt ons bij den grooten steen en over de beek gaande, den weg vervolgend, zouden we op den weg van Borne naar Delden zijn uitgekomen. Ook als wij weder over de vaart gaan en den laatst ons nog overblijvenden weg kiezen, komen wij op dien weg uit juist voorbij de brug. We konden zelfs nog een eind afsnijden, wanneer wij over een vonder, rechts van ons, het pad volgden, dat zou ons al spoedig nabij de groote vaart op den zelfden weg hebben gebracht en eveneens bij den handwijzer op de laan hebben doen uitkomen.

Nog een weg van Borne naar Delden mag niet onvermeld blijven, die over Buren, een buurtschap tusschen beide plaatsen gelegen aan de zijde van Hengeloo. Wij konden ook van deze laatste plaats uit derwaarts wandelen als wij bij Welberg op den Bornschen straatweg insloegen of als wij bij Asveld den zandweg namen, die ons eveneens op dezen weg zou hebben gebracht. Wij zouden dan even voorbij een boerderij, met een heg om den tuin, waar een slagboom over den weg ligt de beek zijn overgegaan en vervolgens den spoorweg bij het daar staande wachthuisje, om dan dadelijk rechtsom te slaan, (rechtuitgaande zouden wij bij 't Hof van Holland op den Deldenschen straatweg komen). Wij konden ook even voor de spoorweg den breeden grasweg rechts verkiezen, die daar verder paralel met den spoorweg loopt en over een volgenden overweg ons over dezen brengt. Wij volgen den eerstgenoemden weg tot wij een brug overgaan. Rechts van ons hebben wij een wit huis, het Schild, en daar langs gaande zouden wij, bij Klaas aan de brug langsgaande, den Bornschen weg hebben bereikt. Even voorbij het Schild komt ook de weg van Borne op dezen weg uit, die juist buiten het dorp van den straatweg naar Hengeloo zich afbuigt en langs de Lemerij loopt. Er is nog een korter pad, dat ingaat naast de villa van den heer S. Spanjaard en over den Steenoven loopt en iets verder op den weg naar Buren uitkomt.

Als wij dan de brug bij 't Schild over zijn en linksom gaan, krijgen wij een dubbele laan voor ons uit. Aan den weg ligt links eene boerderij en de weg slingert zich door eschgronden en boerderijen tot een tweesprong, rechts, langs een dennenboseh, komt het pad van Borne op den grooten weg. Weldra zien wij voor ons een jachtpaal van Twickel op een 5sprong tegen den esch staan. Wij kunnen de beide wegen langs den paal gaan maar kiezen den linkschen, waar in de verte het hooge hout ons wenkt. Daar bij dien paal hebben wij nog een mooi uitzicht op Borne.
De weg gaat eerst tusschen laag hout, dat den esch aan ons oog onttrekt en als de weg open wordt, zien wij achter den esch een achtergrond van dennenhout, links krijgen wij eene boerderij, terwijl de opgolvende esch rechts een schoon uitzicht biedt en weldra krijgen wij voor ons eene groote boerderij. Dat is Buren, dat aan den geheele buurtschap zijnen naam gaf, een zeer oude boerderij, een der grootste ‘losse huizen’ die men vindt en welker bewoners u pachtbrieven en pachtboekjes van 4 eeuwen zouden kunnen toonen. Daar gaat de weg langs weiden met de prachtigste boomgroepen, die men zich denken kan, met doorzichten in alle richtingen, die verrukkelijk zijn. Vlak voor deze boerderij verdeelt zich de weg, links gaat op Carelshaven, rechtdoor komen wij uit op het punt, waar wij van Woolde uit de dennenlaan van Twickel insloegen; de 4e weg gaat in de richting van Borne. Wij houden dezen weg, maar kunnen niet laten, telkens te blijven staan, even om ons heen te zien. Zulk een wonderschoon landschap als dit hebben wij er nog geen gehad op alle onze wandelingen, prachtige boomen, eiken en dennen en wilgen, rechts - links hoogopgaande eschgronden en afdalende weiden, aan alle zijden omzoomd met dennenbosch, waar donkere eiken en zilveren wilgen op den voorgrond treden - ginds in de verte, rechts voor ons uit een eiken boomgroep en daar langs den zoom der weide gaan wij door langs het dennenbosch, dat daar straks den gezichtseinder afsloot.

Nog eenmaal willen wij omkijken om een laatsten blik te werpen op dit eenig schoone landschap, met zijn weiden met roodbont vee, grazend of zich strekkend in de schaduw der knoestige eiken, die in een waterplas zich spiegelen, aan alle zijden heerlijke doorlichten biedend; op die golvende eschen met dennen omzoomd, wier zwaargevulde halmen zich wiegelen in den avondwind, op al dat schoons, daar in een kort bestek bijeen dat onze pen niet naar waarde beschrijven kan; nog een laatsten blik en langs het dennenbosch komen wij voor een weg. Recht voor ons herinnert ons een verbodpaaltje, dat wij op Twickels gebied zijn, als hadden ons dat niet de prachtige eiken verteld. Wij konden rechts gaan om Burinkhoek heen, krijgen Borne rechts ter zijde; tusschen een dennenbosch links en een eikenboom rechts gaan wij door, laten een paar zijwegen ter linker, van welke de eerste ons bij het kasteel zou brengen, liggen en hebben den weg van Borne naar Delden voor ons, juist tegenover den weg naar Bokdam. Wij kunnen nu links naar Twickel en Delden of rechts naar Borne wandelen.

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Delden

Delden

Wij hebben dien naam al zoo menigmaal genoemd als eindpunt of rustpunt op een onzer wandelingen van Hengeloo of Borne, dat het tijd wordt het stadje met zijne omgeving zelf wat nader te bezien. Het stadje, want Delden is niet alleen eene oude stad, maar heeft met Vollenhove, Almeloo en Doetinchem gemeen, dat het officiëel steeds Stad-Delden heet, ter onderscheiding van Ambt-Delden, dat het geheel omringt, behalve aan den oostelijken kant, waar 't in de richting naar Oele aan Hengeloo grenst. De gemeente Delden (Stad) beslaat slechts 500 H.A. (het Ambt meer dan 8000) en heeft, behalve de stad alleen, de buitenbuurt Vossenbrink en St. Annabrink. Door de eerste kwamen wij op onzen weg van Oele.
Delden is zeer oud. Reeds in 1118 wordt er melding van gemaakt, het lag toen echter op een andere plek, want in 1322 gaf Frederik van Sierck, bisschop van Utrecht, aan het verplaatste Delden dezelfde rechten, die het vroeger bezeten had en elf jaar later verleende bisschop Johannes III (Johannes van Diest) het dezelfde rechten, als Oldenzaal had. In 1583 werd het door de ruiters van Pruist verbrand. Het stadje bestaat uit eene flinke straat, deel uitmakende van den grooten weg van Hengeloo naar Goor en daar zich verdeelend naar Lochem-Zutfen en naar Deventer, voor het oude Twente de stad. Rondom is Delden omgeven door tuinen, waaromheen een doorgaand pad loopt, dat door een paar wegen weer met de hoofdstraat verbonden is.


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Als wij van 't Station komen, treffen wij aanstonds links daarvan zulk een pad, dat ons door een aantal tuinen midden in de plaats brengt op de Markt.
Wij kruisen dan eene straat, waar op den hoek het Post- en Telegraafkantoor staat, terwijl even vroeger wij rechts de stoomweverij van de firma Schrader Schneider Teyert & Co. zijn gepasseerd en in de verte de fraaie villa van den Notaris van Delden zien. Op die Markt staat een zeer fraaie monumentale fontein of pomp. Op een voetstuk van hardsteenen met een zandsteenen basement staat de pomp, die in een lantaarn eindigt. Rechts en links zijn leeuwenkoppen aangebracht, waaruit een straal frisch water te voorschijn komt, als men een der handels aan de achterzijde neerdrukt. Aan de voorzijde en de beide zijden prijken de wapens van Delden, Twickel en Heeckeren van Wassenaer. Aan de voorzijde staat een opschrift: ‘Dankbare Hulde van het Bestuur en de Burgerij van Stad-Delden aan Dr. R. F. Baron van Heeckeren van Wassenaer voor de door hem in de gemeente aangelegde waterleiding. Nov. 1894.’
Deze pomp is den 3en Dec. 1894 onthuld, gelijk het opschrift aanduidt, uit erkentelijkheid voor de waterleiding, die aan Delden een 16tal standpijpen schonk, waaruit men drinkwater verkrijgen kan en onderscheidene brandkranen. Op die waterleiding komen wij terug, als wij Twickel bezoeken.


Foto: Gezicht op de Lange straat te Delden

Vlak achter die pomp staat de Hervormde Kerk, door een ijzeren hek en het plantsoen, waarin zij staat, van de straat gescheiden. 't Is een fraai oud gebouw. Blijkens een opschrift boven de lage deur, werd de eerste steen gelegd in het jaar 1463. Als wij binnenkomen in bet voorportaal, zien wij rechts in den muur aangebracht een fraai stuk beeldhouwwerk, waarschijnlijk het dekstuk van een Gothisch monument, met sierlijk lofwerk bewerkt en daarnaast in den muur een groote grafzerk van Johan van Raesvelt, een der vroegere heeren van Twickel en iets verder een zerk, waarin levensgroot de figuur is uitgehouwen van Frederik van Twickel. Beide zerken dragen tevens de zeer goed bewerkte wapens, voorstellende de kwartieren van genoemde Heeren. Aan de overzijde van den ingang is de niet groote consistoriekamer met een kruisgewelf gedekt. De kerk zelf bestaat uit 3 schepen. Het middenschip heeft aan het eene eind het orgel, aan de tegenovergestelde zijde de ruime bank van het Huis Twickel, met een baldakijn gedragen door kunstig gedraaide eiken kolommen, terwijl ook de deur aan de achterzijde, evenals de geheele achterwand van snijwerk is voorzien. De predikstoel, mede van eikenhout, heeft een koperen bijbellessenaar, met het wapen van Wassenaer voorzien, welk wapen ook op de kerkeraadsbijbels is afgedrukt.
Ter zijde achter het orgel is een gedenksteen aangebracht ter herinnering aan den vroegeren predikant, Ds. J. A. de Lorraine Holling, op den 1en Kerstdag 1859, juist toen hij gereed stond, om voor de gemeente op te treden, plotseling overleden. De vloer der kerk is even als te Borne, gevormd door grafzerken, die voor een deel onder de banken zijn verborgen voor een deel uitgesleten. Enkele, zoo als die van de familie Gewin, zijn nog goed kenbaar. Jammer is het, dat men ook deze kerk heeft opgeknapt met ijzeren ramen, die wel is waar zoowat in Gothischen stijl zijn en met gekleurde glazen versierd, maar toch niet passen bij de omgeving. 't Is te hopen, dat men ze nog eens door betere zal vervangen. Werden daar ramen aangebracht van steen in den stijl der kerk met in lood gevatte ruitjes en deze dragende de wapens der oude geslachten van Twickel en Beckum en Oldemeule en wie er verder ‘goedsheeren’ geweest zijn, wat zou het fraaie monumentale gebouw daarbij winnen!

Aan de achterzijde van de kerk, als wij van de Markt het plantsoen over gaan, staat de Oudste Pastorie. Aan de Markt vinden wij verder het Café Beltman en op den hoek staat het raadhuis van Stad- en Ambt-Delden. Aan de Markt treffen wij ook nog de bekende koekfabriek van van Heek & Co.
Gaan wij nu van de pomp langs het Stadhuis de straat verder in, dan krijgen wij al spoedig links het Hotel de Zwaan van Hemmelder en aan de overzijde eene fraaie villa van den heer Schweigman. Daar houdt het eigenlijk stadje op van dien kant. Wij hadden van 't station ook den weg recht op de Zwaan kunnen nemen. Gaan we nu verder, dan treffen wij verder aan het huis van den burgemeester, dat fraai in 't geboomte ligt en dan aan den overkant het huis van den rentmeester van Twickel, kenbaar aan toren, met een tuin aan de overzijde van den weg, waarin een vijver. V1ak voorbij dit huis komt een weg uit van 't station, die met veelsoortig geboomte ter zijde is beplant en aan den overkant met eene laan voert naar Twickel. Even voorbij den kruisweg treffen wij den Drost van Twente, een veelbezochte uitspanning, op welker groote schuurdeuren een postiljon op een schimmel gezeten, levensgroot is afgebeeld.

Den weg vervolgend, krijgen wij links een huis met zware lindeboomen en kastanjes, waarachter de hoofdlaan van Twickel's kasteel begint, terwijl aan den overkant een weg weer naar 't station leidt. Aan den overkant van den weg staat een schaapskooi, waarvoor een groote wilgenboom. Daar was het, dat onze fotograaf ons een kijkje nam. Wij zijn nu geheel buiten gekomen, links krijgen wij groote grasvelden met fraaie boschpartijen, de weg maakt een bocht, daar hebben wij rechts de Stadsweide, de Deldener Morsch, die door den spoorweg is doorsneden, maar het vee, daar door het hek er ingelaten, heeft gelegenheid onder een viaduct door, den weg te vinden naar het ruimere gedeelte, dat daar achter langs den Vossenbrink zich uitstrekt. Vlak voor de brug krijgen wij prachtige doorzichten door beemd en bosch. Onmiddelijk achter de brug (de Averinksbrug), staat een vriendelijk huisje met kruisramen en met riet gedekt, en voert ons de weg vervolgens door een schoon landschap, langs het lief gelegen Eijsink ter eene zijde en ter andere zijde langs een schilderachtigen boschzoom voorbij den ingang van het bosch naar het Hôtel Carelshaven.

Maar wij zouden Delden bezien en ziedaar, ik bracht u al weder naar buiten. We keeren nu terug en gaan nu bij Hemmelder (de Zwaan) op zijde van bet huis, langs de veranda, het pad in, het wordt weldra een straatweg. Rechts van ons zien wij het bouten rasterwerk van het Park. Wij houden den straatweg nu niet, die zou ons weder naar buiten brengen naar den Watertoren en bet daarachter gelegen Hoogspel, maar blijven de paadjes tusschen de tuinen volgen, tot wij geheel aan den anderen kant van Delden uitkomen, nabij den tol op den weg naar Goor. Als wij nu de straat weder ingaan, krijgen wij rechts van ons het klooster met de daaraan verbonden school, dat met zijn 3-toppigen gevel uit de verte den indruk maakt van een 3tal stadshuizen.
Tegenover het klooster staat weder een R. C. school. Dan volgt naast de school, door een grooten voortuin van de straat gescheiden, waarin zandsteenen vazen en kleurige beeldjes, de R. C. Pastorie en onmiddelijk daarnaast de groote nieuwe R. C. Kerk met haren hoogen toren. Daarop volgt een groote tuin, waarvan de muur voor een deel met klimop is begroeid en dan een groot vierkant huis, waarlangs de weg afslaat naar den molen in den Esch, naar Enter en naar Backenhagen en Almeloo. Het huis is dat van den heer Schweigman. Aan de zelfde zijde der Lange Straat volgt dan na dien afweg de openbare school, iets verder rechts slaat een straat af. waarin in 't geboomte verscholen de Jongste Pastorie. Delden heeft namelijk twee predikanten. Tot 1760 was er slechts één voor die ontzachelijk uitgebreide gemeente maar toen werd door Unico Willem, graaf van Wassenaer en heer van Twickel een tweede predikants plaats gesticht. De straat vervolgende treft ons bij Brunnekreeft links de groote dubbele deur, die toegang geeft tot de deel, een ouderwetsch Twentsch huis, dan volgt het Hôtel Meijer, waarnaast een straat, de Kerkstraat, naar de kerk voert en naar de andere Pastorie en wij zijn weer bij de pomp op de Markt gekomen.

Wij konden nu van de Markt langs de Kerk opgaan, tot wij buiten Delden komen door de paadjes in den Esch, die het stadje aan de N.W.-zijde geheel omringt. Afgesloten ter eene zijde door het Park van Twickel, verderop door de tuinen en vervolgens door de Lange Laan, ter andere door den spoorweg naar Goor, strekt zich de Esch een gezicht ver uit over 't koren, tot het oog stuit op de daarachter liggende bosschen. Aan den kant van het park verrijst de slanke Watertoren van Twickel aan den zoom van den Esch, en den straatweg vervolgend zou die ons langs eene bekende uitspanning Hoogspel brengen, langs den moestuin van het Kasteel op de Groote Laan, juist tegenover den handwijzer naar Borne. Kort bij de stad, ofschoon reeds buiten haar gebied, want wij zijn reeds een paal gepasseerd met het A.D. - S.D., die de scheiding van Ambt en Stad ver¬kondigt, treffen wij den Eschmolen, die daar zeer schilderachtig uitkomt in den Esch. Daarlangs loopt de weg, die in de stad bij de Openbare School begon en die zich juist voor dien molen verdeelt. Een handwijzer wijst ons een weg op Almeloo, die langs Backenhagen voert en zich weer vereenigt met den weg over de Almeloosche brug, de andere wijst op Enter, terwijl men, na enkele schreden op dien weg gedaan te hebben, een dwarspad heeft ter linker zij, dat bij den tol op den weg naar Goor voert. In dien Esch ligt ook de Berg, dien wij van Azeloo komende, zagen ter zijde van de Lange Laan en noordwaarts van ons, de reeds toen genoemde modelhoeve met de daarbij gelegen heilige boomen. Van den Molen kunnen we langs deze weer de Almeloosche brug bereiken.

Achter den Deldeneresch, (waarvan het gedeelte om den molen heen Molenesch heet), die zich tot de Twickeler Vaart of de Schipvaart uitstrekt, volgt weder een buurtschap, Deldenerbroek; waar - de naam duidt het aan - de grond lager is; men vindt er dan ook kleigronden. Deze buurtschap grenst aan Azeloo en ten Noorden aan Bornebroek. Daarin ligt het landgoed Backenhagen, oudtijds Rotgerink geheeten. Het was een havezathe en een der vroegere eigenaars, Johan de Bake, in 1581 gehuwd met Anna Hagen, doopte het naar hun beider namen om. Het ligt halfweg naar Almeloo en is wel eene wandeling waard, zoowel om het schoone hout, dat men er vindt, als om de vruchtbare akkers en weiden. Tusschen den straatweg en den spoorweg naar Goor en over deze heen, ligt de buurtschap Wiene.

De gemeente Ambt-Delden is verbazend groot. Ze strekt zich uit tot vlak bij Goor, waar nog een buurtschap Zeldam ligt en tot nabij de weinig minder uitgestrekte gemeente Haaksbergen, aan welker grens de buurtschap Bentelo en Hengevelde liggen. We zouden er nog heel wat kunnen wandelen. Over den Esch den weg naar Enter, waar wij onderweg bij de in 't hout liggende boerderijen de groote kudden ganzen zouden zien, die er gefokt werden en naar een der nabijgelegen stations gedreven, bij waggons vol worden verzonden. Wij zouden ten zuiden van Oele, weer op Hengeloosch gebied, Beckum kunnen gaan zien, bekend om zijn niet minder schoon hout dan Oele. En daar in Beckum zou men u de plaats kunnen wijzen, waar 't kasteel is afgebroken, eenmaal bewoond door de zusters Maria en Ursula van Beckum - geboren van Werden, - toen levend verbrand om des geloofs wil. Volgens de eene lezing op de Markt te Delden, volgens de andere op het Galgenveld in den Esch, aan den weg naar Goor. ¬
En zoo zouden we om Delden nog heel wat kunnen wandelen. Maar we mogen niet te veel van het geduld onzer lezers vergen en dit boekje niet te uitgebreid maken. Wij hebben daarom oog een hoekje van Ambt¬Delden bewaard tot het laatst en de lezer zal 't met ons eens zijn, dat ‘het leste is ’t beste’, als wij hem tot besluit voeren naar:

In en om Hengeloo, Borne en Delden: Twickel

Twickel


Boven: Fragment van bijbehorende wandelkaart (1897). Klik er op voor vergroting.
Onder: Chromotopografische kaart des Rijks, verkend in 1881-'82, herzien in 1903.


Wij hebben dien naam al zoo menigmaal genoemd en al zoo menigmaal wegen en paden, tot dit vorstelijk landgoed behoorende, betreden, dat het tijd wordt met den zetel van den eigenaar, Baron van Heeckeren van Wassenaer, kennis te maken. Komen wij van 't Station dan voert ons een der twee rechtsche wegen naar de laan die voor het kasteel heenvoert en de lange laan heet, die bijna een uur lang is en over den Deldenschen straatweg rechtuit voert tot kort voor de Almeloosche brug.


Foto: Gezicht op de Hoofdingang van de Laan langs het huis Twickel

Van het Hôtel de Zwaan uit, leidt een pad tegenover de veranda rechtuit er heen, n.l. naar de laan. Het pad loopt op bij het rasterwerk dat het eigenlijke Park afscheidt. Voor de brug, bewaakt door een paar kanonnen, hebben wij recht voor ons het ruime voorplein met prachtige bloemen, links, afgesloten door de stallen, rechts, door de koetshuizen. De eigenlijke slotbrug ligt over de gracht, die aan alle kanten de muren van het kasteel bespoelt.
De vlaggestok boven op het kasteel draagt de geel-roode vlag, de kleuren van des eigenaars wapen. Links van het kasteel staat op een der hoeken een zware, vierkante toren, vroeger van een gekanteelden omgang voorzien, thans door een spits dak afgedekt. Het huis, vroeger onder een pleisterlaag bedekt, is in zijn ouden staat hersteld, de roode baksteen met witte banden spiegelt zich weder in zijn oude kleur in de gracht. Boven de hoofdpoort prijkt eene versiering in den renaissancenstijl der 16e eeuw. Men ziet er den gedenksteen der stichting, waarop vermeld wordt, dat de le steen der poort gelegd is door Goossen van Raesfelt, Drost van Twente en zijne vrouw, Agnes van Twicklo. Boven de voorpoort ziet men den zondeval, voorgesteld door Adam en Eva onder een boom, waaromheen de slang zich kronkelt. Daarboven vertoont een gehouwen steen het bezoek der Wijzen uit het Oosten en heel daarboven de ster, die hun den weg wees.
Het huis, dat een schat van bronzen, oude meubelen en schilderijen en eene kostbare bibliotheek bevat, is - ook al is de eigenaar afwezig - jammer genoeg, niet te zien. Het was vroeger de zetel der gevreesde Drosten van Twente en de tegenwoordige archiefkamer in den vierkanten toren was destijds de rechtszaal.
De naam Twickel of Twickeloo is afkomstig van een Westphaalsch geslacht van dien naam. Volgens de overlevering kocht Herman van Twicklo, in 1347 van Berend Hulsger, het huis Eysink, dat meer noordwaarts in de tegenwoordige Wildbaan moet hebben gestaan. Hij bouwde een nieuw kasteel, dat zeer sterk moet zijn geweest. Door erfenis kwam het goed in 1550 aan Raesfelt en in 1676 aan Wassenaer Obdam. Een gravin uit dit geslacht huwde in 1831 baron van Heeckeren van Wassenaar, de vader van den tegenwoordigen bezitter. In vijfenhalve eeuw is het goed steeds door erfenis, nooit door verkoop, in andere handen overgegaan.

Rondom dit kasteel breidt in alle richtingen het Park zich uit. Links en rechts van de brug voor het voorplein zien wij een zwart ijzeren hek met vergulden punten. Aan dat ter rechterzijde is een schel en als wij na 1 uur komen en niet op een Zondag, wordt ons, als wij schellen, dat hek geopend en een der vriendelijke tuinknechts zal ons er door heen geleiden.
Al aanstonds als wij binnenkomen in de open ruimte, die het kasteel scheidt van de Oranjerie, treft ons, de groote rnagnolia ter rechterzijde aan de laanzijde en iets verder het beeld van een worstelaar. Daar hebben wij een laan voor ons van oranjeboomen, zoo groot en zoo veel, als men ze te vergeefs ergens in ons land roeken zal. De aanleg, ter zijde van het kasteel aan den kant der groote oranjerie, die geheel begroeid is en in den voorzomer met tienduizenden roode en witte rozen prijkt, terwijl in den zomer de blauw-paarsche bloemen der Clematis Jakmanni haar tooien, is geheel in den stijl van Lodewijk XIV met boulangrins en broderiën. Aan den achterkant is het kasteel, even als de brug, die toegang er toe verleent, geheel begroeid met klimop. Daar ziet men in den achtergevel het wapen der Wassenaers, dat het jaar 1692 draagt. Voorbij de oranjerie treffen wij weder een beeld, dat van een fluitspeler. V1ak over de brug aan de achterzijde is eene prachtige boomgroep van linden en een bruine beuk, waarin Diana en Apollo in hunne witte gestalten sierlijk uitkomen tegen het donkere loof. Daar treffen wij nog een fraai beeld van een discuswerper aan op ons pad nabij den Koningseik, door Koning WiIlem III bij zijn bezoek in 1862 gepoot. Het breede wandelpad is hier afgezet met een hekje van ijzergaas, dat 's avonds gesloten wordt, om de hazen, die men overal vrij ziet rondloopen of nieuwsgierig opzittende u aankijkend, te keeren van de bloemen. Achter het kasteel is een zeer groote vijver, het Meer genoemd, die zich over een groote lengte door het park heenslingert en waarin de reuzenstammen van eik en beuk, linde en wilg en zoo vele andere houtsoorten zich spiegelen. Wij gaan nu een brug over en zien rechts van ons de 20 H.A. groote wildbaan, die door een hoog rasterwerk van 't park is gescheiden en waarin geheele troepen herten grazen of rustig neerliggen in de schaduw der eeuwenoude eiken of beuken. Daar in de wildbaan staat op een voetstuk een beeld van een leeuw met eene slang vechtend, dat ook uit de lange laan buiten het park zichtbaar is. Naast die wildbaan loopt eene prachtige laan op. Aan 't eind daarvan zou het vroegere Eysink hebben gestaan. Daar zien wij voor ons een hertenstal, waar zij gevoederd worden en schuilen kunnen tegen zeer ruw weder en naast dezen zien wij den ijskelder. Aan den weg rechts staat een ontzachelijk groote acacia, die met hare fijngevormde lichtgroene bladeren de aandacht trekt. De laan, die wij nu loopen, heet nog de Molenweg. Zij loopt recht op den Watertoren aan. Even voor het einde slaan wij den hoek om en komen langs eenen prachtige boomgroep. Vlak achter 't kasteel - de weg langs de brug is verboden - aan de overzijde van het Meer heeft men een prachtig uitzicht op het kasteel en het park er om heen. Werwaarts wij zien, is 't overal in een woord verrukkelijk; de reusachtige eiken met hunne knoestige stammen, de fraaie, gladde beuken, soms geheel gehuld in een mantel van klimop, de omvangrijke kastanjes met hun dicht looverdak, wij zouden niet weten, welke de schoonste te noemen. Den weg vervolgende, komen wij langs de boomgroep achter het huis, waarin Venus, en krijgen een eilandje voor ons met een tentje. 2 hooge populieren, een gewone canadasche en een witte of z.g. abeel vallen in 't oog, evenals een cypres met haar fijne lichtgroene naalden. Vlak op zijde van het kasteel staat een larix, zoo groot als we nooit een zagen en daarnaast een zeldzaam zware esch, terwijl een groote tulpenboom (niet een magnolia als aan 't begin, maar een lyriodendron), ons ter zijde komt, tusschen eenen grooten eik en eenen niet minder reusachtigen beuk door, bereiken wij het hek aan de andere zijde van het voorplein, dan wij er ingingen en bedanken onzen vriendelijken geleider en staan op de Lange Laan.


Foto: Gezicht op het Kasteel Twickel

Dat wij slechts even aanstipten, wat het park voor schoons te zien geeft, spreekt wel van zelf. Wilden wij alleen de verschillende houtsoorten, de prachtige varianten van eik en eschdoorn, de ceders en andere vreemde boomen opnoemen, wij konden er eene bladzijde mede vullen. En dat wonderschoone park, door geen onkruidje in de paden ontsierd, waar overal 't gras in den droogsten tijd in zijn blij groenen tint u tegenlacht, te beschrijven -- het gaat ver boven onze krachten. Wij kunnen niet beter doen dan u raden: Ga het zien.

Dat dat gras zoo schoon groen is, daarvan is voor een goed deel de Watertoren de oorzaak. Hier en daar toch zien wij, aan slangen bevestigd, een rad van Segner zijn fijne druppelstralen er op neder sprenkelen, om straks als 't genoeg gedrenkt is, eenige meters te worden verplaatst. Zoowel die sproeiers als de fonteinen tegenover de oranjerie, zij allen worden gevoed door dien toren.
Allerlei vergeefsche pogingen waren gedaan om door het boren van een Artesischen put voldoend water te verkrijgen.. Tot op een diepte van 560 M. (dat is 5 1/2 maal zoo diep als de Utrechtsche domtoren hoog is) werd geboord door een 8 M. dikke zandsteen laag maar te vergeefs. Op 230 en 434 M. diepte vond men water maar niet in voldoende mate en met zoutgehalte. Na anderhalf jaar met groote kosten en moeite te hebben gearbeid, werd de boring, die door de firma Deseniss & Jacobi te Hamburg, is gedaan, in Augustus 1887 gestaakt. Toen besloot de eigenaar langs een anderen weg water te verkrijgen, door aansluiting aan de Almeloosche waterleiding. Door een buis werd, onder leiding van den Ingenieur Halbertsma, het water gebracht van daar (bij de Almeloosche brug kan men de plaats zien waar de leiding onder de Vaart doorgaat) tot in de kelder van den slanken toren, die op verschillende punten in 't park en ver daarbuiten zichtbaar is. Wij zagen dien toren reeds, toen wij in den Deldeneresch stonden aan den zoom van den esch, juist aan den weg, die van den handwijzer tegenover den Bornschen weg langs den moestuin naar Delden voert.
Wij willen hem echter wat nader bezien en na eerst bij den Rentmeester een kaartje te hebben gevraagd, wordt de toegang ons gaarne verleend. De toren is een waar kunststuk van bouwwerk, van rooden steen opgetrokken, met ornamenten van zandsteen. Het reservoir is uitgebouwd en wordt gesteund door 4 kinderkopjes; kinderen van Graaf Bentinck van Weldam, die met een zuster van den eigenaar van Twickel gehuwd is, een van den ingenieur Halbertsma en een van den rentmeester Bitter, zijn er in afgebeeld. Voorts zijn er twee koppen van riviergoden en twee van waternymphen. Men kan de modellen er van zien in den toren op een der verdiepingen, als men dezen bestijgt. Als wij er binnen komen, zien wij beneden in den kelder en boven in het reservoir het heldergroene water, dat door een machine wordt opgebracht, welke door de Gebr. Stork & Co. werd geleverd en geplaatst. Een trap, welker treden van gehouwen hardsteen zijn en die van een gesmeed ijzeren leuning voorzien is, brengt ons tot het reservoir. Daar doorheen gaat een koker, waardoor een ijzeren wenteltrap leidt en wij bereiken het bovenvlak, dat over den gekanteelden rand een verrukkelijk vergezicht biedt over het geheele park, het bosch en de geheele landstreek. In het midden rijst nog een torentje, dat den vlaggestok draagt. Van hier uit gaat het water en besproeit het park en de wildbaan en brengt lafenis en verkwikking aan plant en dier. De Baron schonk, gelijk wij reeds vermeldden, aan Delden een aantal standpijpen en brandkranen.


Foto: Gezicht op den Watertoren te Delden

We zouden, indien we tot de enkele bevoorrechten behoorden, die vrije wandeling in 't park hebben, van den Molenweg dezen toren hebben kunnen bezien, we zullen nu maar rekenen, dit te hebben gedaan en staan dus nu weer voor 't kasteel.
We kunnen nu langs het Park de Laan inslaan en den weg door het Reef nemen op Carelshaven. Dat is de weg tegenover het kasteel, die als rijweg verboden is. Een mooie weg langs weiland met de prachtigste boompartijen rechts en links. Een boomgroep trekt inzonderheid onze aandacht. Daaronder is een groot granietblok gelegd waarin een gedenksteen bevestigd, bevattende de woorden:

1885-1890.
Zur Erinnerung.
Die Landschaftsgartenkunst ist ein Malen in der Natur; das Werkzeug des Schaffers ist der Spaten ; dasjenige des Erhaltens und Fortbildens die Axt; sie ist der eiserne Zeichenstift des Landschafts-gärtners.
E. Petzold, geb. in Koningswalde in W. 1-1 Jan. 1815, gest. in Blaseiwitz b. Dresden 10 Aug. 1891.

Als wij deze groep hebben gehad, bereiken we welhaast de brug, wandelen nog een eindje door 't bosch en wij zijn op den straatweg bij Carelshaven.
Als wij voor het Kasteel staan hebben wij vlak voor ons, over een weiland heen, den weg naar Buren, dien wij van Woolde uit hebben gewandeld. Wij kunnen daarheen wandelen rechts- de weide en dan de laan ingaan tot juist over de brug, waar wij rechts en links zulk een schoon uitzicht hadden op de beek. Daar moeten wij links afslaan om een der schoonste punten uit het Bosch te bereiken: de waterpartij, die den min welluidenden naam draagt van het Kreeftengat. In dat deel van ’t Bosch staat het schoonste hout. - Wij kunnen ook de lange laan een eindje opwandelen, langs de boerderij tegenover het park. Daar willen wij even de fraaie fazanten bezoeken, welker hokken wij van den weg af kunnen zien en kunnen aan den standpijp op het groote plein onzen dorst lessen. Voor de groote schuur zien wij karren en wagens van Engelsch makelij. Juist tegenover een toegangshek uit de wildbaan naar de lange laan, kunnen wij een weg inslaan die ons weder naar die waterpartij brengt. Daar is 't bosch prachtig, ontelbaar zijn ze, die hooge en forsche zware stammen in alle richtingen om ons en telkens hebben wij banken die tot rusten nooden. Wij vinden daar aan 't begin 3 wegen, de meest rechtsche loopt langs de groote weide met prachtige door- en vergezichten en brengt ons met een brug over de Twickelervaart. Hielden wij dien weg, wij zouden ten slotte bij Carelshaven uitkomen, wij gaan dus over de brug linksom terug en komen dan weer uit op den weg, dien ik den middensten noemde. Ook als wij linksom den derden weg hadden gevolgd, die naar den Bornschen weg afbuigt, hadden wij met een omweg dit punt kunnen bereiken. Overal, vooral ook aan den zoom der weide staan onbeschrijfelijke schoone boomen, beuken, eiken, kaarsrechte masten van dennen, wier kronen zich welven tot een bladerdak, aan alle kanten en overal banken. Langs de weide opgaande, krijgen wij op een punt een bank
met een schoon boschgezicht, waar wij den watertoren in de verte over 't hout zien heensteken.

Als wij den weg vervolgen, zien wij dra op de hoogte, een steenen bank, die staat aan de Noordzijde van den vijver, een tweede in de laagte. Van de hooge bank af hebben wij rechts een weg die naar den Bornschen weg voert en die vooral in 't najaar schoon is, wanneer de grootbladerige Amerikaansche eiken met hun purperen bladerdos prijken; achter ons den weg naar Buren en links af gaat de weg over twee bruggen, waarvan de eerste zonder leuning, de tweede met één leuning voorzien is. Weder een brug, nu een groote, over de Twicke1ervaart en den weg vervolgende langs een boschweitje krijgen wij een groote rij lariksen, die bijna allen krom zich ombuigen, alvorens naar de hoogte te gaan. Zij zochten 'meer licht' en de groote eiken, aan den overkant van den weg noodzaakten hen tot wijken, zoo zij 't wilden vinden. - Op al die wegen is 't prachtig om te wandelen, vooral tegen den avond en in de stilte van het groote woud, zien wij overal hazen (op een wandeling telden wij er 14) rondom ons loopen en spelen, zien wij soms onder de boomen tot vlak bij den weg faizanten, of huppelt een vlug eekhoorntje voor ons uit over den weg, om aan de achterzijde van een stam omhoog te klimmen.
Wij zuden wenschen, u nog uren rond te voeren door al die lanen en wegen, want al zijn er vele verboden en een aantal dwarspaden afgesloten, er blijft gelegenheid te over, voor meer dan een zwerftocht door het altijd schoone bosch, waarvan Craandijk schreef: "Een zwerftocht door Twickel en zijn onderhoorigheden blijft nooit onbeloond".

We hebben voor 30 iaar Twickel gekend, toen was er nog meer zwaar hout dan nu, maar 't was er lang zoo mooi niet. Toen was 't er vrijer en mocht men overal tusschen 't hout doorloopen en was het wonderschoone bosch meer een Urwald. De oude Heer van Heeckeren was gehecht aan zijn boomen, te zeer, zij begonnen elkander te hinderen. Na zijn dood heeft de jonge eigenaar den bekenden Park-Director Petzold laten overkomen en die heeft, gelijk uit de spreuk die hij schreef in 't vreemdelingenboek en die op den gedenksteen vermeld staat, blijkt, er den bijl als teekenstift gebezigd. Bij tientallen zijn de woudreuzen gevallen onder de aks van den boschwerker en treinen vol hout zijn er uit weggevoerd, dat menigeen zijn hart vast hield. Hij heeft licht en lucht gebracht in het schoone maar sombere bosch en de wonderschoone doorzichten geschapen, die ons oog bekoren. Ook het prachtige landschap in Buren. is door hem geworden wat het is. Waarlijk, hij verdient zijn gedenksteen wel.
En als wij dan nu van het Kreeftengat opwandelen in de richting van het huis, dan kunnen wij het paadje volgen langs de schaapskooi, dat ons bij de boerderij op de laan brengt. Wij werpen een laatsten blik op het kasteel, slaan den fraaien weg, alleen voor voetgangers bestemd, in, dien wij den Petzoldweg zouden wenschen te noemen, brengen een laatsten groet aan den hervormer van het bosch en den eigenaar, die den moed had, hem te laten komen en werken en gaan de brug over. Een klein. eindje bosch en wij hebben Carelshaven, waar wij onder den grooten eik willen afscheid nemen.