maandag 22 april 2013

Gids voor Twente (1917): Losser

LOSSER.

Losser was lang een vergeten dorpje aan de Duitsche grenzen, dat een zekere geologische vermaardheid verkreeg, sinds onze beroemde aardkundige Dr. W. C. H. Staring daar in 1853 in den hoogen esch aan den zuidkant den neocomen zandsteen ontdekte op 5 M. diepte, dezelfde als die van de bekende groeven bij Bentheim en Gildehaus. Van Oldenzaal loopt de tram door de buurtschap Berghuizen naar Losser en verder naar de Duitsche fabrieksstad Gronau. In de laatste jaren is het kleine Losser uitgebreid met tal van nieuwe woningen voor arbeiders, die werk vinden in de katoenindustrie van Gronau. Door den wereldoorlog is dat allengs opgehouden en nu zoeken velen hun heil in de smokkelarij.


Afbeelding: De Kerk te Losser

Wij beklimmen eerst den 40 M. hoogen esch. Bij gindschen molen met aardomwalling en rieten dekking, die op de kruin zijn wieken zwaait, moeten we zijn. Achter het Muldershuis is een put van 9 M. diep, uitgehakt in den zachten zandsteen, die al op 2 M. begint en nog ver onder den bodem zit. Zoo waren - vertelde de molenaar - in deze buurt meer putten uitgehouwen in de rots. In den steen zijn schelpjes te zien. Volgens het zeggen van heeren uit Delft zou hier weleer de zee gegolfd hebben, zei de man met een glimlach. De holle weg, waarin de zandsteen aan het daglicht kwam, is nog al veranderd, zoodat hij niet meer te zien is en ook het “Staringputje" is schier onherkenbaar.
Heerlijk is het vergezicht op de hoogte bij den molen. Achter het dorp is een groene vallei, waardoor de Dinkel stroomt, die achter Ahaus ontspringt en door Gronau loopt. Aan de overzij verheffen zich de hoogten van Gildehaus met koren op de hellingen en de groene bergen, waar 't slot Bentheim wegschuilt. Merkwaardig dat de Lossersche hoogte in twee ruggen dezelfde richting (O.-W., zelfs Z.O.-N.W.) heeft als de Bentheimsche heuvels en
niet N.O.-Z.W. als de diluviale ruggen in de buurt. We peinzen er over, hoe het gesteente hier samenhangt met gindsche rotsgebergten, hoeveel millioenen jaren het wel geleden mag zijn, toen hier dit zand werd afgezet in een binnenzee in het oudste tijdvak der krijtperiode, hoe die zee is verdwenen en door een nieuwe wereld overdekt.


Afbeelding: De toren te Losser

Naar den kant van Gronau, aan een dozijn fabrieksschoorsteenen kenbaar, zien we neer op 't "Achterveld" of Over-Dinkel, waar sinds korte jaren tal van arbeiderswoningen in het heideland zijn verrezen. Een plekje aan de grens daar heet "Drieland", omdat er vóór 1866 drie landen aan elkaar kwamen, n.l. Nederland, Pruisen en Hannover; er staat nog een driekante steen met het jaartal 1659.
We dalen af in het dorp. De R.K. kerk is een mooi, nieuw gebouw met een plantsoen langs de straat. Lief is de omgeving der Herv. kerk (1810). Een pleintje in ijzeren hekwerk ligt rondom; een beekje met zandsteenen schoeiing vloeit er langs; antieke huizen met kleine ruitjes en weefkamers terzij en lommerrijke boomen omgeven het. En de pastorie aan de overzij, wegschuilend achter 't geboomte en met haar tuin verborgen tusschen hooge hagen en dicht struikage is als een idylle van Voss of Goldsmith:

"Een plekje, waar men blijven,
En vrede zoeken wou."

In die stemming komen we bij den ouden "gemeentetoren" zonder kerk, die omhoog rijst op het groene marktplein, omgeven door meest ouderwetsche huizen met grauwe puntgevels. Die toren, waar zwaluwen en duiven een asyl vinden, vanwaar de kerkuilen des avonds op roof uitvliegen, is bijna geheel van baksteen met heel weinig natuursteen. Het zadeldak, in deze streken zeldzaam, herinnert aan de Groninger en Friesche dorpstorens.

Vanhier langs de bleek het dorp verlatend, komen we bij een standermolen op een hoogte met ruim uitzicht. Een breede kronkelende zandweg voert naar 't Losserzand, een duinlandschap, zooals we verder naar 't N. in 't Lutterzand weervinden. De grintweg langs den molen loopt door de uitgestrekte buurtschap, de Lutte (gemt. Losser) naar Denekamp. Eerst gaat het door heivelden, met mooie gezichten op de Bentheimsche bergen, dan langs de bosschen van Duivelshof. Voorbij de R.K. kerk van de Lutte snijdt ze den Bentheimer straatweg.

Gids voor Twente (1917): Hengelo

HENGELO.

't Was een klein Twentsch boerendorp bij een kasteel. Op den Brink in 't lommer der gewijde linde kwamen de gewaarden der marke Woolde ter holtspraeke bijeen. Heer Frederik van Twickel (overleden 1545) aan wien de Hof te Hengelo behoorde, was zulk een goed en bemind man. De boeren hadden hem vrijwillig geholpen bij het hooien "unde der jofferen een boeten flassen helpe schone maken", maar nooit als heerendiensten. Zij hadden “onghesperret" mogen bouwen en afbreken, ganzen en eenden houden en overal visschen. Een tachtigjarig man heeft er van verteld: "want hie und sijn Broder hebben langes over die becke bij den pagenstall aver den hoff tho Hengello heer gevisschet ende zalige heer Fr. sy by sye gekomen ende hor ghevraget offt sye oick wat vongen, darup Herman geantwort: jae heer Droste genoch, unde terstunt hebben sye uth den water gelopen unde hebben alle oer visschen uthgestort up den brinck vor zaligen heer Frederix voeten und hr. Fr. hadde darum gelachet soe dat hem wall wasz dat sye soe wall wat gevangen hadden ende die visschen soe sprungen." Dat is een aartsvaderlijk tafereeltje uit dagen van geweld en dienstbaarheid.

Het kasteel, nog in 1813 hoofdkwartier van een Franschen generaal, is gesloopt. De poort met haar jachttafereelen en koppen staat nu aan den ingang van het Stroot in Tweckelo. Maar het dorp is aangegroeid tot een stad, een der drie centra van de Twentsche industrie. Zijn groote opkomst dankt het aan de Doopsgezinden. Vervolgd in Brabant en Vlaanderen, hadden die in de 16e eeuw een asyl gevonden in deze vergeten landouwen. Wellicht waren ze oorspronkelijk uit Frankrijk ontweken en nazaten der Waldenzen, ook wel Tisserands, d.i. linnenwevers genoemd. Hoe zijn ze ten zegen geweest voor het land, dat hun een schuilplaats bood. Stille burgers waren het, eenvoudig, ja stijf in kleeding en levenswijze, maar vlijtig en spaarzaam, "de honigbijen der republiek." "Daar is een seecker needrig en slecht (eenvoudig) volxken, dat Mennisten heet; dat volck is niet genegen tot suypen en swelgen; is ook niet hoovaerdig; noch soeckt uit gierigheyt des werelds goet; het rooft en plondert niet mede; het kan self door geen geestelijck of wereltlijck geweldt tot afval gebracht worden ... "
Deze menschen, die weefstoelen en winkels hielden, brachten het allengs tot welstand en zij waren de grondleggers der Twentsche industrie. Veel heeft Hengelo te danken aan den mennisten predikant Wolter ten Cate (1701-1796), Hij voerde de damastweverij in en spoorde de ingezetenen aan tot het weven van katoenen stoffen. Verder bracht hij een voortreffelijke armeninrichting tot stand. Hij stierf algemeen betreurd en leeft in dankbare nagedachtenis voort als "Wolter-oom".
Toen koning Lodewijk in Maart 1809 ook Hengelo bezocht, zag hij er met genoegen de voornaamste voortbrengselen der fabrieken: bombazijnen, masseilles en dekens.

In den zomer van 1832 ontmoette W. de Clercq, secretaris der Handel-Maatschappij, in een herberg te Hengelo den jongen Engelschman Th. Ainsworth. Toevallig kwamen die twee daar bijeen, maar het was een goddelijk toeval. Hun gesprek gaf den stoot tot een hervorming der Twentsche nijverheid. Na den afval van België was het voor de H. M. de groote vraag, hoe aan katoentjes voor Indië te komen. "Geef mij een snelspoel en een Twentschen jongen," zei Ainsworth, "en ik zal u in korten tijd calicots leveren, zoo veel als ge wilt." Reeds in 1833 werd te Goor een weefschool opgericht, onder leiding van Ainsworth; daar leerde hij de arbeiders met de Engelsche snelspoel 3 maal zooveel te produceeren als met de oude weversspoel. Sinds ging de industrie vooruit met reuzenvlucht. De stoom werd toegepast; de spoortrein verloste Twente uit zijn afzondering en Hengelo werd een kruispunt (1864). Nu bezit het 1 stoomspinnerij, 4 stoomweverijen, groote machinefabrieken, een trijpfabriek, steenbakkerijen, een bierbrouwerij, het "Twentsche Centraal Station voor electrische stroomlevering”, dat licht en kracht voortbrengt voor tal van plaatsen tot Ruurlo toe. Hengelo is een stad geworden met meer dan 21000 inwoners. Slechts in enkele straten herinnert een doorbalkte woning met planken geveldriehoek aan het oude dorp, maar anders heeft het een steedsch aanzien. In de mooie Enschedesche Straat e.a, ziet men prachtige winkels en zaken als in een groote stad: warenhuis, wijnhandel, rijwielmagazijn, twee bioscopen, enz. Aan den Beursweg nabij 't Station is een groot schouwburg- en concertgebouw verrezen. De Beurs, nu een restaurant, heeft nooit aan zijn bestemming als handelsbeurs beantwoord. Er is een waterleiding, welker toren we over de spoorbaan
zien. Hooger dan alle fabrieksschoorsteenen wijst de toren der R. K. kerk aan de Markt omhoog (80 M.)


Afbeelding: Gezicht in 't Tuindorp te Hengelo (O.)


Afbeelding: 't Tuindorp te Hengelo (O.)

De grootvorst van Hengelo's industrieeelen is Stork. Nabij het station, onder 't lange viaduct door, verheffen zich de gebouwen, waar stoommachines e.a. werktuigen worden gefabriceerd. Bekwame teekenaars ontwerpen de modellen, die eerst in hout uitgevoerd, tot het vervaardigen der kleivormen dienen, waarin het vloeibaar metaal wordt gegoten. Het
is een grootsch gezicht, deze werkplaats der moderne cyclopen met haar groote vuurhaarden, reusachtige aanbeelden, schaven, boren en draaibanken.

Tegenover het station van 't Lokaalspoor is het Vereenigingsgebouw der werklieden van Stork; niet als levende machines worden ze beschouwd, maar als aandeelhouders mee in het groote bedrijf en voor hun lot bij ziekte, ouderdom, enz. is sedert lang uitstekend gezorgd. Een stichting van Stork is ook het tuindorp, 't Lansink, sinds 1911 even buiten
de stad in de richting van Oele verrezen. Wat een vriendelijke aanblik leveren die nette woningen in allerlei stijlvormen, met openslaande ramen en kleine ruitjes, kleurige blinden, veranda's en balkonnetjes. Klimop of ander groen dekt de muren, een bloemtuintje ligt ervoor, door een sierlijk hekwerk gescheiden van de straat, die er zich met een bevallige bocht langs slingert.

Tot Hengelo behooren de buurtschappen Oele, Beckum, Woolde en Driene.

In Oele ziet men aan de beek nog den ouden watermolen met een opschrift op een steen: "1690 sen dese molen uyt den grond vernieut door Joost Christ. van Beverforden en Judith Marg. van Coevorden." Dit echtpaar woonde zeker op 't kasteel Oldemeulen, dat hier lag en voor een honderd jaar is gesloopt.


Afbeelding: De dikke Boom bij Oele Hengelo

De dikke boom van Oele, bij den grond 8 M. in omtrek, is een eeuwenoud natuurwonder, dat evenwel de sporen van ouderdom en hemelvuur vertoont.

Overal om Hengelo heeft men mooie landschappen met immer dezelfde stoffage van donkere lanen, oude hofsteden, esschen, weiden en heivelden en toch zoo eindeloos verscheiden; hier en daar ook het lusthuis van een industrieel, als het Grundel, de Waarbeek e.a.
Merkwaardig is het zeer afgelegen Beckum, een vruchtbare buurt door een drietal beken bewaterd, die als een oase, eenzaam en vergeten, ligt tusschen de heidevelden. Nu pas komt er een kunstweg op Hengelo en Haaksbergen. In 't midden, tusschen bouwland en boerderijen met veel hout, ligt het nederig R. K. kerkje met bescheiden torentje. Langs de pastorie loopt een flink pad door 't Korenveld naar de hofstede Altena, door zware eiken omringd en daarachter verheft zich het mooie Altena's bosch met eiken, rijzige sparren en hooge dennen, alles van Twickel. Bij Altena aan de beek ziet men nog stukken gracht om een hof, waar in vroeger dagen 't Huis te Beckum stond. Hier woonden in de 1e helft der 16e eeuw heer Jan van Beckum en zijn huisvrouw Ursula van Werdum uit Oost-Friesland. Heer Jans ongehuwde zuster Maria had den Bijbel gelezen en kleefde de gevoelens der Doopsgezinden aan. Door haar moeder te Utrecht uit het huis verdreven, vond ze een toevlucht op Beckum en in Ursula een vriendin, weldra een geestverwante. Op bevel van hoogerhand kwam de Drost van Twente, Goossen van Raesfelt van Twickel, door een hoop volk vergezeld, bij nacht om Maria gevangen te nemen. Op haar verzoek ging Ursula met haar mee. Vergeefs poogde men de twee vrouwen tot afval te bewegen, eerst te Deventer en later op Twickel, waar ze in den torenkelder gevangen zaten. "Donredages nae Martinus" (13 Nov.) 1544 werden ze uitgeleid naar 't Galgenveld aan den weg naar Goor. Terwijl medelijdende vrouwen schreiden, "songen sij met vreuchden". Man en wijf, kind en grijsaard, sleepten hout aan voor den brandstapel. Maria werd het eerst aan den paal gebonden en verbrand, daarna Ursula, die nog geen dwaling wilde bekennen en den milderen dood met het zwaard afwees.

"Segt Jan van Beckum goede nacht,
Heeft sij tot een van haar Meijers gesacht."

Volgens een brief van Jan v. B. hingen de lijken op 11 Dec., ondanks al zijn pogingen, "noch alsoe baven aerden".

Nog jaren daarna heeft het volk in liederen gezongen van "de twee martelaressen van Beckum" en tot in de 19e eeuw brachten de Doopsgezinden uit Hengelo op 13 Nov. een groenen tak op de gerichtsplaats, waar de paal naar Maria's voorspelling groene loten uitschoot. Ursula's broeders hebben wraak genomen. Ze schreven dreigbrieven aan den
Drost en zijn zeker de aanstichters geweest der bende, die zich "de vrome kinderen van Emlichem" noemde en die tot 1560 toe telkens schuren en hooibergen in brand staken, vee doodden en o.a. in 1548 het dorp Neede hebben gemoordbrand.

Gids voor Twente (1917): Borne

BORNE.

Als men van Hengelo naar Borne spoort, ziet men veel groene beemden met lange rijen populieren en verder naar Borne flinke boerderijen. Het dorp Borne is in de laatste halve eeuw veel aangegroeid. Er is een oud en een nieuw Borne. Wanneer we van 't station af de straat volgen, die recht op de Markt aan loopt, zien we het nieuwe gedeelte. Links verheffen zich groote fabrieksgebouwen: 2 stoomweverijen van katoenen en linnen stoffen, een damastweverij met 450 getouwen en daarachter de groote stoomspinnerij met 10.000 spillen, een waar industrie-paleis, alles van de firma Spanjaard. Rechts liggen fraaie villa's in net aangelegde tuinen, mooie winkels, enz.; aan de Markt verrijst de groote nieuwe R. Kath. kerk met slanken toren en daarbij een klooster van "Zusters van liefde" en kloosterscholen; daar is het Raadhuis en 't Hotel de Keizerskroon, enz.
Ook hier heeft de industrie veel te danken aan de Doopsgezinden.

Rechts van de Markt komt men door een achterstraat bij de Hervormde kerk, middelpunt van het oude Borne. De Herv. kerk is oud, denkelijk uit het laatst 14de eeuw. Rondom ligt, door een ijzeren hek omgeven, het oude kerkhof met verweerde zerken tusschen het gras. De fraaie torenspits behoorde lang tot de hoogste van Twente. De drie klokken, gegoten door de beroemde Hemony's, dragen wapenschild en namen der Scheele's van Weleveld. Een is van 1645 en een ander van 1676. "Elken Zondag roept de grootste klok de gemeente ter kerke, elken Zaterdagavond luiden ze alle drie in koor de week ten afscheid en naar oude gewoonte beiert het drietal in den Kerstnacht vanaf de vierde stonde 3 uur lang ter eere van de geboorte van het kindeke". De kerk bestaat uit twee beuken met kruisgewelven. In het verhoogde koor ziet men een aantal zerken met namen van de Scheele's en de Hambroeks, bewoners van het slot Weleveld. Daar rust o.a. Radboud Hendrik Scheele, die op de Groote Vergadering van 1651 in Den Haag afgevaardigde was voor Overijsel en die in vroeger jaren den groothertog van Toscane gediend had. Merkwaardig is de preekstoel van witten zandsteen met een mooie eikenhouten deur en bijbelsche opschriften in gulden letters op deur en spiegels.


Afbeelding: 'De Meierhof', Oud-Borne

In de straatjes en stegen rondom de Herv. kerk zien we nog menig oud Twentsch huis met hooge houten puntgevel, die wat oversteekt, en doorbalkte muren, Een heel antiek huis aan een achterweg heeft nog een huiszegen in een balk boven de groote achterdeur luidende: ,,O God bewaert het huijs voor brant en voor de vernylende hant. AO. 1728, 28 Maart." Aan den buitenkant ligt de mooie, flinke hofstede, de Meijershof, welke recht heeft op uitgangen uit verschillende erven; de Doopsgezinde kerk moet er jaarlijks twee jonge haantjes offeren, die mans genoeg zijn om op den rand van een emmer te springen.


Afbeelding: 'De Meierhof', Oud-Borne bij de Herv. kerk

Door een afwisselend landschap komen we in N. richting eerst aan de buurtschap Hertme met haar nederig kerkje en pastorie in vriendelijke omgeving. Door een hei en over een esch voert de weg naar 't Weleveld. Op de plaats van het oude kasteel staat nog een koepel en rondom is mooi geboomte, toebehoorende aan den heer Dikkers te Almelo. Tot 1725 was de havezarhe in bezit van de familie Scheele; daarna kwam ze door koop aan de Hambroeks. Jonker Sweder Scheele tot Weleveld, die in 1602 huwde, was Luthersch als zijn vader en had ook in zijn kapel een predikant van de Augsburgsche confessie. Van Weleveld zijn we weldra in de buurtschap Zenderen. In boschrijke omgeving ligt daar een klooster der geschoeide Karmelieten op het vroegere landgoed Hulscher met een fraaie kerk en een bloeiend gymnasium. Dicht in de buurt is een klooster van zusters der Karmelitessen.
Aan de overzij van den straatweg over Borne naar Almelo komen we in de buurtschap Bornerbroek, een boschrijk land met een R. K. kerk en wat huizen als middelpunt.

Gids voor Twente (1917): Weerselo

WEERSELO.

Weerselo is een herhaling van het Twentsche ganzenland der Reggevallei. Het is een rijk bewaterd land, waardoor de beekjes vloeien, die van de hoogten onder Lonneker afkomen en naar beneden de Loo-Lee vormen. De weiden langs haar oevers staan te wintertijd blank of worden opzettelijk bevloeid. Hier is alzoo meer broekland dan hei. Langs de watertjes en langs de groene wegen staan lange rijen populieren en wilgen, die aan vele klompenmakers materiaal geven. Bij de hofsteden, waaronder nog tal van losse huizen, uitwendig kenbaar aan de plaats van den schoorsteen kort vooraan op de nok, ziet men troepen ganzen en eenden, die grazen in de wilde groenlanden.

Van Borne slingert de grintweg naar Weerselo door de vruchtbare en boschrijke buurtschappen Dulder en Saasveld, waar de boeren druk bezig zijn met aardappels rooien en roggeland ploegen. In den milden najaarszonneschijn zien we te midden van donkere bosschen het R. K. kerkje van Saasveld met zijn pastorie. Daarbij is nog een klokkenstoel van ijzer. Hier verrees voor 1817 een sterke burcht met zwaren vierkanten toren, geduchte voorpoort en dubbele grachten, die voor een deel nog zijn te zien.
De heeren van Saesveld waren in de middeleeuwen als roofridders gevreesd. Veilig in hun sterk slot te midden der moerassen, hebben ze menig reiziger opgelicht en verduisteremaand in onderaardsche kerkers, tot de losprijs was voldaan. Ook een put met messen op den bodem, als in het slot Bentheim, was hier in een der torens. Maar Jan van Arkel, bisschop van Utrecht, bouwde in 1358 tegen Saterslo een blokhuis, waarvan de ruïne nog te zien is. Nadat hij Eerde, ook al zoo'n roofnest, had vermeesterd, nam hij in 1360 met donrebussen en blijden ook Saesveld in. In 1504 werd het door de Gelderschen versterkt en de boeren uit den omtrek preste men, aan wallen en grachten te werken. De hoogbejaarde Jutta van Reede, de goede burchtvrouw, moest veel onrecht verdragen. Na een nachtelijken brand in het slot ontweek ze, van alles beroofd, haar Saesveld en sleet de rest harer dagen in Deventer (ze stierf in 1528 op Petridag en werd bijgezet in 't klooster ter Hunnep).

Welk een lief, echt landelijk dorp is Weerselo. Tusschen de R. K. en de Herv. kerk liggen de boerenwoningen en andere huizen verstrooid, omringd door lanen en vruchtbaar bouwland. Hoe gemoedelijk is het in de gelagkamer der dorpsherberg met haar bijbelsche haardtegeltjes en koperen olielampjes onder den wijden schoorsteen, haar antieke merklappen en schilderijen aan den wand.
Maar 't mooist is het bij de Herv. kerk, eens de kerk van het voormalig klooster of Stift. 't Is daar een der meest poëtische plekjes van Twente. Dat oude kerkje met zijn open torentje, dat groene plein, door boomenrijen overschaduwd, vooraan een zwaren eik met hollen stam, waarin wel een jongen zich verbergen kon, die put van zandsteen, terzij aardige huisjes en aan het eind van het plein de pastorie en de dokterswoning achter hooge linden, 't is een idylle, een droom van vrede en lieflijkheid.
De oude muren van het kerkje zijn grootendeels van natuursteen; de beide gevels zijn met een pleisterlaag overdekt, waarop smakelooze spitsboogramen zijn geschilderd. In den eenen gevel is een Renaissance-poortje met opschrift en wapenschild er boven. De Zuidergevel, met spitsboogramen van verschillende hoogte, is het best bewaard. Hier is nog een klein kerkhof met hek er om, waar de brandnetels tieren op vergeten graven. In de kerk langs den muur ziet men 8 grafzerken van stiftsdames met wapens er op en de jaartallen 1644, 1650, 1659 e.a. Verder ziet men er een Romaansch doopvont uit de 12e eeuw, een altaarsteen, een offerblok van Bentheimersteen, twee klokken van 1545 en 1577. De namen der kloostergebouwen leven nog voort in dezen omtrek als vicarie, poortensmid, brouwhuis, korenspijker, kapittelhuis en daarmee stellen we ons al de bedrijvigheid van zulk een stift voor, maar ook het eenzaam leven dier adellijke vrouwen, die het gewoel der wereld ontvloden in haar stille cel baden en peinsden totdat ze verdwenen in 't nog stillere graf.

Nog dieper terug in de middeleeuwen voert ons die grauwe Huneborg in 't Voltherbroek, eenzaam te midden van weilanden, hakhout en moerassen. Een rond plein van een 80 M. in doorsnee is omsloten door een omwalling, begroeid met hulst en sleedoorn en om deze loopt een half dichtgegroeide gracht. Naar 't N., waar dichtbij 't kanaal Almelo-Nordhorn loopt, ziet men over een heuvelrij het torentje van Ootmarsum. De Twentsche Oudheidkamer is nu eigenaar van dit archaeologisch monument en prof. Holwerda heeft er van rijkswege opgravingen verricht. Aan de zuidzij ontdekte hij reusachtige granietblokken als fondamenten van een groote poort en daaraan grensden fondamenten van Bentheimer steen en mortel. Ook de steenen grondvesten van drie kleine hutten werden blootgelegd. De nederzetting moet dateeren uit den tijd van 800-1000. Naar men meent zijn het Maggaren geweest. Misschien hebben er later wel eens zwervende Zigeuners vertoefd. Het landvolk uit den omtrek was bang voor het volk van den eenzamen borg. 't Waren Hunen en Hunewieve, zei men, en de verbeelding weefde sagen om den grijzen aardwal. Een heidin was bij Grupman gehaald, waar "peerde, beeste en de groote maagd behekst waren"; ze had kruiden gekookt, in een tooverkring gedanst, dat haar 't schoem op den bek stond en was ten slotte met den damp uit den kruidenpot door den schoorsteen gevlogen. De maagd en het vee waren weer gezond.
Alemans Barta, was door een jongen Hun, zoon van het opperhoofd, geschaakt. Toen ze bij schemeravond van Ootmarsum kwam. Later zag de knecht van Aleman haar met een kind aan de borst op den aardwal zitten en ze was verheugd, toen ze haar man terug zag, die achtervolgd was, omdat hij - ten onrechte - verdacht werd van 't stelen van ijmen.
Zulke vertelsels dischten weleer de oude "Moorkes" achter 't spinnewiel op en de moeders zongen wiegeliedjes van Hunewieve.

Van Weerselo voert een grintweg naar Oldenzaal met een zijtak naar Hengelo. Op deze heeft men telkens de mooiste vergezichten op Oldenzaal met zijn Plechelmuskerk, fabrieken en blauwe bergen.

Gids voor Twente (1917): Oldenzaal

OLDENZAAL.

Aldensala (oude zaal) werd de plaats in later tijd genoemd, waar ze tevoren Salacheme heette naar den vorstelijken zaalhof der Franken. In 420 werd daar de beroemde Salische wet gegeven, kort voordat koning Pharamond zuidwaarts toog om Gallië te veroveren. Marcellianus en Plechelmus, uit Schotland herwaarts gekomen, predikten er de blijde boodschap, waar in den tijd der Tubanten, hoog op den Tankenberg, de tempel van Tanfana stond, door Germanicus verwoest. Baldewinus van Cleve, de eerste graaf van Twente, vestigde er zijn zetel en omringde het met een gracht en met houten palissaden, want de ridders waren roofgierig en in 't Voltherbroek dreigden de Magyaren uit hun geduchten Hunenborg. Hij stichtte er in 954 de tegenwoordige R. K. kerk, later aan den H. Plechelmus gewijd, wiens reliquieën men er nog in zijn zilveren borstbeeld bewaart. In 1043 zijn schip en kruisarmen in Romaanschen stijl gebouwd; na den grooten brand van 1492, toen de heele stad in asch werd gelegd, is de kerk herbouwd in 1525 en zijn rechter zijbeuk en koor in Gothischen stijl bijgevoegd. De klok, die bij de invallen der Gelderschen (1505 en 1509) was stukgeslagen, werd in 1513 hergoten.

Welk een indrukwekkend gebouw, die grijze Plechelmuskerk! Ze is bijna geheel opgetrokken van Bentheimersteen uit groeven, die nog zijn aan te wijzen. De overlevering verhaalt, dat men tijdens den bouw in 9 jaren geen veulen mocht aanlokken, om ongehinderd steenen te kunnen aanrijden en dat de "vaarweg" naar de groeven zoo onbruikbaar was, dat hij verlegd moest worden.
In de muren der kerk zitten nog kanonskogels uit den Spaanschen tijd, toen het viermaal werd ingenomen (1580, 1597, 1605 en 1626). Na de laatste verovering door Ernst Casimir zijn de sterke vestingwerken geslecht en de groote kerk aan de Protestanten gegeven (tot 1809). Eens had het driedubbele muren met evenveel grachten.

In 1794 hebben de af trekkende Engelschen onder den hertog van York er schandelijk huisgehouden. Ze gebruikten de kerk als lazareth en paardenstal; ze verstookten in dien kouden winter de banken, den preekstoel, wapenschilden en mooie orgeldeuren in hun vuren.

Achter de kerk ligt op een voetstuk van keien een reusachtig zwerfblok, dat in 't begin der 18de eeuw met 40 paarden van den Tankenberg was gehaald, waar het wellicht voor eeuwen als offertafel werd gebruikt. Daarbij is het Stadhuis, 't welk uitziet op het ruime marktplein. In een zijstraatje rechtsaf is de Oudheidkamer in een antiek huis met rococo-gevel en een stal er naast, eertijds van dokter Michgorius. Aan de overzij der straat is nog zoo'n mooie gevel aan het woonhuis der dames Palthe. Geschikter museum dan zoo'n oud patriciërshuis kon men niet licht vinden. Als we de kamers, de keuken, het opkamertje met de oude apotheek, de stal met het slaapkamertje van den knecht al kijkend doorwandelen en uitzien in den groenen tuin; als we hooren vertellen van een knecht, die hier 80 jaren diende en in zijn 90e jaar op zijn stoel stierf, terwijl zijn zoon er nog 40 en zijn kleinzoon nog 10 jaar een hulp was, dan voelen we a.h.w. de geest van den goeden ouden tijd. Veel merkwaardigs is hier te zien: antieke meubels, munten, heel oude boeken, urnen en wapens uit het steenen en bronzen tijdvak, in den omtrek gevonden, alsook een walvischrib uit de voorwereld (gev. 1595), een midwintershoren en de zware houten stoel, waarin de moordenaar Hutten-Klaos was gebonden en waarmee hij vóór zijn terechtstelling soms naar de markt gebracht werd, om door 't publiek gesard en bespot te worden (1776).
In de bestuurskamer ziet men een portret, dat, naar men meent, Mr. J. W. Racer (1736-1816) voorstelt. Hij was eerst advocaat te Ootmarsurn, later gemeensman en burgemeester van Oldenzaal en heeft zich een blijvend gedenkteeken gesticht door zijn historisch standaardwerk Overijselsche gedenkstukken, 8 dln. (1781-1797). Hij was een vurig patriot en vriend van Joh. D. van der Capellen. Bekend is zijn tocht met het Oldenzaalsche vrijkorps, om Hattem en Elburg te hulp te komen tegen prins Willem V. Bij de Rinkelaar, achter Holten, gekomen, vernamen ze, dat de steden gebukt hadden en hulp dus te laat kwam; nadat de officieren daar de schutters op stokvisch onthaald hadden, keerde de troep vroolijk huiswaarts (1786). Bij de tegenomwenteling in 1799 werd Racer, toen Drost van Twente, door Lonneker boeren gevangen genomen en naar 't kamp der Orangisten in Munsterland gevoerd.


Afbeelding: 't Museum in Oldenzaal (rechts)

In de Oudheidkamer is ook een afbeelding van de oude Bisschopspoort, die in 1865 moest geamoveerd worden terwille van de opkomende industrie. Want Oldenzaal is niet alleen de hoofdplaats van kerkelijk Twente, maar ook een fabrieksstad van beteekenis (de vierde in rang) en de namen Gelderman en Palthe hebben hier denzelfden wichtigen klank als elders die der Van Heeks, Storks, Ledeboers. Daar is vooreerst de groote katoenspinnerij en -weverij met 37000 spillen en 2200 getouwen, waar 1500 werklieden op gaan, de fraaiste van dien aard in ons land; in 1910 voerde ze voor meer dan f 4 m.ll. uit naar Indië. Verder de Koninkl. Oldenz. Stoomweverij van katoenen, halflinnen en linnen stoffen (210 w.l.); 3 fabrieken van poetskatoen; 1 handweverij van stoffen uit linnen- en jutegarens; 1 stoomhoutzagerij en 1 stoomsteenbakkerij.

Oldenzaals omstreken zijn vruchtbaar en waren van ouds bekend om hun "boeskool" (kabuiskool). We zijn hier op het zuidelijk hoogterras met oudere kern (tertiair) dat ten Z.O. van Enschede begint en zich over den Lonnekerberg (60 M.) en den Tankenberg voortzet tot halverwege Denekamp. Het kanaal Almelo-Nordhorn is gegraven door de laagte, die dit hoogterras van het noordelijke (Ootmarsum tot Wilsum in Duitschland) scheidt. Ook hier weer de vruchtbare esschen van den Twentschen korenbouw en de steenbakkerijen van tertiaire leem, zoowel aan den straatweg Oldenzaal-Denekamp als ten
Zuiden onder Lonneker.

Gaat men den kunstweg naar Denekamp, dan komt men in een 10 minuten op het hoogste punt - de Bult - waar men Twente, van Hengelo af tot Vasse's korenesch toe als een kleurige schilderij ziet uitgestrekt tot den wazigen horizon; de straatweg daalt af in een vallei, waar rechts twee steenbakkerijen liggen, en klimt weer op tegen een heuvelrug, boven welken Denekamp's toren verschijnt; zoo zijn er nog een paar lagere ruggen, alle als de plooien van een kleed evenwijdig en ieder volgende wat lager. We zouden willen weten welke reuzenhand dat kleed zoo geplooid heeft voor God weet hoeveel millioenen jaren. Rechts van ons is de Tankenberg en daar gaan we de beroemde Lutte in.

dinsdag 16 april 2013

Gids voor Twente (1917): Denekamp

DENEKAMP.

Als ik den naam Denekamp hoor, denk ik allereerst aan den onderwijzer J. B. Bernink en zijn museum “Natura docet". Het is er wel een aardig dorp, zonder geraas en smook van Fabrieken; er is alleen wat klompenmakerij. Bezienswaardig is de groote R. K. kruiskerk met haar schoonen koepel. Ze dateert van pl.m. 1450 en is voor een groot deel opgetrokken van Bentheimer steen. In den toren hangen drie zware klokken (van 1436, 1515 en 1536), die harmonisch samenklinkend een aardige melodie spelen.


Afbeelding: Denekamp. In de bosschen van 't Singraven

Maar meester Bernink is toch het merkwaardigst. Hij is daar geboren en getogen en hij mag zeggen met den Psalmist: "De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen." Het is een mooi, oorspronkelijk land daar aan de boorden van de Dinkel. En God had hem oogen gegeven om dat te zien en een hart, om de natuur lief te hebben. Hij heeft zijn "heimath" zoo intens bestudeerd, dat er geen bloempje bloeit, geen vogel vliegt, geen vlinder fladdert, die hij niet kent, geen steen in de heide ligt, waarvan hij niet naam en herkomst weet. Hij heeft de oogen der schooljeugd geopend voor al het schoone in eigen streek. Door reine natuurliefde gedreven, verzamelde hij planten, vogels, nesten, eieren, insekten, gesteenten en legde zoo den grondslag voor zijn natuurhistorisch museum, dat in een aardig gebouw aan zijn woning in de Brinkstraat is gehuisvest. De aanvang en de kern is zuiver Twentsch, maar door giften is het met buitenlandsche collecties verrijkt. Zoo goed als alle vogels uit Twente, ja uit ons heele land, staan er opgezet; nestjes en eieren worden in laden bewaard. Mooie voorbeelden van mimicry bij inlandsche insekten ziet men er. Wij bewonderen de kleurenpracht der tropische vlinders, de kleurige schelpen en wondervormige koralen, de glanzende bonte gesteenten en gevoelen het zoo: God, wat is uw natuur rijk en schoon! Interessant zijn de versteeningen in de laden der geologische kast naar de formaties verdeeld; de voorwerpen uit de volkenkunde van 0. Indië e.a. Professoren en studenten komen hierheen en vinden de zeldzaamste exemplaren op elk gebied.
In zijn dichterlijk boekje "Ons Dinkelland" (uitg. 1916), vertelt Bernink ons van al wat er in de natuur zijner omgeving merkwaardig is. Bij onze omzwervingen in dat land zullen we telkens naar hem luisteren. Eerst naar 't kasteel Singraven aan de Dinkel, mooi gelegen met het uitzicht in een breede laan en ver weg over bouwkampen door bosschen omgeven, met ruime weivlakten achter en terzij, alweer door bosschen omlijst. Een aardig plekje is de watermolen, waar men ook boomen zaagt. In een oud bosch daarachter bloeien in April de Geelster en het Muskuskruid, later de zeer zeldzame Rapunzel. Van 't vroegere slot is alleen de oude toren nog gespaard. In 1788 kwam de havezathe door koop aan een markies de Thouars (overleden 1829). Zijn kleinzoon George (1807-1850), eerst page bij koning Willem I, later luitenant der infanterie, was een dichter van gezwollen tijdzangen en ook van aardige stukjes in plat Twentsch, o.a. “Breef van Swooflings Hinte oet Amsterdam an zien volk in de Lutte bi Oldenzel” (1840), Hinte had het heimwee. Ze klaagt:

"Jongs … dak mien lutke kiezeman (kalfje)
Nou 's maargens nig meer wettren kan,
Dat meuijt mi nog het meeste,

O Jees, 0 Jees, was 'k weer in hoes
Weer bi mien seege en lämmeken,
Weer bi mien keugies en mien vlas,
Weer bi mien pielkes veur ons glas,
Weer bi mien schaddenvlämken."

Zijn loszinnig gedrag gaf veel aanstoot. Wegens beleedigende stukken in de "Zierikzeesche Nieuwsbode", door gekrenkt rechtsgevoel ingegeven, werd hij in Oct. 1846, ziek zijnde, van Heemse bij Hardenberg, in bar winterweer gevankelijk naar Deventer gevoerd en verder van 't eene gevangeniskrot naar ’t andere. Veroordeeld wegens laster tot kerkerstraf en boete, ontweek hij in 't Bentheimsche. Men had hem in Juli 1850 te Ane aan den weg zien zitten, in lompen gehuld en knabbelend op een stuk gebedeld brood, en een paar weken later stierf hij op een ellendig leger in de vervallen boerenstulp van een bejaarde weduwe in 't Hannoversche, de naneef van een hertog de Petit de Thouars en van den edelen Coligny.


Afbeelding: Denekamp. Boerderij 't Singraven


Afbeelding: Aan den weg naar Denekamp

Op den weg van 't dorp naar Singraven passeert men de laan naar Bögelskamp; het kasteel is weg, maar 't mooie geboomte is er nog. Tusschen Bögelskamp en Singraven is een moeras, van een beekje en diepe slooten doorsneden, een waar natuurmonument. Daar is een "Carex-landje" met tal van Zegge-soorten; riet, lischdodden, kreupelhout vormen er a.h.w. een tropisch woud, waar waterhoentjes, ijsvogeltjes, karekieten, zelfs de dodaars huizen, en zeldzame vlinders en eendagsvliegen zweven.

Verder, langs heerlijke Dinkelbochten, strekt zich het Borchbosch uit, waar eenmaal de Borchbeuningen stond, een slot van ‘t geslacht Twickelo, waarvan niets over is dan een gracht en de naam eener boerderij. Diep in dat mooie bosch is een hoekje, dat wel een oerwoud lijkt, waar in plechtige stilte en schemerdonker in 't najaar zich de Doodstrompetten (zeldzame paddestoelen) vertoonen.
Links van den straatweg naar Oldenzaal, nabij de halte Beuningen en den "Heimolen" is het Sterrebosch met twee vijvers en paden, die als een achtpuntige ster uiteenloopen. Bij een ouden Dinkelarm is daar een oorspronkelijk plekje, waar het Stofzaad, een weinig voorkomende parasiet, en zeldzame paddestoelen groeien. Hierbij is de uitspanning Dinkeloord. Daar huren wij een bootje en roeien stroomop tusschen weelderig begroeide oevers, langs het donkere Sterrenbosch en hooger op, waar iedere bocht een schilderij is, nu eens met slanke popels, dan met groepen van hooge dennen, straks een eik, die zich over den spiegel neigt, een grauwverweerde brug, een oud huisje op den kant. Achter de Beuningerbrug is aan den (N.) oever een wild boschland met grillige dennen en groepjes elzen, enz. 't Is een weelde zoo over 't rivierke te glijden, vooral op een zoelen Meiavond, als de nachtegaal zingt van lente en liefde of op een nazomeravond, als de volle maan gluurt door de donkere boomkruinen en glansen toovert op het stille water, met de liefste alleen, zacht zingend het lied: “Fischerin, du kleine, fahre nicht alleine", en zoo afdrijvend naar de eilanden der gelukzaligen.


Afbeelding: Bij Denekamp


Afbeelding: Aan den weg bij Denekamp

Die Dinkel was de levende ader van dit land. Daarlangs bouwden de ridders hun sloten. Boven Singraven lag nog 't Harseveld, het laatst bewoond door een markiezin de Thouars en pl.m. 1850 afgebroken. Nog verder in Tilligte, waar nu de hofstede Borgreve ligt, stond weleer de burcht der heeren van Reve. Herman van Reve, Gerh. van Saterslo c.a. geburen-roofridders, ondernamen in 1320 een rooftocht naar 't Convent in Assen. In deze buurt vleit nu de Dinkel met een merkwaardigen duiker, meesterstuk van waterbouwkunde, onder 't kanaal naar Nordhom heen (sinds 1903). Over dat kanaal, ten N. van D., is het zusterklooster, 't St. NicoIaasgesticht, een R. K. Opvoedingsgesticht voor meisjes; er is een park bij met zeldzame boomen. Voor 1860 stond hier 't kasteel Noord-Deurningen of 't Gravenhuis. Sinds 1875 is er een klooster.

Reeds een 100.000 jaar, vertelt Bernink, heeft de Dinkel zoo noordwaarts geloopen naar de Vecht. Tevoren lagen hier gletschers, die over de Bentheimsche heuvelen glijdend de zandsteenblokken afslepen of er evenwijdige krassen op teekenden. Verder naar 't W. schoven ze een ouden strandwal uiteen, zoodat de fosforietknollen en haaientanden, die hij verborg, nu tusschen den Austieberg en Rossum en ook bij Ootmarsum zijn te vinden.
Die Austieberg ligt een 3 kwartier ten Z. van het dorp en heeft mooie vergezichten. Twee boerderijen aan zijn voet (Epman en Austie) hebben een waterleiding, gevoed door twee bronnen. Op een ongerept plekje aan de Z. W. helling bloeit de merkwaardige Geelster, een relict of nagebleven plant uit den ijstijd. Van hier loopt het wandelpad over den Hakenberg naar den Tankenberg.


Afbeelding: De Dinkel bij Denekamp


Afbeelding: Brug over de Dinkel

Ten O. van Denekamp begint de uitgestrekte heide, die ver over de grenzen gaat. Hier en daar zijn laagten met poelen, zooals het Hornven achter 't mooie gehucht Berchem, plassen met riet of biezen langs de boorden, diepe slooten met hout er langs en gagelveldjes. Daar staat de reiger te visschen; daar klinken in 't voorjaar de stemmen van kievit, wulp en bokje (watersnip); daar vechten de kemphaantjes vol minnenijd; daar zingt aan den rietzoom van een heipoel in de grauwe morgenvroegte het zeldzame Blauwborstje; en bij de "Hilgenhorst", een hoogte waar eens een kluizenaar in vrome gepeinzen zijn dagen sleet, bloeit om Drievuldigheids-Zondag de Zevenster, een nablijver van de toendra-flora uit den ijstijd. Over een golvenden esch met holle wegen, waar de roode boekweit in hokken staat, dalen we neer in het dal der schilderachtige buurt Mekkelhorst, waar wijlen W. Oppenoorth schoone tafereeltjes penseelde. Bordjes wijzen ons verder den weg naar 't Lutterzand. Rechts is een onafzienbare heivlakte, waar de struikheide geurt en fleurt; heel ver weg blauwt de Isterberg en als een nevelbeeld rijst Bentheims slot met zijn torens op, zooals de ridders der tafelronde den Graalburcht zagen. Daar rechts stroomt de Dinkel door een boschrijke vlakte met wilde weiden; de “wagenweg" brengt ons rechtsaf bij de oude hofstede Lutke-Beverborg, waar lang geleden het slot Beverborg stond. Daar woonde voor eeuwen de dolle ridder, Johan Bever, die zich kleedde in half wit, half groen. Maar zijn tweede vrouw, Geertruida van Bevervoorde van 't Weemselo, had zooveel invloed op hem, dat hij ook het eeuwige verkoos boven pronk en spel en beiden met volmaakte overeenstemming rust zochten in de stilte van het klooster, hij in Frenswegen en zij in Diepenveen. Dat oude doorbalkte spieker heeft wellicht bij het slot gestaan.


Afbeelding: Het Lutterzand


Afbeelding: Bij 't Lutterzand

We naderen het Zand. Links over de hei zien we onder een groep heel hooge eiken en dennen een huisje met een donkeren ingang, juist een sprookjesillustratie van Doré.
Het Lutterzand is een heerlijk duinlandschap met dennen en dammen op de zandruggen, waarin Reintje zijn onderaardschen roofburcht heeft, en daartusschen droomen intieme dalkommen. Het wegje, met paarse heide omzoomd, kronkelt door de heuvels naar een witte vlakte, waar de wind de wagensporen spoedig uitwischt, met dennenheuvels rondom en komt aan de “Groene Staart", een wei vol biezen en distels, een schiereiland, waar de Dinkel omheen kronkelt. In 't rond rijzen de witte heuvels; tegen de steilte van een afgeknabbelden oever ziet men de holen der oeverzwaluwen, het blauw-grijs van oude heibodems en op den top een den met blootgestoven wortels als een tropische rhizophoor.

Daar zijn nog enkele losse huizen onder Denekamp, men ziet nog oude vrouwtjes met de typische zwarte kap. 't Is een mooi en antiek land, een land vol poëzie.

Gids voor Twente (1917): Ootmarsum

OOTMARSUM.

In mijn jeugd, toen ik Ootmarsum nog niet kende, had dit afgelegen landstadje voor mij iets geheimzinnig bekoorlijks. Ter Haar's gedicht “Een landschap bij ondergaande zon, avondwandeling in de omstreken van Ootmarsum" had mij geschilderd, hoe mooi het daar was. Hoeveel aardige zeden uit goeden ouden tijd zouden daar niet bewaard zijn, waar de oude Moederkerk met haar schoone plechtigheden en symbolen, met haar jaarkrans van heiligendagen, een waas van poëzie uitspreidt over het leven. Geschiedenis en sage zouden er fluisteren van vervlogen eeuwen en grauwen voortijd. Op gevorderden leeftijd, toen ik mijn sprookjesoogen had verloren, zag ik Ootmarsurn voor de eerste maal, maar de poëzie, die over stad en landouw gezweefd hadden, is niet verdwenen.

Nijverheid en landbouw zijn de bronnen van bestaan. Aan den weg naar Denekamp bij de stad is de Twentsche damast-, linnen- en katoenweverij; dan zijn er nog bleekerij, 3 sigarenfabrieken, een zuivelfabriek, een cichoreifabriek en een steenbakkerij.
Op de Markt staat het Stad huis (uit de 18de eeuw). Het bevat een waardevol archief, een paar zilveren bekers (1670), een drinkhoorn (1663) en een portret op doek van Odemarus, Koning der Franken, die hier Anno 126 zou overleden zijn. Dichtbij vinden we nog een paar oude gevels van baksteen met zandsteenversiering uit de 17e en 18e eeuw. Een oud huis van 1573 heeft op een balk boven den ingang de Latijnsche spreuk als huiszegen : “Si Deus pro nobis quis contra nos."


Afbeelding: R.-Kath. Kerk te Ootmarsum

Merkwaardig is de zeer oude R. K. kerk, waarvan 't Romaansche schip al uit de 12e eeuw moet heugen, terwijl het Gothische koor uit het begin der 15e eeuw is; de Sacristie is geheel van Bentheimer steen. Zoowel in- als uitwendig is dit bedehuis rijk versierd. Mooi is het Zuiderportaal. Een kogel in den kerkmuur verhaalt van Maurits beleg in 1592. Nog eens is deze vesting op de Spanjaarden veroverd in 1597. Het plein om de kerk is mooi belommerd. Een beetje naar achter aan de Ganzenmarkt staat de Herv. kerk (van 1810), waarin een mooien preekstoel met koperen lezenaar is uit de 17e eeuw. De overlevering verhaalt, hoe ijverig de Roomschgezinden baden, toen in 1809 het besluit der teruggave van de groote kerk zou vallen, hoe de menschen buiten de stad van afstand tot afstand in de boomen zaten, om elkaar als met zwaluwvlucht de tijding toe te roepen.


Afbeelding: Bergput en Herv. Kerk te Ootmarsum


Afbeelding: Bergput in Ootmarsum

Bij de Herv. kerk ligt ook de pastorie met haar mooien tuin vol vruchtboomen en sierheesters, omgeven door een muur. 't Is een lief intiem hoekje. Daar achter in een oud buurtje zie je een der "bergputten", op een der hoogste punten, met wip en zwengel, schier een Middeleeuwsche verschijning. Schilderachtig is het langs het paadje, dat achterom de stad loopt, met het uitzicht in antieke achterbuurtjes met hellende stralen, op den gezelligen rommel achter oude huizen en naar buiten over de hoven neer in groene beemden.
In de R. Kath. pastorie bewaart men een verguld zilveren monstrans, die in 1404 door Bernard van Bentheim werd geschonken aan het klooster Frenswegen.


Afbeelding: Aan den Achterwal in Ootmarsum


Afbeelding: Deftig burgerhuis aan den Achterwal in Ootmarsum

Aan den westkant van Ootmarsum verheffen zich de heuvels. Hier begint een hoogterras met oudere kern, dat zich N. waarts tot bij Wilsum in 't Duitsche land uitstrekt; over de grenzen is het meest met heide bedekt, in ons land is het vruchtbaar, houtrijk en goed bevolkt. Een dunne laag diluvium (grint en zand) overdekt hier een kern van tertiaire
vormingen, n.l. grijze leem, die bezonken moet zijn uit zeewater, immers men vond daarin zeeschelpen, haaientanden en beenderen van walvischachtige dieren. Op dien bodem verbouwt men prachtige rogge; ook aardappelen, boonen en tarwe tieren er welig. 't Is het land van den Twentschen roggebouw. De omstreken van Ootmarsum zijn van ouds om hun uien bekend, zooals die van Oldenzaal om hun sluitkool; de bewoners van beide plaatsen schelden elkaar als "siepels" en "boeskool". Aan den voet der leemrijke bergen ontspringen bronnen, waar de najaden een beekje doen vloeien, dat vroolijk naar beneden dartelt en spelend het rad van een watermolen draait.

Ten W. van het stadje klimt de weg naar Almelo tegen de bergen op. De eerste is de Kuiperberg met het hoogste punt terzij van den weg bij het Israëlitisch kerkhof, dat omgeven is door wilde eiken; voor ziet men de staande zerken met de Hebreeuwsche karakters in het lommer der boomen, achter is 't een varenwildernis. 't Is een prachtig panorama; beneden in het dal ligt Ootmarsum tusschen twee windmolens uitgebreid; verder donkergroene bosschen, lichtgroene weiden, gele korenesschen en daarachter in wazig blauw de Duitsche bergen, de fabrieksschoorsteenen van Nordhorn (op een eilandje in de Vecht) met de blauwe hemel en de kleurige wolken daarboven; ver naar 't O. “in 't zeegroen van de kimmen, waar de maan reeds op gaat klimmen, heft zich Bentheims rots omhoog." (ter Haar).


Afbeelding: Uitspanning 'Het Tichelwerk' bij Ootmarsum

Aan den voet, over den weg, is de uitspanning het Tichelwerk, nu geen steenbakkerij meer. Steenbakkerijen, van de tertiaire leem, komen in deze streken nog al voor.
Achter den Kuiperberg (naar 't W.) is de Heezeberg met een mooi vergezicht over heel Twente. Zuidwaarts rijst uit de korenvelden de Zonneberg op, naar men meent in den grauwen voortijd een heidensche offerplaats. Naar 't N. W. ziet men den Roezeberg, met dennen begroeid.
Naar dien kant, aan den zandweg naar Tubbergen, vindt men in 't Oppersveld nog een Romeinsche legerplaats, de Schans genoemd, waar een metalen lansspits en een penning van Keizer Posthumus zijn gevonden. Uit nog ouder tijd zijn de grafheuvels en de keienvloer (of gewelf?) hier kort geleden ontdekt.

Aan den weg naar Vasse is de Hazelbekke, een oude hofstede met grijzen watermolen, waar een helder beekje koren maalt, schilderachtig tusschen zware eiken, als op Ruysdaels tafereelen.
Door Nutter, over bergen met mooie vergezichten en door vriendelijke dalen, komt men in Hezinghe bij een cichoreifabriek, gedreven door een beekje, dat de turbine doet draaien. In 't heuvelige Springendaalsche veld, aan den voet der Hezingher bergen zijn de bronnen van een beekje, dat afvloeit naar de stoomwasscherij "het Springendal" met zijn blanken vijver, waarin karpers en goudwinden spelen. Iets links van den Uelzer zandweg, nabij de rijksgrens, ligt tusschen hooge kastanjes en acacia's de ruïne van een jachtslot, de Ark.

Merkwaardig is de buurtschap Brekkelenkamp met zijn grootendeels Protestantsche bevolking, die naar Ootmarsum ter kerk gaat. Een binnenpad met vondertjes over de lage wei vlakte aan de Dinkel is de kortste weg. In dezen uithoek met zijn half-Duitsch dialect, zijn oorspronkelijke kleederdracht, zijn mooie hofsteden in afwisselend landschap, zijn oude zeden en gebruiken tot in onzen tijd bewaard: het spinnen en weven, het bakken in eigen oven, de nieuwjaarskoeken, enz. Onbewoond ligt daar het oude vervallen kasteel, omringd door grachten vol riet; in het bosch zijn twee grafsteden van den heer Zegers en zijn echtgenoote, die hier in 't begin der 19e eeuw woonden. 't Is als een sprookjesslot in een buurt uit vroeger eeuwen. En over de grenzen! Als een sprookje is ook de ruïne van het slot Lage in een kleed van klimop met het aardige kerkje daarbij; ook het oude klooster Frenswegen bij Nordhorn aan den oever der Vecht.
Daar is veel poëzie in dit vergeten landstadje en zijn omgeving. Hier klinkt nog van den eersten Advent tot Kerstavond de Midwintershoren over de schemerige velden. Hier leven nog de oude verhalen, die pastoor Geerdink uit den volksmond heeft opgeteekend, b.v. van dien boerenzoon uit Tilligte, die als bloemist-boomkweeker te Haarlem werkzaam, door Czaar Peter werd meegenomen naar Rusland. Hoe zijn oudere broer, bezorgd dat hij in 't vreemde land het Roomsche geloof zou verliezen, met een schoolkameraad heel naar Moskou toog. En zoo meer.
In Ootmarsum is nog het "vleugelen" op Paschen in zwang; onder het zingen van kerkelijke liederen trekken de burgers hand aan hand van de Paaschwei, soms in lange rij door een huis of om de middeldeur. En in den Oudejaarsnacht om 12 uur gaan ze weer in optocht door de straten met den nachtwacht aan de spits, samen een berijmden heilwensch zingend.



Afbeeldingen boven en onder: Aan den Achterwal in Ootmarsum



Ten Z.O. der stad lag eens het Huis te Ootmarsum , een commandary der Duitsche Orde, gesticht in 1290. Het moet hier eenmaal mooi zijn geweest met standbeelden, springbronnen en fonteinen; in het bosch was een wildbaan in de dagen, toen graaf Sigismund van Heyden-Hompesch, de laatste Drost van Twente, hier resideerde. Hij wordt beschreven als een onderdrukker der Katholieken, een ware Antiochus. Hij zou een pater uit Vreden naakt aan een boom bij de wildbaan hebben laten binden. Twee maagden uit Borne, Anna en Geertruida Hesselink, waren in 't Munstersche ontweken om Katholiek te worden. De Drost liet ze oplichten en in den kerker op 't kasteel Ootmarsum opsluiten. In den Nieuwjaarsnacht van 1777 ontvluchtten ze over 't ijs der gracht. De graaf dreigde het kerkhuis in Ootmarsurn te sluiten, als ze niet terugkeerden en hij deed dit ook. Nu togen de Roomschen 3 uur ver, soms tot aan de knieën door de sneeuw wadend, naar Neuenhaus ter kerk. Eindelijk, op Zaterdag vóór Paschen, werd van hoogerhand ontsluiting van 't kerkhuis gelast.
Toen de familie met graaf Sigismund uitstierf en het huis werd verkocht en gesloopt (1811-’12) zagen velen daarin de straf des Hemels en de vervulling eener profetie, dat van het kasteel geen steen op den anderen zou blijven.
Ds. Jac. van Loo, die van 1777-1797 predikant was in Ootmarsum, vertelt in zijn merkwaardig Dagboek ook van zijn bezoeken op het Huis en naast veel uit zijn inwendig en huiselijk leven, van den last der inkwartiering van Hannoveranen en Franschen.
Ook Ds. P. van de Haar uit Denekamp heeft aanteekeningen over dien tijd: De Hannoveranen deden geen kwaad; de Engelschen hadden de kerk tot een hospitaal gemaakt en de banken op 't kerkhof verbrand; de Fransche huzaren, die wekenlang bleven, waren een bandelooze troep.
Het is zeer te betreuren, dat dit plaatsje met zijn prachtige omgeving nog steeds verstoken is van een hedendaagsch communicatiemiddel. Te hopen is het, dat de ontworpen trambaan Denekamp – Ootmarsum – Tubbergen - Almelo weldra tot stand komt, waardoor de bekoorlijkheden van deze streek voor een ieder te bereiken zullen zijn.