dinsdag 15 december 2009

Gids van Enschede en Omgeving - De omgeving: Broekheurne, Usselo, Boekelo, Beckum


Wandelkaart 1889 - klik erop voor vergroting.

Verlaten wij nu deze in vele opzichten merkwaardige en aan sagen rijke veenstreek en richten wij ons naar het zuidwesten dan komen wij in het minst bekende gedeelte der gemeente Lonneker, in de boer- of buurtschap Broekheurne, waarin wij verscheidene schoone, houtrijke boeren-erven aantreffen. Rechts van den weg, even voor het aan de overzijde gelegen schoone erve Stroink, dat vroeger aan de stad Enschede behoorde en na den brand van 20 Mei 1750 verkocht werd, ligt een klein erve, dat den zonderlingen naam de Posse draagt. In het begin van de vorige eeuw had hier het voorspannen of het verwisselen plaats van de paarden van den postwagen op Vreden, waartoe steeds twee paarden op dit erve moesten beschikbaar zijn. [Ook het plaatsje Postjan in Twekkelo aan den postweg over Bekkum naar Goor dankt aan dezelfde omstandigheid zijn naam]. Tien minuten westelijk van hier vindt men een zeer primitieve tichelarij. Acht minuten zuidelijk van het erve Stroink ligt het Hof te Koesveld; of dit, zooals zijn naam schijnt aan te duiden, geschiedkundig merkwaardig is, kunnen wij niet uitmaken. Wat historische bijzonderheden aangaat is Broekheurne al zeer misdeeld; men zou zelfs met geen mogelijkheid de grenzen van deze buurtschap kunnen aan¬wijzen. Men spreekt zelfs thans nog wel eens van Esch-Broekheurne, dat tot de Eschmarke en met deze tot omstreeks het jaar 1815 tot de stad Enschede, en van Usseler-Broekheurne, dat tot de Marke Usselo behoorde, en alleen tusschen deze marken was de grens scherp afgebakend.
Eén merkwaardig punt, dat aan vroegere tijden herinnert, kunnen we in deze buurtschap aanwijzen en wel het erve Wüstink, eene boerenwoning, die op ongeveer een kwartier uur gaans ten zuiden van de school is gelegen. De van klei opgetrokken muren, looden ruitjes en het eigenaardig inwendig voorkomen van dit huis leeren ons hoe het meerendeel der kleinere boerenwoningen in vorige eeuwen was ingericht.
Aan de beschouwing van dit eeuwen-oude erve knoopen wij de volgende opmerking vast:
1. alle boerenhuizen in deze streken liggen met ‘de niendeur’ naar den weg gekeerd; speciaal in Broekheurne heeft men daarbij getracht den voorgevel naar het zuiden te plaatsen;
2. bij bijna alle oude en zeer vele nieuwe boerenwoningen vindt men - op den deurpost van de niendeur het teeken g (een zandlooper?) geschilderd, zelfs dan wanneer de deur overigens niet geverfd is. Op de vraag, door ons dikwijls gesteld, waarom zulks geschiedde, ontvingen wij nimmer een voldoend antwoord.

Keeren wij nu tot onze algemeene beschrijving terug. Slechts weinige minuten noordelijk van het Wüstink ligt het schoone erve Brünink, bekend door zijn fraai hout. Gewoonlijk neemt men van hier zijn weg naar de buurtschap Usselo over het fraaie buitengoed den Helmer met zijn sierlijken koepel, van waar men een goed onderhouden kolengruisweg heeft naar den Haaksbergschen Mac-Adam weg, die in 1855 werd aangelegd en Usselo in twee deelen ver¬deeld, waarvan het noordelijke de Geerdinkzijde, het zuidelijke naar bovengenoemd buiten de Helmer- of de Helmigzijde heet.

Usselo (voorheen Oslo) komt reeds vroeg voor; o.a. vindt men in 1188 het huis Lambertink in Oslo en eenige jaren later het erve Joostink in Oslo vermeld. Het eerste is het tegenwoordige erve Lammerink in Usselo; het laatste is waarschijnlijk het tegenwoordige erve Josink aan den weg naar Twekkelo.
Usselo kan gerust met de overige buurtschappen van Lonneker in natuurschoon wedijveren. Komt men van Enschede uit over den Haaksbergschen kunstweg op den hoogen Usseler Esch, dan wordt men verrast door de schoone vergezichten, die men naar alle zijden heeft. Achter zich op het buiten 't Mors, welks aardig landhuisje lief afsteekt tegen het groen van de er achter staande zware eikeboomen, links en rechts over prachtige, bebouwde akkers op houtrijke boerenerven, en schuin voor zich op de eigenlijke kom van de buurtschap, met haar (in 1844 gebouwd) kerkje, pastorie en boerenwoningen, wier daken duidelijk tusschen de eike- en donkere sparreboomen uitkomen. Zet men zijn weg voor, dan heeft men in weinige minuten de kom bereikt, waar men in de twee herbergen, Egbrink en Hannink, gelegenheid vindt om uit te rusten. Bij Hannink is een telefoonstation, zoodat men daar met de stad kan telefoneeren. De wandeling van hier naar de halte Usselo, hetzij men zijn weg neemt over den Esch, langs den Vlierbosch, hetzij men tusschen de boerenerven door langs den Esch gaat, is zeer aan te bevelen. Bij genoemden Vlierbosch, die een honderd meter van den Mac-Adam weg op de samenkomst van drie Eschwegen ligt, had Prins Maurits in 1597 zijn hoofdkwartier opgeslagen, toen hij Enschede liet opeischen. Zijne legertenten strekten zich toen uit tot voorbij het erve Josink.
Van het Usseler kerkje loopt eene nog jeugdige dennenlaan naar de nieuwe stille begraafplaats met haar net hek. Vervolgt men van hier zijn weg langs de heg van het kerkhof, dan komt men over een kerkpad in 10 minuten aan het Teesinksbosch in Boekelo. Zoowel de fraaie houtpartijen als de vele liefelijke plekjes, die men er vooral langs de sterk kronkelende Veldbeek aantreft, maken dit bosch tot een der schoonste van geheel Lonneker, en hoewel het ook van uit het station Boekelo over een goeden weg (langs de school) in een paar minuten is te bereiken, wordt het door wandelaars te weinig bezocht.

Genoemd station is thans het centrum van verkeer van de buurtschap Boekelo geworden. Schuin tegenover hetzelve ziet men de in 1888 gebouwde stoombleekerij van de Heeren van Heek en Co met haar fraaien gevel, die voor de bewo¬ners dezer buurt een nieuw middel van bestaan heeft geopend. Dicht bij deze fabriek heeft men eene vloeiweide van den Heer G. J. van Heek. Wie echter de inrichting der vloeiweiden wil bestudeeren, ga liever voorbij de uitspanning de Kwinkeler, over verschillende meestal met boomen beplante wegen naar diens, een half uur noordelijker gelegen ruim 31 HA groote vloeiweiden, die tusschen de Rutbeek en de Twekkeler beek liggen en bijna onmiddellijk aan het Hof te Boekelo grenzen.
In de geschiedenis van Overijsel en in 't bijzonder in die van Twente treft men zeer vaak den naam Boekelo aan. De Heeren ‘tot Boekelo’ woonden op genoemd Hof. In de 16e eeuw was het eene bezitting van de Heeren Ripperda van Hengelo een aloud adellijk geslacht uit de Groninger Ommelanden afkomstig. Unica Ripperda, die in 1598 drost van Haaksbergen en van 1612-1623 drost van Twente was, was Heer tot Boeculoo en Hengelo. Zijn zoon Willem van Ripperda was een der gevolmachtigden bij de vredesonder¬handelingen te Munster van 1644-1648, die den 30 Januari 1648 met den vrede eindigden, waarbij Nederland als loon voor zijn tachtigjarigen worstelstrijd met Spanje door Europa als onafhankelijk gemeenebest werd erkend.
Later kwam het Hof te Boekelo in bezit van de familie van Mahony; een lid dezer familie sneuvelde in den slag van Malplaquet (in 1709) en volgens de overlevering zouden zijne beide windhonden, die hem in den krijg verzeld hadden, na zijn dood naar Boekelo zijn teruggeloopen. Van 1722-1750 was Generaal-luitenant C.J. Baron de Mahony tot Boekelo, als Goedsheer, lid van den Kerkeraad te Enschede; door erfenis werd deze ook eigenaar van de havezathe Hachmeule onder Delden. Ook vinden wij van 1750-1769 J.A. van Mahony tot Boekelo en Hengelo als lid van genoemden Kerkeraad vermeld.
In 1817 stond het Huis te Boekelo nog. Het was een ruim gebouw, met grachten omgeven, met een voorplein en twee ronde torens. Van binnen kwamen de vertrekken uit op eene groote vestibule. Eene prachtige eikenlaan en een groote vijver wijzen nog de plaats aan der vroegere havezathe, die onder het rechtsgebied (dingspil) van Enschede behoorde.

Een klein half uur ten zuidwesten van het Hof te Boekelo stond vroeger het adellijk kasteel te Bekkum, op de plaats waar thans het met hooge eikeboomen omgeven boerenerf Altena ligt. Van den bouw en van de slooping van het kas¬teel valt niets met zekerheid te zeggen; wat de bewoners betreft, vonden wij vermeld, dat in 1544 Maria van Beckum, de zuster, en Ursela van Werdum, de echtgenoote van Jan van Beckum, gevangen werden genomen, in een (nog aanwezigen) kelder van het kasteel Twickel werden opgesloten en daarna even buiten Delden , aan den straatweg naar Goor den 13 November om den geloove (zij waren doopsgezind) werden verbrand. In het volksliedje, dat in die dagen veel werd gezongen, heet het:

De jongste is eerst genomen,
Juffrouw Mary, na mijn verstant ,
Om hare suster te ontvromen
Hebben zij haer eerst verbrant.

De ander vraagden sij met practijken,
Ursel was sij genaemt,
Oft sij niet woude afwijcken,
Haar suster was gebrant, geblaemt.

Waarop Ursela antwoordde:

Soudt ghij mij van de waerheyt drijven
Om desen tijtlijcken doot
Neen bij Christum wil ick vroom blijven,
Mijn hulper in al der noot.

De omstandigheid dat de Drost van Twente, Gosen van Raesfelt van Rutenberg onder Dalfsen, schoonzoon van Jan de Rijke, Heer van Twikkel, de naaste bloedverwant en erfgenaam van de beide zusters was, geeft aanleiding tot het vermoeden, dat hier meer de hebzucht van den bloedverwant dan de geloofsijver van den Drost in 't spel was.

Gids van Enschede en omgeving - De omgeving: Oele, Twekkelo, Driene, Hof te Espelo, Eschmarke


Wandelkaart 1889 - klik erop voor vergroting.

Meer bekend en meer bezocht dan de buurtschap Bekkum is de ook tot de Gemeente Hengelo behoorende boer- of buurtschap Oele (spreek uit öle), vroeger Hulero later Udelo geheeten, die in een half uur van het Hof te Boekelo uit langs een slechts tweemaal krommenden weg is te bereiken. Links van dezen weg strekken zich naar den kant van Bekkum groote heidevelden (Sluitersveld) uit, rechts echter groeit veel hout langs de kronkelende, vrij breede, Rutbeek , die (dicht bij de herberg Zevenster) langs eene natuurbleekerij loopt en ook de bekende Oeler Watermolen in beweging brengt. Vlak bij deze veel bezochte plek lag vroeger de have¬zathe Oldemeulen (= Oudemolen) die onder het rechterambt van Delden behoorde en door eene prachtige eikenlaan met het Hof te Boekelo was verbonden. Deze havezathe was in 1571 in bezit van de Heeren van Bevervoerde; in 1636 behoorde zij aan Jan Casper van Renesse, terwijl in 1660 Nicolaas van Bevervoerde en in 1674 Joost Christoffel van Bevervoerde , drost van Haaksbergen, (overleden in 1701), heer van Oldemeulen was. De naam van dezen laatste met dien van zijne vrouw Judit Margareta van Coevorden en het jaartal 1690 komen op den hierin afgebeelden steen voor, die in den muur van bovengenoemden watermolen is ingemetseld. Door huwelijk hunner dochter met Otto Georg van Munchausen kwam het in het geslacht van dezen: in 1722 was H. J. van Munkhuisen, in 1727 G. van Munkhuisen, als Goedsheer, lid van den kerkeraad te Enschede, in 1746 wordt George Jacob van Munkhuisen en in 1774 Johan Christoffel Willem Unico van Munkhuisen als eigenaar genoemd. Het huis werd in 1800 gesloopt en thans wijzen nog alleen de grachten de plaats aan waar het eens stond. (Er leven nog afstammelingen van de familie van Bevervoorde tot Oldemeulen).
De grootste beroemdheid van Oele is wel de dikke boom, die op 10 minuten afstands van den Watermolen zijne prachtige kruin hoog in de lucht verheft. De stam van dezen eik heeft een omvang van 7 Meter, terwijl zijne takken tot molen-assen kunnen dienen.

Van Oele uit kan men zeer geschikt naar Enschede terug wandelen over den vrij rechten weg door de buurtschap Twekkelo, langs onderscheiden schoone boerenerven en langs het fraaie Buiten het Stroot, of naar de halte Usselo, of langs het erve Josink en het Volkspark naar de stad zelve.
Van Twekkelo zijn ons weinig historische bijzonderheden bekend; in de 16de en 17de eeuw was het het centrum van de bijeenkomsten der Doopsgezinden in Twente, zoo zelfs, dat de doopsgezinde gemeente aldaar onder de benaming van de gemeente in Twente bij de geloofsgenooten bekend was. Toen hunne godsdienstige samenkomsten bij strenge plakkaten verboden waren (o.a. hier in 1612 door den Drost Unico Ripperda tot Boekelo op aandrang van den deken te Oldenzaal) kwamen ze in dezen voor hen gevaarlijken tijd uit Hengelo, Borne, Zenderen en Enschede in deze afgelegene buurtschap in 't geheim bij elkaar en hielden hunne gods¬dienstoefeningen onder leiding van een in de buurtschap wonenden leeraar in een boerenhuis (in 1672 bij een zekeren boer Hayma). Toen voor de Doopsgezinden een rustiger tijd aanbrak, vervielen deze bijeenkomsten, doordien het gemeente-leven zich in de steden zelve voortaan vrij kon openbaren en ontwikkelen. Zoo vinden we dat in Enschede in 1698 reeds eene doopsgezinde kerk bestond, want ze werd toen vergroot, in 1769 vernieuwd en bekwam in 1786 een orgel, dat toen nog geen dier kerken in Overijsel bezat.
Overigens vonden we Twekkelo in de geschiedenis niet vermeld; de landstreek zelve is niet ontbloot van natuurschoon. Men vindt er verscheidene schoone plekjes, die een bezoek overwaard zijn, vooral aan den Grooten Esch, dicht bij de halte Twekkelo en ook meer oostelijk bij het Peppels en andere houtrijke erven.

De namen Twekkelo, Boekelo (hetgeen eene met beukenbosschen bedekte hooge streek beteekent) en Usselo (of Oslo) wijzen er op, dat deze streken in oude tijden, toen deze namen ontstonden, zeer boschrijk waren: immers de uitgang ‘lo’ ziet op eene boschrijke hoogte. Doch ook in andere gedeelten van de tegenwoordige gemeenten Enschede en Lonneker werden vroeger vele bosschen aangetroffen, want behalve dat de overlevering zegt, dat, evenals een eekhoren van Oldenzaal naar het Twikkelsche bosch kon komen zonder den grond te raken door van den eenen boom op den anderen te springen, zulks ook mogelijk was van den Eekersdijk (bij Schipholt) naar den Lonnekerberg, die toen ook geheel met hout was begroeid, - wordt zulks ook door de namen van de vele boeren-erven, die op horst, holt en lo eindigen, aangewezen. Ook is er in eene oorkonde van 1188 onder meer sprake van een woud te Enschede, waarin zich vooral in de 10e eeuw vele wilde geiten, herten, wilde zwijnen, wolven en beren ophielden. Ook later, zooals bij voorbeeld in 1598 had men hier zooveel last van wolven dat er eene premie op het vangen en dooden er van gesteld werd en in 1604 waren hier veel reeën en wilde zwijnen. Het. was hier dus steeds een Eldorado voor de jagers, en dat hier ook in vroegere tijden hartstochtelijke liefhebbers der jacht gevonden werden, is zeker; immers, nadat den 26 September 1644 de steden Enschede, Goor, Delden, Ootmarsum en Rijssen geweigerd hadden het "Landrecht" van Overijsel aan te nemen, omdat zij dit strijdig achtten met hunne privilegiën, bevalen den 24 Maart 1646 de Gedeputeerde Staten van Overijsel, dat de ingezetenen van Enschede zich zoolang van de uitoefening van de jacht zouden onthouden, totdat zij in de vergadering van Ridderschap en Steden hun recht van jacht zouden hebben bewezen. Dat bewijs werd door een beroep op Genesis I vers 26 en 28, IX vers 2 en 3, op de aloude privilegiën, en op de, door een zestal meer dan 70-jarige ingezetenen bij eede verklaarde, gewoonte, dus volgens het Goddelijk, het Volkeren en het Burgerlijk recht, geleverd. Eene beslissing van genoemde Staten bleef achterwege en de Enschedesche burgers gingen voort met jagen.
In 1658, 1684 en 1706 herhaalde zich hetzelfde met hetzelfde gevolg dat men voortging met jagen. Ook in 1725 en later werden de jagers door de Gedeputeerde Staten lastig gevallen, echter niet weer in dien zin, dat hun het jagen geheel verboden werd. Toch beschouwde het Bestuur onzer stad het in October 1782 nog wenschelijk in den gewonen Landdag der Heeren Staten van Overijsel een ‘Betoog van burgemeesteren, schepenen en raaden, en gemeenslieden der stad Enschede, aangaande het recht van jagt, van gericht in zaaken van de jagt, van het ijken van ellen, maaten en gewigten, en van het aanstellen van gemeenslieden der stad Enschede’ in te dienen, dat met de Bijlagen 128 bladzijden 80 druks besloeg, en waarin zij met aanhaling der vroeger geleverde bewijzen een klemmend betoog hielden van het jachtrecht der ingezetenen. - Met de uitgestrekte bosschen is echter het groote wild bijna geheel verdwenen; en ook klein wild vinden de jagers hier thans niet in overvloed.

De veelvuldige aanplant van bosschen in alle deelen der Gemeente Lonneker zal zeker een gunstigen invloed hebben op den wildstand aldaar en misschien voor de jagers den gouden tijd van voorheen weder doen terugkeeren.
Op de kaart vindt men vele stukken gronds als heidevelden aangegeven, waarvan de teekenaars in twijfel waren of zij ze als heide of als boschgrond moesten kleuren; vooral in de buurtschap Twekkelo is dit het geval. Het bebouwde deel van deze buurtschap ligt bijna geheel in den driehoek, die door den Staats- en de Lokaalspoorwegen wordt gevormd. Deze spoorwegen gaan hier dan ook voor het grootste gedeelte door heidevelden, waarin weinig opmerkenswaardigs wordt aangetroffen. Toch moeten wij hier wijzen op de schietbaan van de schutters, die in 1885 werd opgericht. Gaat men van hier naar Driene, dan heeft men vlak bij den Tol in de uitspanning den Breujert of het Rustend Hert, meer bekend onder den naam van Geesemeuje, eene goede gelegenheid tot uitrusten.

De buurtschap Driene (vroeger Dryne) , bestaat uit twee deelen, Groot-Driene, dat tot de gemeente Lonneker, en Klein-Driene, dat tot de gemeente Weerselo behoort. Beide deelen, maar vooral Groot-Driene, bieden veel natuurschoon aan door de groote afwisseling in groen, veroorzaakt door de vele soorten van hout, die men er aantreft. Onderscheidene soorten van dennen wisselen met eiken en knoteiken, wilgen en knotwilgen, beuken en berken, elzen - en ander hout in bonte rijen af. De merkwaardigste boom van geheel Driene is de om zijn ouderdom eerwaardige Linde, welke eenzaam aan den breeden rondweg achter het erve Driener Horst staat en onder de namen Driener Horst- of Veemlinde zeer bekend is. Haar kruin is verdwenen, en slechts de uitgeholde romp, waarop jonge loten ontspruiten, is nog aanwezig. Volgens de overlevering hadden onder dezen boom de nachtelijke rechtsplegingen van het Veemgericht plaats, toen in de 15e eeuw het vuist-recht en het recht van den sterkste nog golden en eene rechtbank noodzakelijk maakte, die in het geheim vonnissen velde en voltrok ter bestraffing van euveldaden en ter bescherming van den zwakke. Kon de boom ons slechts vertellen, wat onder zijne beschutting in het holst van den nacht is voorgevallen!
[Men wil ook, dat in de 14e eeuw links van den (ouden) weg naar Oldenzaal, voorbij de Welle een gebouw stond, waar een der geheime rechtbanken van het Veemgericht hare vergaderingen hield. In den kelder van het gebouw moesten de gedaagden het vonnis afwachten, dat over hen zou worden geveld. Wij hebben echter geene overblijfselen of nadere aanwijzingen van dit gebouw kunnen vinden].

20 minuten noordelijk van bovengenoemde linde ligt, daar
‘Woar Leünn'ker-berg de krone spant
En Driiner-bekke vléuit duur ’t land’,
zooals het Twenter Brul’fteleed van 1812 zegt, het Hof te Espelo, de oude Meijerhof van Lonneker, in de verte reeds herkenbaar aan de hooge den, welke ver boven alle boomen van den omtrek uitsteekt. Het tegenwoordige gebouw wijkt geheel af van de Oud-Saksische bouworde; evenmin heeft het den vorm van een oud-adellijk kasteel; ook gelijkt het niet het minst op een ‘spieker’, zooals men zulke hooge en smalle gebouwen wel eens noemt. Met zijn langwerpigen vorm, zijne ruime vertrekken, vele glasramen en ruime kapel schijnt het een geestelijk gesticht te zijn uit de laatste helft der 16e of het begin der 17e eeuw. De wijde grachten in den omtrek, gedeeltelijk gedempt, gedeeltelijk dicht gegroeid, de zware fondamenten rondom in den grond verspreid, de sterk gewelfde kelders bewijzen echter het bestaan van een vroeger, veel grooter gebouw. De geschiedenis zwijgt evenwe1 over dit laatste gebouw, slechts de sage meldt: ‘hier stond een machtig klooster der Tempelheeren; toen over de orde dezer geestelijke Ridders op de kerkvergadering te Vienne in Frankrijk in 1312 de banvloek werd uitgesproken en dientengevolge deze orde in Frankrijk en ook elders werd uitgeroeid, werden ook de Tempelheeren van het Espelo (evenals die van het klooster te Zierikzee) overvallen en vermoord. Twee er van ontkwamen de algemeene slachting, van welke de eene te Utrecht vertoefde, de andere op de heide op de hertejacht was. Na de vernietiging der orde werden door Paus Clemens IV de vroegere bezittingen van de rijke orde der Tempelheeren aan de orde der Malthezer- of Hospitaalridders geschonken. In den aanvang onzer Republiek behoorde het Espelo dan ook nog met verscheiden omliggende landerijen en boerenerven aan deze orde, welke bezittingen echter later door de Staten werden genaast, een onrecht, dat door den Raadpensionaris Johan de Witt werd hersteld. Later kwam het Espelo met al deze bezittingen aan de Kannuniken van St. Pieter, wier rentmeester op het Hof woonde. In 1770 verkochten zij deze eigendommen aan den Baron du Tour, die ze weder aan den Heer Davina overdeed. Deze was een afstammeling van een Spaanschen Hopman, die om der wille eener Oldenzaalsche schoone, met welke hij gehuwd was, zijn zonnig vaderland in den steek liet.
Ofschoon het Espelo dus in 1770 een eigen goed was geworden, heette de bewoner tot in den laatsten tijd nog ‘de Hofmeier’. Het gedeelte van den weg naar Deurningen van de Kortesteeg (of Kottensteeg , evenals Kottendiek) naar het Espelo, thans een kolengruis weg, draagt in den mond van het volk nog den naam van Hofmeiersdiek.
Bij het tegenwoordige gebouw vindt men nog een tuin, die geheel door eene gracht is omgeven; bovendien treft men er eene ‘visscherij’ aan, zooals hier een vijver, die tot bewaarplaats van visch dient, gewoonlijk genoemd wordt. Ook wordt nog de plek aangewezen, waar de oude slot- of kloosterkerk stond.
Van den noord-oosthoek van den tuin liep een voetpaadje langs den Hoogen Munnik op den Lonnekerberg, naar Oldenzaal, dat reeds sinds 970 eene Bisschoppelijke stad was. Dat voetpaadje, de Munnikenweg genoemd, was in 1839 nog (thans niet meer) na te sporen. De herinnering er aan leeft nog bij het volk, doch waarom op de kruin van den Lonnekerberg de Hooge Munnik (stond hier soms eene kleine kapel, die onder Espelo behoorde?) en aan den kunstweg naar Oldenzaal de Lage Munnik woonden en of ook deze laatste naam met den Munnikenweg in verband staat, is ons niet bekend.

15 minuten gaans noordelijk en noordoostelijk van het Espelo heeft men de Driener velden en heuvels, die ook hun contingent hebben geleverd in de sagen betrekkelijk de ‘Witte Wiven’ en in andere spookhistories. Er zijn thans nog verscheidene boeren, die liever een omweg maken, dan zich als 't donker wordt bij die ‘Wive-belter’ te wagen. Eene dier sagen halen wij hier uit de ‘Oude tijd’ aan, zoo als zij ons door Dr. Halbertsma wordt medegedeeld. De boer van 't Erve de Waarbeke reed eens bij maneschijn te paard over de eenzame Groot-Driener heide en zag toen drie witte wiven uit hare onderaardsche woningen verrijzen. Even als zijne tijdgenooten gewoon met deze personaadjes den draak te steken en door een rijkelijken dronk van dik Deventer bier juist in eene dichterlijke stemming zijnde, sprak hij haar aan met de woorden
‘Witte wiven wit!
't Wol oew wal broan, moàr hebbe geen spit,
En um da 'k neet hebhe een spit,
Roop ik moàr, witte wiven wit’.
Hierop antwoordden de witte Juffers in plat proza: ‘Wacht tot dawwe d'eene schoband to eknupt en d'oàre to erukt hebt’. Doch de boer was wijzer en had geen lust om te wachten. 't Was goed ook, dat hij in vollen galop heen reed, anders waren de witte wiven, die hem nazetteden, achter op zijn paard gesprongen.
De Wive-belter, waarvan boven sprake is, zijn allerwaarschijnlijkst Hunebelter, of grafheuvels uit den Germaanschen tijd, zooals er ook bij Losser worden gevonden. Het is jammer, dat zij nog niet zijn onderzocht.

Keeren wij over den Deurningerweg naar de stad terug, dan komen wij bij de Bolhaar in de oude Eschmarke, die vroeger de stad geheel omgaf en waartoe zelfs het Aamsveen en een deel van Broekheurne, Esbroek-hörne genoemd behoorden. Reeds vroeg lagen hier groote erven, waarvan het in 1188 genoemde erve Mensinckoten (tusschen Derkink en Schukkink gelegen en in 't begin dezer eeuw gesloopt) een der voornaamste was. Het erve Lippinkhof komt in 1321 onder den naam van Philippinchof voor als eene havezathe. In dat jaar werd genoemde Hof door Otto van Ahuis, Heer van Ottenstein, aan den Bisschop van Utrecht, Frederik van Zirk, overgedragen. In het begin dezer eeuw zijn de grachten gedeeltelijk, voor een dertig jaar eerst geheel gedempt. Ook het erve Ypkemeule was vroeger een adellijke bezitting. Bij den kolk vindt men in den grond nog zware balken, die de plaats aanwijzen, waar de watermolen stond. Op de weide hier naast stond nog voor eenige jaren een oud huis, waarin men verscheidene historische merkwaardigheden, zooals gekleurde ruitjes met wapens, enz. vond. In 1326 werd Iepkemeule door Hendrik van Ottenstein ook aan den Bisschop van Utrecht overgedragen. Dat deze Bisschoppen hier ook later eigendommen hadden, blijkt uit den giftbrief van 20 Mei 1465, waarin David van Bourgondië, de 55e Bisschop van Utrecht, aan de stad Enschede tot nut en om haar tegemoet te komen in de kosten van aanleg en onderhoud van het planken beschut, dat de stad zou omringen, een stuk woeste grond gaf, gelegen achter den molen tusschen de Kempen en de Meeden strekkende tot aan de Landweer; hij verbond hieraan de voor¬waarde, dat ieder huis en hofstede binnen de stad een stuk land daarvan hebben zoude, dat erfelijk er bij blijven moest zonder dat daarvan verkocht, verzet of vervreemd mocht worden. Ongetwijfeld is het hierin bedoelde stuk woeste grond de tegenwoordige stadsmaten geweest.
Ook de Bisschoppen van Munster hadden hier nog in de vorige eeuw uitgestrekte bezittingen, zooals ons bleek uit den beleenings-brief van 18 Februari 1764, waarin Maximiliaan Frederik, de kunstlievende Bisschop van Munster, de erven Groot Wageler en Pilskotten (thans den Kotten) en een uitgang uit het goed Hof te Koesveld op nieuw beleent aan Johan Cost. Wanneer deze bezittingen door den Bisschop zijn verkocht, is ons niet bekend.

Gids van Enschede en Omgeving - De omgeving: Losser

Evenals wij de westelijke grens van de Gemeente Lonneker hebben overschreden om eenige bijzonderheden aangaande Bekkum en Oele mede te deelen, zullen wij ook de noordoostelijke grens overschrijden en ons even naar Losser begeven, hoewel wij ons aan deze zijde binnen de grenzen der wandelkaart zullen houden.


Wandelkaart 1889 - klik erop voor vergroting.

Om van Enschede naar Losser te wandelen kan men twee hoofdwegen volgen: de eerste, de fraaiste, meest gevolgde en meest zandige weg loopt achter de Welle heen, eerst over den ouden Oldenzaalschen weg langs de Wigger en dan over een voetpad, midden door de Landweren; verder langs den Penningskotten en door den waterrijken Broekhoek en komt vlak bij het dorp uit op den Mac-Adam weg, die het met Oldenzaal verbindt.
De zooeven genoemde Landweren, door de boeren Landewe geheeten, zijn eene soort van opgeworpen wallen met aan weerszijden slooten; zij zijn soms uren lang en doorkruisen in allerlei richtingen Twente en worden zelfs bij Winterswijk aangetroffen. Waartoe die Landweren gediend hebben is moeilijk te beslissen. Sommige geschiedschrijvers houden ze voor de verschansingen, die door de Saxers zijn opgeworpen om de invallen van den Frankischen koning Pepijn den Korte te weren. Anderen beweren, dat ze gediend hebben om de invallen der Noormannen of der Gelderschen te keeren. Weer anderen noemen ze loopgraven uit den Spaanschen tijd, of wel uit den tijd van ‘Berendje van Galen’, den Munsterschen Bisschop, die zoo nu en dan strooptochten hield in deze streken en dan trachtte tot Borculo door te dringen, waarop hij beweerde rechten te hebben.
Deze laatste meening is echter bepaald onjuist, want we lezen reeds in den landbrief van David van Bourgondië, den 55en bisschop van Utrecht (1455-1496), de volgende ver¬ordeningen over de landweren:
Art. 4.
‘Item wie die landtwere brecke, schynnende offte daer inne houwe, die sall syn rechterhandt ghebrocken hebben, unde off daer enighe beesten ynghevonden worden, sullen aen ons ende onsen naecoemelingen ghecomen ende vervallen wesen’.
Art. 10.
‘Ende men sal die lantweren in onsen lande van Twenthe holden ter schouwe ende beryden als in Sallandt. Ende in elken kerspel sall men die alle jaeren schouwen mit twie van der Ridderschap ende twie van den scepenen wt den steden ende den Richters in den Kerspel dair dat onder gelegen is op sulke broeken als in Sallant dair op staen’, enz.
In de l5e eeuw stonden dus de landweren alhier onder toezicht der Utrechtsche bisschoppen, zoodat ze aan een jaarlijkschen schouw waren onderworpen. Een uitstekend kenner der Twentsche oudheden, Mr. B.W.A. baron Sloet tot Oldhuys, veronderstelde, dat de landweren op last van de Romeinen door de Germanen werden opgeworpen om de grenzen tusschen de verschillende volksstammen aan te wijzen. Deze laatste zienswijze houden wij voor de meest waarschijnlijke.
De bovengenoemde landweer in het Lossersche veld wordt door den Losserschen zanddijk doorsneden, en wordt noordelijk hiervan spoedig afgebroken door bebouwd land; naar het zuiden echter ziet men hem zoover het oog reikt. Vroeger liep hij voorbij de tweede spoorbrug, sneed den Gronauschen weg bij van der Kolk, waar hij voor eenige jaren nog aan den overkant van den weg te zien was. Hier werd hij de Spaansche of Munstersche loopgraven genoemd; de grond is daar nu geëvend, doch achter het woonhuis is de landweer in het struikgewas nog te zien.
De tweede, kortste, meest beschaduwde doch vochtigste weg naar Losser loopt van Enschede uit langs de spoorbaan tot de eerste spoorbrug; verder door den Hoogen Boekel, over het Hooge Veld en langs de Zoeke bijna recht op het dorp Losser aan, dat door bosschen en boomen voortdurend aan het oog blijft onttrokken, zoodat men het dorp eerst ziet, als men er slechts een paar honderd meter af is. Rechts van dezen weg heeft men in de Zoeke verscheidene grafheuvels, door de omwoners hunebelter genoemd. Deze gelijken veel op afgeknotte kegels, wier bovenvlak een paar meter diameter heeft en wier hoogte ook slechts een paar meter bedraagt. Enkele dier heuvels zijn onderzocht: men vond steenen urnen, waarvan een enkele iets versierd was, die asch en verkoolde beenderen bevatteden. Vele dezer hunebelter vindt men tusschen Losser en Gildehuis.

Langs welken der beide wegen men Losser ook binnentreedt, men is na de flinke wandeling prettig gestemd; het wekt bij den wandelaar het gevoel op, alsof hij van eene onbewoonde in de bewoonde wereld komt. Daarbij is de intrede langs beide wegen recht liefelijk en schoon en maakt zij een onverwachten, verrassenden indruk. Aan de westzijde is dan ook het dorp het schoonst en het netst. Komt men van den Losserschen dijk over den Oldenzaalschen kunstweg dan treft men zeer spoedig rechts van den weg het Raadhuis aan, dat te herkennen is aan de beide noteboomen, die er voor staan en aan het aanplakbord, want het gebouw zelf heeft in alles het voorkomen van een gewoon huis; door eene telefoon-geleiding is het met het telegraafkantoor te Oldenzaal verbonden. Schuin tegenover het Raadhuis heeft men de onmisbare herberg (hier Blokhof), waar meestal wordt ‘bekrachtigd’ wat in het Raadhuis erd ‘bezegeld’. Dicht bij heeft men den zeer ouden, stompen toren van het aan Maria gewijde R.C. kerkje, dat tot in 1809 aan de Hervormden behoorde, doch in dat jaar bij Koninklijk besluit aan de Roomsch Catholieken werd afgestaan. In de laatste paar jaren is het vergroot en keurig net gerestaureerd. In den toren, die veel heeft van de Romaansche torens in Friesland, hangen drie buitengewoon zware klokken; onderin vindt men nog een hok, dat als passanten-huis en als gemeente-gevangenis dienst doet. Dichtbij heeft men de school en hier naast het ruime logement van G. Smit, met stalling, dat zoowel in den tuin als binnen de noodige gemakken aanbiedt om uit te rusten en zich tegen billijke prijzen te versterken voor den verderen tocht. Vervolgt men de straat langs het logement, dan passeert men het Hulppostkantoor. Iets verder vindt men recht voor den weg de nog nieuwe R.C. Pastorie, die uiterlijk veel heeft van een klooster. Een rondweg voert van hier naar het nette en eenvoudige Protestantsche kerkje, dat in 1822 werd gebouwd en bijna geheel tusschen geboomte verscholen ligt. Van 1809 tot 1822 oefenden de Hervormden hunne kerkedienst uit in de woning van een der ingezetenen.

Van het ontstaan van Losser is niets met zekerheid bekend. Wij troffen den naam van het plaatsje het eerst aan in 1352 en wel in den beleeningsbrief, waarin Jan van Arkel, Bisschop van Utrecht, den Hof te Varwarke (onder Oldenzaal) en den Hof te Losser beleent aan Hendrik van Solmisse, heer van Ottenstein. Men wil weten, dat Losser in de 14e en 15e eeuw een toevluchtsoord was voor hen, die van hekserij en tooverij werden beschuldigd of om andere reden door de wereld werden verstooten. (Daarom zou het wapen van Losser eene zeef zijn). Niet meer onder den druk van te worden geschuwd en met den vinger te worden nagewezen, zouden deze bannelingen den heide- en veengrond door noeste vlijt en werkzaamheid in vruchtbare akkers hebben herschapen en zoo voor zich zelf in dezen afgelegen hoek eene nieuwe wereld hebben gecreëerd, nadat de oude hen had verstooten. Wat hiervan zij, het eigenlijke dorp heeft een zeer eigenaardig voorkomen; de huizen liggen zeer onregelmatig verspreid, zoodat de meeste dateeren van den tijd, toen men nog aan geen rooiing dacht; vele staan met de achterdeur naar de straat en hebben eene vergaderplaats van faecaliën aan de straatzijde. Er is weinig vertier; geen enkele tak van nijverheid vindt men er zóó vertegenwoordigd, dat het der vermelding waard is. Losser mist de hulpbronnen om in een matig bestaan zijner bewoners te voorzien: terwijl deze vroeger bij hun landbouwbedrijf als handwevers in huis werkten en daardoor in hun onderhoud voorzagen gaan thans dagelijks honderden arbeiders naar de fabrieken in Gronau.
Er gaat slechts één kunstweg van Losser uit en wel naar Oldenzaal; alle overige wegen, die op het dorp uitloopen, zijn zandwegen. Van deze laatste loopt die naar de Glanerbrug langs de Steenbakkerij naar Mülderman's brug (van waar een zijtak loopt naar Gronau) door schoone houtrijke boerenerven en langs de fraaie oevers der Glane, zoodat die weg meerdere schoone punten aanbiedt. In den Losserschen Esch, dien deze weg doorsnijdt, vindt men, hoogstens 2 M onder den grond, lagen zandsteen, die niet worden opgedolven, ofschoon reeds vóór 3/4 eeuw het plan daartoe bestond.
De onvermoeide wandelaar, die Losser bezoekt, zal hier zeker zijn tocht niet staken, maar een bezoek brengen aan de heuvels, die den oostelijken oever van den DinkeI om¬zoomen; deze toch verschillen hemelsbreed van de hoogten, die in de Gemeente Lonneker worden gevonden. De zuidelijke gelijken sprekend op duinen, zijn ten deele met helm begroeid, ten deele naakte zandhoopen, die de rimpels van den wind vertoonen en waarop geen plantje tiert; men heeft ze dan ook den zeer eigenaardigen naam van de Zandhuizen gegeven. De noordelijke heuvels zijn met kwakelboschjes versierd, die de meest grillige vormen vertoonen. Onmiddellijk langs deze heuvels kronkelt de Dinkel, een riviertje, dat in den zomer weinig water afvoert, doch gedurende de wintermaanden dikwijls de breedte heeft van eene vrij groote rivier. Het water heeft dan zulk eene woeste vaart, dat het ongepast zou zijn om alsdan (zooals men in het meergenoemde ‘Twenter Brul'fteleed’ van 1812 deed) een jong bruidspaar toe te roepen:
‘Zo glidt et lèven bly en zacht Verby as Dynkelwater’
Op het overstroomde land laat hij dan eene slib achter, die vele organische bestanddeelen bevat, welke door verrotting het land met eene vruchtbare laag bedekken. Vooral hier bij deze heuvels vindt men het sprekendste bewijs van de vruchtbaarmakende kracht van het water, dat den schralen heidegrond in schoone weidelanden heeft omgezet.
Behalve om het eigenaardig karakter der genoemde hoogten is een bezoek aan te raden om de schoone vergezichten, die men er geniet; naar het westen ziet men op de frissche, groene landouwen aan de overzijde van den Dinkel, die hier weide van heide scheidt, naar het oosten over bebouwde en heidevelden op Gildehaus en Ochtrup en op de bosschen van het tien minuten verder oostwaarts gelegen Ravenshorst. Van het ontstaan van dit adellijk riddergoed is ons niets bekend. In de laatste helft der vorige eeuw werd het nog door de Heeren van Ravenshorst bewoond; thans behoort het aan den Vorst van Burgsteinfurt. Of het, zooals men beweert, in diens geslacht is overgegaan als de winst eener kaartpartij, of door aanslag, dat is, doordat genoemde Vorst er, na het overlijden van den laatsten Heer van Ravenshorst (die geen erfgenamen naliet) het eerst zijn wapen heeft aangeslagen en zich aldus als eigenaar heeft opgeworpen, kunnen wij niet beslissen; bij het uitsterven van het geslacht van de Graven van Burgsteinfurt gaat het in eigendom over aan een Oostenrijkschen Prins. In 1775 was het een sterk kasteel, welks grachten deels gedempt, deels toegeland, deels nog te zien zijn. Over eene ophaalbrug kwam men voor eene schoone poort, waarvan de vier zuilen voor een paar jaar naar Burgsteinfurt zijn overgebracht, waar zij thans in of bij het Bagno zijn opgesteld. Die poort stond boven de brug over de tweede gracht, welke brug (evenals de poort) het jaartal 1722 draagt en, met de beide steenen hondenhokken aan weerszijden, nog aanwezig is. Hier kwam men op het Voorplein, waar zich de woningen der bedienden (jagers, stalknechts, enz.) en de stallen bevonden. Vervolgens kwam men over eene ophaalbrug door de poort in de thans nog aanwezige ruïne op het eigenlijke slotplein, dat, naar het schijnt, aan alle zijden door het kasteel was omgeven. Rondom dit gebouw liep, blijkens de schuine benedenmuren, de binnengracht, welke voor een groot deel door den tegenwoordigen bewoner werd gedempt, die ook de ruïnen der beide zijvleugels heeft opgeruimd. In den zijvleugel aan den NO. kant bevond zich de kapel, waarin omstreeks 1775 door paters nog kerkedienst werd verricht. De slotput is nog aanwezig. Het nu nog bestaande deel van het kasteel, dat vroeger een verdieping hooger was en welks muren een meter dik zijn, bevat eene vrij bewoonbare kamer en drie vertrekken, naar wier bestemming slechts geraden kan worden en een flinke, met rondbogen gemetselde en met schietgaten voorziene kelder, welks bodem eenige voeten is verhoogd en die nu als melkkelder uitstekende diensten bewijst. Aan den rechter zijkant vindt men in dit gebouw een steen, waarin twee wapens en het jaartal 1690 gebeiteld zijn. De gebouwen, die zich op het voorplein bevinden en waarvan het eene als boerenwoning, het andere als schuur dienst doet, zijn zeer vervallen en vertoonen slechts in dat ontzettende verval de sporen van hun ouderdom. Bij elke schrede wordt hier den bezoeker het ‘sic transit gloria mundi’ toegeroepen. In de kamer links van den ingang heeft men bijv. bij een ten deele nog beschilderden zolder, een zwaren eikenhouten vloer en restes van schoon behangselpapier een gat in een der zijmuren, waardoor de lucht gemeenschap onderhoudt met den stal, terwijl de tegenovergestelde zijmuur voortdurend dreigt om te vallen. Genoeg om te doen zien, dat het sloopingswerk hier in vollen gang is.

Wie van Losser uit een uitstapje wil doen naar Ravenshorst, raden wij aan den schaduwrijken, doch zandigen weg te nemen langs de Bleek, door het Nilant naar de Verbeckebrug over den Dinkel, die hier de Ravenshorsterbeek opneemt (tusschen beide waters heeft men hier aan den linkerkant eene vloeiweide, die naar een oud systeem is ingericht). Over het zandsteenen, in 1727 gebouwde, nette bruggetje over laatstgenoemde beek bereikt men in een paar minuten grenspaal 5 waarop het wapen van Bentheim en een ons onbekend wapen voorkomen) op de helling van den Paaschberg. Van hier ga men langs den bebouwden esch over een voetpad naar Ravenshorst, welks ligging voortdurend wordt aangewezen door de drie hooge populieren op het voorplein, die boven alle boomen in den omtrek uitsteken.
De terugtocht naar Losser neme men door het fraaie Ravenshorster bosch, dat door zijn royalen aanleg van bruggen, enz. zijne hooge afkomst verraadt, langs de beide aan het einde der laan gelegen woningen der Ausherren (of sla midden in de zijlaan rechts af door het bosch) en langs Grenspaal 4 over de Zandhuizen (die voor eenige weken door een kanaaltje zijn doorsneden dat het water uit den Oele Mars naar den Dinkel moet afvoeren), langs de Schaapskooi, over de brug, die het Bossinks-vonder wordt genoemd, over het kerkpad door de weide, langs de R.C. Pastorie, waar men rechts het dorp inkomt.
Vijf minuten ten oosten van Ravenshorst loopt de nieuwe straatweg van Gronau naar Gildehaus, die nu nog niet zeer aan te bevelen en vooral in de heide zeer eentonig is. Binnen eenige maanden zal die weg aan weerszijden beplant zijn.
Onder de weinige fraaie punten, waar langs deze weg loopt, is wel het Ruënberg, een oud adellijk landgoed, dat in het laatst der vorige eeuw toebehoorde aan de Heeren van Cannenberg te Vaassen, het schoonste. Tien minuten noordelijk van hier ligt het oude grenspunt van Nederland, Hannover en Westfalen, dat nog wordt aangewezen door een driehoekigen steen, op welks zijvlakken de wapens van Overijsel, van Bentheim en van Bisschop Bernard van Galen met de jaartallen l659 en 1824 prijken. Men noemt dit oude drievoudige grenspunt nog eigenaardig Drieland. Op een honderd meter afstand heeft men aan den weg eene Schenkwirthschaft.

Gids van Enschede en Omgeving: Toponiemen, veldnamen

Wij achten het van belang de volgende 1ijst aan dezen Gids toe te voegen:

een horst is een hooge met hout begroeide plek in een laag veld of in een broek: Stokhorst , Driener Horst, Ravenshorst , Buik¬horst (Losser).
een broek is een grasrijke laagte in de heide: Diepenbroek , Smalen¬ broek, Berenbroek , 't Witbroek , Doerenbroek.
een hof is eene havezathe of een huis van een eigengeërfde of meier: hof te Boekelo, hof te Espelo, hof te Koesveld, Lippinkhof , Woldrinkhof, Imenhof, Kromhof, Nijhof, Bothof, Onhof.
een kamp is een door wegen of wallen begrensd stuk bouwland: Schildkamp, Ruiterskamp, Kotkamp, Holtkamp, Puttenkamp, Berkenkamp.
een maat is een begrensd stuk hooi- en weiland zonder sloot: Eekmaat, Minkmaat, Overmaat, Stadsmaten, Derkinksmaten , Oude maten, Elsmaat, Kremersmaat.
een esch is eene begrensde vlakte met bouwlanden: Molenesch, Laar¬esch, Linderesch, Lutje esch, Roelvink-esch, Bruggink-esch, Oostervelder-esch.
een kot, kate, kotten is eene hut (de kotters, waren bewoners van kotten, hutten, die minder dan een morgen land bezaten en van het algemeen beheer der marken, niet echter van het genot en het mede-eigendom der gemeengronden waren uitgesloten; in 1312 waren zij zelfs nog uitgesloten uit de landweer, die door Karel den Grooten was opgericht): 't Kotten, Penninkskotten, Elshofskotten, Haverkot, Getkate, Goolkate.
de braken zijn hooge bouwlanden: Driener braken, de Brake, Lip¬pinkhofs-brake.
een mars, mörsch, mors is een laag, meestal moerassig land: 't Mors, de Wellemors, Elsmars, Marshoek, Breede Morsch, Galgenmörsch.
haar beteekent schrale hoogte, heuvel: de Voshaar, de Haar, de Bolhaar.
ink achter een naam van een persoon geeft aan dat de landhoeve door dien persoon is gebouwd; overigens beteekent het, evenals ik een begrensde vlakte bouw- of weilanden (meestal met hout
afgezet): Wilmink, Roelvink, Josink, Zweerink, Jennink, Der¬kink, Heutink, Enderink , Teesink, Beernink, Stroink, Brünink, Heijmerink, Assink, Leutink, Gerink, Schouwink; Varvik, Holzik, Wooldrik, Wiedik , enz.
lo, loo beteekent boschrijke hoogte: Espelo, Honinglo, Welpelo.
holt beteekent woud, hout: Schipholt, Mekkelholt , Holtkamp.
lutje beteekent klein: Lutje Holzik; de tegenstelling van lutje werd hier door ‘groot’ aangewezen, welk woord echter ook dikwijls werd weggelaten: zoo worden de erven Groot Varwik en Lutje Varwik, Beerenbroek en Lutje Beerenbroek, Lutje Spelberg en Weldink in 1665 als bezittingen van den Heer van Loen te Enschede vermeld.

Gids van Enschede en Omgeving: Wandelingen

AAN TE BEVELEN WANDELINGEN

1. Van Enschede uit over den Gronauschen kunstweg (grootendeels door eene prachtige eikenlaan) naar de Glanerbrug (halfweg de uitspanning Dolphia, over de Glanerbeek de uitspanning de Glanerbrug, bekend door zijne pannekoeken). [1 1/4 uur].
Van hier uit heeft men eene fraaie wandeling langs de jeneverstokerij van Viefhuus naar het klooster Glane. [15 min.].

2. Van Enschede uit door het Korteland over den Enscheder Esch door het erve Kromhof, langs Reef en den Huttenpeterskamp, tusschen den Hölterhof en het merkwaardige huis van ‘den Droad en ’t Schoap’ door over de Glane naar het Aamsveen (turfsteken en baggeren van turf op de turfstraten; veenbranden) [1 uur]. Van hier heeft men (hij droog weer) eene schoone wandeling langs de Glane en over het erve Schipholt naar de uitspanning de Glanerbrug [45 min.].

3. Van Enschede uit langs den Rietmolen over het breede voetpad voorbij het nieuw opgebouwde erve Varvik, door den Esch, over het voetpad door de weiden van het erve Engerink, (een dwarsweg oversteken), al recht door ongeveer tot bij een in 1888 gebouwd erve; hier linksaf, langs het erve Hulzik, door den Schukkink- en Derkinks-hoek, over het Heutink, langs de school, linksaf over het voetpad door het bosch, verder over het Wooldrik en den Gronauschen weg naar de stad terug. [1 1/2 uur] .

4. Door de Horssteeg langs de Usseler school [40 min.] over den Usseler Esch (met schoone vergezichten), of over den Haaksbergschen kunstweg, naar Usselo (uitspanningen: Egbrink (den Hulscher) en Hannink); vóór de kerk rechts afslaan, door de jonge dennenlaan langs de nieuwe Begraafplaats naar Teesinksbosch. Van hier langs de Boekeler school naar het station Boekelo (uitspanning de Kwinkeler). [1 1/2 uur].

5. Den Hengeloschen straatweg volgen tot aan het Wageler; over dit Buiten langs van Heek's bleek, de Driener Horst-linde naar de Driener school [1 uur], van hier op de uitspanning het Rustend Hert (Geesemeuje), over den straatweg terug [1 uur].

6. Door de Kortesteeg , voorbij de Bolhaar over den Hofmeiersdijk naar het Espelo [40 min.], van hier langs de Buitens de Braake , het Overmaat en den Hegeboer naar den Oldenzaalschen kunstweg [30 min.]. Over dezen weg terug.

7. Over den Oldenzaalschen Mac-Adam weg tot voorbij de villa van Dr. Mann; links afslaan; bijna 15 minuten lang den kolengruisweg volgen tot dicht bij het spoor, een weg rechts, waarvoor zich een wit hek bevindt, inslaan, bij het eerste huis den weg rechts nemen naar 't Bouwhuis, over het Amelink naar de Welle, terug naar de stad over het Welna en het Pot [1 1/2 uur].

8. Over den Losserschen weg langs het spoor; even voorbij de eerste spoorbrug links afslaan, langs het erve Spiele bijna recht door naar den Hoogen Boekel (met schoone houtpartijen) [30 min.], langs Polman (de Lindermaten weg snijden) naar Ripperda (hier en onderweg schoone vergezichten), langs de windmolen naar het station Lonneker (stations koffiehuis; uitspanningen Warmes en Savonije) [30 min.]. Terug over 't Amelink naar 't Stokhorst , verder over den kunstweg [30 min.].

GROOTE WANDELTOCHTEN

9. Langs de oude school van Mr. Weggelhorst en den wegwijzer (recht door) naar Broekheurne tot bij de school [1 uur], hier rechtsaf de school voorbij, daarna linksaf naar het erve Brünink en verder naar het erve Wüstink; van hier naar het Buiten den Helmer in Usselo, terug over den kolengruisweg en den Haaksbergschen Mac-Adam weg [samen 3 uur].

10. Langs het Volkspark over den kolengruisweg (waarlangs telefoonpalen staan) langs het erve Josink naar het Stroot. Van hier naar de Vloeiweiden, door het Hof te Boekel, langs de Rutbeek of de Veldbeek naar de uitspanning de Kwinkeler bij het station Boekelo [2 uur]. Met den trein of den omgekeerden weg van No. 4. terug.

11. Als in No. 4 naar de Kwinkeler [1 1/2 uur]; van hier langs de Boekeler korenmolen, de halte Twekkelo, en het erve Heijmerink, door den Grooten Esch naar het Stroot, over den kolengruisweg naar Enschede [2 uur].

12. Met den trein naar de halte Usselo; over den Boekelerdijk door het Hof te Boekel, langs en over de Rutbeek naar Oele [1 1/2 uur]; van den Watermolen naar den ‘dikken boom’ [10 min]; van hier terug over het Stroot [2 uur]. Dikwijls wandelt men van Oele naar Carelshaven bij Delden (mooie weg) [1 uur] of naar Hengelo [3/4 uur].

13. Over den Oldenzaalschen kunstweg tot aan den Tol; vlak achter het Tolhuis heen, 100 M verder rechts 't voetpad inslaan, het dennenboschje door, over en langs het Spoor, bijna recht door (iets links) naar den Lonnekerberg [1 1/2 uur]; terug over Roelvink Esch langs de Eschbeek (een fraaie weg) naar het Hof te Espelo, verder over den Hofmeiersdijk [2 uur], of terug naar den Oldenzaalschenweg (uitspanning het Witte huesken), over dien weg naar 't station Lonneker [40 min], of voor de Ruitersbrug rechts afslaan, over 't spoor door Roelvink Esch naar het Hof te Espelo en over den Hofmeiersdijk [2 uur].

14. Naar Losser over den Losserschen dijk [2 uur]. Of langs den Hoogen Boekel [1 3/4 uur]. Van hier naar Ravenshorst en terug [1 uur] en daarna langs den Dinkel en de Glane naar de Glanerbrug [1 1/2 uur] of over Muldermans-brug en het Hooge Veld naar Gronau [1 1/2 uur]. Of van Losser over Bossinks-vonder, langs grenspaal 4 naar Ravenshorst [ 1/2 uur], dan over den Gildehauserstraatweg naar Gildehaus [1 uur] of langs Drieland (Schenkwirthschaft) naar Gronau [1 1/2 uur].

15. Naar Gronau [1 1/2 uur]; van hier langs het ‘Kriegerdenkmal’ (links) naar den Windmühlenberg [3/4 uur] (uitspanning en bierbrouwerij de Windmühle; schoone streek met veel afwisseling en fraaie vergezichten). Van hier over Epe [1/2 uur] naar Gronau terug [3/4 uur].
Het spreekt van zelf, dat deze wandeltochtjes op verschillende wijzen kunnen gecombineerd worden.

SCHOONE RIJTOEREN.

1. Naar Carelsbaven bij Delden ter bezichtiging van het door geheel Nederland bekende Twikkeler bosch [1 1/4 uur].

2. Naar de Lutte achter Oldenzaal met zeer schoone wandelwegen vol afwisseling (bij droog weder) [1 1/2 uur].

3. Naar Gildehaus (steengroeven) [1 1/2 uur] en Bentheim (slot, steengroeven) om een bezoek te brengen aan het bosch met badhuis, vijver, enz. enz. [3 uur].

4. Naar Burgsteinfurt met het heerlijke bagno [3 uur].

5. Naar den Windmühlenberg; zie wandeltocht No. 15 [1 1/2 uur].

6. Van de stad uit naar het Volkspark, onder den viaduct door, langs Richtersbleek, over het Wageler, den Kotten, langs Stroinksbleek, over het Bouwhuis , het Amelink, langs den Kotkamp, over den Hoogen Boekel, en de 2e spoorbrug naar den Gronauschen weg; verder naar Dolphia en naar de stad [2 1/2 uur].

Gids van Enschede en Omstreken: Naschrift

NASCHRIFT

De weinige bekendheid met Enschede en zijne schoone omstreken; de moeilijkheid, welke de vreemdeling, die zich hier tijdelijk of voor goed vestigt, ondervindt om met die omstreken bekend te worden; het doel om ook de Enschedesche jeugd lust in te boezemen die omstreken in alle richtingen te doorkruisen, deed de vergadering van de afdeeling Enschede van het Ned. Ond. Genootschap besluiten tot het vervaardigen van eene wandelkaart van Enschede en zijne Omgeving. Aan dat besluit werd door de samenwerking van de heeren H.U. Thoden van Velzen, F.J.H. Derwort , Dr. A. Benthem Gz. en J.J. van Deinse gevolg gegeven en deze kaart ziet thans het licht.
Een kleine gids was bij deze kaart volstrekt noodzakelijk, vooral ook om te wijzen op het natuurschoon, op de fraaie wandelingen en de merkwaardige plekken die hier in grooten getale worden aangetroffen. Bij deze laatste is eene historische toelichting zeer gewenscht. Wij vatten daarom het voornemen op om aldus het verleden met het heden in een beknopt overzicht samen te vatten en hebben getracht die taak zoo goed mogelijk te volbrengen. Zoo goed mogelijk, want door de vreeselijke rampen, welke Enschede in 1517, 1750 en 1862 teisterden, zijn bijna alle geschiedkundige documenten verloren gegaan, zoodat wij slechts uit ‘de Oude Tijd’, de Overijselsche Almanakken, Racer, de niet-verbrande kerkelijke Archieven, de oude Enschedesche couranten en mondelinge inlichtingen konden putten. Vooral aan hen, die ons deze laatste verschaften, en aan degenen, die ons hunne oude geschiedkundige werken en documenten ter inzage afstonden, betuigen wij onzen hartelijken dank. Mochten wij hier of daar, door welke oorzaak ook, hebben gedwaald, men houde het ons ten goede en zij verzekerd, dat wij steeds getracht hebben de waarheid mede te deelen; vooral daar, waar tegenstrijdige opgaven ons gewierden, hebben we geen moeite ontzien, om het ware te weten te komen. Onze onderzoekingen brachten er ons spoedig toe, om van de weinige historische berichten, die er aangaande deze streken nog te verkrijgen zijn, te redden wat er nog te redden was, vóór dat met het nog levende oude geslacht vele goede bronnen verdwenen zullen zijn.
Wij eindigen hier met den wensch, dat allen, die aan onze mededeelingen nog weten te verbeteren of toe te voegen, niet zullen nalaten ons hunne bemerkingen te doen toekomen, opdat eene eventueele tweede druk eene meer volledige verzameling zij van merkwaardigheden omtrent Enschede en zijne Omgeving.

S. BLOEMENDAAL. Dr. A. BENTHEM Gz. J.J. VAN DEINSE.
Enschede, November 1889.

Gids van Enschede en Omgeving: Recensie van Mr. R.E. Hattink

RECENSIE VAN MR. R.E. HATTINK

Mr. R.E. Hattink uit Tubbergen, advocaat en procureur, maar vooral bekend als streekhistoricus en voorzitter van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, kon het niet nalaten de samenstellers te wijzen op historische onjuistheden in hun Gids van Enschede. Hattink deed dit in de vorm van een ingezonden brief onder de titel: ‘Een vertrouwbare gids?’. Opmerkelijk dat deze recensie vrijwel de gehele voorpagina beslaat van de slechts vier pagina’s bevattende Tubantia van 19 februari 1890.

Hieronder het artikel uit de Tubantia:

Een vertrouwbare Gids?
Met belangstelling nam ik den ‘Gids van Enschede en omgeving’ ter hand; minder om de aanbevolene wandelingen te leeren kennen, dan om met het geschiedkundig gedeelte kennis
te maken. En daarvan is mijn indruk dat een tweede druk zeer zeker een verbeterde kan zijn. Ik heb hiermede meer bijzonder op het oog wat blz. 14 voorkomt; omdat daar blijkt dat de bewerkers van dezen gids, van de staatkundige inrichting en geschiedenis dezer provincie in het laatst der vorige eeuw niet op de hoogte, niet begrepen hebben hetgeen zij uit Racer (Over. Gedenkst. IV, blz. 140 vlg.) bij uitttreksel mededeelen¬.
Handelende over de marken en hare inrichting, schrijven zij: ‘De macht van den markenrichter was in het begin dezer eeuw reeds ge¬broken. Wel kon men nog vergaderen en konden de gewaarden met den kin op hun stok (koeze) geleund hun veto laten hooren, maar de uitvoerende macht was niet meer die der Drosten’
‘In 1780 besloot de Overijsselsche ridder, die het bestuur over Twenthe voerde, de Drostendiensten af te schaffen’.
Nu volgt het verhaal dat de landlieden van Twenthe een daarin omschreven gouden pen¬ning den Ridder aanboden en gaan de schrij¬vers voort: ‘De koeze van onze markebewoners schijnt zelfs nog een overblijfsel van de oude Saksers, die altijd gewapend met speer of knots de Höltings bijwoonden, enz.’.
Of de schrijvers eenigen samenhang tusschen de markeinrichting en de Drostendiensten ontdekt hebben, weet ik niet: maar dit is overbekend dat de Ridder, wien de gouden gedenkpenning ter eeuwige en onsterfelijke gedachtenis werd aangeboden, nooit ofte nimmer het bestuur over Twenthe gevoerd heeft maar integendeel den strijd aangebonden heeft tegen den Drost van Twenthe en de overige Drosten, die in strijd met vroegere resolutiën van Ridderschap en Steden tot eigen voordeel hand- en spandiensten van de ingezetenen van hun Drostambt bleven vorderen.
Van der Capellen, eerst wegens den Bre¬denhorst, later wegens den Pol lid der Ridder¬schap van Overijssel, de man, die gedurende vier jaren uit de Staten vergadering gebannen gehouden werd, omdat hij den strijd voor de vrijheid van het onderdrukte volk had begonnen tegen zijne standgenooten, medeleden der Rid¬derschap, die eindelijk den 1en November 1782 zich weder toegelaten zag, wordt in dezen En¬schedeschen gids voorgesteld als een brave Hendrik onder de Drosten.
Naar aanleiding van hetgeen een eeuw te voren geschied was, wijdde de Provinciale Overijsselsche & Zwolsche Courant van 1 Nov. 1882 een hoofdartikel aan hem en behelsde de Gids (Nov. en Dec. 1882) eene uitvoerige studie over hem van de hand van Mr. Sillem.
Wanneer de schrijvers hiermede kennis ge¬maakt hadden, zouden zij weten dat bij publicatie van 23 Februari 1783 Riddrschap en Steden de afschaffing der Drostendiensten bekend maakten en zouden zij den raadpleger van hun Gids beter onderricht hebben.
Dat het huis te Enschede, waarvan blz. 18 sprake is, waarschijnlijk niet is het slot of de burcht van de heeren van Enschede, maar het aldaar door de Gelderschen aangelegd blokhuis mag uit het volgende opgemaakt worden.
Volgens het dagboek van Johannes van Lochem, prior van Albergen, had de hertog van Gelre in 1523 zoowel paarde- als voetvolk naar Enschede gezonden en bevolen dit stedeken te versterken, opdat alzoo die van Oldenzaal, waar bezetting der tegenpartij lag, zich binnen hunne muren zouden honden en niet zoo veelvuldig het volk zouden uitplunderen. En opdat de Gelderschen Enschede zouden verlaten, staken die van Oldenzaal den molen bij Enschede in brand, waarop de Gelderschen begonnen eene versterkte plaats in Enschede op te richten, waaraan de bevolking moest arbei¬den en waartoe zij hout moest aanvoeren en geld opbrengen.
Volgens het Juditiael register, bewerkt door wijlenn Mr. van Doorninck in ‘Overijssel on¬der Karel V’ werd den 3en December 1531 op de supplicatie des Raads van Enschede, ‘dat men, I
zoo de Keizer het blokhuis aldaar afgebroken wilde hebben, hun de plaats van de vrije markt, door.de Gelderschen hun voor het blokhuis af¬genomen en afgegraven, en het hout van sta¬ketten en anders, dat van het blokhuis komt, tot versterking van het vlek goedgunstig afstaan zoude, daar zij door den oorlog in zulke groote lasten geraakt waren, tevens met verzoek hun een nieuwen molen te laten maken, waarop als van ouds de omwonenden zouden verplicht zijn hun koren te laten malen’ door den Stadhouder met Mr. Geert van Loe, rentm. van Friesland en Commissaris, Jan van Twickeloe, Drost van Twenthe, Adriaen van Reede, Drost te Laeghe,
en Seyno Muylart, Drost van Salland, gecon¬cludeerd en besloten: dat wegens de armoede
der ingezetenen zij weder de markt als van ouds zullen mogen gebruiken, behoudens den Keizer zijne hoogheid en den Richter zijn richtstoel, dat zij de markt mogen vergrooten met de plaats, die eertijds een kleine graven was en de markt scheidde van Roelof van Scheven’s weere, dat hun het van het blokhuis komende hout gegund zal worden tot reparatie der ‘vestenisse’ van het vlek, doch dat zij gehouden zullen zijn op hun kosten het blokhuis af te breken vol¬gens aanwijzing van den Drost en dat zij voorts een nieuwen molen oprichten mogen, met ver¬bod aan de ingezetenen om hun koren buiten 's lands te laten malen, voor zoo ver dit ook van de andere zijde verboden was.
Voorts werd aan hen, die zich beklaagden hun woonstede bij het maken van het blokhuis ver¬loren te hebben en daarvoor slechts ten deele door den Vorst van Gelre schadevergoeding ver¬kregen te hebben, vergund, om hunne oude, woonstede weder aan te tasten, en te bezitten, als zij die terugvinden konden na afbraak van het blokhuis - doch met terugbetaling aan den Keizer van de gelden, van den Vorst van Gelre tot schadevergoeding ontvangen.
Pelgrim Kost, Egbert de Vromme, Ghert de Waegheler, Bernt Sandt, Ghert Kuyper, Styne ten Kranenhoeve en Roelof van Scheven gaven de ontvangen vergoeding terug. De laatstgenoemde, die blijkens het aangehaalde werk destijds in vele procedures gewikkeld was, was een riddermatig man, die evenals de andere Twentsche edelen de landdagen bijwoonde, door 's keizers stadhouder gehouden. Waarschijnlijk was hij de toenmalige bezitter van het slot van Enschede.
Voorts vestig ik de aandacht op de mededee¬ling (blz. 21) dat het legerhoofd, Prins Maurits, de groote kerk aan de Protestanten gaf in 1597, dat er een predikant werd aangesteld en dat dit zoo veel te gemakkelijker ging, door dat de R.C. priester overleden was, en er dus eene vacature
bestond, terwijl in de noot op blz. 22 vermeld was dat de eerste predikant Pibo Ovitius hier
gekomen is van het eiland Wieringen. Uit nieuwe bronnen schijnen de gift der kerk en de dood des pastoors gebleken te zijn: tot nog toe was dit niet bekend. Mr. van Doorninck, die in de Prov. Ov. & Zw. Ct. onder het opschrift Uit Overijssel's Verleden XXXIV, den gang der hervorming te Enschede behandelde, deelde mede, dat volgens eene aanteekening van den Enschedeschen richter Bos de pastoor Wolter Bruns verdrongen werd door den predikant, die onder den naam van Pibo Ovitius op 1598 door Moonen genoemd wordt; terwijl hij de door Moonen vermelde beroeping van Wieringen in twijfel trekt, omdat de Deventer kerkeraad 16 Jan. 1598 besloot dat Ovitius eerstdaags, met believen van den Raad, ‘om bij provisie te pre¬dighen’ naar E. zoude gezonden worden en 22 Mei d. a. v. ‘order te maken tott onderholdt des dienaers te E. en dewijle denselven in den Synode de Kercke te Lossart mede geassigneert is te bedienen, datt hij oock, deselve bij pro¬visie bedienende, de opkomsten derselve pas¬toriën moge genieten’.
Als Pubo Ovittius Abbema, deynaar des H. Ewangelii indijer stadt Enschede verzocht hij plaatsing in de provincie Utrecht, onder mede¬deeling dat hij, nadat Enschede weder door de Spaansche troepen genomen was, met consent zijner gemeente van daar vertrokken was en. zich te Deventer ophield en onder overlegging van twee attesten van de classis van Deventer van …mber 1598 en 25 Juni 1599.
Naast het verhaal omtrent de overgaaf van Enschede in 1597 (blz. 19) behoort in den twee¬den druk de lezing geplaatst te worden, voor¬komende in een brief, gesonden wt den legher van 22 October, gedrukt tot Delf bij Bruijn Harmanssz. Schinckel ‘Cort Verhael vande heerlijcke Victorie van’t verooveren ende innemen der Steden van Enschede, Oldenzeel ende Oet¬maerssen, ghelegen inde Twente’; omdat dit eenigszins afwijkt: waarbij ook vermeld moet worden de gedenkpenning, waarvan de eene zijde de woorden Venit Vidit Deus vicit in het mid¬den heeft met de woorden Victoria parta spatio trimestri, als binnenrand en de plaatsnamen Alpen, Berg, Meurs, Grol, Brevort, Ensch., Old., Otm., Lingen en het jaartal 1597 als buitenrand ; terwijl op de keerzijde afgebeeld is het ruitergevecht bij Turnhout met onderschrift Victoria Turnotana Janu. 1597 en de woorden A Dno factum est istud et est mirabile in oculis nostris als bui¬tenrand. Een exemplaar van dezen gedenkpen¬ning berust in het Geschiedkundig Overijsselsch Museum.

De tweede druk zal ook aangevuld kunnen worden met de beschikking der Aartshertogen, gegeven te Bruessele 7 Februari 1609, waarbij zij, op de supplicatie van Burghemeesteren, Schepenen ende Raden der vijf stedekens Ort¬maersen, Ensschede, Ghoor, Rissche en Delden, na ingewonnen advies van de Raden in Over¬ijssel Mr. Theodorus van Thil en Diederick Hertgers, resideerende tot Oldenzeel, den Drost van Twenthe ordonneeren ‘dat hij aenghaende de vuijtsattinghe ende repartitie des landts schat¬tinghen, exactien, ende onghelden, zal schuldich
zijn t' onderhouden d' oude gewoente, ende hem dem volghens reguleren, den voern. supplianten ontdeckende ende mede te kennen ghevende waertoe de successive inghewilligde penninghen
zullen worden gheemployeert, op dat zij moghen weten oft zij tot deselve te contribueeren schuldich zijn, ende dat zij boven oude costuijme nijet en worden belast und beswaert’.
Men zal bemerken dat ik op een tweeden druk hoop: want ik acht de poging om, wat van Enschede nog bekend mocht zijn, te verzamelen, aller ondersteuning waardig. Alsdan zal voor de oude topographie geraadpleegd kunnen wor¬den de platte grond, omstreeks 1570 door Jacobus van Deventer voor den Koning van Spanje vervaardigd, te Madrid berustende, waarvan de de
Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch regt en geschiedenis eene copie heeft doen vervaardigen, welke zij zich voorstelt met andere platte¬gronden van Overijsselsche steden in het licht te geven.
Mr. R. E. H.