vrijdag 2 oktober 2009

Gids voor Deventer en omstreken: Historisch overzicht van Deventer

HISTORISCH OVERZICHT VAN DEVENTER
Een gids voor Deventer en omstreken, dient wel in de allereerste plaats de aandacht te wijden aan de aloude veste door wijlen den Eerwaarden Jacobus Revius onder den titel Daventria Illustrata beschreven en later door Gerhard Dumbar Secretaris der stad Deventer herzien.
Wanneer we aan de hand van deze mannen een blik slaan in het verleden, zal ons de groote tegenstelling met het heden zooveel te meer treffen en het den lezer van dezen gids uitlokken, deze bladzijden niet onopgeslagen voorbij te gaan, want wie zich een goed begrip wil vormen van Deventer in zijne tegenwoordige gedaante, dient de geschiedenis te raadplegen wil hij van vele punten die zijne aandacht zullen trekken, zich behoorlijk rekenschap kunnen geven.
Wij zouden te ver gaan, indien we beide schrijvers op den voet volgden; deden we zulks dan zou het historisch overzicht het leeuwenaandeel krijgen en de gids "als gids" van geringe waarde worden, wat voor den bezoeker wandelaar het doel niet is, daar hij in deze bladen meer een leiddraad voor zijne wandelingen, dan eene geschiedenis van Deventer hoopt aan te treffen. Toch is voor hem, die, behalve de bewondering voor het landelijk schoon, ook de bewondering voor de oudheden van vele plekjes in ons vaderland in zijn vaandel heeft geschreven, een overzicht van Daventria's geschiedkundig verleden niet ongewenscht.
Niettegenstaande de moderne tijdgeest een wellust schijnt te beheerschen om veel van wat oud en in ons oog eerwaardig is, aan het houweel van den slooper prijs te geven, spreken nog vele oude gevels en andere gedenkteekenen in deze veste tot ons van den krachtigen geest onzer voorvaderen. Wel gelijkt de geschiedenis van Daventria in vele opzichten op die van andere koopsteden van hoogeren of lageren rang in ons vaderland, doch er zijn er niet vele waarvan zij tot zoover teruggaat als die van onze geliefde stad Deventer, schoon gelegen aan de boorden van den IJssel en sedert zij ontdaan is van de boeien waarin zij eeuwen werd vastgeklonken, zich uitbreidende, verheffende en alle pogingen aanwendende om de vleugels uit te slaan, even als de adelaar die gekneld in zijne kooi, zich eensklaps de vrijheid ziet hergeven slechts langzaam met steeds breeder wordende kringen de luchtlagen doorklieft tot hij een rustpunt vindt om later zijn grootschen tocht te vervolgen.



Volgens de boven vermelde en andere schrijvers zou Deventer het oude - bij Ptolemaeus reeds vermeldde - Navalia zijn, onder den naam van Nabalia bij Tacitus voorkomende. Over het ontstaan zoowel van de stad als van den naam bestaan zooveel verschillende lezingen dat we ons daarin niet al te zeer willen verdiepen, doch alleen wenschen te vermelden dat volgens anderen, de naam is ontstaan uit de samenstelling der woorden Davo = slot en Thur = Burg dus "Burg van Davo".
Volgens weer anderen is de naam Daventre afkomstig uit het Angelsaksische, doode boom beteekenende. Deventer is steeds gekend met hare omwalling en volgens de meeste berichten was de stad reeds met borstweringen voorzien toen de Saksers haar in 756 belegerden en vernielden, waarna zij hernieuwd werden en in 778 eene tweede belegering moesten doorstaan, waarbij zij wederom werden verwoest.
De meest betrouwbare berichten omtrent Deventer tot ons gekomen verhalen, dat Willebrordus door den Paus Sergius in het jaar 696 tot bisschop gewijd en door Pepyn gewettigd tot het oprichten van een bisschoppelijken zetel te Wiltenburg, op zijne reize van Rome naar die plaats, binnen Deventer eene kerk zoude hebben gesticht!
Men trekt dit evenwel in twijfel even als het verhaal dat de Saksers de verwoesters van Deventer zouden zijn geweest, daar dit volgens anderen de Wenden en Denen waren. Na den dood van Bonifacius, opvolger van Willebrordus, den 5 Juni 755 bij Dokkum vermoord, werd Gregorius bisschop van Utrecht, en zond deze twee Engelsche (Angelsaksische) zendelingen met name Marcellinus en Lebuinus naar deze stad om het christendom te prediken en het werk der bekeering voort te zetten.
Gregorius wees aan Lebuinus als eene zeer geschikte plaats voor zijnen arbeid de streken van den IJssel aan. Hij vertrok eerst naar de Veluwe en na aldaar zijn doel te hebben bereikt, begaf hij zich naar Deventer alwaar hij zijnen intrek nam en gastvrij opgenomen werd bij eene weduwe in de Assenstraat Abrahilde genaamd. Met kracht en niet zonder vrucht predikte hij het Evangelie, want kort na zijne komst werd er te Wilp aan de overzijde van den IJssel eene kerk opgericht.
'Waarom niet te Deventer zal de lezer vragen? Dit kwam omdat het getal der Veluwsche Christenen dat der Christenen te dezer plaatse verre overtrof. Echter werd in onze stad al spoedig eene kerk gebouwd bij de oude haven, waarschijnlijk klein en van hout opgetrokken. Er zijn schrijvers die beweren dat deze naar haren stichter de Lebuïnus kerk zou zijn genoemd; daar Lebuïnus toen nog niet onder de heiligen was opgenomen kon daarvan geen sprake zijn en ligt het vermoeden yoor de hand dat het oordeel van anderen juister is, waar zij mededeelen dat de kerk aan de Moedermaagd Maria was geheiligd.



Wanneer we nagaan dat de Saksers in deze eeuw hun grondgebied uitstrekten tot het eiland Urk, langs een deel van den IJssel tot in de nabijheid van Bonn is het niet te verwonderen dat deze erfvijanden van het Christendom herhaalde aanvallen deden op het zoo nabij gelegen Deventer. Zooals wij reeds boven mededeelden deden ze in 756 een aanval op Deventer, vermeesterden de stad en verbrandden verscheidene huizen en ook de kerk. Lebuïnus was genoodzaakt naar Utrecht te wijken (hoewel we het niet prijzenswaardig vinden dat hij zijn gemeente in den steek liet) alwaar hij kanunnik van St. Salvator was. Hij bleef daar tot Deventer was ontruimd en herbouwde zijne kerk op dezelfde plaats waar de verbrande had gestaan. Niet alle schrijvers zijn van deze meening daar eenigen hunner de vernieling der kerk toeschrijven aan de onbekeerde inwoners dezer streken.
Den 12 November 777 overleed Lebuïnus en het jaar daarna vielen de Saksers ten tweede male in deze streken, drongen tot Deventer door en verbrandden huizen en kerk; vermoordden oud en jong en ontzagen zich niet de maagden te schoffeeren. Drie dagen lang zochten de Saksers in hun onverzoenlijken haat naar het gebeente van Lebuïnus zonder het te kunnen vinden. Nadat zij waren afgetrokken zond de Utrechtsche bisschop den beroemden Ludgerus naar Deventer ten einde het werk van Lebuïnus voort te zetten. Deze edele Fries kweet zich met ijver van de hem opgedragen taak en herbouwde de kerk veel fraaier dan te voren. Hadden de Saksers naar het gebeente van Lebuïnus gezocht zonder het te kunnen vinden, de levensbeschrijver van Lebuïnus verhaalt dat toen Ludgerus reeds de grondslagen van de nieuwe kerk had gelegd Lebuïnus hem in den droom verscheen en hem de plaats aanwees waar het, aan de zuidzijde van het nieuwe gebouw te vinden was en wel met de volgende woorden: "Zeer beminde broeder Ludgerus, dank moet gij hebben dat gij God zijne kerk herbouwt, waarvoor gij ook zekerlijk een groot loon zult wegdragen en wat belangt mijne doodsbeenderen daar gij zoo naarstiglijk naar hebt gezocht, die liggen begraven aan de zuidzijde van uw gebouw”. Ludgerus den volgenden morgen vroeg ontwakende, liet op de genoemde plek de aarde omgraven, ontdekte aldaar de overblijfselen van den inmiddels heilig verklaarden Lebuinus nam ze met betamelijken eerbied van daar en stelde ze op een verhevener plaats in zijne nieuwe kerk, die korten tijd daarna volbouwd en aan onze Lieve Vrouwe en Lebuïnus toegewijd werd.
In 782 of 784 kwamen de Saksers weder in deze streken doch de inmiddels versterkte borstweringen te Deventer schijnen hen zooveel ontzag te hebben ingeboezemd dat zij hun bezoek aan Deventer niet hebben herhaald; de geschiedenis maakt daarvan ten minste geen gewag.
De door Ludgerus herbouwde kerk werd in 937 door bisschop Balderious vernieuwd en vergroot; zij bleef in dien toestand tot 23 Juli 1334 toen zij door een hevigen brand vernield werd. Op de grondvesten werd daarna weder eene kerk gebouwd doch later afgebroken en opnieuw herbouwd. Ook deze werd omstreeks 1580 verlaten, preekstoel, banken en uurwerk werden naar de Broederen kerk overgebracht en het verlaten gebouw bestemd tot een magazijn voor grof geschut en ander krijgstuig, waartoe het tot op den huidigen dag wordt gebruikt. Uit het vorenstaande blijkt dat de plaats waar zich thans het Rijksarsenaal bevindt, de oudst bekende plek van Deventer is.
Enkele schrijvers willen ons doen gelooven dat Deventer eerst met een muur omringd werd, toen de Noordenbergstraat, de Papen-, Nieuw- en Smedenstraat er bij aangetrokken werden, maar volgens de oude rekeningen in de stadsarchieven aanwezig, blijkt duidelijk en klaar dat Deventer reeds te voren met een ringmuur en torens omgeven was. Twijfel hieraan is bijna onmogelijk, wanneer we in aanmerking willen nemen, de groote nauwkeurigheid die onze voorvaderen in hunne geschriften en vooral in hunne rekeningen in acht namen, al zal het toen wel - even als in den tegenwoordigen tijd - geweest zijn, dat de stadsrekeningen niet behoorden tot de zuinigst berekende en men ook te dier tijde reeds de leer huldigde: dat het mes van twee kanten moest snijden; m. a. w. dat er iets aan den strijkstok moest blijven hangen. Deze leer - het zij ter eere van Deventer gezegd - werd in andere koopsteden eveneens in praktijk gebracht. Van merkwaardige gebeurtenissen na het bovengenoemde jaar vinden we niet veel aangeteekend. Alleen willen we aanstippen dat in 900 reeds tollen en schattingen geheven werden die heden ten dage nog niet zijn opgeheven, dat in 914 de stad diende tot zetel van den Utrechtschen bisschop Radboud, die door de Denen uit Utrecht was verdreven, wiens opvolger Balderik, Graaf van Goor en Twente hem opvolgde en eveneens hier zijn zetel vestigde.
In 973 gaf Keizer Otto de Groote aan de kerk van Utrecht het recht van den tol te Deventer, daarna de bisschopstol genoemd, waaruit genoegzaam blijkt, dat Deventer reeds eene noemenswaardige handelsplaats was, toen Keizer Hendrik II in het jaar 1046 aan Bernoldus Bisschop van Utrecht, eene plaats schonk, Deventer genaamd, alwaar de keizer het recht had van de munt, van de tollen te heffen en keuren te maken, welke hij allen in den giftbrief afstond en welke allen reeds eene aanzienlijke plaats doen veronderstellen.
Na dien tijd nam Deventer steeds in ontwikkeling toe; niettegenstaande zij deelde in de onrust van deze tijden van oneenigheid der bisschoppen met Gelderland en andere heerlijkheden en daarvan veel te lijden had.
Hoewel Dumbar ons hierin niet voorlicht, blijkt toch uit andere geschriften dat in de eerste jaren der 11e eeuw aan Deventer vele privilegiën en keuren werden verleend, die in de 13e eeuw nader werden bevestigd; dat de stad daarop in belangrijkheid toenam, vooral door de kloosters en godshuizen die er gesticht en de gilden welke er opgericht werden. Van de gilden wordt het eerst in 1282 melding gemaakt, toen het Schroder- of Snijdersgilde ingesteld werd, waarna in een tijdvak van 4 eeuwen een ontelbaar aantal gilden werd opgericht, waarvan het laatste genoemd wordt "de compagnie der Brouweren” in 1681.
Behalve deze gilden uit kooplieden, kunstenaars en ambachtslieden bestaande, vond men hier ook nog Broederschappen naar hunne Schutheiligen genoemd, waarin adel en burger, mannen en vrouwen, weduwen en jongedochters werden opgenomen, mits zij ter goeder naam en faam bekend stonden, Het aanvankelijke doel dezer broederschappen was om op gezette tijden aan behoeftige menschen uitdeelingen te doen.



Ook in de geschiedenis van Deventer staat Floris V aangeteekend als een welwillend heer. In 1241 tot het Hanseverbond toegetreden, schonk deze vorst in 1276 en 1278 aan de Deventer kooplieden vele voorrechten, waardoor de bloei van onze veste steeds toenam.
Van enkele belangrijke personen vinden we na dit tijdperk melding gemaakt, waarvan wij alleen willen opnoemen Gerhardus Magnus Groote, die omstreeks het midden van de 14e eeuw geboren en tegen het einde daarvan gestorven is. Van hem wordt gemeld dat hij een hoogelijk geleerd man was, die als prediker en onderwijzer geheel het Sticht en Holland rondtrok, leerende en predikende en overal de sporen van zijn gezegenden invloed achterlatende. Het huis waarin hij geboren werd bevond zich op den Brink, volgens sommigen op den hoek van de Assen- en de Polstraat gelegen. De vroegere latijnsche school in het huis thans door den heer Inpijn bewoond heeft zijn grooten naam aan hem te danken. Ook is hij de stichter der Broederschap des Gemeenen Levens, waarvan het klooster in de Engestraat en voor een deel op de Stroomarkt stond, zoomede van het Mr. Geerts-Klooster dat zich bevond op de plaats thans ingenomen door het Groote en Voorster Gasthuis.
Voorts dient als merkwaardigheid uit dit tijdvak nog te worden vermeld dat deze stad eene der eerste was waar de boekdrukkunst met goed gevolg werd beoefend. Als eerste boekdrukker wordt genoemd Richard Paffroed, een Keulenaar van geboorte, later Deventersch burger in de Bisschopstraat in 1477 woonachtig. Een tweede merkwaardigheid van dit tijdvak is dat de stad het recht verkreeg om gouden munt te slaan.
Het plein der pleinen "de Brink" staat in nauw verband met de jaren, welke thans volgen. Men vindt daarop onder anderen "een zeer schoon en heerlick gebouw, alsoo gebout als een insule, dattet rontom vrij is, ende afgescheyden van andere huysen”. De oorsprong van dit gebouw de Waag is als volgt. In de jammerlijke tijden toen Steden tegen Steden, Gewesten tegen Gewesten als vijandelijke machten tegenover elkander stonden, had Hertog Karel van Gelder aan de overzijde van den IJssel twee blokhuizen of schansen opgeworpen; de eene heette de Morgenster, doch werd in de wandeling om de lastige nabijheid voor de stad door het volk "Kijk in de Pot" genoemd, de andere hooger opgelegen, Althena. Hertog Karel was in oorlog met het Sticht en belegerde dientengevolge Deventer, daar de stad aan het Sticht verbonden was. In deze blokhuizen lag bezetting, doch toen de Bourgondiërs, Hasselt hadden ingenomen en hunne strooperijen tot in de nabijheid van Deventer uitstrekten, was ook eenige ruiterij tot hier genaderd. Een spion door de bezetting der blokhuizen uitgezonden kwam op zekeren dag in het jaar 1528 in vollen ren terug met de tijding dat de vijand naderde. De bezetting werd door zijn bericht zoo verschrikt dat zij in allerijl de verschansingen verliet. Dit was door de poorters van Deventer niet onopgemerkt gebleven en deze maakten hiervan gebruik om de twee schansen te sloopen, waarbij zij zoo vlug te werk gingen dat er binnen enkele uren geen spoor meer van te zien was. Al het materiaal werd binnen Deventer gebracht en gebruikt tot den bouw eener nieuwe waag, waarvan het stichtingsjaar op een daarin aangebrachten steen te lezen staat. Aan de beide zijden van het gebouw bevinden zich enkele zinnebeeldige voorstellingen die op den oorsprong er van betrekking hebben. Op enkele ledige consoles die zich daar bevinden, stonden vroeger beeldjes die tot bespotting van den Hertog van Gelre en de Gelderschen hebben gediend, maar deze werden in 1532 voor een gedeelte weggenomen.
De stad ging van de heerschappij van den Hertog van Gelre op die van Keizer Karel V over, doch eerstgenoemde wraak willende nemen op de bespotting waaraan hij door de Deventerschen was blootgesteld, wist in het verdrag de bepaling te doen opnemen, dat Deventer geen brug over den IJssel mocht slaan, welke bepaling geruimen tijd werd gehandhaafd.
Het tijdvak der beroeringen brak thans aan, de invloed van den grooten Hervormer deed zich ook hier gevoelen, met al zijne grootsche daden en onverkwikkelijke baldadigheden. Even als Gorcum zijne Roomsche martelaren heeft gehad, telt ook Deventer zijne om der wille van de nieuwe leer gefolterde burgers. Als zoodanig vinden wij aangeteekend dat de Wederdoopers ook te Deventer eenen aanhang hadden verkregen. In 1534 en 1535 werd er ernstig onderzoek gedaan naar de aanhangers dezer sekte hier ter stede, tengevolge waarvan een viertal hunner in het laatstgenoemde jaar ter dood werd gebracht door met den zwaarde te worden gerecht, hetgeen op den Brink plaats had. Uit oude stadsrekeningen blijkt dat zij daarna werden verbrand. Het was echter niet mogelijk een dam op te werpen tegen den zich meer en meer uitbreidenden stroom der Hervorming en al spoedig werd de magistraat genoodzaakt het prediken toe te staan, wat echter reeds kort daarna op bevel van Margaretha van Parma werd geschorst die een Spaansche bezetting in de stad legde onder Mondragon.
Vooraf dient nog vermeld dat toen Keizer Karel in 1549 zijnen zoon Philips als heer der Nederlanden liet huldigen dit voor Overijssel geschiedde op den 11 October van dat jaar te Deventer. Na de overdracht van het bestuur over de Nederlandsche gewesten, begon Philips al spoedig ook te Deventer de plakkaten zijns vaders te vernieuwen en vestigde hij in 1558 tegen den zin der Staten en van de geestelijkheid alhier een bisschoppelijken zetel. De oneenigheden namen toe en tevens het aantal der Hervormden naarmate de vervolgingen sterker werden. De regeering der stad moest het prediken toestaan wat als boven gezegd later werd geschorst.
Met de komst van Alva braken nog slechtere tijden voor Deventer aan en in verband met een in het jaar 1570 ongemeen hogen watervloed waardoor vele menschen en eene ontelbare menigte vee omkwamen en groote schade werd aangericht verdween de vroegere welvaart der stad voor langen tijd en werd de bloeiende buitenlandsche handel gefnuikt.



In 1578 werd Deventer door Rennenberg belegerd; hj kwam van Kampen en richtte bij de Galgen- en Klinkenbeld eene schans op, waarna onderscheidene molenbergen voor den Noordenbergertoren bezet en verschanst werden. Door de troepen werd de fraaie paalbrug over den IJssel die in Nederland hare weergade niet had en gelegen was op de hoogte van den Graaf van Buren, in brand gestoken welke brand twee volle dagen duurde. Den 19 November 1578 gaf de stad zich over na voor een groot deel in puin te zijn geschoten en de geldmiddelen van de stad en van de burgers een grooten knak te hebben toegebracht. Nadat de bescherming van deze gewesten aan Koningin Elisabeth van Engeland was aangeboden, werd Deventer door Sir Willem Stanley als gouverneur bestuurd, die de stad in 1587 op verraderlijke wijze weder in de macht der Spanjaarden bracht, doch in 1591 weder moest overgeven aan Prins Maurits, die er na een beleg van 10 dagen meester van werd en door het veroveren van alle plaatsen in het graafschap Zutphen, in Overijssel, Groningen en Drenthe aan deze streken een lang gewenschte verademing en rust verschafte.
Het jaar 1630 was voor Deventer verblijdend, doordien op den 16 Februari aldaar de doorluchtige school werd geopend en ingewijd, die als Athenaeum zoovele jaren den roem van Deventer en van dit gewest heeft uitgemaakt.
De nu volgende jaren van deze eeuw hebben in de stedelijke geschiedenis droevige herinneringen achtergelaten. De jaren 1636 en 1656 kenmerkten zich door een pestziekte, tengevolge waarvan in het eerstgenoemde jaar 2803 en in het laatste 4568 menschen stierven. Wanneer men hierbij in aanmerking neemt dat de bevolking van Deventer toen ongeveer 7000 zielen was, kan men zich van de grootte dezer ramp een denkbeeld vormen. En alsof de stad nog niet genoeg had geleden, werd zij den 20 Februari van het jaar 1658 door een verschrikkelijken watervloed geteisterd, van zulk eene hoogte dat men op de nieuwe Markt, den Brink tot aan de Maansteeg, het Kerkhof en andere plaatsen in de stad met schuiten moest varen. Volgens aanwijzingen stond het water tot in de ringen welke zijn uitgehouwen in de leeuwenmonden aan de pilaren der kerkdeuren tegenover het Raadhuis.
Slechts weinige jaren later, zoodat de stad zelfs niet tot verademing kon komen van al het leed haar getroffen, werd Deventer door den keurvorst van Keulen en den Bisschop van Munster ingenomen en bezet. Hoewel de vestingwerken der stad thans in veel beteren toestand verkeerden, daar de muren en torens door aarden wallen met bastions waren versterkt en diepe grachten de nadering beletten moesten, de bezetting zeer sterk was en een aanzienlijken voorraad geschut en munitie aanwezig was, duurde het beleg slechts van den 16 tot den 21 Juni 1672, waarna de burgerij, door de uitwerking der vuurmonden van den vijand verschrikt, zich aan beide vorsten overgaf. De verdeeldheid die er heerschte over sommige punten van regeering sedert den dood van Willem II heeft tot deze spoedige overgave onmiskenbaar mede gewerkt. Bij deze verdediging heeft zich de Burgemeester en Kameraar Hendrik Nilant in de wandeling "Koninkje van Deventer" genaamd, als hoofd der regeering zeer lafhartig gedragen. De lafhartigheid bij die gelegenheid aan den dag gelegd heeft hare gevolgen na zich gesleept, daar de stad gedurende twee jaren eene bezetting moest onderhouden die de geldmiddelen uitputte. De burgers moesten de soldaten van spijs en drank en allerlei noodwendigheden voorzien, terwijl het ergste was, dat het garnizoen telkens verwisseld en de inwoners tot nieuwe opofferingen gedwongen werden. Bovendien moest maandelijks 6000 gulden opgebracht worden om de soldij te betalen. Ten gevolge daarvan was de regeering der stad genoodzaakt al haar zilverwerk te gelde te maken en daarvan noodpenningen te doen slaan, omdat er gebrek aan gereed geld was. In April 1674 werden bij de onderhandelingen over het ontruimen der stad weder aanzienlijke sommen gevorderd, waarom later, om de gijzelaars in te lossen, besloten werd een kapitaal van f 100.000 te negotieeren.
De naam der Overijsselschen is in dat tijdperk door de betoonde lafhartigheid geschandvlekt. De regeering der stad Deventer werd veranderd en gezuiverd, zoodat geen der zes Nilanden, welke in het stadsbestuur zaten, daarin eene plaats kreeg. De nu volgende eeuw was voor Deventer onbelangrlijk. De stad deelde wel in de afwisselende twisten tusschen steden en ridderschap, maar belangrijke gebeurtenissen, de vermelding waardig, hadden niet plaats. We kunnen hierover het stilzwijgen bewaren en ons verplaatsen in de jaren 1775 en 1776, toen hevige stormen en geduchte watervloeden ook hier zich deden gelden. In 1784 had wederom eene overstrooming plaats, die eenige dagen duurde, den IJsseldijk bij den Platvoet deed bezwijken en veel schade aanrichtte.
Thans rest ons nog ten slotte in enkele trekken de lotgevallen van Deventer te schetsen, in de laatste jaren der 18e en de eerste der 19e eeuw. Evenals overal in ons Vaderland werden ook de ingezetenen van Deventer besmet door de grondbeginselen van vrijheid, gelijkheid en broederschap, die tot een zegen voor het volk konden gerijpt zijn, als niet het bloed en de tranen voor die beginselen vergoten, veel aan de waarde er van hadden ontnomen. In beginsel goed te noemen hebben de uitspattingen van het onbewuste deel der natie, zoo wel in ons Vaderland als elders daaraan het reine, verhevene en schoone ontnomen en dat wat een zegen had kunnen worden in een vloek verandert. Toch valt het niet te miskennen dat er bij het vele leed dat geleden is, ook veel zegen door is gewrocht en niet voorbijgezien moet worden dat, al verkeerden de inwoners van ons land in betere verhouding dan die van Frankrijk, ook zij bij de groote nadeelen enkele voordeelen hebben verworven, die misschien te licht geteld, toch in de toekomst hunne vruchten hebben opgeleverd.
Wij lezen in verschillende handschriften, dat evenals in vroegere tijden, zelfs de bevriende, verbondene machten door Overijssel trokken, de sporen van plundering, roof en verbranding nalatende. Overijssel was spoedig in de macht der Franschen, want zij werden met uitbundige vreugde door de patriotten ontvangen.



Wij willen een tienjarig tijdvak overslaan en ons den 4 April 1813 te Deventer denken, toen het decreet van Napoleon werd ontvangen waarbij de stad in staat van beleg werd verklaard. Al beschouwde men dit aanvankelijk als van weinig beteekenis, al spoedig kwam men tot de ervaring dat het ernstig gemeend was doordien de vestingwerken versterkt en andere verdedigings-maatregelen genomen werden. Telkens kwamen er troepen om de bezetting aan te vullen en op den 9 November trad de staat van beleg in, waarbij de macht van het stedelijk bestuur werd onderworpen aan den raad van defensie. Eenige dagen later werden de huizen buiten de Brinkpoort afgebroken omdat deze voor de verdediging een beletsel waren.
Van af dien dag kwamen er steeds Kozakken voor de stad, die zoowel bezetting als inwoners in spanning hielden omdat men niet wist hoe groot het aantal was. Evenals in vroegere tijden moest ook nu de goegemeente offeren en werden de burgers gelast een zeker deel (10 tot 15 gulden) op een bepaald uur te brengen bij den stedelijken ontvanger.
Al wat zich buiten de vesting bevond werd naar binnen gehaald, wat dringend noodig was daar de bezetting door 600 man uit Wezel versterkt werd. Op den 21sten bestond het garnizoen uit 1600 man en was dit van voldoende munitie voorzien om lang tegenstand te kunnen bieden. Voortdurend werd getracht de stad van levensmiddelen te voorzien en werd alles uit den omtrek binnen gehaald, doch daarmede werden de lasten voor de burgers niet weggenomen want toch werden zij gedwongen om 50000 gulden op te brengen. Het ijs dat de buitengrachten overdekte bood voor velen van het garnizoen eene geschikte gelegenheid aan om te deserteeren waarvan ruim gebruik werd gemaakt, waardoor het garnizoen sterk verminderde. Opmerkelijk is het dat de Kozakken zich het ijs niet ten nutte gemaakt hebben om Deventer te overrompelen, waarvoor alle gelegenheid bestond en indien men gewild had, hadden de burgers van Deventer daarin zeer goed de behulpzame hand kunnen bieden. Den 23 November werd de stad door de Kozakken opgeëischt, doch werd de overgave geweigerd en bleef zij gedurende bijna zes maanden belegerd door den Nederlandschen landstorm en andere krijgslieden. De zware en willekeurige afpersingen zoowel in geld als in levensmiddelen door de
Franschen namen geen einde en bovendien hadden de inwoners veel te lijden van andere gewelddadigheden. Behalve de vele huizen in de nabijheid van de stad, hadden de Franschen onze schoone wandelplaats de Worp geheel vernield door de fraaie oude boomen om te hakken en alles plat te treden wat er te vinden was. Om de stad geleek het wel een woestenij daar lusthoven en tuinen, boomgaarden en bloementuinen niet meer te herkennen waren. Met moeite kon ieder terugvinden wat hem toebehoorde. Den 28 April 1814 sloeg het uur der verlossing daar als toen een verdrag tot overgave gesloten werd; de Fransche bezetting vertrok echter eerst den 26sten Mei en werd onmiddelijk door Nederlandsch garnizoen vervangen. Van de bezetting die aanvankelijk 1600 man en door aanvulling tot 2400 man versterkt was trokken slechts 1200 man over de IJsselbrug en werd het Hollandsche garnizoen onder vreugdegejuich binnengehaald.
Met het vertrek van de Franschen uit Deventer kon de geheele provincie Overijssel zich verheugen in de volkomene bevrijding der Fransche overheersching. Nadien brak er een tijd van rust aan, die wel is waar door de Belgische onlusten eenige stoornis ondervond, doch waardoor geene belemmering in den bloei der stad werd veroorzaakt. De handel nam toe en nadat het besluit genomen was om de wallen van Deventer te slechten en daaraan gevolg was gegeven heeft de stad zich uitgebreid en breidt zij zich nog steeds uit. Daar waar vroeger het kanon zich liet hooren, hoort men thans het ruischen der boomen en het liefelijk gekweel der vogels, want de eertijds zoo sterke wallen zijn voor een deel in schoone wandeldreven herschapen. Met de slechting der wallen nam de uitbreiding der stad eenen aanvang en dat deze steeds grootere afmetingen aanneemt, hiervan kunnen de bezoekers van Deventer zich nog dagelijks overtuigen.
Wij hebben getracht een eenigszins aaneengeschakeld historisch overzicht te geven; dat daarin vele leemten worden aangetroffen vindt zijnen grond in de weinige ruimte die wij daarvoor bij de bewerking mochten innemen. Hadden wij over meerdere ruimte mogen beschikken het zou niet ontbroken hebben aan eene beschrijving van personen die zich hier verdienstelijk hebben gemaakt, zooals Aegidius de Monte (1570); Jacobus Revius (1586); de handelsoperatiën in vroegere jaren op het Noorden; de West-Indische Maatschappij en zoovele andere belangrijke zaken de aandacht ten volle waardig.

Mogelijk zal bij de wandeling door de stad welke wij hierop laten volgen ons de gelegenheid gegeven worden om op enkele hierboven vermelde personen of zaken in 't kort de aandacht te vestigen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen