INLEIDING
De stoombootdienst Heukels en Zonen te Zwolle gaf de hieronder weergegeven gids uit in de jaren twintig en dertig. Zeer bijzonder is dat de stoomboot Ora et Labora I nog steeds bestaat! Ze ligt nu als varende woonboot Ora et Labora in Utrecht en is herkenbaar als de salonboot van vroeger. Ciska de Ruiter legt momenteel de laatste hand aan het boek dat zij over het bestaan van dit schip heeft geschreven. Het boek krijgt de titel: 'Ora et Labora – van stoomboot tot woonboot' en gaat binnenkort naar de drukker. Op www.dewittewaterlelie.nl is hier meer over te vinden.
EEN ONDERNEMING.
Het zal nu ongeveer 20 jaar geleden zijn, dat Giethoorn voor het toerisme ontdekt werd. Deze uithoek van Nederland in het Noord-Westen van Overijsel was toen nog niet opgenomen in het verkeer van den stroom uitgaande menschen, die in de zomermaanden van steden en dorpen zich uitstort over bosch en beemd, hei en water. Het lag daarvoor te ongelegen, en schier niemand vermoedde daar belangrijk natuurschoon, noch eenig typisch Nederlandsch dorps-eigen.
Terwijl alle bekende plekken in Nederland, die om hun schoonheid worden geprezen, geleidelijk gemakkelijker te bereiken waren, doordat spoor- en tramwegen de noodige uitbreiding ondergingen, dacht niemand echter aan het afgelegen Giethoorn in een land van bijna uitsluitend moeras en water. Totdat opeens enkele dolende toeristen het ontdekten. In betrekkelijk korten tijd verschenen in kranten en tijdschriften tal van artikelen over Giethoorn, waarin de schoonheid, het eigenaardige, het typische en het pittoreske van het dorp en den eenvoud der bewoners om 't zeerst werden geprezen. De naam Hollandsch-Venetië, die al spoedig gemeengoed werd, was wel geschikt om de nieuwsgierigheid te prikkelen en verwekte een levendige belangstelling voor het bekoorlijke dorp en zijn merkwaardige omgeving in dezen uithoek van ons schoone land. Velen hadden er een lastige reis voor over om met eigen oogen te zien, wat anderen er van vertelden.
Hoe Giethoorn is te bereiken?
Op verschillende manieren, doch het naaste spoorwegstation is nog minstens anderhalf à twee uur loopen er van verwijderd, zoodat een tocht er heen zich moeilijk aansluit bij het snelverkeer per spoor. Er leiden wel goede wegen heen voor rijwiel, auto of motorrijwiel, doch het dorp ligt zoozeer buiten de groote wegen, dat het onwillekeurig niet in de routes wordt opgenomen, hoe zeer een bezoek ook de moeite en het oponthoud loont. Zij, die van een bezoek aan Giethoorn volop willen genieten en bovendien een dag aangenaam willen doorbrengen, kunnen dit op eenvoudige, gemakkelijke, prettige en tevens billijke wijze doen. De FIRMA J. HEUKELS & ZONEN, stoombootdiensten te ZWOLLE, heeft de laatste jaren met steeds toenemend succes boottochten naar Giethoorn georganiseerd. De Salonschroefstoomboot leent zich daarvoor blijkbaar zeer goed.
Dagelijks toch worden meestal 100 tot 150 personen vervoerd. In het drukste van de vacanties wordt dit getal nog hooger opgevoerd en in speciale gevallen is het wel 450 geweest, waarbij dan 2 of 3 zusterschepen dienst moesten doen.
Voor het eerst heeft de Directie der Spoorwegen het vorige jaar de toeristen uit diverse plaatsen per goedkoopen trein aangevoerd, om van Zwolle uit per Ora et Labora dit uitstapje te maken. Hieruit blijkt wel voldoende, dat de tocht per boot verreweg de voorkeur heeft.
Er komt nog bij, dat Giethoorn van Zwolle 40, van Meppel 15 en van Steenwijk 10 kilometer verwijderd ligt.
Behalve de gemakkelijke wijze van reizen per boot in het warme seizoen, is het vooral voor hen, die van waterpartijen houden, in meer dan één opzicht een verlies, wanneer de reis per fiets of per auto wordt gemaakt. Immers men mist dan den tocht over de mooie Overijselsche Plassen, die van het begin tot het eind vol afwisseling is. Ook is aan boord van de Ora et Labora I gezorgd voor een degelijk buffet tegen matige prijzen.
Afvaart - Zwartewater te Zwolle
HET ZWARTEWATER.
De boottocht naar Giethoorn? Zoodra te Zwolle de kade aan het Roodetorenplein (10 min. afstand van het station] is verlaten, gaat het het Zwartewater op, dat ontstaan is uit de samenvloeiïng van de Sallandsche Weteringen. Aan de linkerzijde treft ons allereerst het huis "Hofvliet", waarvan de naam met kapitale letters in den gevel prijkt. Oudtijds moet dit de woning zijn geweest van een Muntmeestersgeslacht. De houtzaagmolen even verder heeft zijn wieken moeten offeren aan den modernen tijd. Aan dezelfde zijde passeeren we daarna de buurtschap "Frankhuis".
Het Zwartewater
Dit Frankhuis is overoud en wordt reeds genoemd in de 14e eeuw. Het dankt zijn oorsprong niet aan een kerk, een klooster of een burcht, waar omheen vroeger de dorpen en steden ontstonden, doch aan een herberg, gelegen aan de samenkomst van twee groote verkeerswegen, n.l. van Kampen en van Hasselt.
Herhaaldelijk komt dit gehucht in de geschiedenis voor en de waard van de herberg speelde zelfs een belangrijke rol in de rumoerige jaren van Karel van Gelre. In de groote bocht van het Zwartewater, die we nu omvaren, waarschuwt een roode ton de schippers voor een ver uitstekende zandplaat. Direct hiertegenover ligt het sluisje de "Rademakers Zijl" en begint de vaart, waarlangs oudtijds trekschuiten naar Kampen voeren. Achter den dijk strekt zich de onafzienbare polder "Mastenbroek" uit. Telkens biedt het Zwartewater met zijn rijk begroeide oevers, nieuwe treffende gezichten. Hier liggen de dijken vlak bij den stroom; ginds zijn ze een heel eind landwaarts moeilijk te ontdekken. In de verte teekent zich reeds het in Romaanschen stijl opgetrokken torentje van Hasselt af.
Inmiddels passeeren we den mond van de Vecht, die haar water met dat van hare zuster vereenigt om samen des te sneller naar zee te stroomen. Een boer, aan den oever van het Zwartewater tegenover dien Vechtmond wonende, nam eigenaardig indertijd den naam aan van "Kijk-in-de-Vecht", welke naam in en om Zwolle nog meermalen voorkomt.
HASSELT EN ZWARTSLUIS.
Het terrein, dat we nu doorvaren, heet vanouds de "Penanten". Het ontleent zijn naam aan een in de 16e eeuw gebouwde stuw. Sinds echter het Zwartewater in beheer van den Waterstaat is gekomen, zijn deze Penanten opgeruimd, alleen de naam bleef bestaan. Nu en dan glijdt ons hier statig een zwaan voorbij, nieuwsgierig starend naar de boot met opgewekte menschengezichten. De schippers en de visschers, die we telkens voorbij varen of tegenkomen, kijken vol belangstelling naar de bekende salonboot.
Gezicht op Hasselt
Het fraaie panorama van Zwolle is nu geheel uit het gezicht verdwenen en we passeeren het oude stedeke Hasselt, bekend om zijn stadhuis en de "Heilige Stede", waarheen jaarlijks ettelijke pelgrims trekken uit alle oorden des lands. Onmiddellijk valt het ons op, dat Hasselt eertijds een welvarende plaats moet zijn geweest. En werkelijk behoorde het toen met Zwolle en Kampen tot de Hanzesteden. In den loop der tijden heeft het veel moeten lijden van de scherpe concurrentie der grootere plaatsen. Toch is het nog geen doode stad. De nijvere bevolking vindt in scheepsbouw, kalkbranderijen, enz. haar bestaan. Een paar stooten op de fluit ..... en ..... de kloeke brug over het Zwartewater, de Van-Nahuysbrug (zoo genoemd naar een voormalig burgemeester), wordt reeds geopend, zoodat we niet behoeven te wachten.
De tram Zwolle-Blokzijl, die hier het Zwartewater moet passeeren, wacht driftig puffend op onze doorvaart. Helder schijnt de zon op de roode daken van het oude Hasselt, zich weerspiegelend in het donkere rivierwater. Met volle kracht stoomen we het bedrijvige Zwartsluis tegemoet, met een witte schuimstreep teekent de "Ora et Labora 1" haar weg. De groote sluis, waardoor het Meppelerdiep in verbinding staat met het Zwartewater, varen we voorbij en houden op de Oude Sluis aan, om daar door te schutten en in de Arembergergracht te komen. 't Is als afgepast, de boot kan precies in de sluiskolk, in de lengte en in de breedte is nauwelijks meer dan een voet speling. Ieder passagier luistere hier naar de waarschuwing, die van alle kanten gehoord wordt: "Handen binnen boord houden"!
Aremberger Schutsluis
DE AREMBERGERGRACHT.
De naam der sluis zegt ons reeds, dat we hier te doen hebben met het werk van den stadhouder Jan van Barbançon, Heer van Ligne, Graaf van Aremberg. Deze werd in 1548 door de Landvoogdes, Margaretha van Parma, benoemd. Dit terrein is als 't ware een monument van zijn leven en werken. Sinds het begin der 17e eeuw gingen echter de rechten op sluis en vaart door verkoop over in particulier beheer. Aan weerszijden van de gracht, die we nu invaren, vinden we allerlei victualiënhandel, opslagplaatsen van turf, typische huisjes met den achterkant naar 't water gekeerd, die ons een blik geven op het huishoudelijk gedoe. Verder zorgen scheepswerven en kalkbranderijen voor de gewenschte afwisseling. 't Is al leven en bedrijvigheid, één aaneenschakeling van indrukken. Maar allengs worden de gebouwen en getimmerten, waaronder vele van primitieve samenstelling, schaarscher; de omgeving krijgt een meer landelijk aanzien en al spoedig is er links en rechts van de vaart uitsluitend de rijke flora van onze lage landen.
Hier en daar staat een grijze grutto, op een hooge turfbelt ons aan te staren, terwijl verderop het klagend geroep van het "grutto", “grutto" ons in de ooren klinkt. Sterntjes, net kleine meeuwtjes, komen in troepen aanvliegen, scheren langs en over de boot en zwenken vervolgens in prachtige vluchten weer naar hun water-eldorado terug. Het geheele terrein, dat we nu overzien, bestaat uit laagveen. Omstreeks het midden der 15e eeuw begon hier de afgraving van het hoogveen, terwijl de gracht, waarin we ons nu bevinden, in 1568 gereed kwam.
Zien we nu vooruit, dan merken we op eenigen afstand reeds het glinsteren van donkere plekken: het is het donkere water van het Belterwijde met zijn wit gekuifde golfjes, dat we weldra in zijn volle breedte passeeren, terwijl we 't in zijn heele lengte overzien kunnen en in die richting de toren van Meppel zich verheft. Spoedig vernauwt het zich alweer en naderen we de Ronduite, eenige woningen aan den weg, die tusschen het Beulaker- en het Belterwijde van Vollenhove over Wanneperveen naar Meppel leidt, met een zijweg naar Giethoorn en Steenwijk. Het gehucht Ronduite ontleent zijn naam aan een in de 16e eeuw aldaar opgeworpen schans tot afweer der Friezen. Men houdt het woord Ronduite voor een verbastering van het Fransche woord Redoute, dat schans beteekent. De bevolking spreekt dan ook niet van Ronduite, maar zegt: Rodute.
Intusschen is de wipbrug opgehaald en als we er door varen, houdt de brugwachter ons aan een stok zijn ijzeren napje voor, om het bruggegeld in ontvangst te nemen. Een paar mannen, enkele vrouwen en kinderen, turen ons na, wellicht zich verbaasd afvragend, wat die menschen toch wel beweegt om naar zoo'n waterland te komen zien.
Het groote meer, dat we nu voor ons hebben liggen, is het Beulakerwijde. In de 18e eeuw bestonden deze beide meren nog niet. Op de kaart Van 1781 komen noch Beulaker- noch Belterwijde voor. Deze door het afgraven van het laagveen ontstane poelen, werden niet ingedijkt en vraten steeds verder den slappen bodem in. De geweldige overstroomingen in het laatst der 18e eeuw deden het overige en zoo groeiden de eertijds onschuldige veenplassen aan tot kleine zeeën, en werden een groot gevaar voor de omgeving. Het geheele dorp Beulake met zijne in 1666 gestichte kerk, werd door de watervloeden van 1775 en 1776 geheel verzwolgen. Nog toont men ons de plaats aan, waar eens het kerkhof was, terwijl de eikenhouten preekstoel in de Ned. Herv. Kerk te Vollenhove afkomstig is uit de kerk van het verdronken dorp.
Ongeveer honderd jaar geleden werd deze streek weer dusdanig geteisterd, dat niet minder dan 300 koeien omkwamen in den vloed en meer dan 25 huizen totaal verdwenen.
Op dit breede water doemen schitterende vergezichten voor ons op. Achter ons heel in de verte zien we den toren van Zwartsluis en hier en daar een enkel hoog dak, links het geboomte van het land van Vollenhove en de hooge Voorst, schuin voor ons de schemerig roode daken van Blokzijl. recht voor ons uit in de verte piekt de torenspits van Steenwijk boven de boomen uit, schuin rechts in 't wazig verschiet vertoonen zich de omtrekken van het Drentsche stadje Meppel. Heerlijk warm schijnt de zon en een zacht briesje toovert op het water zwakke golfjes, geluidloos brekend tegen de stevige zijden van de boot. Als de zon zich voor een oogenblik achter een wolk verschuilt, overhuift ons de schaduwen is er op den wijden plas een voortdurend spel van licht en donker. Nog steeds is de boot op breed water en daar dit meer bij lange na niet overal bevaarbaar is, heeft onze kapitein langs een zig-zag-lijn te varen, waaraan hij zich streng moet ouden.
DE AANLEGPLAATS.
We naderen nu het einde der heenreis. De haven aan den weg naar Giethoorn komt reeds in 't zicht. De opening in de zware houten beschoeiïng ter beveiliging van den weg, het zoogenaamde heiwerk, ligt recht voor ons. Rechts en links varen we nu tusschen waterlelies door, die we jammer genoeg niet kunnen bereiken. Achter ons zien we nog even de drijvende biezepollen als bouquetten op het water, daar tusschen wat duikelaars en waterhoentjes en heel in de verte een paar zeilende schepen en dit alles geflankeerd door een heldere, lichtbewolkte lucht. De halve kracht waarmee de boot voer, wordt nu gereduceerd tot bijna nul. Nog een hoek van 90 graden wordt gemaakt en de Ora et Labora 1 ligt veilig in de haven gemeerd.
De aanlegplaats
Niettegenstaande de heenreis bijna drie uur duurde, is deze tocht zoo vol afwisseling, dat bij het van boord gaan menige passagier den kapitein of den hofmeester toeroept: "wat was het mooi!!!"
PUNTEREN.
Eenmaal te Giethoorn aangekomen, wordt den passagiers alle mogelijke vrijheid gelaten, doch iemand die er nog nooit is geweest en het dorp alleen kent uit illustraties, vraagt al gauw naar de Giethoornsche punters en typische bruggetjes. Welnu, bij de aanlegplaats van de Ora et Labora liggen een aantal dier primitieve vaartuigjes gereed, waarvan een paar met aanhangmotoren. Het verdient daarom aanbeveling, de wachtende gondeliers te volgen naar de overzijde van den weg, waar U een schitterende puntertocht wordt aangeboden. 't Duurt dan ook niet lang, of de meegekomen passagiers hebben in de punters de stoelen en banken bezet. Een paar duwen van den schipper, die achterin met zijn langen stok staat te manoeuvreeren, en de schuitjes glijden eerst door een vaart vol waterlelies en andere waterplanten, naar het eigenlijke dorp met zijn lage huizen met rieten daken, met zijn bruggetjes, weggetjes, paadjes en bongerden.
Giethoornsch wegje
Heerlijk geruischloos varen hier de punters rond, geduwd door de rappe handen der Giethoornsche gondeliers. Onuitwischbaar zal bij U de indruk zijn van een stil droomend Giethoornsch grachtje met zijn kronkelingen en tallooze schilderachtige bruggetjes en dat alles overschaduwd door het weelderig groene loof van hooge wilgen, slanke populieren en knoestige, forsche esschen.
Als na het omvaren van een bocht, die de schipper neemt met bewonderenswaardige handigheid, in den loop der jaren gekregen, de landelijke omgeving plotseling plaats maakt voor een grachtje met aan weerszijden eenvoudige, doch meerendeels nette huisjes, en paden door tallooze simpele vondertjes met hooge leuningen verbonden, waarop geen twee menschen elkaar kunnen passeeren, dan klinken uit de monden van de punterende menschen langgerekte hé's en ho's. Hoe eigenaardig! wat leuk! zoo hoort men voor en achter. 't Is dan ook een zeldzame aanblik, dien men niet licht zal vergeten. Niemand ontkomt aan de bekoring ervan.
IN EN DOOR HET DORP.
Het typische van het dorp is, naar men zegt, ontstaan uit het feit, dat de oude verveners ook hier het land hebben ontveend blijkbaar niet naar een te voren vastgesteld plan, maar naar ieders lust en behoefte. Vandaar de ontelbare watertjes, bruggetjes en vondertjes, welke bruggetjes zoo rustiek mogelijk aangebracht, aan het dorp een fantastisch voorkomen geven. Het mooie bladerdak, dat dit sprookjesachtig oord overwelft, is heerlijk van tinten, onafgebroken wisselend van het teerste olijfgroen tot het diepste zwartgroen, al naarmate de zonnestralen invallen. Het vormt als 't ware een tunnel van groen, dat de waterpartijen telkens meer tot een idyllisch sprookjesland maakt. De punter is hier het eenige vervoermiddel. Wagens en karren zie je in het eigenlijke dorp niet, daar leent de weg zich niet toe, die immers slechts een smal voetpad is, telkens afgebroken door vondertjes en bruggetjes. Alleen de vaart of gracht is de straatweg voor de bewoners. De bakker bezorgt er het brood per punter en even zoo venten de slager, de kruidenier en de marskramer per punter langs de huizen van hun klanten.
De fiets, ofschoon later dan elders, heeft zich hier intusschen wel weten in te dringen en de meeste zoowel vrouwelijke als mannelijke bewoners, bezitten een rijwiel. In het dorp zelf kunnen ze er wel is waar niet het rechte gebruik van maken, maar dan loopen ze er maar naast, voeren hem handig over de vondertjes, tot ze aan een steeg of pad komen, dat naar den rijweg leidt. Ook wippen ze er tusschen de vondertjes nog wel eens op.
Giethoornsch grachtje, overschaduwd door loover
ALLES IN DE PUNTER.
Koeien, varkens, schapen en geiten worden met punters (de eerste met de veel grootere bokken en vletten) naar en van de weide gevoerd. Ge vindt er de drijvende brandspuit en evenzoo den punter, waarin de man met het draaiorgel langs de deuren gaat. Zelfs Hare Majesteit bezichtigde bij haar bezoek in Mei 1921 per vorstelijken punter dit eigenaardige dorp.
Een passagier van de Ora et Labora schreef eenigen tijd geleden in een der dagbladen o. m.: "Toevallig waren we getuige van een begrafenis per punter. Welk een contrast met ons spelevaren door de Giethoornsche grachtjes! Somber gleed de punter voort, de met zwart doek overdekte lijkkist in het midden, daaromheen de verwanten op ouderwetsche knopstoelen gezeten. We brachten de doode een laatsten groet onder 't voorbij varen, 't was een machtige indruk, dien deze stoet op ons maakte." Ge ziet er uit, dat het dagelijksche leven daar per punter gaat. Er is, naar men beweert, in heel Giethoorn slechts één paard en wagen. In elk geval moet het getal uiterst gering zijn, want de boer of landbouwer kan geen paard, geen wagen gebruiken. Een halve eeuw geleden waren er twee paarden: het dorp had namelijk twee grutters en die hadden elk een paard voor hun bedrijf.
Giethoornsch Expeditiebedrijf
Het verkeer van toeristen heeft er blijkbaar geen ander spoor achtergelaten dan de neiging der bewoners om de nieuwsgierigen tot punteren te nooden. De eenvoudige lieden zijn volkomen zichzelf gebleven en de bewoners in de lage huisjes staren met evenveel belangstelling naar de stadsmenschen, als toen de eerste punter met toeristen over Giethoorns ondiepe grachtjes gleed. 't Overgroote deel der Giethoornsche bevolking is doopsgezind en de onderstelling is niet gewaagd, dat volgelingen van Menno Simons zich hebben verborgen op deze zandplaat in het veen tusschen de moerassen en meren in Overijsels Noord-westhoek. Want ofschoon gelegen temidden van laagveen is het dorp grootendeels gebouwd op zand, hier en daar vermengd met veen. Bij het punteren ziet men nu en dan het witte zand op den bodem van het heldere, ondiepe water glinsteren. Trouwens de stok met handvat, waarmede de schipper vaardig zijn punter duwt, zakt bijna niet in den bodem, hetgeen op vastheid wijst. Door de plassen wordt het eigenlijke dorp gescheiden in een Noordelijk en Zuidelijk deel, zoodat de toevoeging Noord of Zuid steeds wenschelijk is voor adressen, telegrammen en telefoon.
Op onzen puntertocht varen we voorbij de Doopsgezinde Kerk, in de wandeling "de Vermaeninge" genoemd. In het Noordeinde staat nog een Gereformeerde, d.w.z. Nederl. Herv. Kerk, welke de bevolking, ter onderscheiding "de Kaarke" noemt. Het dorpskarakter is echter in beide deelen volkomen gelijk. De bevolking vindt haar bestaan in visscherij, hooi- en riethandel en het boerenbedrijf. Met de veenderij, vroeger een hoofdbedrijf, is het zoo goed als gedaan. Hoogstens nog wat brandstof voor eigen gebruik.
Eenige eendekooien omkransen het dorp van verre, waarvan er maar een twee- of drietal meer in gebruik zijn.
Terwijl land steeds als onroerend goed wordt beschouwd, is het om en bij Giethoorn onder bepaalde omstandigheden roerend bezit. Is ergens op een hoek van een der vele grachtjes door aanwas langzamerhand een verkeersbelemmering ontstaan, geen nood, de eigenaar neemt het weg, bevestigt het achter zijn punter, om het elders, waar het beter op zijn plaats is, of er een gat mee gevuld kan worden, te bevestigen. Moeder Natuur zorgt wel, dat het na verloop van eenigen tijd met de wankele omgeving één geheel gaat vormen. De toerist behoeft er zich dus niet over te verbazen als hij op zijn tocht zulk een stuk onroerend roerend bezit ziet verplaatsen. Dit karakteriseert volkomen Giethoorn en zijn omgeving. Het vervoer van zulk land, drijfland of drijftillen genoemd, heet “hevesleepen". Dat heve doet denken aan heffen, zich van den bodem opheffen, optillen, drijven.
Giethoornsch huisje
De huisjes zijn er over het algemeen knus en door hun bongerden half verborgen in groen en loof. Sommige lijken erg oud en hangen wat scheef, alle hebben zwaar bemoste rieten daken, lage deuren en kleine ramen. Weinige zullen meer beantwoorden aan de tegenwoordige bouwverordeningen, maar toch zien ze er kraakzindelijk uit, netjes in de verf en de roode stoepjes voor de deuren zijn keurig geschrobd. Op de hagen hangt de wasch te drogen - een ware mengeling van bonte kleuren.
We punteren al maar verder in deze bladerengrot, zooals iemand het noemde en varen inmiddels verschillende ambtelijke huizen voorbij, zooals het gemeentehuis, de openbare school met onderwijzerswoning, de pastorie van de Doopsgezinde Gemeente en het postkantoor, hier en daar een winkel en niet te vergeten, het Bondshotel “Hollandsch Venetië" van L.J. BAKKER, waar men U voor billijken prijs enkele dagen pension verschaft, zoo ge wilt.
Herhaalde malen ben ik al in dat bladerengewelf geweest, schreef onlangs iemand in een tijdschrift, maar telkens kwam ik weer onder de bekoring van het typische, leuke, pittoreske dorp met zijn eenvoudige bewoners, in dezen uithoek van ons land. Het is een van die gedeelten, waarvan het meerendeel met enthousiasme zegt: Hé, Wat is 't hier mooi!
Zoo komt de bezoeker van de eene verrukking in de andere en neemt een onvergetelijken indruk mede, en lang, en wellicht te vergeefs, zal hij zoeken naar een oord, dat in rustieke en bijzondere schoonheid vergeleken kan worden met hetgeen hij in dit Hollandsch Venetië aanschouwde. We hebben ruim een uur gepunterd en zijn de bekoorlijke laangracht van het dorp nu uit.
Een Giethoornsch bruggetje
Wie de tocht per Ora et Labora doet, geniet alleen het Zuideinde van het dorp. Het Noordeinde doet op kleiner schaal in schoonheid er niet voor onder. Men begrijpe dat het heele dorp een lengte heeft van nagenoeg twee uur gaans. Bovendien heeft het Noordeinde nog dit bijzonders, dat daar de Ned. Herv. Kerk staat, waarachter zich inplaats van een toren er op, waarvoor de bodem niet vast genoeg zou zijn, een zoogenaamd klokhuis bevindt, waarvan de klok geluid wordt bij 't aangaan van de kerk en bij begrafenissen. Zoo'n klokhuis staat ook achter de kerk te Wanneperveen en in Friesland in de veenstreken treft men ze nog op menige plaats aan. Ook is in 't Noordeinde een buurt, die nog het klooster heet (de Kloostersteeg leidt er heen). Daar moet vroeger het klooster gestaan hebben, waarvan beweerd wordt, dat de monniken daar in ons land de eerste turf gestoken hebben. Aanbeveling verdient het daarom, om, nu 't er aan goed logies niet ontbreekt, er eens een paar dagen te blijven. Dan eerst komt men tot kennis van de vele eigenaardigheden van het dorp en zijn bewoners. Ook kan men dan eens onder den treffenden en weldadigen indruk komen van de diepe avondstilte. Bij de in 1925 aangebrachte electrische verlichting, moet een wandeling door het dorp of een puntervaart door de gracht iets ongekend schoons zijn.
IN HET LANDELIJK CAFÉ.
Onze punter neemt een scherpe bocht en in de verte zien we reeds de hooge Cornelisbrug, waar we voor het Hotel-Café Prinsen meeren. Hoe idyllisch het ook was, de mensch heeft een maag en die pleegt in 't bijzonder op het water zich aan te melden. In het café, waarvoor we uitstappen, is hierin wel te voorzien. Desgewenscht kan bij bestelling 's morgens voor 't vertrek te Zwolle ook voor een warme lunch gezorgd worden. Het nieuw gebouwde huis Prinsen, tevens Hotel en Café, heeft haar landelijk karakter behouden. Het beschikt over een autogarage en puntert gezelschappen door en om het dorp. De passagiers hebben nu nog ruimschoots den tijd zich hier te verkwikken. We roepen hun toe: "Bon appetit!" of op z'n Gietersch: “Eet ze met smèk".
TERUG NAAR DE BOOT.
In de ruime koffiekamer van het café is nog alles drukte en bedrijvigheid, als de hofmeester of de conducteur van de boot er aan komt herinneren, dat de tijd is verstreken en de terugreis moet worden aanvaard. Het eerste wat deze opvangt is: "Is 't nu al tijd?" Het is dan ook niet te verwonderen, dat een dag uit met de Ora et Labora I U veel te vlug voorbijgaat. Vooral wanneer het zomerweer U hierbij begunstigt. Men is nog lang niet klaar. "We kunnen toch niet vertrekken zonder een souvenir van dit leuke dorp te hebben gekocht," zegt de eene passagier. "Ik moet mijn ansichten nog posten in de bus om den hoek," zegt een tweede en "ik moet nog afrekenen met den waard," zegt weer een ander. Maar de tijd is er en hoewel het personeel der boot opdracht heeft, zooveel mogelijk met de wenschen van het publiek rekening te houden, toch mag onder geen voorwaarde van den vertrektijd afgeweken worden.
In verband met het vertrek der treinen naar Apeldoorn, Almelo, Zutfen enz., wordt er steeds naar gestreefd om voor zessen weer terug te zijn. Een zachte herinnering van den hofmeester aan bovenstaande feiten is gewoonlijk reeds voldoende om de aanwezige passagiers onder zijn leiding het wandeltochtje naar de boot te doen ondernemen. Onder gezellig gekout gaat het bij groepjes langs den straatweg, in de wandeling de dijk genoemd. Aan onze rechterzijde komen we langs het reeds gedeeltelijk uitgegraven kanaal Beulakerwijde-Steenwijk, terwijl aan de linkerzijde het daareven doorgevaren sprookjesdorp geheel onder het groene koepeldak verscholen ligt. Boven op de hooge brug - de Jan-Hozenbrug - gekomen, blikt links ons oog nog éénmaal over al dat schoons heen en zien we recht voor ons uit de vlag van de boot reeds wapperen. Er waait gelukkig een frissche bries en de wit gekuifde golfjes van het meer daar voor ons geven U wel den indruk, dat het op die plas bij voor- en najaarsstormen geducht moet kunnen spoken.
Hier en daar worden we op den weg nog even opgehouden door een venter, die ons tot koopen uitnoodigt. De wandeltocht is nu ten einde; vermoeid heeft die ons niet, integendeel, hij heeft ons bij voorbaat geprepareerd op ons heerlijk zitje aan boord van de Ora et Labora, dat we nu weer gaan innemen. Na eenig manoeuvreeren en draaien heeft de boot weer den steven naar Zwolle gewend.
De motorpunter in deze rustige omgeving
Langs denzelfden weg varen we over het grootsche meer terug, maar nu met het gezicht naar Blokzijl, het miniatuur stadje met zijn hooge patriciershuizen, de stad Vollenhove met zijn roode daken en de hooge Voorst.
Alles is duidelijk te onderkennen. Die hooge schoorsteen schuin voor ons is van het stoomgemaal aan den zeedijk bij de Ettenlandsche Kolk, dat het waterschap bemaalt en op peil houdt, waarvan de heer Stroink de Dijkgraaf is.
Een paar korte stooten op de fluit herinneren ons er aan, dat we de Ronduite naderen. Van hier af varen we langs een anderen weg dan op de heenreis. Het Belterwijde, dat we vanmorgen slechts even in de breedte overstaken, passeeren we nu in zijn volle lengte. Een mooie plas met bijna hetzelfde panorama als dat van haar zuster, het Beulakerwijde. Ook hier riet en biezen langs de kanten en heel in de verte een groene streep, de oever. Een kraag van boomen omzoomt het geheele meer. Af en toe passeeren we een zeilend schip of een plezierjacht. Men zegt, dat ter plaatse waar thans het Belterwijde ligt, eertijds in de nabijheid van Schutsloot de oudste kerk van Wanneperveen moet gestaan hebben. We varen inmiddels met een slakkengangetje de Beukersgracht binnen, die van den grooten plas naar het Meppelerdiep voert. Het is de vaart, waarlangs de karakiet en het waterhoen hun nesten bouwen en waar inzonderheid de waterlelie in ongerepte schoonheid bloeit. We komen aan het gehucht Beukers.
HET MEPPELERDIEP.
Langzaam glijdt de boot dit kleine schutsluisje met de grootst mogelijke voorzichtigheid binnen en geen wonder, want ook hier past de boot in de sluis als een ongeboren kuiken in het ei. Het is alsof beide voor elkaar gebouwd zijn. Uiterst primitief gaat het hier toe. Eindelijk zijn de deuren los gedraaid en nu gaat het met volle kracht het Meppelerdiep langs naar Zwartsluis. Welk een wonderschoon tafereel als we van die zijde het schippersplaatsje doorvaren. Scheepshellingen passeeren we aan beide zijden van het water. Langs den kant een ontelbare rij vaartuigen, op den wal kalkbranderijen en op gindsche fabrieksgevel staat met forsche letters te lezen de alom bekende "Buismans gebrande suikerpoeder". Een nauwe sluis brengt ons weer op het Zwartewater en Zwartsluis ligt achter ons. En hoewel we weer op bekend terrein gekomen zijn, vervelen doet het niet.
We krijgen nu de gelegenheid om het 's morgens geziene nog eens met meer aandacht op te nemen.
Het is dan ook alles weer zoo geheel anders. Door de dalende zon wordt het nu belicht, waardoor andere lichteffecten ontstaan. Ook nemen we op de rivier een andere bedrijvigheid waar, zooals tal van hengelaars in hun roeibootjes met een rookend vuurtje. Ginds in de verte blinkt Zwolle in de avondzon. Een bekoorlijk gezicht, geheel verschillend en niet minder mooi dan dat van 's morgens.
AANKOMST TE ZWOLLE
Even voor zes stappen we aan wal op het Roodetorenplein, met vele heerlijke indrukken van de gemaakte reis en met de stille hoop in 't hart: "Tot Wederzien!"
Wij hebben hiermee een beschrijving trachten te geven van Giethoorn en de reis per boot er naar toe. Oneindig veel meer dan het lezen dezer regels, geeft een bezoek aan het dorp en de omgeving, welk bezoek men naar believen kan uitstrekken. Retourbiljetten zijn geldig vanaf begin Juli tot einde Augustus. De in dezen gids opgenomen foto's pogen slechts een flauw beeld te geven van de mengeling van loover en waterpartijen, die het merkwaardige dorp en haar omgeving aan haar bezoekers(sters) biedt.
Henri Meyer schrijft hiervan in het prachtwerk "Ons Eigen Land" - dan zou de landstreek tusschen de Zuiderzee, het Meppelerdiep en Steenwijkerdiep een soort Mekka voor buitenlandsche toeristen, een soort lustoord voor schilders en fotografen en andere natuurbespieders kunnen worden .... dan zouden Giethoorn en de landschappen rond het Beulaker- en het Belterwijde gezocht worden door vreemde schilders en tijdschrift-illustrateurs ..... en al de magnifieke gelegenheden om wereldberoemde en in geen ander land aan te wijzen waterlandschappen te zien.
Als in vorige jaren op den terugtocht de torens van Zwolle weer in 't zicht kwamen, dan was het ons altijd een groot genoegen van de passagiers te mogen vernemen, dat ze een dag op zeer aangename en prettige wijze hadden doorgebracht. Menigeen dankte ons daarvoor bij het verlaten van de boot nog afzonderlijk of later zelfs schriftelijk. Met de gedachte daaraan wordt dit boekje de wereld ingezonden, in de hoop, dat het in vele handen moge komen en met den wensch, dat velen er een aansporing in vinden, in hun programma voor dit seizoen een bezoek aan Giethoorn met de Ora et Labora 1 op te nemen.
vrijdag 20 februari 2015
maandag 22 december 2014
Oldenzaal tijdens de Salische Franken, vijf wandelingen rond Oldenzaal (1901): achtergrondinformatie
ACHTERGRONDINFORMATIE
De auteur: J.A. Ort
Johannes Apollonius Ort, geboren op 2 mei 1842 in Woudrichem had een lange carrière in het leger achter de rug – laatstelijk was hij kolonel-kommandant van het 1e regiment huzaren – toen hij zich na zijn pensionering in 1899 geheel kon wijden aan zijn grote hobby’s archeologie en topografie. Ook het volksgeloof speelde een belangrijke rol bij zijn onderzoeken die hij al tijdens zijn militaire loopbaan uitvoerde. Hij wisselde nogal eens van garnizoensplaats en zocht dan onmiddellijk contact met lokale historici en struinde de omgeving af op zoek naar archeologische vondsten. Van zijn bevindingen maakte hij aantekeningen, die hij na zijn pensionering publiceerde. Via zijn zus, die was getrouwd met textielfabrikant Diederich Gelderman kwam hij regelmatig in Oldenzaal, waar hij uitgebreid de omgeving verkende en in 1895 ook een belangrijke vondst deed, n.l. het bronstijdgrafveld op de Thij in Oldenzaal.
G.J.W. Koolemans Beijnen schreef een necrologie over kolonel Ort in Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (1907-1908) en karakteriseerde hem als hartelijk en steeds opgewekt, maar in andere publicaties komt zijn eigenzinnigheid naar voren. Zo durfde hij een polemiek aan met de in hoge achting staande professor Blok over de vraag of het Romeinse Lugdunum synoniem is aan Leiden.
Voor meer biografische gegevens zie: Biografisch Portaal
Foto: J.A. Ort in 1898
Oldenzaal tijdens de Salische Franken
Een van Ort’s publicaties vormde een weerslag van zijn onderzoek in Oldenzaal en omgeving. In ‘Oldenzaal tijdens de Salische Franken’ (1901) komt Ort met een aantal (ver)gezochte theorieën over onder meer de betekenis van de plaatsnaam Oldenzaal en over het Germaanse heiligdom dat ooit op de Tankenberg zou hebben gestaan. Veel boerderijnamen herleidt Ort naar een Germaanse oorsprong. De tekst staat vol met toespelingen naar Germaanse goden en naar het lokale bijgeloof.
Thea Evers schrijft in de Tubantia (2006) over deze publicatie: ‘Het is een boek waarbij het je regelmatig duizelt door alles wat de kolonel van stal haalt om zijn theorieën te staven. Tegelijkertijd fascineert het door de oude verhalen over het bijgeloof, dat aan het einde van de negentiende eeuw nog heel dichtbij is. Zijn informanten, hebben het ofwel zelf meegemaakt, of gehoord van hun ouders. De kolonel wandelde ruim een eeuw geleden in een gebied, dat ook nu nog heel mooi is, ook al is er veel veranderd. Rond de stad liggen nieuwbouwwijken. Maar richting De Lutte is gelukkig nog altijd veel herkenbaar, ook al is er geen 'los hoes' meer te vinden. En de uitkijktoren in de Hoge Lutte, de Belvedère, staat er ook allang niet meer. De huidige wandelaar loopt daar echter bij voorkeur overdag en niet noodgedwongen in het stikdonker zoals de toenmalige bewoners. Hij is dan ook niet meer zo ontvankelijk voor de aanwezigheid van de Witte Wieven of de Gluinigen in de vorm van geraamten, waarin vuur door de beenderen zichtbaar is, en dat door mond-, neus-, en ooggaten naar buiten vliegt. En ook niet voor de heksen en elfen die in een zeef door de lucht vliegen. Hij geniet gewoon van zijn zondagse wandeling. Maar na lezing van het boek van kolonel Ort, kijk je op zo'n zondagmiddag toch iets anders naar die fraaie natuur rond Oldenzaal en De Lutte.’
De auteur: J.A. Ort
Johannes Apollonius Ort, geboren op 2 mei 1842 in Woudrichem had een lange carrière in het leger achter de rug – laatstelijk was hij kolonel-kommandant van het 1e regiment huzaren – toen hij zich na zijn pensionering in 1899 geheel kon wijden aan zijn grote hobby’s archeologie en topografie. Ook het volksgeloof speelde een belangrijke rol bij zijn onderzoeken die hij al tijdens zijn militaire loopbaan uitvoerde. Hij wisselde nogal eens van garnizoensplaats en zocht dan onmiddellijk contact met lokale historici en struinde de omgeving af op zoek naar archeologische vondsten. Van zijn bevindingen maakte hij aantekeningen, die hij na zijn pensionering publiceerde. Via zijn zus, die was getrouwd met textielfabrikant Diederich Gelderman kwam hij regelmatig in Oldenzaal, waar hij uitgebreid de omgeving verkende en in 1895 ook een belangrijke vondst deed, n.l. het bronstijdgrafveld op de Thij in Oldenzaal.
G.J.W. Koolemans Beijnen schreef een necrologie over kolonel Ort in Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (1907-1908) en karakteriseerde hem als hartelijk en steeds opgewekt, maar in andere publicaties komt zijn eigenzinnigheid naar voren. Zo durfde hij een polemiek aan met de in hoge achting staande professor Blok over de vraag of het Romeinse Lugdunum synoniem is aan Leiden.
Voor meer biografische gegevens zie: Biografisch Portaal
Foto: J.A. Ort in 1898
Oldenzaal tijdens de Salische Franken
Een van Ort’s publicaties vormde een weerslag van zijn onderzoek in Oldenzaal en omgeving. In ‘Oldenzaal tijdens de Salische Franken’ (1901) komt Ort met een aantal (ver)gezochte theorieën over onder meer de betekenis van de plaatsnaam Oldenzaal en over het Germaanse heiligdom dat ooit op de Tankenberg zou hebben gestaan. Veel boerderijnamen herleidt Ort naar een Germaanse oorsprong. De tekst staat vol met toespelingen naar Germaanse goden en naar het lokale bijgeloof.
Thea Evers schrijft in de Tubantia (2006) over deze publicatie: ‘Het is een boek waarbij het je regelmatig duizelt door alles wat de kolonel van stal haalt om zijn theorieën te staven. Tegelijkertijd fascineert het door de oude verhalen over het bijgeloof, dat aan het einde van de negentiende eeuw nog heel dichtbij is. Zijn informanten, hebben het ofwel zelf meegemaakt, of gehoord van hun ouders. De kolonel wandelde ruim een eeuw geleden in een gebied, dat ook nu nog heel mooi is, ook al is er veel veranderd. Rond de stad liggen nieuwbouwwijken. Maar richting De Lutte is gelukkig nog altijd veel herkenbaar, ook al is er geen 'los hoes' meer te vinden. En de uitkijktoren in de Hoge Lutte, de Belvedère, staat er ook allang niet meer. De huidige wandelaar loopt daar echter bij voorkeur overdag en niet noodgedwongen in het stikdonker zoals de toenmalige bewoners. Hij is dan ook niet meer zo ontvankelijk voor de aanwezigheid van de Witte Wieven of de Gluinigen in de vorm van geraamten, waarin vuur door de beenderen zichtbaar is, en dat door mond-, neus-, en ooggaten naar buiten vliegt. En ook niet voor de heksen en elfen die in een zeef door de lucht vliegen. Hij geniet gewoon van zijn zondagse wandeling. Maar na lezing van het boek van kolonel Ort, kijk je op zo'n zondagmiddag toch iets anders naar die fraaie natuur rond Oldenzaal en De Lutte.’
Oldenzaal tijdens de Salische Franken, vijf wandelingen rond Oldenzaal (1901): eerste wandeling
EERSTE WANDELING.
Wij willen nu de stad Oldenzaal, die zulk een overwegenden invloed in de eerste eeuwen onzer jaartelling, zoowel op geestelijk gebied als op het maatschappelijke, getuige de Lex Salica, heeft uitgeoefend, verlaten en eenige wandelingen maken in de zoo heerlijke omstreken, waarbij wij ons tevens op klassieken bodem blijven bewegen; waar zoovele plaatsen worden gevonden, merkwaardig genoeg, om uit een oudheidkundig oogpunt onderzocht te worden. Dikwijls, ja meest altijd, zal het mij onmogelijk zijn om aan te geven, of de plaatsnamen van de Salische Franken, dan wel van de latere Saksen, afkomstig zijn. Ik herhaal, dat volgens mijn gevoelen, de frankische bevolking niet geheel uit deze gewesten verdween, en dat daardoor hare heilige en gerechtsplaatsen ook door de Saksen als zoodanig werden beschouwd en gebruikt. Ook zullen wij zien dat vele plaatsnamen van hier, ook in het zuiden van ons land en op het Bataveneiland voorkomen, evenals ik reeds aangetoond heb dat met het woord sale het geval is, en daaruit een nieuw bewijs putten voor mijne stelling, dat die namen van hetzelfde volk afkomstig zijn.
Wij gaan de plaats voorbij waar de oude bisschopspoort aan de noordzijde van de stad, vroeger stond, en volgen den weg naar Denekamp, in + 900 Daginghem en Danighem genoemd; gedurende ongeveer 20 minuten, 1,5 kilom. Westelijk van den weg aldaar, ligt de hoeve “Beckspring", dat geen tastbare mythologische beteekenis heeft en wel evenals "Ursprinc", bron zal beteekenen. Beck is toch de naam voor beek; in 1651 wordt een Haeckenbergs beckekamp genoemd, in de Lutte. Bij "Beckspring" vereenigen zich eenige beken, waarbij ook die op Tancenberg in de Witte Wijvenstege ontspringt en “Springbecke" heet. De oude weg naar Denekamp loopt langs de westzijde dier hoeve.
In de nabijheid ligt Seijenborg of het Sijenborg. Ik heb die plaats helaas niet bezocht, daar ik, toen ik die streek bezocht, onkundig was van haar bestaan. Ik ken de naamsafleiding niet. Syn staat volgens Grimm, s. 257, met gerecht in verband; volgens de Edda was er eene godin van de gerechtigheid en waarheid, die de aangeklaagden ondersteunde, die dien naam droeg. Seijlandt is volgens het markeregt der Lutte gelijk zaailand, mogelijk werd op deze hoeve meer werk van den landbouw gemaakt dan elders. In Drenthe, gemeente Vries, is een gehucht Zeijen, waar hunnebedden worden gevonden.
Het Heghuis ligt iets meer naar de stad. In Archum bestaat de hoeve "ter Heckhuis "; in Beuningen "het Hekkenhuis"; in Holten "Hegeman" en te Vaassen "Hegge". In Limburg, te Spanbeek is een "Hegge" en “te Hegen”. In Noord-Brabant, te Hooge Mierde is een "Heggenend". Heg in de beteekenis van haag, bosch, komt, voor zooverre mij bekend, in Twenthe niet voor. De germaansche mythologie kent eene heggemoeder, die de koorts iemand op het lijf jaagt, doch die verdwijnt als men drie knoopen in een wilgetak legt. Van den Bergh houdt Heggemoeder voor eene heidensche godheid, eene reuzin. Zij
doet denken aan de uitdrukking "de duivel en zijn moer" (frau Godmor). Buddingh brengt den naam in verband met hagedis en houdt de heggemoeder voor een woudgeest. Heckmännchen is een pop in een koffer en heet ook glücksmännchen. Ook kan hier de naam Heghuis en de familienaam Hegehuis in verband staan met "hegas", zooals de omheinde grond van een heiligdom heette en dit hetzelfde beteekent als Vrijthof, frîhof. Heghermanne geloof ik dat boschwachters beteekent. Opmerkelijk veel heggen staan er om dien hof, zoodat ook dáár de naam van afkomstig kan zijn, doch in Lutter marckboek wordt een heg Haege genoemd.
Een kwart uur gaans westelijk van deze plaats ligt de hoeve "het Hondemot", ook Hondenburg genaamd. Het woord "hond" komt in verbinding met andere woorden in geheel Nederland voor. Hondemot ook in Raalte en Hondenborg bij Zenderen. "Mot" is veengrond; laag liggend grasland heet Moat, Muot is gerecht evenals het engelsche "mote". Mötten is omperken en ook betooveren. In het Fransch is motte een kluit aarde. In Twenthe wordt een mesthoop ook mothoop genoemd. Volgens Grimm is motte een duivelsnaam, en in Thüringen voert frau Motte de wilde jacht aan, dus als Holda. Te Berlicum in Noord-Brabant is een "Motven". Honde kan met honderd, met het frankische Honschaft, buurtschap, met hungericht, met den gewonen hond en ook met plaggen in verband staan. Helhond en ook hond is een scheldnaam, om minachting uit te drukken. Wodan en Freya, Holda, worden voor honden gescholden in een gedicht, waarschijnlijk omdat die dieren aan hen gewijd waren. In het markeregt van Lenthe staat onder 77 vermeld: "Het plagge en honde meyen, torven enz." Het komt mij voor dat hier de plaatsnaam op eene oude gerechtsplaats duidt, omdat het huis "het Hondemot" of "Hondenburg" eene oude herberg is geweest, dus eene verzamelplaats in de buurtschap Loohuizen, waartoe het behoort. Het zoude dan van de Salische Franken komen. De hoeve ligt aan den ouden Ootmarsumschen weg, die vroeger onveilig was door een weer- of waarwolf, zooals het landvolk zegt. Nadat dit dier gedood was, bleek het een Oldenzaalsche jood te zijn. Bij het Hondemot lag vroeger het Vloothuis. De nabijgelegen hoevenamen, de Keizer, Westrik en Rooseboer geven geen aanleiding tot opmerkingen.
Tusschen de wegen naar Rossum, in +900 Rothem, en naar Ootmarsum, heet het terrein dicht bij de stad "de Mei- of Mijbree"; westelijk van laatstgenoemden weg tot aan den weg van de Bentheimer graven "de Glinde". De Bentheimer esch ligt ten noorden van de Glinde. De naam Bentheim komt ook hier van Tubanten. Ik wil hier nog met een kort woord over de Tuihanti of Tubanten spreken. Ook na hetgeen ik daarover onder de Marsen als mijne zienswijze vermeldde, deelde mij een vriend, op wiens opvatting ik prijs stel, mede, dat hij gelooft dat van Tuihanti wel het woord Tuenthe kan afgeleid worden, maar niet van Tubanten. Nu wordt In 709 Teisterband, Testeventi of Testreventi en in 772 Testrebenti genoemd. Dus voor band, venti. Dit, dunkt mij, geeft mij het recht in Tubant ook voor bant of band venti te plaatsen. Ik krijg dan Tuventi, dat toch wel niemand zal betwisten dat gelijk Twenti is.
Ongeveer 500 meters ten noorden van de oude Almeloosche baan en 1000 meters van den Oldenzaalschen toren verwijderd, ligt een buurtschap met bouwland, waarlangs een kleine beek loopt, de uitloop van de Fonteinbeek, de heilige beek van Heidenen en Christenen. Ten noorden sluit eene kleine heide daartegen aan; dit geheele terrein heet "de Thij" of "de Huurne Tij Goarden". De heide is een grafveld, waar ik vele germaansche urnen heb gevonden; het behoort aan den Rooseboer, vroeger Olde Roze of Watersnieder genaamd. Of het met dat, bij de 1000 meters daarvan verwijderde Zandhorst in verband staat, of zij één of twee verschillende begraafplaatsen vormen, heb ik nog niet met zekerheid kunnen uitmaken; ik geloof dat ze gescheiden zijn. De onverbrande schedel toch, door mij op de Zandhorst gevonden, geeft aanleiding om dáár aan een grafveld van eenen anderen volksstam, uit een ander tijdperk te denken, dan bij de Thij, al zijn de urnen op beide plaatsen ook van de gewone germaansche type. Beiden liggen in de marke Berghuizen, buiten het stadsgebied van Oldenzaal.
Thij is volgens Justus Mösers, "Osnabr. Gesch. 1780", de verzamelplaats van een boerschap om gerechtelijke zaken te behandelen, die buiten de Holtinck vielen en later, na de invoering van het Christendom, ook buiten de Dietine of keizerlijk gerecht, buiten de Obersale of hoogste landgerecht en buiten de Zend of geestelijk gerecht.
Eerst op die verzamelplaats werd een voorzitter, een rechter gekozen, die "Thevegreve" heette, met eenige schepenen en een Vronen, en wat zij bezegelden was rechtsgeldig. Vronen is in het friesch fräna. Zulk een Thevegreve voerde dezen titel alléén tijdens die ééne zaak in behandeling was.
Voor het woord Thij wordt ook Thegge gebruikt. In Engeland heeten de boerengerechten "Thitinge". In Overijsel komt Thij als plaatsnaam veel voor, o. a. Tyinge in Steenwijkerwold; Upgen Thije in de buerschap van Tijenraen onder Raalte gelegen; Tijhuis te Raalte en daar ook een Tevenbelt en Tevenbelter Mars. Te Diepenveen heette de buurtschap Tjoene in 1309 Thijone en in 1319 Tijone. Een half uur ten noorden van Markelo ligt Tijenk. In 1426 wordt de plaats bij Oldenzaal aangeduid als "up gen Tijge" en "Tijginghbraeck"; voorts wordt er in de Marke Berghuizen een Thebuld vermeld aan de Thijstege, bij de Landreben allée. In de Lutte komt voor in de lescap Roorder-, Roeder-,
roder- of rader-Hoerne "dat Tijgkotte" (Tigkotte siue tebelt ook Thijkotte Roeuer alias Thebelt genaamd) en in de marke Enschede, Thije. Ook in het Bentheimsche ligt een oude hoeve “Tynck" genaamd. Te Rossum is een Tijmansstraat en een Tijthof. Een half uur ten noorden van Oldenzaal ligt de "oude Tijthof" in de boerschap Rensen; het was eene havezathe, waarnaar zich het geslacht Rensen tot den Tijdhof noemde, dat lang in Oldenzaal heeft gewoond.
In 1338 wordt Johannes van Thye, proost te Oldenzaal genoemd; in 1450 wordt Johan van Tijeses vermeld; in 1518 een Johan van Tije; in 1572 Gerd ten Thie; in 1759 thun Tijthof; in 1766 Jan Tijman en in 1807 Manus Tiethof.
Ook te Ulsen bestaat een "Tijhuis" en ongeveer een half uur gaans westelijk van Ootmarsum, aan den weg naar Almelo, ligt "de Tijthof", in het Haarlsche veld bij Grafheuvels. In Beuningen is een "Tijkotte".
Volgens Halbertsma (Overijs. Alman. 1836), beteekent Tiën, iemand in rechten betrekken en in het oude stadsrecht van Soest: vergadering, buurspraak, vanwaar ook "Tijdinc" = buurgerecht. Volgens Grimm is Tie een openlijke vergaderplaats. Op de Thij bij Oldenzaal hadden de rechtsvergaderingen plaats van Saksische boeren, bij de graven van hunne verwanten en bij een beek, die aan een hunner goden of godinnen was gewijd. Dat het eene plaats was die door de Saksen zeker en door de Oud-Franken waarschijnlijk niet werd gebruikt, blijkt wel daaruit, dat de naam in Engeland, het land der Anglen-Saksen, ook bekend is.
De heide, waar ik het grafveld aan de Thij heb ontdekt, is slechts een 500 meters lang. Aan de oostzijde sluit die aan bij eene weide, die vroeger ook heide was en Thijkamp heet; vermoedelijk was hier de vergaderplaats voor de Thietink of Theding, in de open lucht, terwijl bij slecht weer daarvoor de hof Tiesnieder zal gebruikt zijn, die aan het westelijk einde van de heide ligt. Deze hoeve is nu bewoond door de familie Linderhof, die voor vele jaren uit Deurningen daar kwam.
Bij bijna alle oudhoeven staat een Taxusboom (Taxus baccata), Venijnboom, ook Kruispalm in de volkstaal, doch hier vond ik slechts een paar jonge boomen van die soort. De weduwe Linderhof deelde mij mede, dat ook hier vroeger een meer dan honderdjarige boom had gestaan, doch dat haar overleden moeder altijd gezegd had, dat zij en de boom te gelijk zouden dood gaan, en zoo was geschied.
Op vele plaatsen kon ik bemerken, dat aan deze boomen, waarvan de takken bij sommige kerkelijke feesten worden gebruikt, een zeker bijgeloof is verbonden. Dikwijls is het leven van iemand met dat van den boom innig vereenigd, te zamen gegroeid (W. Maanhardt. "Der Baumkultus", s. 49); ook dat van het vee.
De Taxus baccata, zegt men, is geen inheemsche plant en toch komt zij in geheel Europa en ook in Azië, Afrika en Amerika voor, kan van 12 tot 15 meters hoog worden en een ouderdom bereiken, naar men meent, van 2000 jaren. Bij de Ouden was deze boom gewijd aan den dood; de fakkels der Furiën waren van taxushout vervaardigd, en de priesters in het binnenste heiligdom van Eleusis droegen kransen van myrten- en taxustwijgen. (Encycl. A. Winkler Prins). De twee oudste boomen van deze soort staan op de Hulsbeke en bij Holst.
De overleden Linderhof had eens een vreemde ontmoeting. Op Driekoningenavond keerde hij met drie paarden bij zich naar huis terug, komende van den Bentheimschen weg, waar hij steenkolen had vervoerd voor de vroeger aldaar staande spinnerij van den heer Gelderman. Bij een driesprong, nabij het grafveld aan de Thij gekomen, zag hij drie lichten. Op elk van de paarden plaatste zich een der lichten en zij verdwenen eerst toen hij den driesprong een eind voorbij was. Men vertelde hem dat het zielen waren van ongedoopte kinderen, die geen rust konden vinden.
Nog een andere gebeurtenis deelde de vrouw mij mede. Als zeer jong kind ging zij midden in den nacht met hare moeder mede buiten de schop, daar haar vader bij het inspannen van den wagen moest geholpen worden. Zij woonden op Tiesnieder. Alle drie zagen zij een glimmenden man bij de Zandhorst, die op de grenzen der marke ligt. Zij en hare moeder liepen verschrikt naar binnen, doch haar vader stelde haar gerust, hij had "den Gluininge" al zoo dikwijls gezien, zeide hij, en nooit had die hem kwaad gedaan (Zie Grimm. Myth. s. 764. Gloiniger). De Gluininge of Gleuninge vertoont zich op meer plaatsen, vooral op de grenzen der marken. Tusschen de Thij en Oldenzaal worden dikwijls dwalende lichtjes bespeurd, waartoe de veenachtige grond, op sommige plaatsen, zeker aanleiding geeft.
Alle boeren, die ik tot nog toe gesproken had en ook later ontmoette, hadden herhaaldelijk de wilde jacht van Tüpis gehoord. Des avonds buiten was het hen geweest of er een drijfjacht door de lucht toog, of hen een groote menigte vogels langs het hoofd vloog en zij hoorden het keffen en blaffen der honden. Niet alléén bij onstuimig weer, maar ook bij windstilte kwam dit voor, vooral voor de Christelijke feestdagen Paschen, Pinksteren en Kerstmis. Enkelen spreken van de St. Hubertus jacht, de meesten van Tüpis. Rosinck van de Lutte sprak van de jacht van Tütü en de bewoner van Scholten Fleder of Fleer van de Stuethünekes jacht. Ook noemde een landbouwer de Kefkesjacht en in Deurningen spreekt men van de Hëllekesjacht, dat duidelijk op Holda betrekking heeft. Geen verschijnsel wordt meer algemeen waargenomen dan die wilde jacht; de boeren houden het voor werkelijkheid, een ieder heeft den wind gevoeld en hooren suizen, alsook het geblaf der honden gehoord.
Een paar kilometers westelijk van Tiesnieder, te Gammelke bij Weerninck, vertoonen zich "witte wijven". De buurtschap Hasselo (ca. 900 Hasloe, 1280 Haslo), gemeente Weerselo, ligt 8 kilom. zuidwestelijk van Oldenzaal, dus buiten het terrein dat ik behandel. Daar echter in Oldenzaal en omstreken een ieder wel eens van "het Hasselsche ondijer " heeft gehoord, doch dit door geen schrijver nog is vermeld, vermeen ik daarvan hier gewag te moeten maken. De spookverschijning, het ondijer, bestaat in een grijs veulen, dat op de wegen rent en in de boomen klimt; in Oldenzaal bestaat het volgende versje over dit spook:
Een kwartijer, voor vijer,
Speult 't Hasselsche dijer,
Met een groot manijer ,
Op 't Clavijer.
(Clavijer is een instrument waar met hamertjes op blokjes hout, metaal- of glasplaatjes wordt geslagen).
In Driene spreekt men van een "Stratendijer" en In de Lutte van "Stegge veulen" en "Kunne Claas".
Als men zich van de Thij ongeveer 1 kilom. zuidwaarts begeeft, komt men bij den weg naar Gammelke aan een boerenhof Waterka genaamd, waar een steenen kruis onder een heg verscholen staat, met het jaar 1758 er op; vroeger trok hier de processie langs, die van de oude kapittelkerk te Oldenzaal naar de haar onderhoorige kerken ging.
De wegen naar Deurningen en Gammelke gaan op een punt, dat een weinig oostelijker ligt, uit elkander; op de punt hierdoor gevormd staat nu een bosch Koorsenbosch, een vijftig jaar geleden was het daar nog heide. Een hooge steenen paal staat er in en gaf de grens aan van het stadsgericht.
Volgens een aanteekening op het stadhuis te Oldenzaal lag de Holtinckskamp van Berghuizen ten Suyden aan den weg na Deurningen, ten westen aan de Clooster Galgemate, ten noorden aan de wed. Factors Coks. Om dien kamp terug te vinden, slaan wij van den Hengelooschen weg af en volgen den Deurninger weg. Wij hebben dan aan onze linkerhand eerst Ruimzicht, dan de Tijgingbraeck met een perceeltje gemeentegrond, dan den Kruiskamp, waarop volgen Pastoriuskamp, Masbok, de Clooster Galgemate en de Galgenbult. Tusschen den Kruiskamp en den kunstweg naar Hengeloo ligt Factors Cokskamp en daarnaast zuidoostwaarts van Postoriuskamp, de Masbok en Clooster Galgemate ligt de Holtinckskamp, nu Hollinckskamp genoemd, eigendom van Hazewinkel.
Zonderling is het dat de Berghuizer boeren alzoo twee kampen zouden gehad hebben, waar zij Holtinck hielden, hier en bij den Esch in Oldenzaal. Mogelijk dat zulks met de vesting in verband heeft gestaan of de eerste plaats in onbruik is geraakt, zooals ik reeds onder Oldenzaal opmerkte.
De kleine beek die langs de noordzijde van den Deurninger weg loopt, heeft den voor mij onverklaarbaren naam Schipleide; men kan toch met gemak over de smalle beek heenstappen, zoodat van een schip geen sprake kan zijn. Ook de namen Masbok of Bokkersmate kan ik niet verklaren; Wargerskamp kan van warge dat wolf beteekent afkomen en met Wodan in verband staan. Er worden twee stukken land daar nabij genoemd "an de goese boeme", een bij Mr. Kappelshoff en 't ander bij Daniel Tijdhoff. Na ijverig zoeken naar de oude standplaats van dien boom is het echter niet gelukt die te vinden evenmin als de beteekenis van den naam. Zou het woord goese hier gans beteekenen of wel is de schrijfwijze verkeerd en moet het "goeze" dat goden beduidt, dus goden- of godsboom zijn? In Twenthe en Limburg zegt men voor Woens- Wodansdag, Goonsdag en in Aachen Gouesdag. In Twenthe beteekent "goese" harde, onheilspellende spookachtige geluiden.
Als wij bij de Papegaaij de Almeloosche baan opwandelen, hebben wij aan onze linkerhand eerst de Kleine Vonders, dan spoedig de Landschap en daaraan grenzende de Veermate, eigendom van den heer Philippeau. Ook een vreemde naam op deze plaats, doch daar ook
de plaatsnaam Veerman bij het Zwaantje in de Lutte voorkomt, vermeen ik dat die eene mythologische beteekenis heeft. De wilde jacht van Wodan of Holda laat zich in Thüringen door een fährman overzetten evenals de dwergen. Hier nu, in het land waar ieder landbewoner die jacht kent, zal dezelfde overlevering bestaan hebben.
De Veermate toch ligt bij een kleine beek en niet ver verwijderd van de grafvelden aan de Thij en aan de Zandhorst, zoodat ook de naam betrekking zoude kunnen hebben op het overvaren naar de Hel. Westelijk, zelfs voorbij de Zandhorst ligt de hoeve Hampsink, welke naam van Hampelman kan komen. Een Kobold, maar ook de duivels heeten zoo.
De Hulsbeke ligt iets zuidelijker, de naam verklaart zich zelve; soms heet het Hulsinck. De hoevenamen Hartgerinck, Koekoek, Kleine Hulsbeke en Keizer zijn hier waarschijnlijk niet van ouden datum; de Krim is van de laatste jaren.
Zuidwaarts van den weg naar Hengelo is een terrein waar in historische tijden geen bosschen van beteekenis waren.
Eene vlakte vereenigt de Elsmars, bij den weg naar Enschede met de Elsmars, oostelijk van Klein-Driene. Het was eene heidevlakte, zooals blijkt uit de tusschenliggende plaatsnamen: Schaddenveld, Koksveld, Snijdersveld, Kollersveld, Leutinkveld en Oosterveld, waarbij veld heide beteekent, in Twenthe.
Drie kilometers ten zuiden van Oldenzaal wordt de kunstweg naar Enschede gesneden door een beek, die ongeveer bij de oostelijk van dien weg gelegen hoeve "de Ulenkotte" in de elfter lescap van de marke der Lutte ontspringt. Zij loopt oostelijk langs de Elsmars, westelijk van het galgenveld aan den weg naar Hengelo, dan als de Hulsbeke naar Gammelke. Van haren oorsprong af tot aan den weg naar Deurningen heet zij de Jufferbeek, een naam die in verband staat met "witte juffers", "witte vrouwen", ook bij verkorting "Witten" genoemd. In het latijn worden zij alba dominae, nymphae oreades, albas nymphas en nymphae montium geheeten, daar zij meest in heuvels of bergen wonen waar bronnen ontspringen. Zij zijn geestverschijningen, meest van schoone vrouwen van menschelijke grootte. Zij zijn in het wit gekleed en vertoonen zich des nachts, evenals de elven of alven waarmede zij verwant, doch die veel kleiner van gestalten zijn. Ook zij behooren evenals deze tot het gevolg van de godin Holda of frû Hölle.
Zij wonen meest met haar drieën bij bronnen in heuvels en worden door de Christenen tot de heksen en duivelen gerekend, waarvan veel kwaad wordt verteld. Zij zouden reizigers op het verkeerde pad brengen en vooral kraamvrouwen en jonggeboren kinderen rooven, die zij in hare onderaardsche woningen brengen, waar zij tevens schatten en veel goud bewaren. De landlieden echter houden haar voor onschadelijk, ja behulpzaam bij het verrichten van arbeid, bij het spinnen en weven als de vrouwen door ziekten verhinderd zijn dit zelve te doen en vooral bij kraamvrouwen in haren nood. Eene vroedvrouw in Twenthe heet nog "Wüze-moor"; in Gelderland "Wize-moer" en bij de Franken "femina saga". Als zij geplaagd worden, zijn zij gevaarlijk, menig volkssprookje is daarover nog in omloop, b.v. te Driene, te Borne en bij de Völcker, in der Lutte. Als hulp voor de menschen bij hunnen arbeid en bij de geboorte der menschen en ook al roofsters van menschen- en kinderzielen, dat op den dood doelt en die zij naar de Hel brengen, zijn zij de vertegenwoordigsters van eigenschappen van hare patrones, godin Holda of Hölle. Zij zijn dus onafscheidelijk van die godin; reden waarom ik geloof aan de vroegere vereering van deze, op al die plaatsen waar witte vrouwen, dames blanches, zich vertoonen, zooals in Noord-Brabant, Gelderland, Overijsel, Drenthe, Groningen, Friesland, Noord-Holland en Zeeland. Uit de namen wize vrouw en sage femme en uit veel wat men de witte vrouwen toeschrijft, vermeen ik als zeker te mogen afleiden dat, waar zulke legenden omtrent zulke vrouwen bestaan, die dáár ook geleefd en gewoond hebben en in die zaken bedreven waren die men nu nog aan hare geesten toeschrijft.
Het werk verrichten in de huizen waar zieken zijn; hulp verleenen: bij geboorten; zoeken van kruiden als geneesmiddelen, is bij voorkeur steeds vrouwenwerk geweest. Als er iemand onder hare geneeskundige hulp bezweek, werd dit het stelen van zielen genoemd, omdat zij die naar vrouw Hölle terugbrachten. Dit duidt ook daarop dat zij bij de begrafenis behulpzaam zullen zijn geweest, om het lijk het hennekleed aan te doen en naar den brandstapel te begeleiden als Klaagvrouw; feitelijk brachten zij dus het lijk naar de "Hel", dat "Graf" beteekent. Ook traden sommige dier witte wijven als Valkyriën op en brachten de zielen der verslagen helden aan Wodan.
Eene slechte eigenschap die men haar toeschrijft is snoepachtigheid; zij lusten vooral gaarne ham en bier, dat aan onze bakers doet denken, die zoo gaarne koekjes en koffie lusten. Zij stelen die lekkernijen als men niet alles voor haar toegankelijk stelt, doch doet men dit wel dan verminderen de spijzen niet, niettegenstaande zij er zich aan te goed doen. Bij hare woonplaatsen die "wivenbelter" heeten, vindt men dikwijls urnen, zooals te Wilsum en te Ulsen. In den Overijs. alm. 1837 staat eene uitgebreide verhandeling van Halbertsma over de witte wiven, waarin veel merkwaardigs wordt vermeld over dit onderwerp en waarnaar ik verder verwijzen moet.
De Ulenkotte staat met den nachtuil in verband. Die vogel bezit een voorspellend vermogen; door zijn klagend geluid geeft hij de nadering van den dood aan, hij is een ongeluksvogel en in de wilde jacht die door Wodan of door Holda wordt aangevoerd, vliegen soms twee uilen vooraan. Zij staan daardoor tot deze godheden in betrekking evenals de honden, die ook de jacht vergezellen en door hun gejank, voor eene woning, den dood of een ongeluk aankondigen. De verkeerde hond, zegt men, spookt dikwijls op oude begraafplaatsen als helhond en staat in betrekking tot Wodan en Holda. Deze helhond was vooral den Franken bekend, ja zelfs zoude een zeehond bij eene frankische koningin een zoon, koning Meroveus, verwekt hebben (Gregorius van Tours, VI, I). Deze dieren worden dus ook in gezelschap van witte wiven aangetroffen.
Uit deze omstandigheid leidde ik af, dat bij de Ulenkotte een grafveld moest zijn. Werkelijk vond ik grafheuvels, op een paar honderd meters achter de Kotte, achter het nabijgelegen Kersthuis. Dit grafveld ligt op de heide, enkele heuvels waren onderzocht, met welken uitslag is mij niet bekend, doch de verbrande beentjes getuigden, dat daar oude graven zijn die zich waarschijnlijk vroeger tot bij de Ulenkotte hebben uitgestrekt, voordat het terrein daaromheen tot bouwland was gemaakt. De witte wiven vertoonen zich langs de geheele Jufferbeek, doch vooral bij de Els Mus. Daar nabij snijdt de oude postweg den weg naar Enschede; ten noordoosten van dit snijpunt liggen de hoeven "de hooge"- en "lage Venterink". In Gorssel is een huis "de Vente" genaamd. Deze naam staat met "Wind" in verband, die als een mythologisch persoon wordt voorgesteld met opgeblazen wangen; de stormwind is een vraatzuchtige reus, om de schade die hij in de bosschen aanricht. In Noorwegen zegt men bij een wervelwind: "de reus roert den ketel". De wind staat in betrekking tot Wodan en Holda, die zelfs Windsbraut wordt genoemd.
Tusschen de hooge- en lage Venterink, welke laatste nu Duivelshof heet, sedert een boer van dien naam, afkomstig van den Duivelshof in de Hengeler Heurne of Huije der Lutter marke, daarop is gaan wonen, ontspringt een beek, de Ellebeek genaamd, waaruit een grijs veulen komt dat zich langs die beek en over den Esch naar de Els Mus begeeft, waar het verdwijnt. De Ellebeek, dat Elvebeek beteekent, valt daar in de Jufferbeek en staat in verband met Elven of Alven. Bij laag Venterink vertoonden zich ook wel eens een haas en een kat; de menschen die echter het ongeluk hadden deze te zien, werden ziek. Deze dieren staan met Holda in verband. De vader van den landbouwer Kaputein schoot eens een haas mis en moest daarna acht dagen ziek te bed liggen. Tüpisjacht wordt bij laag Venterink dikwijls waargenomen, vooral tegen Kerstmis. Op den hof staan veel eikeboomen. Het Lossersche voetpad loopt langs den hof; bij de hoeve Haarman, mogelijk in +900 Hari en in 1440 Haer genoemd, heet hij Haarstege, en is vooral dáár berucht door de spoken. Een grijs veulen vertoont zich ook hier en op het voetpad; soms een spookdier, wel zoo groot als een hond. Een man sloeg driemaal te vergeefs naar een kat die hem hinderde; hij werd daarna acht dagen ziek. Een boer, Breukers, zag op het Lossersche pad soldaten, geheel in roode kleeding, hoewel er geen krijgsvolk in de streek was; ook zag hij het veulen langs den ouden postweg loopen.
Een vroegere bewoner van Scholten Fleer (in +900 Fletharrothe, met een bewoner Oduuald, in 1440 Vlederrode, in 1619 Fleeren), zag dikwijls een spook op een grooten keisteen zitten op zijn land bij de Haarsteeg, hetgeen hem hinderde. Hij ging een gevecht aan met het spook en riep: “in naam van God en Maria, als gij op mijn terrein komt, dan sla ik u, dáár op uw terrein kunt gij blijven." Het spook bleef na dien tijd op zijn eigen, nabijgelegen land.
Een ander verhaal werd mij als volgt medegedeeld. Bij Haarman even voor het middagmaal, de aardappels kookten, doch waren nog niet gaar, wilde de boer een stok halen om een koe aan vast te zetten. Toen hij met den stok uit de schuur terugkwam, zag hij onder de heg een grijs veulen liggen en sloeg daarop los. Het veulen werd hem echter de baas en takelde hem zoo toe, dat hij spoedig daarna aan de gevolgen overleed. Een ander bewoner van Haarman bleef kijken naar twee spelende hazen, doch moest dit met een ernstige ziekte boeten.
De drie plaatsen Haarman, heetten Olde Haarman, Op Haarman en Op Olde Haar en staan bekend als spookplaatsen. Een van die plaatsen wordt nu het haantje, haentje, ook Tries haentje genoemd. Zou de naam afkomstig zijn van een hooge plaats omringd door laag land, die “haar" wordt genoemd? Dit is echter niet mogelijk daar de hoeven boven op een bergvlakte liggen. Van Harimannus, krijgsman, legerman kan de naam afgeleid zijn, maar ook van “haruc”, dat heiligdom, tempel beteekent. In +900 heette het Hari met bewoners Goduuini en Blithrad. In verband met de spookgeschiedenissen en het verhaal dat Scholten Fleer het heidensch spook naar zijn eigen terrein joeg door God en Maria aan te roepen, vermeen ik dat wij hier aan een heilige plaats moeten denken, aan Freyer gewijd, daar de nabijbeid van Everding en Speul Derk op dien God wijzen.
Ook Flederrode, Fleeren en dat Slat Vledercott hebben eene mythologische beteekenis. Flerus is een goedaardige kabouter, die menschen en dierengestalten kan aannemen (v. d. Bergh, p. 59); ook wel die van een oud wijf dat de koeien en de melk betoovert, waarvan bij Ostende het versje:
Melk en look,
Flerus verhuist
En 't geluk ook,
Flederwisch is een naam van den duivel, die dikwijls door heksen in processen wordt genoemd, in volkssage is hij echter een kobold. Slat is een bijnaam en beteekent vochtig, morsig; slatte is dweil, ijsl. Sladde is een slordige kerel. (Bij Tubbergen ligt de buurtschap Fleringen). Op hoog Venterink vertoonen zich drie gloeiende kerels die naar den Lonnikerberg loopen. Eens kwam de heer Troost, in leven wethouder van Oldenzaal, te paard van Enschede. Bij Lonnikerberg ontmoette hij den Gluininge, waartegen hij zeide: “zit up". Het spook zat daarop dadelijk achter hem op het paard dat naar Oldenzaal rende, waar het spook verdween. Hetzelfde zou een knecht overkomen zijn, die een paard uit de weide haalde van de plaats waar nu de fabrieken van de firma H. P. Gelderman en Zonen staan, bij de spoorbaan. Langs de markengrenzen heeft de 79-jarige Graats Kock, die op de hoeve “Speul Derk", bij den Enschedeër weg woont, den Gluininge zelf gezien (Graats Kock is in October j.l. overleden).
Langs den weg naar Enschede spookt een weerwolf, maar opmerkelijk is het dat bij de Soggemate, ongeveer 2500 meters van de hoeve Speul Derk, bij het snijpunt van de Jufferbeek met dien weg een varken spookt. Uit de verhalen die hier bekend zijn, heb ik geen verband tusschen Speul Derk en het varken kunnen ontdekken, doch het is duidelijk dat wij hier met Derk met den beer uit het Zutphensche te doen hebben. Ook bij het dorp Wezepe, bij den Kranenkamp, en wel in het bijzonder op de hoeve Lenderinck aldaar, trekt op Kerstnacht Derk met den Beer rond en bevuilt de laatste de niet opgeborgen landbouwgereedschappen. Ook de Gluinige spookt in deze streek, doch wordt genoemd Gloeiende landmeter, die markesteenen verkeerd zoude geplaatst hebben. Vuur spat uit zijn oogen, neus en mond. Grimm ziet in dezen Derk den God Freyer. Dat de noordsche Freyer nog in zuidelijker landstreken onder dien naam werd vereerd, en wel ook in de onmiddellijke nabijheid van heilige plaatsen aan Wodan of Holda gewijd, blijkt daaruit, dat bij Dinant het dorp Waulsort en het kasteel Freyer in elkanders nabijheid liggen.
Dezelfde Graats Kock alias Speul Derk ging eens van Peterinck, in 1440 Petring, bij Boerscotte naar zijn huis; hij zag steeds een haas voor zich uitloopen tot aan zijn woning. Een paar dagen later denzelfden weg moetende afleggen, besloot hij eerst een ander pad te kiezen, doch zich vermannende, volgde hij toch den eersten. Nu was het geen haas meer, maar een veulen dat hem thuis bracht, en hoewel hij lust gevoelde er naar te slaan, bonsde zijn hart uit angst te zeer om dit te doen.
Omtrent den oorsprong van den wilden jager vertelde Speul Derk mij, dat eens een mensch de hooge Christelijke feestdagen steeds schond door dan op jacht te gaan, waarom hij veroordeeld werd om ten eeuwigen dage te jagen (Vergelijk de verhalen door Grimm medegedeeld over dit onderwerp).
In den Flederhoek ligt het Bulthuis, ook Berkenhuisje genoemd; daarbij stond vroeger “de krantenpaal", aan den ouden postweg. Aan deze paal, verhaalt men, werden de bultzakken met brieven gehangen toen de postweg nog in gebruik was. De hoeven Breukers, Achterbosch en Olde Ventrinck liggen bij dien weg en geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen.
De Arninck (1440 Arnding) aan het Lossersche voetpad, is bepaald afgeleid van Arend; Wodan nam soms de gedaante van dien vogel als windvogel aan en past dus goed bij Ventrinck.
Hurlekotte, in 1440 Horlecote, nu Hor- en Holkotte judde, staat in verband met den duivel, die dikwijls bokspooten, doch ook wel paardevoeten heeft, die klomp- en horrelvoeten worden genoemd. Hurlebusch is een woudelf. De bijnaam “judde" zou dat hier jood beteekenen of in verband staan met den Saxischen God Jodutte? Ik durf hierin niet beslissen. Jodute schijnt een krijgsgod te zijn (Myth. Van den Bergh).
De hoevenaam Warge, daar in de nabijheid, beteekent “wolf" (Reinhart XXXVII) en staat met Wodan in verband.
Huttenhuis, Nyehuiss en Wechues zijn oude hoeven; ik kan daarbij opmerken dat de jeneverboom, de Wacholder in een gedicht als een persoon wordt voorgesteld, fraw Wecholter, en dat aan dezen boom sagen zijn verbonden en hij den elven en woudgeesten was gewijd.
Kersthuis is een Christelijke naam, de oude naam van die plaats is mij niet bekend; zooals wij later zullen zien hebben de Christenen op meer plaatsen nieuwe namen in plaats van de oude heidensche gesteld. Hier zouden, volgens Geerdink, bruinkolen gevonden zijn op niet groote diepte.
Den tegenwoordigen kunstweg naar Losser volgende tot aan de Bethlehemsche beek, zoude men van dáár tot Losser in een zeef door de lucht kunnen vliegen, een verhaal dat meer voorkomt, n.l. dat heksen en elven zich zóó van de eene naar de andere plaats kunnen bewegen. De hoevenaam Bethlehem komt waarschijnlijk van een klooster bij Losser.
Nog moeten wij op de hoogvlakte enkele hoevenamen nagaan. Peterinck, vroeger Petring, kan in verband staan met Peterlein, eene fée (Grimm. uit een heksenproces); ook is Peter een naam van den duivel; Hollepeter is een spook in verband met Holda; petra-peta- bete-bedehuis is een heiligdom. Volgens Peterman, de bewoner van Peterinck, heeft in vroegere jaren op de hoeve een heilig beeld gestaan. Als dit werkelijk zoo is, dan zoude de laatste afleiding de ware kunnen zijn. De oude hoeve Everding is afgebroken en stond dicht
bij Kesseler; de nieuwe hoeve Everman wordt bewoond door Spitshuis. De hoevenaam die van een everzwijn afkomt, staat met Freyer en Freya in verband, doch ook Wodan en Holda stonden tot dit dier in betrekking. Kesseler is een naam die uit een ander gedeelte van de Lutte afkomstig is. In 1365 wordt een hoeve tor Schoppen, in 1440 Stoppe Scoppe en in 1619 Schoppe genoemd. Wordt met dien naam Schopbartelt bedoeld of een van de boerehoeven Schopman of wel Boerscotte? Dit is nu niet meer te bepalen, "schoppe" beteekent schuur, "stoppe" stoep, een elvennaam. Bartelt, Berhtolt is een spook, dat aan de spits van de wilde jacht door de lucht jaagt, in het wit gekleed op een wit paard met witte honden aan de lijn. In Schwaben kent men Berchtolt als een wit mannetje, die spoelen bij het spinnen aandraagt. De eerste voorstelling staat met Wodan, die wel eens Berchtolt wordt genoemd, de laatste met Holda en Berchta in verband. Bij de Everding ligt de hoeve Sträwel, een voor mij onverklaarbare naam.
Olde Koppelboer, op de militaire kaart Koperboer genoemd. De naamsbeteekenis is mij onbekend; de Maandag na Driekoningen wordt verloren Maandag geheeten, ook Koppel-, Kopper- of Koppertjesmaandag, op welken dag de vrouwen baas zouden zijn. Waarschijnlijk is het dus, dat de dag nog met het geëindigde julfeest en met Holda in verband staat. De nieuwe Koppelboer ligt noordelijk van de spoorbaan en daarbij Schopman. Bij de laatste plaats zoude het bij de trappen die naar de spoorbaan loopen, spoken, zonder dat men den aard van het spook kon aangeven.
Westelijk van den weg naar Enschede moeten wij nog vermelden de hoeve "de Brake", nabij den postweg gelegen, op welken weg een grooten, opgeworpen heuvel ligt, waar drie Gluiningen zich in het Vildersche vertoonen. Brake, nu Breukel, beteekent hoog bouwland. Hier zijn de Gluiningen geraamten, waarin vuur door de beenderen zichtbaar is en door mond-, neus- en ooggaten naar buiten vliegt. Bree, Brake en in Limburg Brée en Bracht hebben dezelfde beteekenis.
Op de hoeve Spanjaard spookte het vroeger erg; turven werden door onzichtbare personen door de kamers geworpen; de kousen der meiden verdwenen uit de slaapvertrekken en werden onder het ligstroo van het vee teruggevonden.
Aan de Els Mus ligt de Symerinck, waarschijnlijk hier geen oude hoevenaam. Hij komt in deze streek veel voor, ook in Westphalen, o. a. te Langen. Mogelijk heeft hij dezelfde beteekenis als Someren in N.-Brabant, dat Mr. Ackersdijk gelooft dat "grens van moerasland" wil zeggen, of sooma moerasgrond. Te Voorthuizen is een buurtschap Zeumeren of Seemeren. Ik ben geneigd om aan Somer, sumar, het jaargetijde te denken. Simar staat met zomer in verband (Grimm, S. 654). Bij het huis ligt in de Mus een eilandje met steile kanten, zoodat men duidelijk kan zien dat bij het graven van de Mus dit stukje grond is blijven staan om, de een of andere onbekende reden.
De hoeve 't Hasewinkel (Hazenhoek), ligt Up de Els Mus; het zoude zijn naam ontleend hebben aan het feit dat een timmerman, die werkzaam was bij den bouw van het huis, zijn winkelhaak wierp naar een haas, die hem reeds lang nieuwsgierig had zitten aankijken. Wij weten dat de haas Holda heilig was.
De hoeven Visschedieck en de Eekte liggen nabij de spoorbaan; de laatste naam komt van eik. De hoeve was verdeeld in drie deelen, bitters Eekte, hoge- en lage Eekte; het schijnt eene groote hoeve te zijn geweest.
De hoeve Hinneman ligt bij 't Hasewinkel. Van dezen naam kan ik geen verklaring geven; in 't Lutterzand ligt Bothinnik, ook een mij onbekende naam. Mogelijk staat hij met Hun in verband, daar in 1774 te Oldenzaal een Hunink wordt vermeld, doch ook een Heineman.
Tusschen de hoogvlakte ten zuiden van Oldenzaal, waar wij de hoeven Venterinck vonden en de stad, ligt een dal waardoor een kleine beek, "de Stakenbeek" stroomt. Een harer bronnen komt westelijk van het Rockhues uit Symerinksboschje, de andere ontspringt zuidelijk van die hoeve op de weide Tüpisgaarden genaamd. Zij loopt langs Rouvoet, den Stakenboer en valt in de Jufferbeek.
In 1773 komt de familienaam Stakenborg en in 1774 Staekenbroeck te Oldenzaal voor. De naam Stake komt ook voor in Radstake en heeft daar vermoedelijk de beteekenis van stok of staak, waaraan een godenbeeld of een rad als symbool was aangebracht. Bij Gendringen is een Stakenberg en te Vlagtwedde een Stakenborg. Ook Stakelbrand te Warnsveld heeft waarschijnlijk dezelfde beteekenis, dáár in verband met Balder. Bij bespreking van het Rockhues kom ik op dien naam terug.
In de nabijbeid van den Stakenboer en den Stakenkamp liggen aan en nabij den Borghuizerweg de boeven Borghuis, Rouwenhorst, de Koekoek, Lemsing, Vischgedieck, Roeschenborg, de Poppe, Op het Bolhaar, Kaputein en de Krabbe. Hoe de oude namen van deze en de andere hoeven in Berghuizen waren, is door mij niet vast te stellen door het ontbreken van het markeboek van Berg- of Borghuizen, dat nergens te vinden is en toch nog voor eenige jaren in Oldenzaal is gezien.
Op Roeschenborg, welke naam ook in De Lutte voorkomt, woont een Kokenberg. Een zijner voorvaderen heeft in de nabijheid van de hoeve met een groot spookdier gevochten; hij werd daarna doodziek en kreeg over het geheele lichaam zweren. Bolhaar zal wel met bulle, stier in verband staan. De namen Koekoek en de Poppe bespreek ik later. Borghuis heeft de beteekenis van berghuis en heeft den naam aan de marke gegeven en niet Tancenberg, zooals Weeling vermeldt. Omtrent den hoevenaam Kop weet ik niets te vermelden.
Als wij nu nabij Schopbartelt, in 1617 Kot Bertelt, over de spoorbaan gaan, bevinden wij ons op de grens tusschen de Lutte en Berghuizen, die van hier in noord-oostelijke richting naar het Rochuiss, aan den Bentheimer weg loopt. Volgens den Laeckganck van 4 Septembris Anno 1651, staet die 1e steen vant Rochuiss tusschen Lutte ende Berchuisen an Cruissels Emminchaer ende is ein grant (?) Steen. Dit (?) staat in het markeregt van de Lutte. Grant is in Engeland een soort duivels, doch in de Lutte heeft het woord de beteekenis van een gehouwen Bentheimer steen, in onderscheiding van veldkeien.
Die anderde staet an CrusseIs kamp.
Die 3e staet au Rue Voetes kamp.
Die 4e staet achter Schop Bertels nijekamp.
Die 5e staet in Haermans maete.
Die 6e staet an funder vor die Haerstege an den Losser wech.
Die 7e staet in den wal van Ventrings kamp.
Die 8e staet bij Hurrecottenkamp int Velt.
Die 9e staet int velt an die Rechterhandt van Oldenzel na Losser te fueren.
Die 10e staet int velt, ende scheidet die Lutter Marck, Beechuizen ende Lonniker..
Die 11e staet achter Arninck Braecke anden wech na het Oldenzelsche Venne.
Die 12e staet iegen het Losser Haegerbroick bij den Oldenzelschen Venne wech.
Die 13e staet int velt iegen het ossenschot alwaer noch ein kleinen steen bij licht.
Die 14e staet achter Rechters kampe ant Oldenzelsche Venne ende scheidet drie marcken, als Lutte, Lonnicker ende Losser.
Die 15e steen staet in Rechters kempe.
Die 16e staet in Rode Cuipers maete in Asblick.
Die 17e staet in Schoemaeckers maete.
Die 18e staet in Dijck Gerlix maete an Sallerskamp.
Die 19e staet in Thoslags kamp tegens Schulte Honinchloos maete.
Die 20e staet in Snoijncks gemeene horsth.
Die 21e staet in Hengelmans maete bij Schulte Honinchloes Ess. r .
Die 22e staet up Snoijnchs Esz in den wal an den Caluerkamp.
Die 23e staet up Snoijnchs lange camp.
Die 24e staet in Snoijnchs weide an die Dinckel under ein Haegedoornes Busz, welke steen scheidet die Lutter Marcke, Losser ende die graeffschap Bentheim.
Toen wij de spoorbaan overstaken, bevonden wij ons nabij de Rue Voetes kamp. In het Lutter markeregt, waaraan ik ook de plaatsing der grenssteenen ontleende, staat op 1440 (blz. 5) vermeld. onder de oudhoeven in elfter lescap “droffotinck" ook “Druffoting" (blz. 7, 9) met een bewoner “Druffoet" genaamd. In 1619 heet de hoeve “Druffoetinck" (blz. 70) en in 1651 Rue Voetes kamp (blz. 74). Op blz. 67 staat: Berninck 1 waer per Voet ten Boelskamp totum 3 vercken en op blz. 80 Wolter Voeth toe Boegelschamp; Beugelskamp is een van de 4 havezaten in Denekamp. In 1440 blijkt het dat Druffotinck gedeeltelijk in Berghuizen lag. De tegenwoordige familienaam is Roevoet en Rouvoet; in 1782 staat vermeld een “Oude Voeterick". De hoeve Rouvoet is nu een nieuw gebouw, bewoond door Brand. Het is mij niet mogelijk een verklaring van de beteekenis van dien hoevenaam te geven; alles wat eenige overeenkomst daarmede heeft wil ik echter vermelden. In Graubunderland wordt Wodan Vút genoemd, Vúodan in Wallis en Vidvût bij de Letten. Vutt zou goden, godenbeeld beteekenen; J. Grimm noemt een Voetlingastraet in Engeland, te Grathem in Limburg is een Voetershoef en te Geldermalsen een Voetakker.
Rof, Ruf, Roe of Rou is wellicht een bijnaam van Wodan; het gelijkt op Roy in Gramayes Taxandria, dat in Roysel, nu Reusel, in N.-Brabant voorkomt en volgens hem een naam van Mars zoude zijn. In de nabijheid van de hoeve, n.l. bij de Koekoek en de Landreben zijn verschijningen die met Wodan in verband staan. Votes is gelofte, besluiten, beraadslagen; vote beteekent stem uitbrengen bij verkiezingen. Foid is voogd, holtrichter. Rough beteekent in het Engelsch ruw en Void ledig; zoude het ruwe, ledige kamp kunnen zijn?
In de oudste tijden werd er geen recht gesproken over vreemdelingen, zij konden alléén voor huns gelijken, voor hunne landslieden terecht staan. Toen zich het volkenverkeer meer vriendschappelijk regelde, schijnen er spoedig voor de reizende kooplieden gerechten ontstaan te zijn die men gastgerechten, noodgerechten, notding noemde. In de middeleeuwen bestond in Engeland voor de vreemdelingen, die de jaarmarkt bezochten "the court of pipoudres"; in Frankrijk “la cour des piedpouldreux" (pedes pulverisatie curia, pede pul verosi, d. i. voetbestovene reizigers) in Schotland “dustifute" genoemd (Grimm, Rechtsalterthümer).
Vanaf Rouvoet langs de markegrens tot aan het Rockhuis vertoont zich de Gluininge, hij verdwijnt achter dat huis in de Helbeek. Vooral tusschen Daminck en Luttike Crussel ziet men hem dikwijls.
De Wijnbergen, die westelijk van Rouvoet liggen, ontleenen hun naam vermoedelijk aan het berkenhout dat daar groeit en waar de jeugd fleschjes vult met het sap der boomen, dat berkenwijn wordt genoemd.
Daminck en Olde Daminck kan van dame blanche, witte vrouw zijn afgeleid; over het Clieverick, oudtijds Clying, is niets medetedeelen. Parravoort is hier een nieuwe naam. De nabijgelegen hoeve de Koekoek ligt in het hout verscholen nabij de spoorbaan. Een ieder kent den vogel van dien naam, die door zijn roepen als dit aan de rechterzijde wordt gehoord, geluk en aan de linkerzijde ongeluk voorspelt. Het is een voorspellende vogel, die door het aantal roepen aangeeft, hoeveel jaren de mensch nog te leven heeft.
Bij deze hoeve vliegt een grijs veulen uit een boom, dat evenals de andere grijze veulens met Wodans schimmel Sleipnir in verband staat; het vliegt ook naar het Rockhuis, waar het in “het Paardengat" in de Helbeek verdwijnt.
Westelijk van het terrein van de Koekoek ligt het Landreben boschje, zoo genoemd naar een vroegeren docter te Oldenzaal, die het heeft aangelegd of de bezitter er van was. Op elk van de twee eilandjes die er in liggen en die vroeger door een brug waren verbonden, stond oudtijds een koepel. Om 12 uur 's middags werden de deuren en luiken daarvan opengeworpen, 3 heeren met roode jassen aan en witte punthoeden op, kwamen dan naar buiten en wandelden om die koepels. Spoedig gingen zij echter weder naar binnen. Van de waarheid van dit verhaal zijn de oude landbewoners niet alleen overtuigd, neen, zij hebben het zelf in hun jeugd gezien; ook de jongeren gelooven er vast aan. Nog niet veel jaren geleden zag eene vrouw, die door het bosch ging, een zwarten mantel hangen; toen zij dezen wilde oprapen, was hij plotseling verdwenen. Sommigen hebben daar een wagenkoets met twee paarden bespannen uit de wolken zien komen en die met veel gedruisch verder vloog.
Het Landrebenbosch grenst aan de noordzijde aan een weg, tegenwoordig Zwarteweg genaamd, volgens sommigen Coopsweg in vroegere tijden, naar eene vroegere hoeve Zwarte Coop. Anderen zeggen dat de Coopsweg liep van Caputein naar het huis de Haer, waar het land Zwarte Coop tegenover ligt. Dit laatste is het waarschijnlijkst, en dat de Zwarteweg oudtijds Thij- of Thestegge heette. Op Zwarte Coop zoude vroeger een gouden romeinsche penning zijn gevonden.
Tegenover Landreben ligt het landgoed Kalheupink. Heerlijk is het hier wandelen op den heuvel, waar nu een villa staat en een prachtig park met vrijen toegang daartoe uitlokt. Vroeger stond daar slechts eene kleine boerderij met denzelfden naam, waarbij een weerwolf spookte. Men gelooft, en waarschijnlijk terecht, dat de naam "kale hoogte" beteekent, doch daar Wodan hier in deze buurtschap zoo thuis is, zoude die ook betrekking kunnen hebben op de kaalhoofdigheid van dien God.
Het perceel land, genaamd de Steenbult, ligt noordoostelijk, de hooge Haer en hoeve Mettenjan westelijk van het park. Dan volgt de villa "de Haer", zoo genoemd naar de hoeve Scholten Haer, die daar in de nabijheid heeft gestaan en door den Hofmeijer van Oldenzaal werd bewoond. Deze hoeve werd ook genoemd Scholten Grevinkhof van Thijmen. Deze laatste bijvoeging komt van eenen Coert ten Thye, in ca. 1546 hofmeijer t' Oldensael. Noordelijk van deze plaats loopt de Scholtendieck naar de Hofmeijersch- of Prullenpoort. Dáár aan de noordoostpunt van het park spoken witte wijfjes, terwijl aan de Prullenpoort de Kattengrave wordt gevonden. Beiden hebben betrekking op Holda. Op eene oude aanteekening vond ik dat de weg achter (?) Landreben, de Thestege zoude heeten, waaraan de Thebult. Te vergeefs heb ik tot nog toe moeite gedaan om deze gerechtsplaats te vinden. Is de Zwarteweg de Thestege en Scholten Haer de Thebult? In 1767 wordt die nog Tiosink genoemd.
Ten zuiden van Landreben loopt eene stege van de Koekoek westwaarts. Zij is de doodeweg van de Koekoek en tevens de weg die gevolgd wordt naar de kerk tot het inzegenen van een huwelijk. Zij heet de Kruisstege en in de nabijheid zuidelijk van de spoorbaan ligt een perceeltje land dat het Rondeel heet. Is die Kruisstege de Thestege? Rondeel echter heeft de beteekenis van een buitenwerk bij een vesting; tusschen het Schuttersveld en den Enschedeërweg ligt ook een Rondeel. Mogelijk dat ik later in de gelegenheid zal zijn hierover opheldering te geven en die ik dan met andere zaken, die mij nu nog onverklaarbaar zijn of waarover ik dan een ander inzicht heb gekregen, als aanhangsel van deze verhandeling bekend zal maken.
De hoeven Boerrichter en de Kniepse liggen bij de spoorbaan, doch ik weet daarvan alleen mede te deelen, dat de laatste vroeger Hommelskamp heette. De hoeve Altena, noordwaarts van de spoorbaan en westelijk van den weg naar Enschede, op den Zoddenberg, heeft mogelijk dien naam gekregen door haar ligging nabij de vesting.
Als wij nu nagaan welke de beteekenis is van hetgeen wij op deze wandeling opmerkten, dan komen wij tot het volgende besluit. De witte wijven huizen in de Elfter Huije van de Lutte, doch vertoonen zich ook in Berghuizen bij de Els Mus en op Scholten Haer, dat tot het gebied van de stad Oldenzaal behoort. Hazen en katten, dieren aan Holda gewijd, vertoonen zich in beide Marken, evenals het grijze veulen van Wodan.
De Soggemate ligt in Lonnicker marck; Speul Derk in Berghuizen, Everding in de Elfter Huije, zoodat de vereering van den God Freyer in de drie marcken schijnt plaats gehad te hebben.
Wodan beweegt zich op het geheele terrein dat wij bezochten, als aanvoerder der Wilde jacht, onder de namen St. Hubert, Tüpis en Hüpis. Persoonlijk verschijnt hij echter alléén in Berghuizen, bij de Landreben, evenals zijn godenwagen, tenzij dat de roode soldaten in de Haarstege in Elfter Huije tot hem in betrekking staan. Opmerkelijk is de roode kleeding en dat hij in gezelschap is met twee andere mannelijke wezens, die evenals hij gekleed zijn.
Dit zoude daarop kunnen wijzen dat het heiligdom in de stad aan meer goden was gewijd en Wodan de voornaamste daarvan was, als Hoofdgod der Germanen, een vermoeden dat ik reeds vroeger vermeldde.
Weerwolven zijn mannelijke, hazen vrouwelijke en katten ook meest vrouwelijke spoken. De Gluininge komt mij voor bij Donar te behooren, die met de plaatsing en bescherming van de Laecksteenen is belast.
Het is mij niet bekend of in het bezochte terrein ooit oudheden van belang zijn gevonden; de gouden romeinsche penning op Zwarte Coop gevonden, heb ik reeds vermeld; wijlen richter Palthe bezat een fraaie steen en bijl, die bij het bouwen van het station zoude zijn gevonden en Speul Derk deelde mij mede, dat hij twee zulke bijlen had gevonden in de nabijheid van Hinneman en 't Hasewinkel, zij waren echter verloren geraakt.
Daar onze volgende wandeling bijna geheel door der Lutter marke voert, is het noodig dat wij de verdeeling van die marke en de oude hoevenamen kennen, zooals die in "het markeregt van de Lutte" staan vermeld en ook enkele bijzonderheden van het volk.
Het gedeelte van de marke Berghuizen dat wij nog moeten bezoeken, ligt op het hoogste gedeelte van den Tancenberg. Deze berg strekt zich ten westen uit tot en met het stadsgebied van Oldenzaal; noordwaarts tot voorbij den doodenweg naar de Harbert, oostelijk tot voorbij het Crussel en zuidelijk tot aan Rouvoet, de Koekoek en Landreben.
De landbewoners wijzen in het bijzonder dien berg aan als de oude verblijfplaats van de Hunnen of Huinen. Men vertelt dat daar groote potten, urnen met acht ooren, gevuld met verbrande beenderen en waarin kleinere potjes stonden, zijn gevonden. Zij zijn echter spoorloos verdwenen; ook kan men zelfs de vindplaats niet meer aanwijzen. Sommigen gelooven dat de kern van den berg uit steen bestaat, van dezelfde soort als te Bentheim en Gildehaus. Ik twijfel aan de juistheid van die opvatting, maar merkwaardige versteeningen komen daar talrijk voor. Bij den heer August Nieuwenhuis zag ik een versteende paardenvoet, versteend hout en vruchten, allen bij het grinddelven op den berg gevonden. Ook barnsteen komt soms voor.
"Tang" zou eene zandige hoogte, omringd door moeras- en veengrond, beteekenen. Ik twijfel of deze determinatie juist is. Tancenberg bestaat uit klei en zand, terwijl alléén aan zijn noord- en westzijde veenachtige moerasgrond wordt aangetroffen. Later kom ik op de beteekenis van dezen naam terug.
Opmerkelijk is het, dat bij de meeste hoofdhoeven in Twenthe kleinere hoeven worden gevonden die dezelfde namen dragen doch met bijvoeging van "Olde", zooals Hannhof - Olde Hannhof, Haeckenberg - Olde Haeckenberg , enz. Ik informeerde in Oldenzaal naar de beteekenis van die bijvoeging, doch niemand wist mij die te verklaren, hoewel ieder het met mij eens was, dat de hoeven zonder bijvoeging, door bouw en ligging de voornaamsten en ook de oudsten zijn. De overleveringen zijn allen aan de hoofdhoeven verbonden. De boeren verklaarden mij dat de hoeven die "Olde" zijn bijgenaamd, steeds huurhoeven van den hoofdhof, van den ouden hof zijn, dus dat zij gelooven, dat het beteekent: behoorende tot den olden of hoofdhof. Hoewel mij deze verklaring vreemd voorkomt, kan ik geen betere geven. Zeer waarschijnlijk bestaat die gewoonte alléén in Saksische landstreken; elders en bij andere volksstammen heb ik er nooit van gehoord en om bijvoorbeeld bij den Frankischen naam Olden-sale tot eene nog oudere sale te besluiten, komt mij onjuist voor.
De landbewoners in Berghuizen en de Lutte zijn meest voorkomende, beleefde menschen, die gaarne mededeelen wat zij beleefd en gehoord hebben. De oude woningen bestaan nog, behalve soms uit een of meer zijkamertjes, uit één groot vertrek, waarin de menschen in het voorgedeelte, de keuken, huizen en waar ook de haard is, terwijl het vee en de delle in het achtergedeelte worden gevonden. In huizen die nieuw gebouwd zijn, zijn die deelen door een muur gescheiden waarin meestal een venster is aangebracht om het vee te kunnen gadeslaan.
Burenplichten en -rechten geloof ik dat gelijk zijn aan die in de andere Marken, ook de plechtigheden en feesten bij begraven en huwelijken. Dauwtrappen op Hemelvaartsdag is nog in gebruik, ook het branden van Paaschvuren. Op Kerstavond hoort men een wonderlijke muziek in de geheele Mark, die ontstaat doordat men op de blaaspijpen, die bij den haard worden gebruikt, of op de ossenhorens bij de waterputten blaast, waarin de geluiden weerkaatsen; dit is nog een overblijfsel van het heidensche Julfeest met Midwinter, zooals Kerstmis hier wordt genoemd. In het Markeboek komt op blz. 21 een gebruik voor dat nog uit den heidentijd moet komen; het luidt: “65. Item op Mittwinters auent mogen de Schotters een redelijk holt opten minnesten, schaden nemmen toe offergelde bij raede onses Holtrichters." Bijzondere gebruiken bij het korenmaaien heb ik niet kunnen ontdekken; eenige oude boeren herinnerden zich flauw van hunne ouders wel eens gehoord te hebben, dat vroeger de laatste schoof op het land bleef staan voor Tüpispaard. Op enkele plaatsen hoorde ik, dat de dood van een huisgenoot, op een plaats waar bijen worden gehouden, aan die dieren werd bekend gemaakt; verzuimde men dit, dan stierven die binnen het jaar (Grimm. III, s. 202).
In het algemeen is het bijgeloof in de laatste 50 jaren in deze landstreek zeer verminderd. In 1830 is het Lutter kerkje gebouwd, dat aan Plechelmus is gewijd.
Wij willen nu de stad Oldenzaal, die zulk een overwegenden invloed in de eerste eeuwen onzer jaartelling, zoowel op geestelijk gebied als op het maatschappelijke, getuige de Lex Salica, heeft uitgeoefend, verlaten en eenige wandelingen maken in de zoo heerlijke omstreken, waarbij wij ons tevens op klassieken bodem blijven bewegen; waar zoovele plaatsen worden gevonden, merkwaardig genoeg, om uit een oudheidkundig oogpunt onderzocht te worden. Dikwijls, ja meest altijd, zal het mij onmogelijk zijn om aan te geven, of de plaatsnamen van de Salische Franken, dan wel van de latere Saksen, afkomstig zijn. Ik herhaal, dat volgens mijn gevoelen, de frankische bevolking niet geheel uit deze gewesten verdween, en dat daardoor hare heilige en gerechtsplaatsen ook door de Saksen als zoodanig werden beschouwd en gebruikt. Ook zullen wij zien dat vele plaatsnamen van hier, ook in het zuiden van ons land en op het Bataveneiland voorkomen, evenals ik reeds aangetoond heb dat met het woord sale het geval is, en daaruit een nieuw bewijs putten voor mijne stelling, dat die namen van hetzelfde volk afkomstig zijn.
Wij gaan de plaats voorbij waar de oude bisschopspoort aan de noordzijde van de stad, vroeger stond, en volgen den weg naar Denekamp, in + 900 Daginghem en Danighem genoemd; gedurende ongeveer 20 minuten, 1,5 kilom. Westelijk van den weg aldaar, ligt de hoeve “Beckspring", dat geen tastbare mythologische beteekenis heeft en wel evenals "Ursprinc", bron zal beteekenen. Beck is toch de naam voor beek; in 1651 wordt een Haeckenbergs beckekamp genoemd, in de Lutte. Bij "Beckspring" vereenigen zich eenige beken, waarbij ook die op Tancenberg in de Witte Wijvenstege ontspringt en “Springbecke" heet. De oude weg naar Denekamp loopt langs de westzijde dier hoeve.
In de nabijheid ligt Seijenborg of het Sijenborg. Ik heb die plaats helaas niet bezocht, daar ik, toen ik die streek bezocht, onkundig was van haar bestaan. Ik ken de naamsafleiding niet. Syn staat volgens Grimm, s. 257, met gerecht in verband; volgens de Edda was er eene godin van de gerechtigheid en waarheid, die de aangeklaagden ondersteunde, die dien naam droeg. Seijlandt is volgens het markeregt der Lutte gelijk zaailand, mogelijk werd op deze hoeve meer werk van den landbouw gemaakt dan elders. In Drenthe, gemeente Vries, is een gehucht Zeijen, waar hunnebedden worden gevonden.
Het Heghuis ligt iets meer naar de stad. In Archum bestaat de hoeve "ter Heckhuis "; in Beuningen "het Hekkenhuis"; in Holten "Hegeman" en te Vaassen "Hegge". In Limburg, te Spanbeek is een "Hegge" en “te Hegen”. In Noord-Brabant, te Hooge Mierde is een "Heggenend". Heg in de beteekenis van haag, bosch, komt, voor zooverre mij bekend, in Twenthe niet voor. De germaansche mythologie kent eene heggemoeder, die de koorts iemand op het lijf jaagt, doch die verdwijnt als men drie knoopen in een wilgetak legt. Van den Bergh houdt Heggemoeder voor eene heidensche godheid, eene reuzin. Zij
doet denken aan de uitdrukking "de duivel en zijn moer" (frau Godmor). Buddingh brengt den naam in verband met hagedis en houdt de heggemoeder voor een woudgeest. Heckmännchen is een pop in een koffer en heet ook glücksmännchen. Ook kan hier de naam Heghuis en de familienaam Hegehuis in verband staan met "hegas", zooals de omheinde grond van een heiligdom heette en dit hetzelfde beteekent als Vrijthof, frîhof. Heghermanne geloof ik dat boschwachters beteekent. Opmerkelijk veel heggen staan er om dien hof, zoodat ook dáár de naam van afkomstig kan zijn, doch in Lutter marckboek wordt een heg Haege genoemd.
Een kwart uur gaans westelijk van deze plaats ligt de hoeve "het Hondemot", ook Hondenburg genaamd. Het woord "hond" komt in verbinding met andere woorden in geheel Nederland voor. Hondemot ook in Raalte en Hondenborg bij Zenderen. "Mot" is veengrond; laag liggend grasland heet Moat, Muot is gerecht evenals het engelsche "mote". Mötten is omperken en ook betooveren. In het Fransch is motte een kluit aarde. In Twenthe wordt een mesthoop ook mothoop genoemd. Volgens Grimm is motte een duivelsnaam, en in Thüringen voert frau Motte de wilde jacht aan, dus als Holda. Te Berlicum in Noord-Brabant is een "Motven". Honde kan met honderd, met het frankische Honschaft, buurtschap, met hungericht, met den gewonen hond en ook met plaggen in verband staan. Helhond en ook hond is een scheldnaam, om minachting uit te drukken. Wodan en Freya, Holda, worden voor honden gescholden in een gedicht, waarschijnlijk omdat die dieren aan hen gewijd waren. In het markeregt van Lenthe staat onder 77 vermeld: "Het plagge en honde meyen, torven enz." Het komt mij voor dat hier de plaatsnaam op eene oude gerechtsplaats duidt, omdat het huis "het Hondemot" of "Hondenburg" eene oude herberg is geweest, dus eene verzamelplaats in de buurtschap Loohuizen, waartoe het behoort. Het zoude dan van de Salische Franken komen. De hoeve ligt aan den ouden Ootmarsumschen weg, die vroeger onveilig was door een weer- of waarwolf, zooals het landvolk zegt. Nadat dit dier gedood was, bleek het een Oldenzaalsche jood te zijn. Bij het Hondemot lag vroeger het Vloothuis. De nabijgelegen hoevenamen, de Keizer, Westrik en Rooseboer geven geen aanleiding tot opmerkingen.
Tusschen de wegen naar Rossum, in +900 Rothem, en naar Ootmarsum, heet het terrein dicht bij de stad "de Mei- of Mijbree"; westelijk van laatstgenoemden weg tot aan den weg van de Bentheimer graven "de Glinde". De Bentheimer esch ligt ten noorden van de Glinde. De naam Bentheim komt ook hier van Tubanten. Ik wil hier nog met een kort woord over de Tuihanti of Tubanten spreken. Ook na hetgeen ik daarover onder de Marsen als mijne zienswijze vermeldde, deelde mij een vriend, op wiens opvatting ik prijs stel, mede, dat hij gelooft dat van Tuihanti wel het woord Tuenthe kan afgeleid worden, maar niet van Tubanten. Nu wordt In 709 Teisterband, Testeventi of Testreventi en in 772 Testrebenti genoemd. Dus voor band, venti. Dit, dunkt mij, geeft mij het recht in Tubant ook voor bant of band venti te plaatsen. Ik krijg dan Tuventi, dat toch wel niemand zal betwisten dat gelijk Twenti is.
Ongeveer 500 meters ten noorden van de oude Almeloosche baan en 1000 meters van den Oldenzaalschen toren verwijderd, ligt een buurtschap met bouwland, waarlangs een kleine beek loopt, de uitloop van de Fonteinbeek, de heilige beek van Heidenen en Christenen. Ten noorden sluit eene kleine heide daartegen aan; dit geheele terrein heet "de Thij" of "de Huurne Tij Goarden". De heide is een grafveld, waar ik vele germaansche urnen heb gevonden; het behoort aan den Rooseboer, vroeger Olde Roze of Watersnieder genaamd. Of het met dat, bij de 1000 meters daarvan verwijderde Zandhorst in verband staat, of zij één of twee verschillende begraafplaatsen vormen, heb ik nog niet met zekerheid kunnen uitmaken; ik geloof dat ze gescheiden zijn. De onverbrande schedel toch, door mij op de Zandhorst gevonden, geeft aanleiding om dáár aan een grafveld van eenen anderen volksstam, uit een ander tijdperk te denken, dan bij de Thij, al zijn de urnen op beide plaatsen ook van de gewone germaansche type. Beiden liggen in de marke Berghuizen, buiten het stadsgebied van Oldenzaal.
Thij is volgens Justus Mösers, "Osnabr. Gesch. 1780", de verzamelplaats van een boerschap om gerechtelijke zaken te behandelen, die buiten de Holtinck vielen en later, na de invoering van het Christendom, ook buiten de Dietine of keizerlijk gerecht, buiten de Obersale of hoogste landgerecht en buiten de Zend of geestelijk gerecht.
Eerst op die verzamelplaats werd een voorzitter, een rechter gekozen, die "Thevegreve" heette, met eenige schepenen en een Vronen, en wat zij bezegelden was rechtsgeldig. Vronen is in het friesch fräna. Zulk een Thevegreve voerde dezen titel alléén tijdens die ééne zaak in behandeling was.
Voor het woord Thij wordt ook Thegge gebruikt. In Engeland heeten de boerengerechten "Thitinge". In Overijsel komt Thij als plaatsnaam veel voor, o. a. Tyinge in Steenwijkerwold; Upgen Thije in de buerschap van Tijenraen onder Raalte gelegen; Tijhuis te Raalte en daar ook een Tevenbelt en Tevenbelter Mars. Te Diepenveen heette de buurtschap Tjoene in 1309 Thijone en in 1319 Tijone. Een half uur ten noorden van Markelo ligt Tijenk. In 1426 wordt de plaats bij Oldenzaal aangeduid als "up gen Tijge" en "Tijginghbraeck"; voorts wordt er in de Marke Berghuizen een Thebuld vermeld aan de Thijstege, bij de Landreben allée. In de Lutte komt voor in de lescap Roorder-, Roeder-,
roder- of rader-Hoerne "dat Tijgkotte" (Tigkotte siue tebelt ook Thijkotte Roeuer alias Thebelt genaamd) en in de marke Enschede, Thije. Ook in het Bentheimsche ligt een oude hoeve “Tynck" genaamd. Te Rossum is een Tijmansstraat en een Tijthof. Een half uur ten noorden van Oldenzaal ligt de "oude Tijthof" in de boerschap Rensen; het was eene havezathe, waarnaar zich het geslacht Rensen tot den Tijdhof noemde, dat lang in Oldenzaal heeft gewoond.
In 1338 wordt Johannes van Thye, proost te Oldenzaal genoemd; in 1450 wordt Johan van Tijeses vermeld; in 1518 een Johan van Tije; in 1572 Gerd ten Thie; in 1759 thun Tijthof; in 1766 Jan Tijman en in 1807 Manus Tiethof.
Ook te Ulsen bestaat een "Tijhuis" en ongeveer een half uur gaans westelijk van Ootmarsum, aan den weg naar Almelo, ligt "de Tijthof", in het Haarlsche veld bij Grafheuvels. In Beuningen is een "Tijkotte".
Volgens Halbertsma (Overijs. Alman. 1836), beteekent Tiën, iemand in rechten betrekken en in het oude stadsrecht van Soest: vergadering, buurspraak, vanwaar ook "Tijdinc" = buurgerecht. Volgens Grimm is Tie een openlijke vergaderplaats. Op de Thij bij Oldenzaal hadden de rechtsvergaderingen plaats van Saksische boeren, bij de graven van hunne verwanten en bij een beek, die aan een hunner goden of godinnen was gewijd. Dat het eene plaats was die door de Saksen zeker en door de Oud-Franken waarschijnlijk niet werd gebruikt, blijkt wel daaruit, dat de naam in Engeland, het land der Anglen-Saksen, ook bekend is.
De heide, waar ik het grafveld aan de Thij heb ontdekt, is slechts een 500 meters lang. Aan de oostzijde sluit die aan bij eene weide, die vroeger ook heide was en Thijkamp heet; vermoedelijk was hier de vergaderplaats voor de Thietink of Theding, in de open lucht, terwijl bij slecht weer daarvoor de hof Tiesnieder zal gebruikt zijn, die aan het westelijk einde van de heide ligt. Deze hoeve is nu bewoond door de familie Linderhof, die voor vele jaren uit Deurningen daar kwam.
Bij bijna alle oudhoeven staat een Taxusboom (Taxus baccata), Venijnboom, ook Kruispalm in de volkstaal, doch hier vond ik slechts een paar jonge boomen van die soort. De weduwe Linderhof deelde mij mede, dat ook hier vroeger een meer dan honderdjarige boom had gestaan, doch dat haar overleden moeder altijd gezegd had, dat zij en de boom te gelijk zouden dood gaan, en zoo was geschied.
Op vele plaatsen kon ik bemerken, dat aan deze boomen, waarvan de takken bij sommige kerkelijke feesten worden gebruikt, een zeker bijgeloof is verbonden. Dikwijls is het leven van iemand met dat van den boom innig vereenigd, te zamen gegroeid (W. Maanhardt. "Der Baumkultus", s. 49); ook dat van het vee.
De Taxus baccata, zegt men, is geen inheemsche plant en toch komt zij in geheel Europa en ook in Azië, Afrika en Amerika voor, kan van 12 tot 15 meters hoog worden en een ouderdom bereiken, naar men meent, van 2000 jaren. Bij de Ouden was deze boom gewijd aan den dood; de fakkels der Furiën waren van taxushout vervaardigd, en de priesters in het binnenste heiligdom van Eleusis droegen kransen van myrten- en taxustwijgen. (Encycl. A. Winkler Prins). De twee oudste boomen van deze soort staan op de Hulsbeke en bij Holst.
De overleden Linderhof had eens een vreemde ontmoeting. Op Driekoningenavond keerde hij met drie paarden bij zich naar huis terug, komende van den Bentheimschen weg, waar hij steenkolen had vervoerd voor de vroeger aldaar staande spinnerij van den heer Gelderman. Bij een driesprong, nabij het grafveld aan de Thij gekomen, zag hij drie lichten. Op elk van de paarden plaatste zich een der lichten en zij verdwenen eerst toen hij den driesprong een eind voorbij was. Men vertelde hem dat het zielen waren van ongedoopte kinderen, die geen rust konden vinden.
Nog een andere gebeurtenis deelde de vrouw mij mede. Als zeer jong kind ging zij midden in den nacht met hare moeder mede buiten de schop, daar haar vader bij het inspannen van den wagen moest geholpen worden. Zij woonden op Tiesnieder. Alle drie zagen zij een glimmenden man bij de Zandhorst, die op de grenzen der marke ligt. Zij en hare moeder liepen verschrikt naar binnen, doch haar vader stelde haar gerust, hij had "den Gluininge" al zoo dikwijls gezien, zeide hij, en nooit had die hem kwaad gedaan (Zie Grimm. Myth. s. 764. Gloiniger). De Gluininge of Gleuninge vertoont zich op meer plaatsen, vooral op de grenzen der marken. Tusschen de Thij en Oldenzaal worden dikwijls dwalende lichtjes bespeurd, waartoe de veenachtige grond, op sommige plaatsen, zeker aanleiding geeft.
Alle boeren, die ik tot nog toe gesproken had en ook later ontmoette, hadden herhaaldelijk de wilde jacht van Tüpis gehoord. Des avonds buiten was het hen geweest of er een drijfjacht door de lucht toog, of hen een groote menigte vogels langs het hoofd vloog en zij hoorden het keffen en blaffen der honden. Niet alléén bij onstuimig weer, maar ook bij windstilte kwam dit voor, vooral voor de Christelijke feestdagen Paschen, Pinksteren en Kerstmis. Enkelen spreken van de St. Hubertus jacht, de meesten van Tüpis. Rosinck van de Lutte sprak van de jacht van Tütü en de bewoner van Scholten Fleder of Fleer van de Stuethünekes jacht. Ook noemde een landbouwer de Kefkesjacht en in Deurningen spreekt men van de Hëllekesjacht, dat duidelijk op Holda betrekking heeft. Geen verschijnsel wordt meer algemeen waargenomen dan die wilde jacht; de boeren houden het voor werkelijkheid, een ieder heeft den wind gevoeld en hooren suizen, alsook het geblaf der honden gehoord.
Een paar kilometers westelijk van Tiesnieder, te Gammelke bij Weerninck, vertoonen zich "witte wijven". De buurtschap Hasselo (ca. 900 Hasloe, 1280 Haslo), gemeente Weerselo, ligt 8 kilom. zuidwestelijk van Oldenzaal, dus buiten het terrein dat ik behandel. Daar echter in Oldenzaal en omstreken een ieder wel eens van "het Hasselsche ondijer " heeft gehoord, doch dit door geen schrijver nog is vermeld, vermeen ik daarvan hier gewag te moeten maken. De spookverschijning, het ondijer, bestaat in een grijs veulen, dat op de wegen rent en in de boomen klimt; in Oldenzaal bestaat het volgende versje over dit spook:
Een kwartijer, voor vijer,
Speult 't Hasselsche dijer,
Met een groot manijer ,
Op 't Clavijer.
(Clavijer is een instrument waar met hamertjes op blokjes hout, metaal- of glasplaatjes wordt geslagen).
In Driene spreekt men van een "Stratendijer" en In de Lutte van "Stegge veulen" en "Kunne Claas".
Als men zich van de Thij ongeveer 1 kilom. zuidwaarts begeeft, komt men bij den weg naar Gammelke aan een boerenhof Waterka genaamd, waar een steenen kruis onder een heg verscholen staat, met het jaar 1758 er op; vroeger trok hier de processie langs, die van de oude kapittelkerk te Oldenzaal naar de haar onderhoorige kerken ging.
De wegen naar Deurningen en Gammelke gaan op een punt, dat een weinig oostelijker ligt, uit elkander; op de punt hierdoor gevormd staat nu een bosch Koorsenbosch, een vijftig jaar geleden was het daar nog heide. Een hooge steenen paal staat er in en gaf de grens aan van het stadsgericht.
Volgens een aanteekening op het stadhuis te Oldenzaal lag de Holtinckskamp van Berghuizen ten Suyden aan den weg na Deurningen, ten westen aan de Clooster Galgemate, ten noorden aan de wed. Factors Coks. Om dien kamp terug te vinden, slaan wij van den Hengelooschen weg af en volgen den Deurninger weg. Wij hebben dan aan onze linkerhand eerst Ruimzicht, dan de Tijgingbraeck met een perceeltje gemeentegrond, dan den Kruiskamp, waarop volgen Pastoriuskamp, Masbok, de Clooster Galgemate en de Galgenbult. Tusschen den Kruiskamp en den kunstweg naar Hengeloo ligt Factors Cokskamp en daarnaast zuidoostwaarts van Postoriuskamp, de Masbok en Clooster Galgemate ligt de Holtinckskamp, nu Hollinckskamp genoemd, eigendom van Hazewinkel.
Zonderling is het dat de Berghuizer boeren alzoo twee kampen zouden gehad hebben, waar zij Holtinck hielden, hier en bij den Esch in Oldenzaal. Mogelijk dat zulks met de vesting in verband heeft gestaan of de eerste plaats in onbruik is geraakt, zooals ik reeds onder Oldenzaal opmerkte.
De kleine beek die langs de noordzijde van den Deurninger weg loopt, heeft den voor mij onverklaarbaren naam Schipleide; men kan toch met gemak over de smalle beek heenstappen, zoodat van een schip geen sprake kan zijn. Ook de namen Masbok of Bokkersmate kan ik niet verklaren; Wargerskamp kan van warge dat wolf beteekent afkomen en met Wodan in verband staan. Er worden twee stukken land daar nabij genoemd "an de goese boeme", een bij Mr. Kappelshoff en 't ander bij Daniel Tijdhoff. Na ijverig zoeken naar de oude standplaats van dien boom is het echter niet gelukt die te vinden evenmin als de beteekenis van den naam. Zou het woord goese hier gans beteekenen of wel is de schrijfwijze verkeerd en moet het "goeze" dat goden beduidt, dus goden- of godsboom zijn? In Twenthe en Limburg zegt men voor Woens- Wodansdag, Goonsdag en in Aachen Gouesdag. In Twenthe beteekent "goese" harde, onheilspellende spookachtige geluiden.
Als wij bij de Papegaaij de Almeloosche baan opwandelen, hebben wij aan onze linkerhand eerst de Kleine Vonders, dan spoedig de Landschap en daaraan grenzende de Veermate, eigendom van den heer Philippeau. Ook een vreemde naam op deze plaats, doch daar ook
de plaatsnaam Veerman bij het Zwaantje in de Lutte voorkomt, vermeen ik dat die eene mythologische beteekenis heeft. De wilde jacht van Wodan of Holda laat zich in Thüringen door een fährman overzetten evenals de dwergen. Hier nu, in het land waar ieder landbewoner die jacht kent, zal dezelfde overlevering bestaan hebben.
De Veermate toch ligt bij een kleine beek en niet ver verwijderd van de grafvelden aan de Thij en aan de Zandhorst, zoodat ook de naam betrekking zoude kunnen hebben op het overvaren naar de Hel. Westelijk, zelfs voorbij de Zandhorst ligt de hoeve Hampsink, welke naam van Hampelman kan komen. Een Kobold, maar ook de duivels heeten zoo.
De Hulsbeke ligt iets zuidelijker, de naam verklaart zich zelve; soms heet het Hulsinck. De hoevenamen Hartgerinck, Koekoek, Kleine Hulsbeke en Keizer zijn hier waarschijnlijk niet van ouden datum; de Krim is van de laatste jaren.
Zuidwaarts van den weg naar Hengelo is een terrein waar in historische tijden geen bosschen van beteekenis waren.
Eene vlakte vereenigt de Elsmars, bij den weg naar Enschede met de Elsmars, oostelijk van Klein-Driene. Het was eene heidevlakte, zooals blijkt uit de tusschenliggende plaatsnamen: Schaddenveld, Koksveld, Snijdersveld, Kollersveld, Leutinkveld en Oosterveld, waarbij veld heide beteekent, in Twenthe.
Drie kilometers ten zuiden van Oldenzaal wordt de kunstweg naar Enschede gesneden door een beek, die ongeveer bij de oostelijk van dien weg gelegen hoeve "de Ulenkotte" in de elfter lescap van de marke der Lutte ontspringt. Zij loopt oostelijk langs de Elsmars, westelijk van het galgenveld aan den weg naar Hengelo, dan als de Hulsbeke naar Gammelke. Van haren oorsprong af tot aan den weg naar Deurningen heet zij de Jufferbeek, een naam die in verband staat met "witte juffers", "witte vrouwen", ook bij verkorting "Witten" genoemd. In het latijn worden zij alba dominae, nymphae oreades, albas nymphas en nymphae montium geheeten, daar zij meest in heuvels of bergen wonen waar bronnen ontspringen. Zij zijn geestverschijningen, meest van schoone vrouwen van menschelijke grootte. Zij zijn in het wit gekleed en vertoonen zich des nachts, evenals de elven of alven waarmede zij verwant, doch die veel kleiner van gestalten zijn. Ook zij behooren evenals deze tot het gevolg van de godin Holda of frû Hölle.
Zij wonen meest met haar drieën bij bronnen in heuvels en worden door de Christenen tot de heksen en duivelen gerekend, waarvan veel kwaad wordt verteld. Zij zouden reizigers op het verkeerde pad brengen en vooral kraamvrouwen en jonggeboren kinderen rooven, die zij in hare onderaardsche woningen brengen, waar zij tevens schatten en veel goud bewaren. De landlieden echter houden haar voor onschadelijk, ja behulpzaam bij het verrichten van arbeid, bij het spinnen en weven als de vrouwen door ziekten verhinderd zijn dit zelve te doen en vooral bij kraamvrouwen in haren nood. Eene vroedvrouw in Twenthe heet nog "Wüze-moor"; in Gelderland "Wize-moer" en bij de Franken "femina saga". Als zij geplaagd worden, zijn zij gevaarlijk, menig volkssprookje is daarover nog in omloop, b.v. te Driene, te Borne en bij de Völcker, in der Lutte. Als hulp voor de menschen bij hunnen arbeid en bij de geboorte der menschen en ook al roofsters van menschen- en kinderzielen, dat op den dood doelt en die zij naar de Hel brengen, zijn zij de vertegenwoordigsters van eigenschappen van hare patrones, godin Holda of Hölle. Zij zijn dus onafscheidelijk van die godin; reden waarom ik geloof aan de vroegere vereering van deze, op al die plaatsen waar witte vrouwen, dames blanches, zich vertoonen, zooals in Noord-Brabant, Gelderland, Overijsel, Drenthe, Groningen, Friesland, Noord-Holland en Zeeland. Uit de namen wize vrouw en sage femme en uit veel wat men de witte vrouwen toeschrijft, vermeen ik als zeker te mogen afleiden dat, waar zulke legenden omtrent zulke vrouwen bestaan, die dáár ook geleefd en gewoond hebben en in die zaken bedreven waren die men nu nog aan hare geesten toeschrijft.
Het werk verrichten in de huizen waar zieken zijn; hulp verleenen: bij geboorten; zoeken van kruiden als geneesmiddelen, is bij voorkeur steeds vrouwenwerk geweest. Als er iemand onder hare geneeskundige hulp bezweek, werd dit het stelen van zielen genoemd, omdat zij die naar vrouw Hölle terugbrachten. Dit duidt ook daarop dat zij bij de begrafenis behulpzaam zullen zijn geweest, om het lijk het hennekleed aan te doen en naar den brandstapel te begeleiden als Klaagvrouw; feitelijk brachten zij dus het lijk naar de "Hel", dat "Graf" beteekent. Ook traden sommige dier witte wijven als Valkyriën op en brachten de zielen der verslagen helden aan Wodan.
Eene slechte eigenschap die men haar toeschrijft is snoepachtigheid; zij lusten vooral gaarne ham en bier, dat aan onze bakers doet denken, die zoo gaarne koekjes en koffie lusten. Zij stelen die lekkernijen als men niet alles voor haar toegankelijk stelt, doch doet men dit wel dan verminderen de spijzen niet, niettegenstaande zij er zich aan te goed doen. Bij hare woonplaatsen die "wivenbelter" heeten, vindt men dikwijls urnen, zooals te Wilsum en te Ulsen. In den Overijs. alm. 1837 staat eene uitgebreide verhandeling van Halbertsma over de witte wiven, waarin veel merkwaardigs wordt vermeld over dit onderwerp en waarnaar ik verder verwijzen moet.
De Ulenkotte staat met den nachtuil in verband. Die vogel bezit een voorspellend vermogen; door zijn klagend geluid geeft hij de nadering van den dood aan, hij is een ongeluksvogel en in de wilde jacht die door Wodan of door Holda wordt aangevoerd, vliegen soms twee uilen vooraan. Zij staan daardoor tot deze godheden in betrekking evenals de honden, die ook de jacht vergezellen en door hun gejank, voor eene woning, den dood of een ongeluk aankondigen. De verkeerde hond, zegt men, spookt dikwijls op oude begraafplaatsen als helhond en staat in betrekking tot Wodan en Holda. Deze helhond was vooral den Franken bekend, ja zelfs zoude een zeehond bij eene frankische koningin een zoon, koning Meroveus, verwekt hebben (Gregorius van Tours, VI, I). Deze dieren worden dus ook in gezelschap van witte wiven aangetroffen.
Uit deze omstandigheid leidde ik af, dat bij de Ulenkotte een grafveld moest zijn. Werkelijk vond ik grafheuvels, op een paar honderd meters achter de Kotte, achter het nabijgelegen Kersthuis. Dit grafveld ligt op de heide, enkele heuvels waren onderzocht, met welken uitslag is mij niet bekend, doch de verbrande beentjes getuigden, dat daar oude graven zijn die zich waarschijnlijk vroeger tot bij de Ulenkotte hebben uitgestrekt, voordat het terrein daaromheen tot bouwland was gemaakt. De witte wiven vertoonen zich langs de geheele Jufferbeek, doch vooral bij de Els Mus. Daar nabij snijdt de oude postweg den weg naar Enschede; ten noordoosten van dit snijpunt liggen de hoeven "de hooge"- en "lage Venterink". In Gorssel is een huis "de Vente" genaamd. Deze naam staat met "Wind" in verband, die als een mythologisch persoon wordt voorgesteld met opgeblazen wangen; de stormwind is een vraatzuchtige reus, om de schade die hij in de bosschen aanricht. In Noorwegen zegt men bij een wervelwind: "de reus roert den ketel". De wind staat in betrekking tot Wodan en Holda, die zelfs Windsbraut wordt genoemd.
Tusschen de hooge- en lage Venterink, welke laatste nu Duivelshof heet, sedert een boer van dien naam, afkomstig van den Duivelshof in de Hengeler Heurne of Huije der Lutter marke, daarop is gaan wonen, ontspringt een beek, de Ellebeek genaamd, waaruit een grijs veulen komt dat zich langs die beek en over den Esch naar de Els Mus begeeft, waar het verdwijnt. De Ellebeek, dat Elvebeek beteekent, valt daar in de Jufferbeek en staat in verband met Elven of Alven. Bij laag Venterink vertoonden zich ook wel eens een haas en een kat; de menschen die echter het ongeluk hadden deze te zien, werden ziek. Deze dieren staan met Holda in verband. De vader van den landbouwer Kaputein schoot eens een haas mis en moest daarna acht dagen ziek te bed liggen. Tüpisjacht wordt bij laag Venterink dikwijls waargenomen, vooral tegen Kerstmis. Op den hof staan veel eikeboomen. Het Lossersche voetpad loopt langs den hof; bij de hoeve Haarman, mogelijk in +900 Hari en in 1440 Haer genoemd, heet hij Haarstege, en is vooral dáár berucht door de spoken. Een grijs veulen vertoont zich ook hier en op het voetpad; soms een spookdier, wel zoo groot als een hond. Een man sloeg driemaal te vergeefs naar een kat die hem hinderde; hij werd daarna acht dagen ziek. Een boer, Breukers, zag op het Lossersche pad soldaten, geheel in roode kleeding, hoewel er geen krijgsvolk in de streek was; ook zag hij het veulen langs den ouden postweg loopen.
Een vroegere bewoner van Scholten Fleer (in +900 Fletharrothe, met een bewoner Oduuald, in 1440 Vlederrode, in 1619 Fleeren), zag dikwijls een spook op een grooten keisteen zitten op zijn land bij de Haarsteeg, hetgeen hem hinderde. Hij ging een gevecht aan met het spook en riep: “in naam van God en Maria, als gij op mijn terrein komt, dan sla ik u, dáár op uw terrein kunt gij blijven." Het spook bleef na dien tijd op zijn eigen, nabijgelegen land.
Een ander verhaal werd mij als volgt medegedeeld. Bij Haarman even voor het middagmaal, de aardappels kookten, doch waren nog niet gaar, wilde de boer een stok halen om een koe aan vast te zetten. Toen hij met den stok uit de schuur terugkwam, zag hij onder de heg een grijs veulen liggen en sloeg daarop los. Het veulen werd hem echter de baas en takelde hem zoo toe, dat hij spoedig daarna aan de gevolgen overleed. Een ander bewoner van Haarman bleef kijken naar twee spelende hazen, doch moest dit met een ernstige ziekte boeten.
De drie plaatsen Haarman, heetten Olde Haarman, Op Haarman en Op Olde Haar en staan bekend als spookplaatsen. Een van die plaatsen wordt nu het haantje, haentje, ook Tries haentje genoemd. Zou de naam afkomstig zijn van een hooge plaats omringd door laag land, die “haar" wordt genoemd? Dit is echter niet mogelijk daar de hoeven boven op een bergvlakte liggen. Van Harimannus, krijgsman, legerman kan de naam afgeleid zijn, maar ook van “haruc”, dat heiligdom, tempel beteekent. In +900 heette het Hari met bewoners Goduuini en Blithrad. In verband met de spookgeschiedenissen en het verhaal dat Scholten Fleer het heidensch spook naar zijn eigen terrein joeg door God en Maria aan te roepen, vermeen ik dat wij hier aan een heilige plaats moeten denken, aan Freyer gewijd, daar de nabijbeid van Everding en Speul Derk op dien God wijzen.
Ook Flederrode, Fleeren en dat Slat Vledercott hebben eene mythologische beteekenis. Flerus is een goedaardige kabouter, die menschen en dierengestalten kan aannemen (v. d. Bergh, p. 59); ook wel die van een oud wijf dat de koeien en de melk betoovert, waarvan bij Ostende het versje:
Melk en look,
Flerus verhuist
En 't geluk ook,
Flederwisch is een naam van den duivel, die dikwijls door heksen in processen wordt genoemd, in volkssage is hij echter een kobold. Slat is een bijnaam en beteekent vochtig, morsig; slatte is dweil, ijsl. Sladde is een slordige kerel. (Bij Tubbergen ligt de buurtschap Fleringen). Op hoog Venterink vertoonen zich drie gloeiende kerels die naar den Lonnikerberg loopen. Eens kwam de heer Troost, in leven wethouder van Oldenzaal, te paard van Enschede. Bij Lonnikerberg ontmoette hij den Gluininge, waartegen hij zeide: “zit up". Het spook zat daarop dadelijk achter hem op het paard dat naar Oldenzaal rende, waar het spook verdween. Hetzelfde zou een knecht overkomen zijn, die een paard uit de weide haalde van de plaats waar nu de fabrieken van de firma H. P. Gelderman en Zonen staan, bij de spoorbaan. Langs de markengrenzen heeft de 79-jarige Graats Kock, die op de hoeve “Speul Derk", bij den Enschedeër weg woont, den Gluininge zelf gezien (Graats Kock is in October j.l. overleden).
Langs den weg naar Enschede spookt een weerwolf, maar opmerkelijk is het dat bij de Soggemate, ongeveer 2500 meters van de hoeve Speul Derk, bij het snijpunt van de Jufferbeek met dien weg een varken spookt. Uit de verhalen die hier bekend zijn, heb ik geen verband tusschen Speul Derk en het varken kunnen ontdekken, doch het is duidelijk dat wij hier met Derk met den beer uit het Zutphensche te doen hebben. Ook bij het dorp Wezepe, bij den Kranenkamp, en wel in het bijzonder op de hoeve Lenderinck aldaar, trekt op Kerstnacht Derk met den Beer rond en bevuilt de laatste de niet opgeborgen landbouwgereedschappen. Ook de Gluinige spookt in deze streek, doch wordt genoemd Gloeiende landmeter, die markesteenen verkeerd zoude geplaatst hebben. Vuur spat uit zijn oogen, neus en mond. Grimm ziet in dezen Derk den God Freyer. Dat de noordsche Freyer nog in zuidelijker landstreken onder dien naam werd vereerd, en wel ook in de onmiddellijke nabijheid van heilige plaatsen aan Wodan of Holda gewijd, blijkt daaruit, dat bij Dinant het dorp Waulsort en het kasteel Freyer in elkanders nabijheid liggen.
Dezelfde Graats Kock alias Speul Derk ging eens van Peterinck, in 1440 Petring, bij Boerscotte naar zijn huis; hij zag steeds een haas voor zich uitloopen tot aan zijn woning. Een paar dagen later denzelfden weg moetende afleggen, besloot hij eerst een ander pad te kiezen, doch zich vermannende, volgde hij toch den eersten. Nu was het geen haas meer, maar een veulen dat hem thuis bracht, en hoewel hij lust gevoelde er naar te slaan, bonsde zijn hart uit angst te zeer om dit te doen.
Omtrent den oorsprong van den wilden jager vertelde Speul Derk mij, dat eens een mensch de hooge Christelijke feestdagen steeds schond door dan op jacht te gaan, waarom hij veroordeeld werd om ten eeuwigen dage te jagen (Vergelijk de verhalen door Grimm medegedeeld over dit onderwerp).
In den Flederhoek ligt het Bulthuis, ook Berkenhuisje genoemd; daarbij stond vroeger “de krantenpaal", aan den ouden postweg. Aan deze paal, verhaalt men, werden de bultzakken met brieven gehangen toen de postweg nog in gebruik was. De hoeven Breukers, Achterbosch en Olde Ventrinck liggen bij dien weg en geven geen aanleiding tot verdere opmerkingen.
De Arninck (1440 Arnding) aan het Lossersche voetpad, is bepaald afgeleid van Arend; Wodan nam soms de gedaante van dien vogel als windvogel aan en past dus goed bij Ventrinck.
Hurlekotte, in 1440 Horlecote, nu Hor- en Holkotte judde, staat in verband met den duivel, die dikwijls bokspooten, doch ook wel paardevoeten heeft, die klomp- en horrelvoeten worden genoemd. Hurlebusch is een woudelf. De bijnaam “judde" zou dat hier jood beteekenen of in verband staan met den Saxischen God Jodutte? Ik durf hierin niet beslissen. Jodute schijnt een krijgsgod te zijn (Myth. Van den Bergh).
De hoevenaam Warge, daar in de nabijheid, beteekent “wolf" (Reinhart XXXVII) en staat met Wodan in verband.
Huttenhuis, Nyehuiss en Wechues zijn oude hoeven; ik kan daarbij opmerken dat de jeneverboom, de Wacholder in een gedicht als een persoon wordt voorgesteld, fraw Wecholter, en dat aan dezen boom sagen zijn verbonden en hij den elven en woudgeesten was gewijd.
Kersthuis is een Christelijke naam, de oude naam van die plaats is mij niet bekend; zooals wij later zullen zien hebben de Christenen op meer plaatsen nieuwe namen in plaats van de oude heidensche gesteld. Hier zouden, volgens Geerdink, bruinkolen gevonden zijn op niet groote diepte.
Den tegenwoordigen kunstweg naar Losser volgende tot aan de Bethlehemsche beek, zoude men van dáár tot Losser in een zeef door de lucht kunnen vliegen, een verhaal dat meer voorkomt, n.l. dat heksen en elven zich zóó van de eene naar de andere plaats kunnen bewegen. De hoevenaam Bethlehem komt waarschijnlijk van een klooster bij Losser.
Nog moeten wij op de hoogvlakte enkele hoevenamen nagaan. Peterinck, vroeger Petring, kan in verband staan met Peterlein, eene fée (Grimm. uit een heksenproces); ook is Peter een naam van den duivel; Hollepeter is een spook in verband met Holda; petra-peta- bete-bedehuis is een heiligdom. Volgens Peterman, de bewoner van Peterinck, heeft in vroegere jaren op de hoeve een heilig beeld gestaan. Als dit werkelijk zoo is, dan zoude de laatste afleiding de ware kunnen zijn. De oude hoeve Everding is afgebroken en stond dicht
bij Kesseler; de nieuwe hoeve Everman wordt bewoond door Spitshuis. De hoevenaam die van een everzwijn afkomt, staat met Freyer en Freya in verband, doch ook Wodan en Holda stonden tot dit dier in betrekking. Kesseler is een naam die uit een ander gedeelte van de Lutte afkomstig is. In 1365 wordt een hoeve tor Schoppen, in 1440 Stoppe Scoppe en in 1619 Schoppe genoemd. Wordt met dien naam Schopbartelt bedoeld of een van de boerehoeven Schopman of wel Boerscotte? Dit is nu niet meer te bepalen, "schoppe" beteekent schuur, "stoppe" stoep, een elvennaam. Bartelt, Berhtolt is een spook, dat aan de spits van de wilde jacht door de lucht jaagt, in het wit gekleed op een wit paard met witte honden aan de lijn. In Schwaben kent men Berchtolt als een wit mannetje, die spoelen bij het spinnen aandraagt. De eerste voorstelling staat met Wodan, die wel eens Berchtolt wordt genoemd, de laatste met Holda en Berchta in verband. Bij de Everding ligt de hoeve Sträwel, een voor mij onverklaarbare naam.
Olde Koppelboer, op de militaire kaart Koperboer genoemd. De naamsbeteekenis is mij onbekend; de Maandag na Driekoningen wordt verloren Maandag geheeten, ook Koppel-, Kopper- of Koppertjesmaandag, op welken dag de vrouwen baas zouden zijn. Waarschijnlijk is het dus, dat de dag nog met het geëindigde julfeest en met Holda in verband staat. De nieuwe Koppelboer ligt noordelijk van de spoorbaan en daarbij Schopman. Bij de laatste plaats zoude het bij de trappen die naar de spoorbaan loopen, spoken, zonder dat men den aard van het spook kon aangeven.
Westelijk van den weg naar Enschede moeten wij nog vermelden de hoeve "de Brake", nabij den postweg gelegen, op welken weg een grooten, opgeworpen heuvel ligt, waar drie Gluiningen zich in het Vildersche vertoonen. Brake, nu Breukel, beteekent hoog bouwland. Hier zijn de Gluiningen geraamten, waarin vuur door de beenderen zichtbaar is en door mond-, neus- en ooggaten naar buiten vliegt. Bree, Brake en in Limburg Brée en Bracht hebben dezelfde beteekenis.
Op de hoeve Spanjaard spookte het vroeger erg; turven werden door onzichtbare personen door de kamers geworpen; de kousen der meiden verdwenen uit de slaapvertrekken en werden onder het ligstroo van het vee teruggevonden.
Aan de Els Mus ligt de Symerinck, waarschijnlijk hier geen oude hoevenaam. Hij komt in deze streek veel voor, ook in Westphalen, o. a. te Langen. Mogelijk heeft hij dezelfde beteekenis als Someren in N.-Brabant, dat Mr. Ackersdijk gelooft dat "grens van moerasland" wil zeggen, of sooma moerasgrond. Te Voorthuizen is een buurtschap Zeumeren of Seemeren. Ik ben geneigd om aan Somer, sumar, het jaargetijde te denken. Simar staat met zomer in verband (Grimm, S. 654). Bij het huis ligt in de Mus een eilandje met steile kanten, zoodat men duidelijk kan zien dat bij het graven van de Mus dit stukje grond is blijven staan om, de een of andere onbekende reden.
De hoeve 't Hasewinkel (Hazenhoek), ligt Up de Els Mus; het zoude zijn naam ontleend hebben aan het feit dat een timmerman, die werkzaam was bij den bouw van het huis, zijn winkelhaak wierp naar een haas, die hem reeds lang nieuwsgierig had zitten aankijken. Wij weten dat de haas Holda heilig was.
De hoeven Visschedieck en de Eekte liggen nabij de spoorbaan; de laatste naam komt van eik. De hoeve was verdeeld in drie deelen, bitters Eekte, hoge- en lage Eekte; het schijnt eene groote hoeve te zijn geweest.
De hoeve Hinneman ligt bij 't Hasewinkel. Van dezen naam kan ik geen verklaring geven; in 't Lutterzand ligt Bothinnik, ook een mij onbekende naam. Mogelijk staat hij met Hun in verband, daar in 1774 te Oldenzaal een Hunink wordt vermeld, doch ook een Heineman.
Tusschen de hoogvlakte ten zuiden van Oldenzaal, waar wij de hoeven Venterinck vonden en de stad, ligt een dal waardoor een kleine beek, "de Stakenbeek" stroomt. Een harer bronnen komt westelijk van het Rockhues uit Symerinksboschje, de andere ontspringt zuidelijk van die hoeve op de weide Tüpisgaarden genaamd. Zij loopt langs Rouvoet, den Stakenboer en valt in de Jufferbeek.
In 1773 komt de familienaam Stakenborg en in 1774 Staekenbroeck te Oldenzaal voor. De naam Stake komt ook voor in Radstake en heeft daar vermoedelijk de beteekenis van stok of staak, waaraan een godenbeeld of een rad als symbool was aangebracht. Bij Gendringen is een Stakenberg en te Vlagtwedde een Stakenborg. Ook Stakelbrand te Warnsveld heeft waarschijnlijk dezelfde beteekenis, dáár in verband met Balder. Bij bespreking van het Rockhues kom ik op dien naam terug.
In de nabijbeid van den Stakenboer en den Stakenkamp liggen aan en nabij den Borghuizerweg de boeven Borghuis, Rouwenhorst, de Koekoek, Lemsing, Vischgedieck, Roeschenborg, de Poppe, Op het Bolhaar, Kaputein en de Krabbe. Hoe de oude namen van deze en de andere hoeven in Berghuizen waren, is door mij niet vast te stellen door het ontbreken van het markeboek van Berg- of Borghuizen, dat nergens te vinden is en toch nog voor eenige jaren in Oldenzaal is gezien.
Op Roeschenborg, welke naam ook in De Lutte voorkomt, woont een Kokenberg. Een zijner voorvaderen heeft in de nabijheid van de hoeve met een groot spookdier gevochten; hij werd daarna doodziek en kreeg over het geheele lichaam zweren. Bolhaar zal wel met bulle, stier in verband staan. De namen Koekoek en de Poppe bespreek ik later. Borghuis heeft de beteekenis van berghuis en heeft den naam aan de marke gegeven en niet Tancenberg, zooals Weeling vermeldt. Omtrent den hoevenaam Kop weet ik niets te vermelden.
Als wij nu nabij Schopbartelt, in 1617 Kot Bertelt, over de spoorbaan gaan, bevinden wij ons op de grens tusschen de Lutte en Berghuizen, die van hier in noord-oostelijke richting naar het Rochuiss, aan den Bentheimer weg loopt. Volgens den Laeckganck van 4 Septembris Anno 1651, staet die 1e steen vant Rochuiss tusschen Lutte ende Berchuisen an Cruissels Emminchaer ende is ein grant (?) Steen. Dit (?) staat in het markeregt van de Lutte. Grant is in Engeland een soort duivels, doch in de Lutte heeft het woord de beteekenis van een gehouwen Bentheimer steen, in onderscheiding van veldkeien.
Die anderde staet an CrusseIs kamp.
Die 3e staet au Rue Voetes kamp.
Die 4e staet achter Schop Bertels nijekamp.
Die 5e staet in Haermans maete.
Die 6e staet an funder vor die Haerstege an den Losser wech.
Die 7e staet in den wal van Ventrings kamp.
Die 8e staet bij Hurrecottenkamp int Velt.
Die 9e staet int velt an die Rechterhandt van Oldenzel na Losser te fueren.
Die 10e staet int velt, ende scheidet die Lutter Marck, Beechuizen ende Lonniker..
Die 11e staet achter Arninck Braecke anden wech na het Oldenzelsche Venne.
Die 12e staet iegen het Losser Haegerbroick bij den Oldenzelschen Venne wech.
Die 13e staet int velt iegen het ossenschot alwaer noch ein kleinen steen bij licht.
Die 14e staet achter Rechters kampe ant Oldenzelsche Venne ende scheidet drie marcken, als Lutte, Lonnicker ende Losser.
Die 15e steen staet in Rechters kempe.
Die 16e staet in Rode Cuipers maete in Asblick.
Die 17e staet in Schoemaeckers maete.
Die 18e staet in Dijck Gerlix maete an Sallerskamp.
Die 19e staet in Thoslags kamp tegens Schulte Honinchloos maete.
Die 20e staet in Snoijncks gemeene horsth.
Die 21e staet in Hengelmans maete bij Schulte Honinchloes Ess. r .
Die 22e staet up Snoijnchs Esz in den wal an den Caluerkamp.
Die 23e staet up Snoijnchs lange camp.
Die 24e staet in Snoijnchs weide an die Dinckel under ein Haegedoornes Busz, welke steen scheidet die Lutter Marcke, Losser ende die graeffschap Bentheim.
Toen wij de spoorbaan overstaken, bevonden wij ons nabij de Rue Voetes kamp. In het Lutter markeregt, waaraan ik ook de plaatsing der grenssteenen ontleende, staat op 1440 (blz. 5) vermeld. onder de oudhoeven in elfter lescap “droffotinck" ook “Druffoting" (blz. 7, 9) met een bewoner “Druffoet" genaamd. In 1619 heet de hoeve “Druffoetinck" (blz. 70) en in 1651 Rue Voetes kamp (blz. 74). Op blz. 67 staat: Berninck 1 waer per Voet ten Boelskamp totum 3 vercken en op blz. 80 Wolter Voeth toe Boegelschamp; Beugelskamp is een van de 4 havezaten in Denekamp. In 1440 blijkt het dat Druffotinck gedeeltelijk in Berghuizen lag. De tegenwoordige familienaam is Roevoet en Rouvoet; in 1782 staat vermeld een “Oude Voeterick". De hoeve Rouvoet is nu een nieuw gebouw, bewoond door Brand. Het is mij niet mogelijk een verklaring van de beteekenis van dien hoevenaam te geven; alles wat eenige overeenkomst daarmede heeft wil ik echter vermelden. In Graubunderland wordt Wodan Vút genoemd, Vúodan in Wallis en Vidvût bij de Letten. Vutt zou goden, godenbeeld beteekenen; J. Grimm noemt een Voetlingastraet in Engeland, te Grathem in Limburg is een Voetershoef en te Geldermalsen een Voetakker.
Rof, Ruf, Roe of Rou is wellicht een bijnaam van Wodan; het gelijkt op Roy in Gramayes Taxandria, dat in Roysel, nu Reusel, in N.-Brabant voorkomt en volgens hem een naam van Mars zoude zijn. In de nabijheid van de hoeve, n.l. bij de Koekoek en de Landreben zijn verschijningen die met Wodan in verband staan. Votes is gelofte, besluiten, beraadslagen; vote beteekent stem uitbrengen bij verkiezingen. Foid is voogd, holtrichter. Rough beteekent in het Engelsch ruw en Void ledig; zoude het ruwe, ledige kamp kunnen zijn?
In de oudste tijden werd er geen recht gesproken over vreemdelingen, zij konden alléén voor huns gelijken, voor hunne landslieden terecht staan. Toen zich het volkenverkeer meer vriendschappelijk regelde, schijnen er spoedig voor de reizende kooplieden gerechten ontstaan te zijn die men gastgerechten, noodgerechten, notding noemde. In de middeleeuwen bestond in Engeland voor de vreemdelingen, die de jaarmarkt bezochten "the court of pipoudres"; in Frankrijk “la cour des piedpouldreux" (pedes pulverisatie curia, pede pul verosi, d. i. voetbestovene reizigers) in Schotland “dustifute" genoemd (Grimm, Rechtsalterthümer).
Vanaf Rouvoet langs de markegrens tot aan het Rockhuis vertoont zich de Gluininge, hij verdwijnt achter dat huis in de Helbeek. Vooral tusschen Daminck en Luttike Crussel ziet men hem dikwijls.
De Wijnbergen, die westelijk van Rouvoet liggen, ontleenen hun naam vermoedelijk aan het berkenhout dat daar groeit en waar de jeugd fleschjes vult met het sap der boomen, dat berkenwijn wordt genoemd.
Daminck en Olde Daminck kan van dame blanche, witte vrouw zijn afgeleid; over het Clieverick, oudtijds Clying, is niets medetedeelen. Parravoort is hier een nieuwe naam. De nabijgelegen hoeve de Koekoek ligt in het hout verscholen nabij de spoorbaan. Een ieder kent den vogel van dien naam, die door zijn roepen als dit aan de rechterzijde wordt gehoord, geluk en aan de linkerzijde ongeluk voorspelt. Het is een voorspellende vogel, die door het aantal roepen aangeeft, hoeveel jaren de mensch nog te leven heeft.
Bij deze hoeve vliegt een grijs veulen uit een boom, dat evenals de andere grijze veulens met Wodans schimmel Sleipnir in verband staat; het vliegt ook naar het Rockhuis, waar het in “het Paardengat" in de Helbeek verdwijnt.
Westelijk van het terrein van de Koekoek ligt het Landreben boschje, zoo genoemd naar een vroegeren docter te Oldenzaal, die het heeft aangelegd of de bezitter er van was. Op elk van de twee eilandjes die er in liggen en die vroeger door een brug waren verbonden, stond oudtijds een koepel. Om 12 uur 's middags werden de deuren en luiken daarvan opengeworpen, 3 heeren met roode jassen aan en witte punthoeden op, kwamen dan naar buiten en wandelden om die koepels. Spoedig gingen zij echter weder naar binnen. Van de waarheid van dit verhaal zijn de oude landbewoners niet alleen overtuigd, neen, zij hebben het zelf in hun jeugd gezien; ook de jongeren gelooven er vast aan. Nog niet veel jaren geleden zag eene vrouw, die door het bosch ging, een zwarten mantel hangen; toen zij dezen wilde oprapen, was hij plotseling verdwenen. Sommigen hebben daar een wagenkoets met twee paarden bespannen uit de wolken zien komen en die met veel gedruisch verder vloog.
Het Landrebenbosch grenst aan de noordzijde aan een weg, tegenwoordig Zwarteweg genaamd, volgens sommigen Coopsweg in vroegere tijden, naar eene vroegere hoeve Zwarte Coop. Anderen zeggen dat de Coopsweg liep van Caputein naar het huis de Haer, waar het land Zwarte Coop tegenover ligt. Dit laatste is het waarschijnlijkst, en dat de Zwarteweg oudtijds Thij- of Thestegge heette. Op Zwarte Coop zoude vroeger een gouden romeinsche penning zijn gevonden.
Tegenover Landreben ligt het landgoed Kalheupink. Heerlijk is het hier wandelen op den heuvel, waar nu een villa staat en een prachtig park met vrijen toegang daartoe uitlokt. Vroeger stond daar slechts eene kleine boerderij met denzelfden naam, waarbij een weerwolf spookte. Men gelooft, en waarschijnlijk terecht, dat de naam "kale hoogte" beteekent, doch daar Wodan hier in deze buurtschap zoo thuis is, zoude die ook betrekking kunnen hebben op de kaalhoofdigheid van dien God.
Het perceel land, genaamd de Steenbult, ligt noordoostelijk, de hooge Haer en hoeve Mettenjan westelijk van het park. Dan volgt de villa "de Haer", zoo genoemd naar de hoeve Scholten Haer, die daar in de nabijheid heeft gestaan en door den Hofmeijer van Oldenzaal werd bewoond. Deze hoeve werd ook genoemd Scholten Grevinkhof van Thijmen. Deze laatste bijvoeging komt van eenen Coert ten Thye, in ca. 1546 hofmeijer t' Oldensael. Noordelijk van deze plaats loopt de Scholtendieck naar de Hofmeijersch- of Prullenpoort. Dáár aan de noordoostpunt van het park spoken witte wijfjes, terwijl aan de Prullenpoort de Kattengrave wordt gevonden. Beiden hebben betrekking op Holda. Op eene oude aanteekening vond ik dat de weg achter (?) Landreben, de Thestege zoude heeten, waaraan de Thebult. Te vergeefs heb ik tot nog toe moeite gedaan om deze gerechtsplaats te vinden. Is de Zwarteweg de Thestege en Scholten Haer de Thebult? In 1767 wordt die nog Tiosink genoemd.
Ten zuiden van Landreben loopt eene stege van de Koekoek westwaarts. Zij is de doodeweg van de Koekoek en tevens de weg die gevolgd wordt naar de kerk tot het inzegenen van een huwelijk. Zij heet de Kruisstege en in de nabijheid zuidelijk van de spoorbaan ligt een perceeltje land dat het Rondeel heet. Is die Kruisstege de Thestege? Rondeel echter heeft de beteekenis van een buitenwerk bij een vesting; tusschen het Schuttersveld en den Enschedeërweg ligt ook een Rondeel. Mogelijk dat ik later in de gelegenheid zal zijn hierover opheldering te geven en die ik dan met andere zaken, die mij nu nog onverklaarbaar zijn of waarover ik dan een ander inzicht heb gekregen, als aanhangsel van deze verhandeling bekend zal maken.
De hoeven Boerrichter en de Kniepse liggen bij de spoorbaan, doch ik weet daarvan alleen mede te deelen, dat de laatste vroeger Hommelskamp heette. De hoeve Altena, noordwaarts van de spoorbaan en westelijk van den weg naar Enschede, op den Zoddenberg, heeft mogelijk dien naam gekregen door haar ligging nabij de vesting.
Als wij nu nagaan welke de beteekenis is van hetgeen wij op deze wandeling opmerkten, dan komen wij tot het volgende besluit. De witte wijven huizen in de Elfter Huije van de Lutte, doch vertoonen zich ook in Berghuizen bij de Els Mus en op Scholten Haer, dat tot het gebied van de stad Oldenzaal behoort. Hazen en katten, dieren aan Holda gewijd, vertoonen zich in beide Marken, evenals het grijze veulen van Wodan.
De Soggemate ligt in Lonnicker marck; Speul Derk in Berghuizen, Everding in de Elfter Huije, zoodat de vereering van den God Freyer in de drie marcken schijnt plaats gehad te hebben.
Wodan beweegt zich op het geheele terrein dat wij bezochten, als aanvoerder der Wilde jacht, onder de namen St. Hubert, Tüpis en Hüpis. Persoonlijk verschijnt hij echter alléén in Berghuizen, bij de Landreben, evenals zijn godenwagen, tenzij dat de roode soldaten in de Haarstege in Elfter Huije tot hem in betrekking staan. Opmerkelijk is de roode kleeding en dat hij in gezelschap is met twee andere mannelijke wezens, die evenals hij gekleed zijn.
Dit zoude daarop kunnen wijzen dat het heiligdom in de stad aan meer goden was gewijd en Wodan de voornaamste daarvan was, als Hoofdgod der Germanen, een vermoeden dat ik reeds vroeger vermeldde.
Weerwolven zijn mannelijke, hazen vrouwelijke en katten ook meest vrouwelijke spoken. De Gluininge komt mij voor bij Donar te behooren, die met de plaatsing en bescherming van de Laecksteenen is belast.
Het is mij niet bekend of in het bezochte terrein ooit oudheden van belang zijn gevonden; de gouden romeinsche penning op Zwarte Coop gevonden, heb ik reeds vermeld; wijlen richter Palthe bezat een fraaie steen en bijl, die bij het bouwen van het station zoude zijn gevonden en Speul Derk deelde mij mede, dat hij twee zulke bijlen had gevonden in de nabijheid van Hinneman en 't Hasewinkel, zij waren echter verloren geraakt.
Daar onze volgende wandeling bijna geheel door der Lutter marke voert, is het noodig dat wij de verdeeling van die marke en de oude hoevenamen kennen, zooals die in "het markeregt van de Lutte" staan vermeld en ook enkele bijzonderheden van het volk.
Het gedeelte van de marke Berghuizen dat wij nog moeten bezoeken, ligt op het hoogste gedeelte van den Tancenberg. Deze berg strekt zich ten westen uit tot en met het stadsgebied van Oldenzaal; noordwaarts tot voorbij den doodenweg naar de Harbert, oostelijk tot voorbij het Crussel en zuidelijk tot aan Rouvoet, de Koekoek en Landreben.
De landbewoners wijzen in het bijzonder dien berg aan als de oude verblijfplaats van de Hunnen of Huinen. Men vertelt dat daar groote potten, urnen met acht ooren, gevuld met verbrande beenderen en waarin kleinere potjes stonden, zijn gevonden. Zij zijn echter spoorloos verdwenen; ook kan men zelfs de vindplaats niet meer aanwijzen. Sommigen gelooven dat de kern van den berg uit steen bestaat, van dezelfde soort als te Bentheim en Gildehaus. Ik twijfel aan de juistheid van die opvatting, maar merkwaardige versteeningen komen daar talrijk voor. Bij den heer August Nieuwenhuis zag ik een versteende paardenvoet, versteend hout en vruchten, allen bij het grinddelven op den berg gevonden. Ook barnsteen komt soms voor.
"Tang" zou eene zandige hoogte, omringd door moeras- en veengrond, beteekenen. Ik twijfel of deze determinatie juist is. Tancenberg bestaat uit klei en zand, terwijl alléén aan zijn noord- en westzijde veenachtige moerasgrond wordt aangetroffen. Later kom ik op de beteekenis van dezen naam terug.
Opmerkelijk is het, dat bij de meeste hoofdhoeven in Twenthe kleinere hoeven worden gevonden die dezelfde namen dragen doch met bijvoeging van "Olde", zooals Hannhof - Olde Hannhof, Haeckenberg - Olde Haeckenberg , enz. Ik informeerde in Oldenzaal naar de beteekenis van die bijvoeging, doch niemand wist mij die te verklaren, hoewel ieder het met mij eens was, dat de hoeven zonder bijvoeging, door bouw en ligging de voornaamsten en ook de oudsten zijn. De overleveringen zijn allen aan de hoofdhoeven verbonden. De boeren verklaarden mij dat de hoeven die "Olde" zijn bijgenaamd, steeds huurhoeven van den hoofdhof, van den ouden hof zijn, dus dat zij gelooven, dat het beteekent: behoorende tot den olden of hoofdhof. Hoewel mij deze verklaring vreemd voorkomt, kan ik geen betere geven. Zeer waarschijnlijk bestaat die gewoonte alléén in Saksische landstreken; elders en bij andere volksstammen heb ik er nooit van gehoord en om bijvoorbeeld bij den Frankischen naam Olden-sale tot eene nog oudere sale te besluiten, komt mij onjuist voor.
De landbewoners in Berghuizen en de Lutte zijn meest voorkomende, beleefde menschen, die gaarne mededeelen wat zij beleefd en gehoord hebben. De oude woningen bestaan nog, behalve soms uit een of meer zijkamertjes, uit één groot vertrek, waarin de menschen in het voorgedeelte, de keuken, huizen en waar ook de haard is, terwijl het vee en de delle in het achtergedeelte worden gevonden. In huizen die nieuw gebouwd zijn, zijn die deelen door een muur gescheiden waarin meestal een venster is aangebracht om het vee te kunnen gadeslaan.
Burenplichten en -rechten geloof ik dat gelijk zijn aan die in de andere Marken, ook de plechtigheden en feesten bij begraven en huwelijken. Dauwtrappen op Hemelvaartsdag is nog in gebruik, ook het branden van Paaschvuren. Op Kerstavond hoort men een wonderlijke muziek in de geheele Mark, die ontstaat doordat men op de blaaspijpen, die bij den haard worden gebruikt, of op de ossenhorens bij de waterputten blaast, waarin de geluiden weerkaatsen; dit is nog een overblijfsel van het heidensche Julfeest met Midwinter, zooals Kerstmis hier wordt genoemd. In het Markeboek komt op blz. 21 een gebruik voor dat nog uit den heidentijd moet komen; het luidt: “65. Item op Mittwinters auent mogen de Schotters een redelijk holt opten minnesten, schaden nemmen toe offergelde bij raede onses Holtrichters." Bijzondere gebruiken bij het korenmaaien heb ik niet kunnen ontdekken; eenige oude boeren herinnerden zich flauw van hunne ouders wel eens gehoord te hebben, dat vroeger de laatste schoof op het land bleef staan voor Tüpispaard. Op enkele plaatsen hoorde ik, dat de dood van een huisgenoot, op een plaats waar bijen worden gehouden, aan die dieren werd bekend gemaakt; verzuimde men dit, dan stierven die binnen het jaar (Grimm. III, s. 202).
In het algemeen is het bijgeloof in de laatste 50 jaren in deze landstreek zeer verminderd. In 1830 is het Lutter kerkje gebouwd, dat aan Plechelmus is gewijd.
Abonneren op:
Posts (Atom)
















