vrijdag 4 mei 2012

Gids voor Heino (1935)




VOORWOORD

Gaarne voldoe ik aan het verzoek van de samenstellers van dit boekje, door het geven van een klein voorwoord in deze Gids, welke beoogt te zijn een wegwijzer voor den vreemdeling bij het doorkruisen van onze mooie Sallandsche gemeente, bij het brengen van een bezoek aan het rustige, stille dorpje Heino.
Evenwel mag veilig worden aangenomen, dat in een werkje als dit, niet alles in de finesses kan zijn uitgewerkt. doch den lezers zou ik willen toeroepen, komt, ziet en . . . gij zult genieten van het schoone wat de natuur in Heino's omgeving biedt, gij zult overtuigd worden. dat niets overdreven is voorgesteld, gij zult nà Uw wandel-, fiets- of autotocht, met voldoening huiswaarts keeren, dankbaar voor al het genotene.

Heino, November 1935.

A. VAN SONSBEECK.
Burgemeester.

Gids voor Heino (1935): Heino en omgeving

HEINO EN OMGEVING


Heino is van verschillende kanten gemakkelijk te bereiken. Het ligt aan den spoorweg Zwolle-Almelo en tevens aan den grooten straatweg die Zwolle verbindt met Twente.
Komt men langs genoemden straatweg uit de richting Zwolle, dan passeert men pl.m. 25 minuten gaans buiten het dorp Heino, de monumentale Ganzepanbrug, nog pas voltooid, waardoor een enorme verbetering is gekomen in het verkeer over dit traject. Weldra passeert men het prachtige boschrijke buitengoed De Gunne, waar het heerlijk stil is onder het oud geboomte.


Even voor het dorp ziet men de groote Coöperatieve Melkproductenfabriek, bekend door de bereiding van Melkpoeder, welk product naar alle streken van de wereld wordt gezonden.
Iets verder, bij den ingang van het dorp, staat de windmolen, toebehoorende aan de familie Hooglugt, welke molen een onverbreekbaar geheel vormt met het rustige dorpsaspect.


Het dorp zelf is een toonbeeld van netheid en rust. De oude toren van de Ned. Herv. Kerk staat schilderachtig op den hoek, waar de groote straatweg ombuigt naar Raalte.


Deze toren werd omstreeks 1300 gebouwd en opgetrokken uit roode baksteen. In 1885 werd hij getroffen door den bliksem, waarvan de sporen nog duidelijk te onderscheiden zijn.

De onmiddellijke omgeving van Heino is buitengewoon mooi. Kiest b.v. voor wandeling, de mooie Rosendaalsche weg. Komende van Zwolle, gaat men vanuit het dorp de richting naar het station, vlak voor Huize “De Heemel", - het prachtig gelegen en getooid “Landhuis", - rechtsaf, langs Het Rosendaal de Nieuwe Wetering over en langs de oude buitenverblijven De Colckhof en De Alerdinck.



Wanneer wij de geschiedenis naslaan van de Marke en Schoutambt van Heino, dan lezen we omtrent laatstgenoemde buitenverblijven, . . . "zoo mooi gelegen, temidden van schitterende landauen, uitgestrekte bosschen van akkermaalshout, statig opgaande lanen en lommerrijke berceau's, waartusschen weide en akkers, vijvers en grachten, die bekoorlijke afwisseling brengen. welke deze plek maken tot een der schoonste van Salland". En zulks mag met recht, zonder overdrijving gezegd worden. Een attractie op zich zelf is een wandeling of fietstocht langs genoemde wetering. Hier kan men volop genieten van het echte buitenleven en hier zou de natuur den dichter geïnspireerd kunnen hebben tot zijn vers:

"Hoe genoeglijk rolt het leven,
des gerusten landmans heen."

Aan den straatweg, die Heino verbindt met Wijhe, treft men even voorbij het spoorwegstation het eeuwenoude kasteel Het Nijenhuis aan, waar zware beuken en eiken alleen reeds een bezoek overwaard zijn. Het geheel maakt op den bezoeker een overweldigenden indruk.
Links van den lommerrijken straatweg Heino - Raalte, ligt het mooie buitengoed Het Relaer.
In grove trekken werden hiervoor enkele bepaalde punten omschreven om den geachten lezer eenig beeld te geven van onze mooie gemeente. Denk evenwel niet. dat hiermee alles gezegd is. Zij die een heerlijke wandeling geheel en al buiten willen maken, moeten even buiten het dorp laatstgenoemden straatweg verlaten en links een zandweg inslaan, de Berkendijk. Of zij kiezen den zandweg naar het z.g. Jacobsgat, de Heinosche plasjes, miniatuurmeertjes, die van uit het dorp zijn te bereiken, langs meerdere zandwegen, omzoomd door dennen en heide.
Even gemakkelijk als Zwolle, Raalte, Wijhe is ook het oude stadje Dalfsen van uit Heino te bezoeken. Men kan daarvoor kiezen den kunstweg over de Kluunhaarsbrug ofwel dien door den Veldhoek naar het kasteel Rechteren.
Het aantrekkelijke in Heino' s ligging is, dat men in de onmiddellijke omgeving mooie wandelingen aantreft van 1 à 2 uur, onverschillig welken kant men kiest, doch dat men even gemakkelijk zijn tochten kan uitbreiden tot den duur van een halven of heelen dag. Houdt men van water, weide, enz. dan kiest men de omgeving in het westen en noordwesten, prefereert men bosch en heide, zoo gaat men in andere richting. Elkeen zal zijn genot kunnen vinden bij het dwalen door Heino's dreven. Men zal ervaren, dat Godes milde hand deze rijkelijk heeft bedeeld. Allerlei gevogelte, in overvloed aanwezig roept den bezoeker het welkom toe, terwijl wildsoorten, welke bosschen en weiden bevolken hem in verrukking zullen brengen, als zij plots verstoren de rust welke hier zoo juist nog heerschte.
Stiefmoederlijk zouden de kerkdorpen Lierderholthuis en Laag-Zuthem bedeeld worden, wanneer we daar met geen enkel woord over repten. Ook hier getuigt een stille rust van een landelijk aspect en doet het goed hier een wijle te toeven.

Gids voor Heini (1935): Uit het verleden

UIT HET VERLEDEN


Het dorp Heino is ontstaan in de gelijknamige marke van dien naam Heino of Heyno of ter Heyne. Met een deel van de marke Lenthe vormde ze 't oude schoutambt Heino. In de latere middeleeuwen werd in de marke een kerkje gebouwd, en zoo ontstond de parochie Heino of zooals men vroeger zeide, het kerspel Heino. De kerk van Heino had tot patroon St. Nicolaas en daar het kerkje gebouwd was op gebied, behoorende tot het kerspel Raalte, was de kerk van Raalte de moederkerk van die te Heino. De grens van het nieuwe kerspel was niet dezelfde als de grens van het schoutambt, maar omdat maatschappelijk en kerkelijk leven in de middeleeuwen zeer nauw verbonden was, zien we dikwijls op maatschappelijk terrein personen optreden, die in het eigenlijke schoutambt geen belangen hadden.
De kerk van Heino was, zooals men dat noemt, geïncorporeerd bij het klooster Zwartewater, gelegen ten Noorden van Hasselt, en dit klooster bezat dientengevolge het "jus-patronatus", dat wil zeggen, het recht den pastoor van Heino te benoemen. Het klooster Zwartewater was rijk begiftigd met goederen door den Utrechtschen bisschop Willebrand van Oldenburg, die het stichtte voor de zielerust van zijn voorganger Otto en allen die met dezen het leven verloren hadden in de moerassen van Ane bij Gramsbergen, in den strijd tegen den weerspannigen drost van Coevorden, leenman van den bisschop van Utrecht, benevens voor degenen, die hun leven lieten In de noordelijke gewesten Friesland en Drente in den strijd voor de handhaving van de landsheerlijke rechten van den bisschop.
Bij het klooster - een nonnenklooster der Benedictijner Orde voor adellijke jonkvrouwen - stond een zoogenaamde proostdij, waar een proost en eenige monniken een kloosterleven leidden. Deze paters zorgden voor den eeredienst in de kloosterkapel en voor de zielzorg der kloosterlingen en verder voor allen die min of meer aan 't klooster verbonden waren, want zoo'n middeleeuwsch klooster was als het ware een wereldje op zich zelf. Bij ontstentenis nu van een pastoor van Heino, koos de proost een van deze paters uit voor de vacante betrekking. Vandaar dat de weeme of pastorie te Heino blijkbaar den naam van monnikshuis of munnikshuis verwierf, omdat de pastoors kloosterlingen waren. Later ging het "jus-patronatus" over op het klooster, gevestigd op den Gelderschen oever van den IJsel, even beneden ’t Katerveer, een stichting van Zwartewater . Van het Munnikshuis in zijn oude gedaante is niets meer over: alleen de twee met elkander in verbinding staande gewelfde kelders, dagteekenen zeer waarschijnlijk uit den tijd, toen het Munnikshuis de pastorale woning van het kerspel was.
Toen het kerkje in de marke van Heino verrees, bestonden reeds de kerspelen Wijhe, Dalfsen en zooals we zagen, ook reeds RaaIte. Niet zoozeer de talrijkheid van de bevolking als wel de verre afstand van de kerken, in de voornoemde kerspelen, heeft zwaar gewogen bij 't nemen van het besluit tot stichting van 't kerspel Heino. De marke moest wel dun bevolkt zijn, daar het oostelijk deel ingenomen was door bosschen en uitgestrekte heidevelden, terwijl het westelijk deel bestond uit één groot moeras met hierin groote of minder groote schollen of horsten, die door hun hoogere ligging tot bewoning uitnoodigden.
Het kerkje werd gebouwd ongeveer in 't midden der marke en onze bewering is zeker niet te stout, als we zeggen, dat niet 't kerkje werd gebouwd in het gehucht Heino, maar dat het dorpke langzamerhand werd aangebouwd bij 't kerkje.

Geïsoleerd als het lag, verwijderd van de oude landwegen, bleef het dorp gedurende eeuwen uiterst klein: de groote wegen immers lieten het letterlijk links en rechts liggen. Noordelijk, ging door de marke de heirweg die van Oldenzaal liep over Saasveld, Weleveld (vroeger een kasteel bij Zenderen), Almelo, Wierden, Hoge Hexel, bij de burcht “de Schulenborg" werd de Regge overschreden. Luttenberg - de Posthoorn, door de Veldhoek. Lenthe, Wijthem, om even voor de tegenwoordige herberg “de Zon" aan den rijksstraatweg naar Zwolle, naar links om te buigen, om over de Hoevenbrug de Nieuwe Wetering te passeeren en verder langs deze beek naar Zwolle. Onder Heino is deze weg nog altijd bekend als de Oude Twentsche Weg.
Zuidelijk liep door de marke een oude landweg van Deventer naar Zwolle. Deze weg liep langs Boxbergen en door het Middelerveld. In Broekland bereikte hij de Nieuwe Wetering. De Wetering werd nu steeds gevolgd om zich bij de voornoemde Hoevenbrug met de Oude Twentsche Weg te vereenigen.
Bij het oude erve “de Bom" op 't grondgebied der marke had ook reeds een vereeniging met een andere Twentsche weg plaats gehad, namelijk met den weg die van Holten kwam. Deze liep over Espelo, Poggenbelt (thans Nieuw Heeten), Schoonheeten, Raalte en verder langs de Hondemotswetering. De”Born" gepasseerd, werd deze weg lager, een echte “lijdensweg"; de hoogere, beter doorlatende gronden had men achter den rug en thans liep hij door lage,
moerassige streken. Vaak zal hij wel “grondeloos" zijn geweest en dikwijls beter te bevaren met een schuit dan te berijden met een wagen. Menig voerman en postiljon zal wel eens de zucht geslaakt hebben als wijlen Napoleon, toen hij met zijn kanonnen vastzat in de modderwegen van Polen: “cette boue, cette boue" (die modder. die modder). De markgenooten hadden groot belang bij dezen weg, die hun den toegang ontsloot tot de natuurlijke weiden in het lage gedeelte der marke en zonder deze madelanden kon men nu eenmaal niet boeren in die dagen.
Wanneer men dan ook in oude stukken leest van den Holterdijk, dan zal 't wel deze weg zijn geweest, die toenmaals dezen naam droeg, voor zoover hij door de marke liep. Vanwege het groote belang dat de markgenooten bij dezen weg hadden zooals we zagen, wordt het ook begrijpelijk, dat op elke gewaarde hoeve de erfdienstbaarheid lag van onderhoudsplicht van dezen weg, later nog aangevuld met een geldelijken omslag. Is de Oude Twentsche weg onder Heino geheel onverhard gebleven; deze weg is door afbreken van een brug, door gedeeltelijke verharding, door gedeeltelijke verlegging ten behoeve van de spoorlijn Almelo-Zwolle en andere omstandigheden niet zoo gemakkelijk meer te onderkennen.

De toenmalige bewoners zullen wel niet vaak "te wagen" naar Zwolle zijn getogen, bij eenigszins belangrijk vervoer van goederen, zullen ze wel naar de stad "geschipperd" zijn. Zoo wisten ouden van dagen nog te vertellen. dat bij afbraak van ‘t adellijk huis "de Heerenbrink" de oude, zware lindeboomen, die toen mede geveld werden, naar de Wetering werden gesleept, daar aan elkaar gesjord en zoo naar Zwolle gevlot werden.
Van de oude schipperij is niets meer overgebleven, behalve dat zoo nu en dan een turfschuit je voor den wal ligt. In het begin dezer eeuw heeft de laatste beurt- en vrachtschipper op Zwolle het bijltje er bij neergelegd. Deze was de laatste vertegenwoordiger van wel een drietal schippersfamilies, die in ouden tijd hun broodje trachtten te verdienen met deze tak van bedrijf. Eertijds was de Nieuwe Wetering ook meer geregeld bevaarbaar.
De verbetering van de waterloozing mede noodzakelijk geworden door betere cultiveering van de hooger gelegen gronden, had men hierin gezocht door het stroombed van den benedenloop te verdiepen, zoodat bij eenige dagen aflandigen wind er te weinig water was om te varen. Wel had men daardoor bereikt dat het water, dat bij stormachtige winden uit den beruchten windhoek van uit het Zwarte-Water kwam aanstormen, snel naar boven werd opgestuwd. De tijd moest nog komen dat landbouwtechnici in zake ontwatering ook een woordje zouden meepraten. De afsluiting van de Zuiderzee heeft ook dezen waterstaatstoestand ten eenenmale veranderd.

Merkwaardig dat de besproken wegen van af hun beginpunten Oldenzaal-Holten-Deventer over groote lengten onverhard zijn gebleven. Het verkeer heeft in den jongsten tijd andere banen gezocht en nu heerscht langs de onverharde gedeelten een landelijke rust, die den wandelaar of fietsrijder weldadig aandoet. Zonder telkens opgejaagd of opgeschrikt te worden door het moderne verkeer, zonder onaangenaam getroffen te worden door de vele, vaak protserige en wanstaltige bouwsels, waarmee men gemeend heeft de boorden onzer tot renbanen geworden heirwegen te moeten
versieren, kan hij hier ongestoord genieten van de mooie natuur en te midden van de rust en de stilte eens weer zich zelf zijn en mede nieuwe krachten verzamelen voor het jachtige leven onzer dagen.
Wat zijn de landwegen in Heino mooi, mooi ook door de verscheidenheid in de natuur, zonder het parkachtige dat vele onzer villadorpen te zien geven. Veel natuur. weinig kunst! Ook de oude bouwhoeven zijn geen dissonant in deze aan echte natuur zoo rijke streek. Het eenvoudige nog niet door veel wansmaak bedorven oog van den even eenvoudigen bouwer trof de lijnen der hoeve met onovertrefbare visie, op hetgeen moeder natuur van hem eischte, opdat zijn maaksel zou passen in Gods grootsche Schepping te midden waarvan het kwam te staan. En zijn handen zetten daar neer, een geheel pretentieloos bouwsel, maar schoon door zijn ontroerende eenvoud.

Met dit al zijn we aardig van ons oude kerkje afgedwaald, 't wordt tijd. dat we het weer gaan opzoeken. Zooals alle kerken vroeger, diende het ook tot begraafplaats. Buiten de geestelijkheid hadden enkele voorname families er hun grafkelders. Om het kerkje bevond zich het kerkhof.
In het begin der vorige eeuw is deze eerbiedwaardige plaats aan het verkeer ten offer gevallen en wordt thans ingenomen door straat en marktplein. Tot dezen tijd werden Katholieken en Protestanten op dit kerkhof ter aarde besteld, terwijl sommige notabelen in de kerk werden begraven. Met de Hervorming was het kerkje in gebruik genomen voor den Protestantschen Eeredienst, maar als begraafplaats bleef het dienen voor beide gezindten, evenals het kerkhof.
Aan het kerkje was een torentje gebouwd, strak, eenvoudig, maar forsch van lijn en getooid met een lage spits.
In de vorige eeuw is de oude kerk afgebroken en door een nieuwe vervangen. De toren, eigendom der gemeente, is qelukkig gespaard gebleven. Nog altijd neemt hij een voorname plaats in het dorpsaspect in. Vooral als men van de zijde van het station komt vormt de toren een prachtig sluitstuk in het dorpsaanzicht. Komt men echter over de straatwegen naar Zwolle of Raalte het dorp binnen, dan is het oog door de minder fraaie lintbebouwing aan deze wegen dermate vertroebeld om nog te kunnen genieten van het eenvoudige schoon, dat het oude torentje ons te zien geeft.

Als men vergelijkt, de lijst der goedsheeren of erfgenamen - dat zijn de eigenaren der gewaarde hoeven - uit het einde der 16e eeuw met de lijst van de gewaarde erven, dan blijkt daaruit, dat het aantal eigengeërfde boeren zeer klein is geworden, ja deze stand zoo goed als verdwenen is. De bittere nood van sommige tijden, misgewas, besmettelijke ziekten onder menschen en vee, plundering, burgeroorlog enz., waarbij de huidige uiterst moeilijke economische toestanden in het niet verzinken, is vooral oorzaak geweest, dat de hoeven van de oorspronkelijke bezitters in vreemde handen zijn overgegaan en de eigengeërfde boeren in meiers of pachters zijn veranderd.
Maar daar kwamen nog een paar andere factoren bij. Zwolle en Kampen waren in den loop der Middeleeuwen tot bloeiende handelssteden uitgegroeid. Met de koophandel was goed geld verdiend en men had voor een deel van het gewonnen geld belegging gezocht in weiden en landerijen, de zoo goed als eenige geldbelegging in die dagen en niet te vergeten: “krieg noch braand nèmt laand".
Nu lag het schoutambt om zoo te zeggen onder den rook van Zwolle en Kampen, geen wonder dus, dat men naast den adel, toen nog zeer talrijk, patricische families uit deze koopsteden als goedsheeren van de marke Heino zien vermeld. In onze eeuw zagen we eenzelfde verschijnsel. toen door den bloei van handel en industrie verschillende rijk geworden kooplieden en fabrikanten door aankoop van gronden min of meer groote grondbezitters werden.

In de onmiddellijke omgeving lagen de vermaarde kloosters van Windesheim en Bethlehem te Zwolle en een weinig verder af het niet minder bekende klooster te Diepenveen. We zagen reeds dat zoo'n klooster een wereldje op zich zelf was, bovendien voorzag het voor een belangrijk deel in de armenzorg, zoodat voor heel wat monden moest gezorgd worden. Daar zoo'n kloosterhuishouding evenals het overgroote deel der gewone huishoudingen zoo goed als zonder geld, want dat was verbazend schaarsch, moest in stand gehouden worden, was het bezit van grond noodzakelijk om in de levensbehoeften te kunnen voorzien. Al de voornoemde kloosters hadden hier bezittingen, vooral Bethlehem.
Aan de Twentsche weg bezat 't laatste klooster een zoogenaamde uithof, waar het vee- en bouwbedrijf werd uitgeoefend. Dat deze uithof lag aan een heirweg moet ons niet verwonderen, immers, alles wat de hof voortbracht aan landbouwproducten, bijenwas, brandhout, kippen, eieren, boter, spek, vleesch, enz. moest naar 't klooster te Zwolle vervoerd worden. Sinds lang is dit bezit in andere en meerdere handen overgegaan en daardoor is veel veranderd, nochthans bij nauwkeurige waarneming van 't terrein verraadt de situatie nog altijd door de vele, vaak breede slooten, waterleidingen, enz. dat hier vroeger veel gepolderd en gegraven is en er dus wel meer gestaan zal hebben dan een paar eenvoudige bouwhoeven. De abten of prioren der kloosters waren er steeds op uit, zooveel mogelijk aaneengesloten bezittingen te verkrijgen, omdat zoo'n afgerond bezit veel economischer te beheeren was dan tal van vaak ver uiteen gelegen stukken. Vandaar dat ze door aankoop of ruiling trachtten zulk een aaneengelegen complex van grond te verkrijgen, om daarop een behoorlijk landbouwbedrijf te kunnen uitoefenen. Men vergete ook niet, dat het voortbrengingsvermogen van bodem en huisdier vroeger zeer beduidend minder was dan tegenwoordig, en toen dus een heel wat grooter stuk bodem noodig was om eenzelfde aantal menschen het noodzakelijke levensonderhoud te verschaffen dan nu.
De volksmond wil, dat daar in de nabijheid van de Twentsche weg vroeger een klooster gestaan heeft, deze overlevering is niet geheel juist. Voornoemde uithof “Sacris Vallis" geheeten, was
zooals we zagen geen klooster, maar er was wel een kapel aan verbonden om de monniken gelegenheid te geven, wanneer ze vooral in het goede jaargetijde de arbeiders bij den landarbeid hielpen, aan hun kloosterplichten te voldoen, om telkens heen en terug te wandelen van Zwolle naar deze hof, daarvoor was de afstand wel wat ver.
Mede had Bethlehem groote bezittingen in het lage qedeel te der marke, in 't Lierder- en het Molenbroek, het eerste gedeeltelijk, het laatste slechts 64 morgen groot, geheel tot Heino behoorende.

De geschiedenis van 't Lierderbroek is nauw verbonden met Bethlehem. Reeds de eerste bladzijde van het oudste markenboek handelt over een overeenkomst gesloten tusschen Bethlehem en de geërfden van het Lierderbroek. Ook Windesheim en Diepenveen bezaten hier groote complexen gronden. Tijdens de hervorming werden de goederen van Diepenveen genaast door de stad Deventer en die van Windesheim en Bethlehem door de stad Zwolle. Reeds vroeg schijnt het Lierderbroek, Leerbroek of Lerebroek, oudtijds behoorende tot de marken Heino, Herxen en Wechterholt een gebied te zijn geworden met een eigen bestuur, wat te verklaren is doordat de gronden betrekkelijk vroeg verdeeld zijn en de eigenaren hiervan één groot gemeenschappelijk belang hadden, namelijk te trachten den wateroverlast te bestrijden. Het hoofd van het bestuur droeg den weidschen titel van dijkgraaf, terwijl zijn collega van het Molenbroek zich moest tevreden stellen met den titel van markenrichter. De marke Heino had groote belangen in het Lierderbroek en geen wonder, hier lagen de hooi- en weilanden van de inwoners der marke, wier hoeven meest stonden op de ietwat hoogere gronden ten Oosten van deze lage landen.

Ging men weer een weinig hooger op, zoodat men buiten de oude stroomdalen van Oude- en Nieuwe Wetering kwam, dan begon het gebied der heide en bosschen. Gronden eenigszins daarvoor geschikt werden gebruikt als bouwland. Gebrek aan meststoffen sloot intensieve cultuur daarvan uit, voor wei- en hooiland was geen mest beschikbaar. Als wintervrucht werd vooral verbouwd rogge, gerst, raapzaad; als zomervrucht zomergranen, boekweit, vlas, erwten, boonen en groenvoedergewassen voor 't vee. Aardappels waren nog onbekend. Naast weidegang werd het vee ook in den zomer op stal gevoederd. Misgewas van 't koren beteekende grooten nood voor de bevolking, een minder goede oogst uiterst sober leven gedurende minstens een geheel jaar. Aan het vee werd wegens de schaarschte en duurte van het graan zoo goed als geen koren gevoederd. Hooi en stroo vormden hiervoor 's winters het rantsoen. Wat de boer aan rogge maar ternauwernood missen kon, verkocht hij. Meestal bracht dit een goede prijs op en vormde één der voornaamste bronnen van inkomsten der boerderij. Wat een vreugde heerschte er op de hoeve als in den ooqsttijd het laatste voer rogge werd binnengehaald. Spoedig had de eerste dorsching plaats en wanneer dan op den eerstvolgenden Zondag tijdens "Vespertied" naast roggebrood ook de boerenstoete op de tafel prijkte, zat 't gezin om den disch geschaard zoo tevreden en vergenoegd alsof hemel en aarde het nu niets meer aan te bieden hadden. Met de smaak van een kenner werd de kwaliteit van den nieuwen oogst gekeurd. Het was voor den boer een niet minder groot belang dat de hooioogst goed uitviel. De natuurlijke vruchtbaarheid van het Lierderbroek was groot.

Geen wonder dat de geërfden alles in het werk stelden om het zomerwater te beheerschen en dat kostte al heel wat moeite. Een natte zomer kon hier alles bederven. Met behulp van watermolens trachtte men den waterstand te regelen. Waar deze molens gestaan hebben, de geheugenis daarvan is verloren gegaan. Toen eenige jaren geleden een stuk weide in het Lierderbroek werd gescheurd, stootte de ploegschaar op oude half vergane fundamenten. Een hoeve kon daar niet gestaan hebben, zeer waarschijnlijk dat het resten waren van een van die oude molens. Of die molens
voldaan hebben, valt te betwijfelen. We vermoeden dat het waterverzet te gering was om in natte tijden effect te sorteeren. In het oudste markenboek lezen we van die oude molens, buiten dat ze bestonden, weinig meer dan niets. Op de vergadering van de erfgenamen d.d. 5 Jan. 1790 werd "geproponeerd en goedgevonden een kissien te laten maken tot berginge van de papieren van den polder". Zoowel de kist als de papieren zijn verloren gegaan en daarmee de mogelijkheid om veel wat de geschiedenis van 't Lierderbroek betreft te ontsluieren. Nochthans is het niet onmogelijk, dat op een goeden dag de oude bescheiden nog eens weer te voorschijn komen.
Om het winterwater te keeren, dat ging de krachten der geërfden verre te boven, bovendien was dat ook niet wenschelijk. In die dagen had men in den Oostelijken IJseldijk nog overlaten en bij hoogen waterstand van den IJsel stroomde het water over deze overlaten, richtte zijn loop naar de beddingen van de Weteringen en overstroomde de lage landen dezer beken. De IJsel zorgde dus voor een geregeld terugkeerende kostelooze bemesting, die in staat was een welige grasgroei te voorschijn te roepen. Veel minder gewenscht was een inundeering, veroorzaakt door een opstuw der Weteringen bij Noordwestelijke en Noordelijke stormen. Hielden deze stormen eenige dagen aan, dan kon 't gebeuren, dat 't water brak was en dan viel er in 't goede jaargetijde weinig te maaien.
In 1768 werd een watermolen gebouwd in vereeniging met het Molenbroek. Daarbij werd aan eigenaren van aangrenzende lage landen gelegenheid gegeven mede te “contribueeren" in de kosten van bouw en onderhoud als ze eveneens “profijt" wilden trekken van dezen molen. Tot 1918 heeft de watermolen dienst gedaan, toen een nieuwe electrische bemaling werd ingevoerd. Te bejammeren is, dat de oude molen, die tot dusverre het kale landschap zoo vriendelijk stoffeerde, gesloopt werd.
Uit den aard der zaak was het Lierderbroek zeer dun bevolkt. Op enkele en dan de groote horsten stonden hoeven. Gerust mogen we aannemen, dat die hoogten reeds in heel ouden tijd bewoond waren. Enkele hoeven zijn verdwenen.

Dat ook in dit lage land de bodem nog wel iets verbergt omtrent vroegere bewoning bleek eenige jaren geleden, toen bij 't graven van de sleuven voor een nieuw huis een massa puin, veel gebroken aardewerk, beenderen en half vergane palen te voorschijn kwamen. Waar kwam dit alles vandaan?
Een vraag waarop nog geen antwoord is gevonden. Toen we al die botten bekeken, konden we niet nalaten bij ons zelf de opmerking te maken, dat onze voorouders er niet van hielden bij het middagmaal het vleesch in kleine stukjes of plakjes te serveeren. maar gaarne een reuzenkluif hadden in de linkervuist.

Doordat de Oude- en Nieuwe Wetering stroomden door het Westelijk deel der marke, hadden de markegenooten nog al eens bemoeienis met het leggen en onderhouden van bruggen. Hun aantal was echter zeer klein; men behielp zich meest met een zoogenaamde “voorde". Men verbreedde de beek, legde zoo noodig een laag rijshout op den bodem, gaf de wallen een zeer flauwe helling en klaar was de voorde. Bij niet te hoog water reed men dan door deze voorde met paard en wagen van den eenen oever naar den anderen. Was er een brug, dan was deze niet zelden afgesloten door een tolboom om van elken niet-markeqenoot die deze brug passeerde een billijke bijdrage te vragen voor deszelfs onderhoud.

Zooals we zagen, waren in de zestiende eeuw de meeste hoeven overgegaan in andere, vreemde handen. Dit had tot gevolg dat menige oude hoeve verdween en in plaats daarvan kleine heerenhuizen werden gebouwd “spiekertjes" genoemd, al of niet door een gracht omgeven. Ook werd de hoeve wel intact gelaten en bouwde men in de onmiddellijke nabijheid zoo'n spieker. Deze heerenhuizen werden meestal alleen 's zomers bewoond en wanneer de omstandigheden van dien aard waren, dat het verblijf in de stad minder verkieslijk was, ook voor langeren tijd. Dit bracht mede, dat aan de omgeving van het huis bijzondere zorg werd besteed. Bosschages, wandelboschjes en lanen werden aangelegd. Veel van deze buitenplaatsen zijn verdwenen, maar toch ook niet zóó gesloopt of er is altijd nog iets van de oude beplantingen overgebleven. Enkele bestaan nog en zijn met hun rijke boomgroei ware sieraden onzer omgeving. Aan één dezer spiekers, “het Lierderholthuîs" genaamd, bouwden de Katholieken in de 17de eeuw een “kerkhuis" , terwijl het
spieker zelf als pastorie dienst deed. In het midden der vorige eeuw is dit alles afgebroken en in de onmiddellijke nabijheid een nieuwe kerk en pastorie gebouwd.
Op 't gebied der marke bevond zich slechts één riddermatige hofstede de Bredenhorst genaamd. Enkele waterpartijen wijzen nog de plaats aan, waar eenmaal het kasteel moet gestaan hebben. De Bredenhorst heeft vermaardheid gekregen door Jonkheer Johan Derk v. d. Capellen tot de Poll, die bezitter dezer havezathe, vanwege deze hofstede verschreven ter Statenvergadering van Overijsel op deze vergadering wist te verkrijgen de afschaffing van de drostendiensten. Daarmee was de landman verlost van den plicht te gelegener of ongelegener tijd onbetaalde hand- en spandiensten te bewijzen.


maandag 20 februari 2012

In het hartje van het Overijselsche Binnenland (1916): Achtergrondinformatie

In het hartje van het Overijselsche Binnenland (Markelo) was een van de deeltjes uit de serie Morks Nederlandsche reisgidsen, die door uitgeverij Morks tussen 1910 en 1918 werden uitgegeven.

Welke auteur schuilgaat achter de auteursnaam Neerlandicus is onbekend. Uit de tekst is op te maken dat hij niet afkomstig was uit Overijssel. Neerlandicus schreef nog enkele deeltjes in deze serie over Arnhem e.o., Ede e.o., Mooi Schoorl en Mooi Walcheren.



In het hartje van het Overijselsche Binnenland (1916): Een nieuw toeristenland

Nu de nieuwe 200 K. M. lange derde bondswandelweg de weinig betreden paden zoekt van het zoo rijk-afwisselende Overijselsche landschap, in het aloude SaIIand en de gouw Twente, nu in het komende zomerseizoen heel dit heerlijke oord zijn karakteristieke schoonheid zal geven aan ieder, die den thans gelukkig weer populairen wandelstaf ter hand neemt, meenen we goed te doen dit deeltje der Uit-en-Thuisserie te wijden aan het onbekende Twentsche binnenland. Dit boekje zal u brengen in een bosch- en heuvelrijke, welvarende landstreek, die zelfs van naam nog maar bij slechts weinigen bekend is en toch als rustig vacantieverblijf verdient te staan in de rij der eerste vacantieoorden binnen onze grenzen.



Voor mij, die heerlijke herinneringen bezit aan dagen doorgebracht in het vorstelijke Twickel, die de tuinen met hun architectonische overgangsvormen tusschen kasteel en natuur, en het park met zijn verspreide boomgroepen - den meesterhand eerend van Petzold - beter mocht leeren waardeeren, dan de meeste gasten van Carelshaven … voor mij heeft Overijsel altijd iets weten te behouden van de verrassende bekoring, die van het landschap uitging, toen ik - nu reeds vele jaren geleden - voor het eerst kennis maakte met den rijkdom der flora langs de weelderige heggen van Deldens wei- en akkerlanden.

En later heb ik dagenlang rondgezworven in een ander deel van de uitgestrekte provincie met als eindpunt den hoogen Tankenberg, het gastvrije boschhuis ’t Zwaantje en het nooit volprezen Lutter stuifzand.

Maar Overijsel kennen ... neen, dat doe ik niet. Hoe dikwijls niet heeft mijn vriend Bernink me gevraagd toch naar Denekamp te komen, het dorpje in den Noord-Oost-hoek van het Oversticht, waarvan ik in de Levende Natuur wonderverhalen gelezen had over de rijke fauna en flora. Denekamp met zijn museum voor natuurvrienden "Natura Docet" en de heerlijkheid Singraven, een landgoed met wel 35 boerderijen, met den bekenden watermolen aan den Dinkel, uitgestrekte bosschen en heidevelden, vol botanische en mycologische zeldzaamheden, Singraven eindelijk, dat ten volste den naam van Heerlijkheid mag dragen.
Dalfsen en Rechteren, Ommen en Hellendoorn en niet het minst de geologisch zoo merkwaardige oorden langs de Vecht, die als zandstuivingsgebieden in de buurt van
Mariënberg in het landschap als een grootsch element optreden, ze trekken mij, ook al mogen ze misschen reeds grootendeels in cultuur genomen zijn, nog steeds naar het land van Vecht en Regge.
Doch niet minder is voor mij aan Twente verbonden het beeld van de breed-uitgebouwde rietgedekte hoeve, die in heel ons land niet zoo eerwaardig is als juist in de oude streken van Overijsel, de hoeve, welke als Neder-Saksisch hallehuis in hare geografische verbreiding en haar constructieve eenheidsbouw problemen ter oplossing voorlegt, welke niet alleen door aardrijkskundigen belangwekkend gevonden worden, maar waarvan ook de historici en vooral de folkloristen de wetenschappelijke beteekenis inzien, zooals tal van studies getuigen.
Immers het hallehuis met zijn talrijke bijgebouwen, met zijn eigen eeuwen-heugenden naam, met zware eiken en hooge peppels, die schaduw brengen op het omtuinde of met een eekenwal omgeven voorplein, is in zijn uit legendarische tijden stammende gelijkvormigheid een monument geworden van het land der patriarchale lösse huize ...
het symbool van Twente.
Nu de derde wandelweg van den A. N. W. B. van Zwolle over Ommen naar Holten en Delden geprojecteerd wordt, zullen honderden in Overijsel gaan wandelen. Gewis zal deze provincie menige verrassing bieden, want ze heeft door hare langdurige Achterhoeksche afgeslotenheid veel van het eigene behouden in landschap en dorpsaanleg, in woningbouw, zeden en gewoonten der eenvoudige bewoners, het is in één woord op vele plaatsen nog een echt landelijk land gebleven, waar men in den ruimsten zin van het begrip "buiten" kan zijn.

In het hartje van het Overijselsche Binnenland (1916): Markelo als zomerverblijf



Als aangewezen verblijfplaats voor het meest onbekende deel van het Twentsche binnenland, mag men het vriendelijke Markelo als een rust biedend zomeroord zeer aanbevelen. Het dorp is gelegen in het centrum van een groot wandeldorado, dat ten Zuiden begrensd wordt door de lijn Zutfen - Hengelo, ten Noorden door die van Deventer op Almelo, ten Oosten door het lijntje der locaalspoor Neede - Hellendoorn en ten Westen door de Schip- en Bolksbeken.
De gemeente Markelo is lang niet de kleinste in den lande, want ze strekt zich nog tot ver voorbij het stedeke Goor uit in het Kerspel Goor en beslaat volgens kadastrale opmetingen een oppervlakte van 9600 H. A., 96 A. en 42 cA. Markelo telt ongeveer 5000 ingezetenen, welke echter zeer verspreid wonen. Behalve het eigenlijke dorp - in het centrum van de gemeente gelegen - heeft men nog talrijke gehuchten en buurtschappen als Stockum en Beusbergen, Herike en Elsen, Markerbroek en Kerspel Goor, terwijl ge op iedere wandeling door bosch en over heide uw weg zult vinden naar tot groepen samengebrachte boerenwoningen. Zoo is heel het heuvelende landschap op levendige wijze gestoffeerd met nederzettingen der menschen. Vrees voor verdwalen en uren verre eenzaamheid behoeft dus niemand te koesteren, want voorkomend zullen de boeren u den weg wijzen en een eindje met u oploopend, gemoedelijk een praatje maken over wat hen naast is, hun vee en hun land.
Van het "Fremdenindustrie" weet men in Markelo gelukkig nog niets en opgeschroefde hotel- en pension prijzen zijn er onbekend. Men heeft er een Bondshotel van gebroeders Spenkelink "Het Zwaantje", verder het van ouds bekende hotel en café "Het Wapen van Markelo" eigenaar de heer Leunk en dan het groote pension Lichtendahl dat aan een dertig gasten ruimt biedt. Voor logies met ontbijt, dat werkelijk zeer goed is, wordt de matige prijs van fl. 1,25 berekend, terwijl bij meerdere dagen verblijf de pensionprijs fl 2,00 - fl. 2,50 per persoon, per dag bedraagt. En dat de gasten het in pension Lichtendahl naar den zin hebben, zie daarvan kan een enkele blik in het "inhaltschwere" boek der Vreemdelingen den meest ongeloovigen Thomas overtuigen. Wij citeeren hier alleen het slotcouplet van een lofdicht, dat een der gasten als blijk van erkentelijkheid heeft neergeschreven, luidende:

Lichtendahl besta dan nog jaren
Voor zoekenden naar rust en natuur
Dat rampen het steeds mogen sparen
Dit wensch ik U bij 't scheidingsuur.

Markelo is nog een rustig stil boerendorpje gebleven. Van vreemdelingenverkeer weet het nog niet veel. Ook de moderne middelen van vervoer, die het dorpje zouden aansluiten bij het groote verkeersnet der spoorwegen, schijnt het best te kunnen ontberen. Immers zij, die hun vacantIedagen hier Willen doorbrengen, vinden het na den langen treinrit v.:at prettig als eerste kennismaking met de streek een uurtje te wandelen van het station naar het dorp door een vriendelijk en aantrekkelijk landschap. Want als men op de lijn Zutfen - Hengelo uitstapt aan het stationnetje Markelo (dagelijks stoppen er uit de richting Zutfen zes en uit de richting Hengelo vijf treinen) dan moet men nog een heel eind het onbekende binnenland ingaan, voor men het lage torentje van het dorp boven de golvende akkers ziet verschijnen. Maar slechts weinigen zullen het betreuren, dat ze hier niet een rook- en damppuffende stoomtram vinden, velen zullen dadelijk zich "echt buiten" voelen en dat is de eerste eisch, die men aan een zomerdorp zal mogen stellen. Ook de omnibus heeft zijn driemaal daagschen dienst reeds sedert het vorige jaar gestaakt. Nu wordt de post per hondenkar vervoerd.
En als had men Roland Holst's treffende woorden ,,'t Is maar beter stille dingen stil te laten" tot devies voor Markelo gekozen, zoo is ook de in 1899 gestichte vereeniging tot Verfraaiïng en tot Bevordering van vreemdelingenverkeer ontbonden. Men is daar overtuigd, dat Markelo, door zijn idyllische rust, en zijn aantrekkelijk, bosch-, heuvel- heide- en akkerschoon de vrienden der natuur wel zal lokken en men hecht er de meeste waarde aan ongevraagde aanbevelingen als die welke ik van Ds. Scharten uit Gouda in het vreemdelingenboek van Lichtendahl vond:

Een goed pension, een heel mooi oord
Dat is 't wat ons hier bekoort!

In het hartje van het Overijselsche Binnenland (1916): Klanken uit Markelo's verleden

Al mag het binnenland van Twente ook thans een oord zijn, waar de geruchten der buitenwereld slechts flauwtjes doordringen en waar landschap en bevolking ons die rustige vriendelijkheid schenken, welke slechts eigen kan zijn aan een jarenlang vredig bestaan, de oude kronieken weten toch heel wat sombere krijgsgebeurtenissen mede te deelen, die zich in en om Markelo moeten hebben afgespeeld.
Door zijn ligging aan de grens van het groote Westfaalsche Saksengebied hadden hier in de eerste eeuwen der geschiedenis voortdurend gevechten plaats tusschen Saksers en Franken en bloedig is er gestreden om het bezit van den Markeloschen berg, een der belangrijkste strategische punten van heel dit grensgewest.
De talrijke graven (tumuli) hebben een schat van voorwerpen aan het daglicht gebracht, betrekking hebbend op de vroegste bewoners dezer streken. Hier ook hielden de Saksers hun marktgericht, hier werden de gemeenschappelijke belangen ter sprake gebracht. En later, toen het Christendom voor deze streken het eerste verkondigd werd door Lebuïnus en andere als Heiligen vereerde predikers, was het wederom de Markelosche berg, die de vromen en bekeerden te samen zag onder het gehoor der verkondigers van het Christendom. Zoo bleef de belangrijkheid van dezen ruigen heuvel de geheele middeleeuwen door gehandhaafd, hetgeen in vele geschreven bronnen bevestiging vindt. Een daarvan, de Landbrief voor Twente van Bisschop Johan van Vernenburg uit 1365 vermeldt, dat de huldiging van de bisschoppen in Twente geschiedde op dezen berg. Maar laten we liever deze regelen hier zelf inlasschen :
"Item, wanneer een nye Biscop komt in dat stichte van Utrecht, so is he sculdich to ridinc to Markeberghe, dat wi ghedaen hebben, daer sal hem man ende dienstman en dat lant van Twenthe hulden, daer is he sculdig malke (ieder) to beleenen hoer gued zonder oern scaden".
Maar de Markelosche Berg weet ook vroolijke geschiedenissen te verhalen. lederen Paaschavond zag hij de jeugd op zijn top verzameld rond het groote Paaschvuur. O, men wist niets van de heidensche beteekenis dezer vuren, men had nooit gehoord van de reinigings- en vruchtbaarheidsbeteekenis van die lentevuren, maar de Markelosche jeugd trok in den namiddag van het Paaschfeest met den wagen heel het dorp rond. De Markelosche huisvrouwen hadden al lang van te voren hun oud gerei bewaard, omdat, als men geen brandstof kon leveren, de beurs getrokken moest worden. Want, als het Paaschvuur lied weerklonk in den geest van:

Heb ie ook 'en olde mande
Die wie tot Paeschen brande?
Heb ie ook 'en bossen riet?
Oare hebben wie veur 't Paaschvuur niet

... dan wist ieder, dat er stroo op den wagen en geld in den buidel der zangers moest komen. Van het geld werd een teerton gekocht, want een goed Twentsch Paaschvuur zonder teerton was niet mogelijk en van het stroo en de oude manden werd de brandstapel rondom de baak opgebouwd. En als dan tegen schemertijd de gekleurde paascheieren in ongelooflijk groot aantal genuttigd waren, trok heel het dorp naar den Markeloschen berg, werd het Paaschvuur en de teerton ontstoken en zag men ver in den ronde overal als vreugdeuitingen voor het teruggekeerde lentetij de Paaschvuren opvlammen der dichtbije en verre dorpen. Dan zal het er een drukte van belang zijn geweest en de jeugd zal er wel haar liedekens van de Mei gezongen hebben en er zal wel een groote rondedans zijn gehouden "van linksum, van rechtsum en keer oe weer um" maar dat zijn al klanken uit het Twentsche verleden.



In de middeleeuwen stroomden hier van alle kanten de geloovigen samen om de hulp en de genade af te smeeken van het wonderbeeld der Moedermaagd Maria, dat reeds zeer vroeg op den heuvel Helpe of Hulpe stond opgericht.
In het jaar 1601 wordt aan den pastoor Johannus Hardenack opgelegd zich in de eerstvolgende synode te laten examineeren, waarbij vooral als een aanklacht gold, dat te Markelo nog een afgodendienst beleden werd, waarbij brandende kaarsen in het heilige bloedhuisken van de Hulpe geofferd zouden worden. En een zekere etymoloog, die blijkbaar tegen een gevaarlijke naamsafleiding niet opzag, beweerde zelfs boudweg, dat Markelo ongetwijfeld nog in zijn naam de beteekenis voortdraagt van de middeleeuwsche bedevaartplaats, daar deze een aanwijzing zou zijn voor de overtalrijke mirakelen, welke de Hulpe zou aanschouwd hebben.
In 970 toen Baldericus, laatste graaf van het oude Twente, stad en gebied van Oldenzaal aan den bisschop van Utrecht schonk, verzetten de naaste opvolgers in het graafschap zich met alle macht tegen dezen maatregel en een hunner wierp zich op als de Graaf van Goor, omstreeks 980. Een ander stichtte in 1014 het slot te Saesfeld, dat eerst In 1817 werd afgebroken. Op het Huis Diepenheim werd door den Gelderschen graaf den kastelein aangesteld en op het huis de Stoevelaar onder Elsen heerschten de Coeverdens heeren van Drenthe. Ziet hier een verbrokkeling van het eens zoo groote Twente in tal van kleine bezittingen, wier heeren in voortdurenden strijd waren, tot schrik en verderf van de arme onschuldige bevolking. Herhaaldelijk lezen we dan ook van "gebarnde" dorpen, van vrouwen, die door de ruwe lansknechten "gemolestierd" werden, van inwoners, die werden "gesnoerd". Soms was de overwinning aan de zijde der bisschoppelijke troepen zooals in 1248, toen Goor door hen werd veroverd, soms ook leden ze geweldige nederlagen als in de slag bij Ane.
Om eenig denkbeeld te geven van hetgeen deze streek ook later nog door de inlegering van eigen en vreemd krijgsvolk geleden heeft, lasch ik hier enkele bijzonderheden in over de bijdragen van Twentsche plaatsen in het onderhoud der garnizoenen, dateerend van December 1585. Het stedeke Delden "dat verbrant is" 22 gulden, het stedeke Goor "dat verbrant is" 22 gulden, het gericht Kedingen "daervan is verwuestet" Notter, Peckedam, Iperloe, Elsen, Hereke en de Markelo ergo Memorie. Hierbij werd aangeteekend: "Van dese naebeschreven carspelen, gehoeren de onder Kedingen, sal noch wat getoegen connen werden, als Stockum, 't Carspel van Goor, Enter ende Wyrden, stedeken Rijssen is seer gefouleert, ergo ter maent fl. 16.13".



Wie op boeiende wijze eens wat wil vernemen van vroegere tijden, leze de historische novelle van W. van Wijngaarden, waarvan de hoofdscene op den Friezenberg speelt. "De Vloek op de Heide", verhaalt ons van de dolende jonkvrouw Machteld van 't Heeckeren onder Goor, van den heer van 's Gravenstorp en den trouwen dienaar Sijnen, die hier in deze streken van hoeve tot hoeve trok met zijn grauwtje. Ook treedt daarin op Rudolf van Coeverden. De Coeverdens hadden hun kasteel in de buurtschap Herike waar we nog heden aan deze heeren herinnerd worden door den naam van Stoevelaars-esch. Het kasteel zelf, dat in 1844 werd afgebroken, had muren zoo dik, dat men in de vensterbanken op gewone keukenstoelen met zijn tweeën ruimte genoeg had om thee te gebruiken.
Het dorpskerkje, waarvan afbeeldingen voorkomen in het zeer lezenswaardig boekje van den heer H. A. Warmelink over een geschiedkundige beschrijving van het dorp Markelo, is maar een eenvoudig gebouw, dat duidelijk laat zien hoe de toren van een veel ouderen datum dagteekent dan het vorig-eeuwsche bedehuis. En de geschiedenis bevestigt dit, want in 1840 werd de kerk afgebroken om spoedig met financieel en hulp van Z. M. den Koning weer te worden opgebouwd, zoodat de dienst op 29 Augustus 1841 reeds weer hervat kon worden. Behalve een zeer oude doopvont van Bentheimer steen bevat deze kerk geen merkwaardigheden en dat ze een der oudste godshuizen van heel Twente is, kunnen we alleen aanvaarden door de bouwwijze van den zwaren toren. Deze is thans 28 Meter hoog, maar moet vóór 1731 35 Meter hoog geweest zijn. Door brand zou het houtwerk van het bovenste gedeelte geheef vernield zijn geworden waabij ook de klokken te loor zijn gegaan. Aan het haantje van dezen toren heeft zich nog een verhaal geknoopt uit den tijd van de doortrekkende troepen der geallieerden, na den slag van Waterloo. Een soldaat van een korps jagers en scherpschutters wilde zijn kunst den dorpelingen eens laten zien en zeide: "Ik zal den haan op den toren een log maken" Een pistoolschoot weerklonk en de soldaat had de weddenschap gewonnen.
Maar dit wekte de eerzucht op van een ander scherpschutter, die op het kunststukje van zijn kamerraad liet volgen:" En ik zal hem een oog maken" en eveneens de daad bij het woord voegde. En zoo heeft het Markelosche torenhaantje nog dienst gedaan tot ... 1892, toen hij van zijn verheven standplaats neerdaalde en in Deventer een verjongingskuur onderging, welke hem stralend van nieuw verguldsel weer hoog boven Markelo met alle winden laat meedraaien.
Te lang wellicht heb ik uw aandacht pogen vast te houden voor de locale geschiedenis van dit stille dorpje. Maar voor den waren wandelaar, die niet enkel een warme belangstelling voelt voor de machtige evolutie welke de in alle takken der productie toegepaste wetenschap ook hier in Twente tot stand heeft gebracht, die niet alleen oog heeft voor de economische gevolgen veroorzaakt door het snel- en locaalverkeer, zal een retrospectieve blik in het landschap - nu weldra ontsloten voor de wandeltoeristen - niet dan welkom zijn geweest, omdat dikwijls zoo juist in de locale feiten een overzichtelijk en helderder van kleur de geschiedenls te lezen is in de eeuwen die voorbijgingen en die toch de basis hebben gevormd voor onze hedendaagsche beschavingstoestand. Ik heb - overtuigd, dat de geschiedenis van een volk niet alleen is te zoeken in de door Clio's stift opgeteekende data zijner roemruchte veldslagen en zeegevechten maar beschouwd moet worden in voortdurenden inningen samenhang met zIJn ook in een eenzaam gewest tot uiting komend godsdienstig, geestelijk en maatschappelijk leven - toestanden en feiten 1inTwente belicht gevonden, die vroeger bij een oppervlakkig bezoek me ontsnapt waren.
Zoo zullen we op onze zwerftochten in de buurt van Markelo er ook toe komen de oude boerenwoningen wat nader te bezien, omdat deze wel de meest sobere verschijningen waren op bouwkunstig gebied, producten van locale noodzakelijkheden, die zich zelfstandig wisten te ontwikkelen tot een zeker karakteristiek "type", zonder daarbij zich te storen aan de “stijlen" die in de hoogere bouwkunst der steden opgang maakten. Als eens onze oogen open gaan voor de beteekenis van de Twentsche hoeve in het landschap, zullen we telkens weer verrast worden door de schilderachtigheid van huis en erf, in de schaduw van eiken en populieren en dit doet Twente vóór alles zijn "het land der hoeven".
"Ken. uw land en volk" ..... daarmede is de geestelijke strooming voor jong Nederland in kunst- en natuurstudie, in geschiedenis- en verkeersproblemen, van een toeristisch standpunt gezien, geschetst.
Leer het binnenland van Twente bij Markelo kennen, het is de taak, tot welke dit eenvoudige boekje - gebracht in handen van vele wandelaars - het zijne wil bijdragen en dat den lezer hoopt te brengen in het hartje van het land der Nedersaksische hoeven ... in Markelo en omgeving.