woensdag 28 december 2011

Geïllustreerde gids Noordwesthoek (1912): Kampen

Wij keeren naar Zwolle terug, logeeren daar in een van de goede hotels, aan welke deze plaats geen gebrek heeft, en brengen van daaruit een bezoek aan de oude Hanzestad

KAMPEN,

gelegen aan de monden van den IJssel, die in haar nabijheid de vruchtbare landouwen vormt, welke als het Kamper-EiIand zijn bekend, en die wijlen den Zwolschen dichter B.W.A.E. baron Sloet tot Oldhuis de woorden in de pen gaf:

Gij zwiert, in duizend kronkelingen,
Door Gelderlands bekoorlijkst oord;
Alsof ge 't aan uw borst wilt dringen,
Stuwt ge er uw golven langzaam voort.
Maar waar gij stroomt met minder loomte,
Schuilt erf bij erf in ooftgeboomte ;
't Is bloei en welvaart wat men ziet;
Als laatste van uw gunstbewijzen
Doet gij een vruchtbaar eiland rijzen
Vóórdat ge in Flevo's waat'ren schiet.

Daar biedt uw stroom, bij 't henenvlieden,
Zijn groet aan de oude Hanzestad,
Die koningen het hoofd dorst bieden
En koningen tot gasten had;
Die Kampens wimpels en banieren
Met roem, te land en zee deed zwieren
En zee- en landroof heeft getemd.
"Zij staag u roem en bloei beschoren!"
Doet zich des stroomgods afscheid hooren,
Waar 's dichters bede in medestemt.

De reiziger, die, na den trein verlaten te hebben, zich stadwaarts begeven wil, merkt op dat men op 't oogenblik druk bezig is met den bouw van een nieuw station voor de N. C. S. Wanneer dit boekje in 't licht is verschenen, zal het wel gereed zijn. Het rust op 528 palen, waarop fondamenten van beton. Reeds aanschouwt men de monumentale brug over den IJssel, die toegang geeft tot de stad, van ter zijde en weldra staat men er voor. Aan deze zijde verrijst het beeld der Kamper stedemaagd voor onze oogen, door twee torens geflankeerd. Het is een vrij lang aspect dat de brug oplevert; aan de stadszijde ziet men weer een forsch beeld dat den landbouw voorstelt. Ruim 1,1/4 jaar is over de brug gebouwd; begin Januari 1874 is ze voor het verkeer opengesteld.
Veel hadden hare voorgangsters, meestal bijna geheel van hout vervaardigd, van ijsgang en waterstroom te lijden en waren daartegen op den duur niet bestand; de thans bestaande brug is van steen en ijzer vervaardigd en kan wel tegen een stootje. De bouwkosten hebben meer dan drie- en een halve ton gouds bedragen. Wil men zich eens op zijn gemak verlustigen in den aanblik van de nimmer stilstaande passage, dan zette men zich neer in de Buiten-Societeit, die vóór de brug is gelegen waarin vreemdelingen vrijen toegang hebben. Des zomers worden in den achter het huis gelegen tuin tweemaal in de week muziekuitvoeringen gegeven.
Van af het terras der Societeit is het een ruim en frisch gezicht, als men den blik wat ter zijde richt, op het stroomende water der rivier, dat u koelte toewuift en op de lange huizenrij aan de overzijde, die den naam draagt van IJsselkade. Behalve het breede water dat langs de stad stroomt, heeft Kampen een gracht die door de stad vloeit en de Burgel heet. Aan haar beide uiteinden staat ze in verbinding met de rivier. En dan is er nog de bochtige stadsgracht, die de stad aan de landzijde begrenst, en aan het eene uiteinde uitkomt in de Nieuwe Buitenhaven en door deze ook weer voeling houdt met den IJssel. Tusschen de Stadsgracht en de drie Ebbingestraten ligt het Plantsoen of Engelsche Werk, dat een schepping is van den Haarlemschen tuinbouwkundige Zocher en rijk is aan forsch geboomte, fraaie heesters en bloemperken en zelfs eenige met zorg gekweekte en onderhouden tropische planten. Een wandeling er door is bepaald genotvol.



Wanneer men, van de brug komende, links afslaat, komt men voorbij de Koornmarktspoort, op de naar een vroegeren burgemeester genoemde de la-Sablonière-kade, waarlangs fraaie heerenhuizen zijn gebouwd, en vervolgens, langs de Bovenhaven, op den IJsseldijk , die naar Wilsum voert. Hier zal verrijzen het station der lijn Hattem-Kampen van de Kon. Ned. Locaalspoor, ongeveer tegenover de Manege. In deze buurt zal ook het nieuwe Ziekenhuis komen te staan, dat, naar den schenker, den naam zal dragen van "Engelenberg-stichting" en van zelf zullen dan de woonhuizen ook niet uitblijven, zoodat hier nieuw leven zich zal ontwikkelen.
Hebben we zóó iets van de buitenzijden der stad vermeld, we willen ook de binnenzijde tot een voorwerp van beschouwing maken ; we wijzen in de eerste plaats op de voornaamste straat, die de stad van af het MuntpIein (waarop de Bovenkerk) tot aan de andere zijde doorsnijdt en eerst bij de Oude Buitenhaven eindigt, en den naam draagt van 0udestraat. 't Is de winkelstraat bij uitnemendheid, gezellig en druk is er steeds het verkeer; aan de rechterhand vindt men ter hoogte van de brug het Stadhuis en wat verder aan de linkerhand de kazerne van het Instructiebataljon.

Eer we ons evenwel in bijzonderheden gaan verdiepen, zij nog iets medegedeeld over de bevolking en de middelen van bestaan. Kampen telde op 21 December 1910 een getal van 19772 inwoners; vergelijken we dit cijfer met dat van 1909 dat 19745 bedroeg en van tien jaren vroeger, 19644, dan zou men zoo zeggen dat het toppunt van 't geen Kampen bergen en voeden kan, is bereikt, want er is geen vooruitgang te bespeuren. Maar gaan we wat verder achteruit, dan verandert de toestand. In 1815 bedroeg de bevolking maar even 7000 zielen, tien jaar later 7500, in 1840 ruim 9000, terwijl ruim vijftig jaar daarna dat aantal meer dan verdubbeld was. Het schijnt dus wel dat nà 1840 meerdere invloeden aan 't werk zijn geweest om bewoners te trekken. Daaronder mogen wel gerekend worden de instelling van het Instructie-bataljon ter vorming van onderofficieren voor het leger zoowel hier te lande als in Indië, door Koning Willem III in het jaar 1850; de stichting in 1854 van de Theologische School der Gereformeerde kerken ter opleiding van leeraren ; nog later de vestiging van den Hoofdcursus ter opleiding van officieren, alle welke stichtingen weer oorzaak werden dat ook de onderwijs-inrichtingen sterk moesten worden vermenigvuldigd en verbeterd. Er zijn een gemeentelijke Hoogere Burgerschooi en een gemeentelijk Gymnasium, daarnaast nog een bijzonder gymnasium, scholen voor meer uitgebreid lager onderwijs, voor teeken- en muziekonderricht, enz.
Onder de middelen van bestaan moeten gerekend worden de handel in boter en hooi (dit laatste inzonderheid van het Kamper-eiland); visscherij, scheepsbouw, leerlooierij, een emaille-fabriek, kalkbranderij en steenbakkerijen, mattenfabricage, boekdrukkerijen, en, last not least, sigarenfabrieken in grooten getale. Wie kent niet de namen van de Boele's, van Hulst, van der Linde, Bessem en Hoogenkamp enz. enz.? Te veel om te noemen, maar die allen op dit terrein eene goede reputatie genieten.
Als woonplaats is Kampen ook gezocht om een reden die, vooral tegenwoordig, bij het immer stijgen der stedelijke belastingen, gewicht in de schaal legt, want ..... men betaalt in die goede stad heelemaal niets van dien aard. De opbrengst van het aan de stad behoorende Kamper-Eiland voorziet ruimschoots in de behoeften der gemeentelijke huishouding en daarom mogen we wel even de vraag stellen (en beantwoorden): Hoe is Kampen toch aan zulk een rijk bezit gekomen? Daartoe moeten we de geschiedboeken opslaan, die ons zeggen dat het de bekende Utrechtsche Bisschop Jan van Arkel was die Kampen daarmede begiftigde in 1364. En waarom dan wel? Bisschop Jan had reeds in 1347 het plan opgevat om de tusschen Zwolle en Kampen gelegen "Marke" Mastenbroek te verdeelen, ze te bedijken enz. Nu hadden vele adellijke geslachten, als Van Voorst, Rechteren, Haersolte, Buckhorst e. a., benevens de steden Kampen, Zwolle, Hasselt, Genemuiden, Grafhorst en Wilsum, ja zelfs eenige aan deze plaatsen palende buurtschappen van Zwollerkerspel aandeelen in die marke of, zoo het heette: zij waren daarin gewaard, en hadden allen er wat over te zeggen. Die nu met 's bisschops plannen meegingen, waren goede maatjes met Z.Ew., maar er waren er ook, die ze tegen stonden en tot deze behoorde de heer Zweder van Voorst, die in zijn tijd bepaald een lastig heer moet zijn geweest. Het was eerst in 1363, dat Jan van Arkel Zweders zoons, Roderik en Wolter, met geweld van wapenen tot toegeven wist te dwingen, zoodat in het volgende jaar Jan's plannen konden worden ten uitvoer gelegd. De stad Kampen droeg toen haar rechten in Mastenbroek aan den Bisschop over en ontving in ruil daarvoor van hem den eigendom en het recht op den aanwas der Kampereilanden. Dat recht is dus al zeer oud en heeft de stad onnoemlijk veel voordeel opgeleverd; daartegenover moet erkend worden dat de stad er ook goed voor gezorgd heeft. Haar overheid is er steeds op uit geweest, door oordeelkundige maatregelen, de opbrengsten te vergrooten; nemen we in aanmerking dat het Eiland ruim tachtig boerenerven telt, die allen goed verpacht zijn, dan kan men wel nagaan dat de opbrengst niet gering is en veel bijgedragen heeft tot den bloei der stad, die trouwens ook reeds vóór dien tijd door haar handel van beteekenis was, zoodat zij als een waardig lid was opgenomen in het beroemde Hanse-verbond. K. behoorde ook tot de trits van steden die in dien tijd de lakens uitdeelden in het Oversticht. De Staten hielden om beurten in eene dezer steden hunne vergaderingen. Zij was de beheerscheres der monden van den IJssel; de voornaamste arm dier rivier, het Keteldiep, werd op stadskosten door kribben in zee verlengd en haar vloten werden ontzien op alle wateren waar zij zich vertoonden. Zij droeg krachtig bij tot de vernedering der lastige Koningen van Noorwegen in 1285 en 1294; daarop zinspelen de in het begin dezer beschrijving aangehaalde dichtregels: “die koningen het hoofd dorst bieden". Nadat de stad zich In de 15e eeuw belangrijk had uitgebreid, werd zij ook versterkt; inzonderheid toen de Koning van Spanje de bewoners dezer gewesten wat al te veel naar zijn hand wilde zetten. In 1569 kreeg zij een bezoek van den hertog van Alva, die op plechtige wijze werd ontvangen, en de sleutels der stad, die hem door de overheid werden aangeboden, weder aan deze terug gaf onder de betuiging dat Z. Ex. niet twijfelde of de Raad der Stad zou deze even getrouw als zij tot heden gedaan had, voor Z. M. den Koning van Spanje bewaren. Wat later riep de hertog zelfs het garnizoen dat in Kampen gebleven was, terug, doch toen de belastingplannen waarmede hij later voor den dag kwam niet zoo voetstoots werden aangenomen, moesten Kampen en Zwolle weer een flinke bezetting innemen. Of Alva er al iets van vernomen had dat de Prins van Oranje ook niet stil zat, weet ik niet, maar feit is het dat Oranje's zwager, de graaf van den Berg, weldra voor de stad verscheen, een batterij van zwaar geschut buiten de Veenepoort oprichtte en, gesteund door de Oranje-gezinden binnen de stad, den 11en Augustus 1572 er in slaagde Kampen aan 's Prinsen zijde te brengen. De Prins bracht daarop in persoon een bezoek aan de stad, maar "niets is op aarde bestendig van duur". Zoo ging 't ook met de pas verworven vrijheid! Don Frederik de Toledo, die van het Zuiden naar deze streken op weg was, boezemde zoo veel schrik in dat de overheid, zoo wel die van Kampen als van Zwolle, afgezanten naar hem zonden om zich in 's Konings gunst aan te bevelen en de sleutels hunner steden hem weer aan te bieden. In 1578 namen de zaken weer een keer, maar inmiddels was de strijd tegen Spanje eigenlijk meer geworden een strijd tusschen Roomschen en Hervormingsgezinden : de laatsten deden een aanval op den Sint-Nicolaas- en de Lieve-Vrouwekerken, die nog al geplunderd werden. Eerst na vele jaren trad, door het optreden van Prins Maurits, ook voor deze gewesten de zoo lang ontbeerde rust in.
De stad, "die koningen tot gasten had", ontving later koning Lodewijk nog binnen hare muren, maar keizer Napoleon, die in 1811 Zwolle "met een bezoek vereerde", is in Kampen niet geweest. En dat zal waarschijnlijk de burgerij wel niet gespeten hebben. Maar blijde was men ook dáár, toen de gezegende omwenteling van 1813 ons vaderland stelde onder het bestuur der koningen uit het stamhuis van Oranje-Nassau, dat nu weldra eene eeuw lang de kroon van Nederland draagt.

Onder het vele schoone dat Kampen bezit, moeten vooral gerekend worden een
drietal poorten
,

die eene bezichtiging overwaard zijn. Heel groot zijn ze niet, maar typisch fraai. Ze heeten de Koornmarktspoort, de Broederpoort en de Cellebroederspoort. De eerste, aan het begin van de Sablonièrekade, is wit gepleisterd en maakt reeds daardoor, van de rivierkant gezien, een eigenaardigen indruk, met haar twee cilindervormige torens met spitse daken en een middenstuk, ook van een spits toeloopend dak voorzien. Zij dagteekent uit de 14de eeuw en was van de rivierzijde de voornaamste toegang tot de veste. Tegenover haar was het pontveer waar men over den IJssel werd gezet. In 1448 veranderde dit door het bouwen van de eerste vaste brug.

De Broederpoort bevindt zich aan de andere zijde der stad, tusschen de 2de en 3de Ebbingestraat. Zij bezit vier ranke torens, door zeer spits toeloopende daken gekroond en in 't midden gescheiden door een gebouw met drie ramen, waar boven een fraai versierd bovenstuk. Zij dateert van het einde der 15e eeuw, en diende langen tijd tot woning van verschillende stedelijke ambtenaren; daarna tot gildekamer van het chirurgijnsgilde, en thans tot woning voor een gezin dat het middenstuk van de stad heeft gehuurd.

De Cellebroederspoort staat evenals de vorige, aan de kant van het Plantsoen, tusschen de 1ste en de 2de Ebbingestraat, aan het einde van de Cellebroedersweg. Zij dagteekent uit den zelfden tijd als de Broederpoort en draagt haar naam naar het Cellebroedersklooster, dat in deze straat gelegen was. In 1617 is zij vernieuwd, de beide torens zijn zwaarder van bouw dan die van de Broederpoort en dragen hooge zeer spits toeloopende torens, terwijl de gevelversieringen aan de stadszijde werkelijk schoon zijn en door de er in voorkomende keizerlijke adelaar aantoonen dat de stad tot de keizerlijk vrije steden behoorde.

Buiten deze leven nog in de volksmond de niet meer bestaande Hagenpoort aan het einde van de Oudestraat bij de Oude Buitenhaven en de Veenepoort aan het begin van den lJsseldijk, bij de Bovenhaven.

Na de poorten worde een beurt gegeven aan Kampen's

kerkgebouwen

waarvan in de eerste plaats dient genoemd de Sint Nicolaas- of Bovenkerk tusschen Koornmarkt en Muntplein. De juiste tijd der stichting is niet bekend, maar vast staat dat reeds in de eerste helft der 14e eeuw er aan gebouwd werd; in 1369 was de bouw nog niet voltooid, want toen werd nog een nieuwe "architect" aangesteld, n.I. Rutger Michiels, zoon van Ceulen. De toren, even hoog als de kerk lang is, ongeveer 70 Meter, werd in 1516 vernieuwd, ongeveer een eeuw later nog eens flink onder handen genomen, maar dit kon niet verhinderen dat hij scheef begon te zakken en men er ernstig over dacht hem af te breken. Maar ziet, daar kwam een bekwaam bouwmeester uit Amsterdam, Jan de Jonge en bood aan den toren recht te zetten. En werkelijk, het stoute stuk gelukte en wel zoo goed dat de toren nog staat zooals de Jonge hem heeft gesteld (1685). Het spijt mij dat ik er niet bij vertellen kan, hoe hij dat gedaan heeft, maar, laten we om de eer onzer thans levende bouwkundigen er niet aan twijfelen, als hier of daar zich zulk een zaakje mocht voordoen, dat ze 't dien roemruchtigen voorganger zullen nadoen. De twee klokken die in den toren hangen, zijn het werk van den Kamper klokkengieter Gerard van Wou, een man ook om zijn kunst wijd en zijd vermaard. De kerk is eene bezichtiging van binnen ten volle waard: ten eerste om haar forschen bouw en het van het ruim der kerk, door een houten hek met fraaie koperen balusters afgescheiden koor, maar ook om den preekstoel, van zandsteen vervaardigd; om de prachtige koperen lichtkronen, om het schoone orgel in Louis XV-stijl, om het monument gewijd aan de nagedachtenis van den Vice-admiraal Jan Willem de Winter, gestorven 1812, Kampenaar van geboorte. Ook treft men er aan een wit marmeren gedenkplaat, in eene van de dertien grafkapellen, die het koor omgeven, waarop de namen en deugden zijn vermeld van Rutger van Breda, secretaris van Kampen en griffier der Staten van Overijssel (gestorven 1693) en van zijne echtgenoote, beide hier begraven. De kerk kwam omstreeks 1580 in het bezit der Hervormden.

De tweede kerk, die onze aandacht vraagt, is de Broederkerk in de Broederstraat, aldus geheeten naar het vroeger op die plek staande klooster der Franciskanen of Minnebroeders. Zij dateert ook uit de 14de eeuw. In 1572 werd zij van vele kostbaarheden beroofd op last van Graaf van den Berg, maar zeven jaar later moest ze een nog veel heviger aanval van de aanhangers der nieuwe leer - zooals men toen zeide - doorstaan. De beelden werden omver gehaald, misgewaden en kerksieraden werden verbrand, ja zelfs werden de kloosterbroeders verwond, zoodat dezen hun heil in de vlucht zochten. Na eenigen tijd gesloten te zijn geweest, namen, bij toeneming van het getal Hervormden, dezen de kerk voor hunne godsdienstoefeningen in gebruik.
Het interieur is niet schoon te noemen, ook mist men op het geheel een gezicht doordien de zitbanken zijn omgeven door een hoog houten schot, waardoor men in die groote hoIle ruimte een voor tocht gevrijwaarde afdeeling tot stand heeft gebracht, waarin het kerkgaand publiek zich rustig onder het gehoor van den voorganger kan nederzetten.

De Roomsch-katholieken hebben hun kerkgebouw in de Buiten-Nieuwstraat. Het is bekend onder den naam van Lieve Vrouwe- of Buitenkerk, om haar bouw behoorende tot de z. g. n. hallekerken, waarin de drie beuken waaruit het schip der kerk bestaat, aIlen even hoog zijn. Zij dateert waarschijnlijk reeds uit de 13de eeuw, doch hare tegenwoordige gedaante bekwam zij eerst in 1369, toen de reeds genoemde Rutger van Keulen, die de Bovenkerk bouwde, ook de vergrooting en verbouwing van deze kerk leidde. De middenbeuk loopt uit in het koor, met een afsluiting, die even als de sacristy, een veelhoekigen plattegrond heeft. De kerk, evenals de reeds genoemde kerken in 1580 aan de belijders der Hervormde leer afgestaan, werd door toedoen van koning Lodewijk Napoleon bij zijn bezoek aan Kampen (1809) aan de R. Katholieken teruggegeven, die er heel wat aan op te knappen vonden, want zij was schrikkelijk verwaarloosd in de voorgaande eeuwen. Van den vroeger waarschijnlijk forschen en fraaien toren was zelfs niets meer over dat op dien naam aanspraak maken mocht. Nadat hij in 1607 gedeeltelijk instortte, waarbij ook de kerk zelve leed, duurde het tien jaren, eer deze, en twintig jaren, eer de toren weer zoo wat hersteld was.
Maar nog eens twintig jaren later begon de toren te verzakken, en het was de reeds genoemde architect De Jonge, die hem in den goeden stand terug bracht (1683). Van een eigenlijken toren is echter geen sprake meer: de lage stomp, die slechts even boven het dak der kerk uitkomt, mist elke aanspraak op dien naam. Eerst in het voorgaande jaar is de restauratie der kerk, op initiatief van haar kunstlievenden pastoor Gerritsen, krachtig ter hand genomen onder leiding van den architect Herm. Kroes van Amersfoort, en inzonderheid de aangebouwde kapel ten westen van het koor heeft in die vernieuwing gedeeld. De oude pleisterlaag der muren is verwijderd en op de nieuwe bepleistering is fraai laat-Gothisch muur- en gewelfbeschildering aangebracht door de kerkschilders Waterkamp van Zwolle en Goossen te Kampen. Boven de deur, die tot het hoogaltaar toegang geeft, zijn op een banderol de namen van de patrones der kerk en van den Bisschop aangebracht. Een en ander maken een aangenamen indruk, zoodat een bezoek aan deze kerk zeer is aan te bevelen.

Nog een kort woord zij gewijd aan de drie kerkgebouwen, die heden ten dage de in Kampen talrijke Gereformeerden voor hun godsdienstige samenkomsten bezigen, n.l. de Burgwalkerk , de Hagenpoortkerk en de Nieuwe Gereformeerde kerk op den hoek van de Broederstraat en de 3de Ebbingestraat.
De Burgwalkerk is gebouwd op de plaats waar vroeger een voornaam heerenhuis stond, bewoond door den predikant Dr. J. J. Rambonne, welk huis in 1875 overging in handen der Christelijk Gereformeerde gemeente voor de som van f 20.000. Het is een breed gebouw, met van binnen drie galerijen, maar heeft geen architectonische waarde.
Klein als bijna overal waar velen in 1834 en 1835 de Ned. Herv. Kerk verlieten, omdat in deze niet meer de hand gehouden werd aan de aloude belijdenis, was ook in Kampen de schare, die zich van het groote Kerkgenootschap afscheidde, doch zij nam spoedig in aantal toe, maar in de beroering dier tijden ontstonden er lichtelijk weer andere stroomingen, hetgeen te verklaren is uit het feit dat het z.g.n. kerkrecht sinds langen tijd niet meer gehandhaafd en daarom ook niet meer bekend was. Toen nu sommigen - en daaronder vele eenvoudige menschen - poogden dat recht weer in eere te herstellen, bleek alras dat de inzichten en de toepassing daarvan nog al eens sterk uiteen liepen en dat gaf dan weer botsing tusschen de broeders onderling. De Kamper gemeente ontkwam ook niet aan dit proces; na kort bestaan der gemeente ging een gedeelte onder ouderling Hoksbergen op zichzelve staan, terwijl het andere deel zich voegde in het kerkverband der Christ. Afgescheiden kerken. Zij beriep tot haar eersten leeraar den zoon van den eersten afgescheiden predikant in Nederland, Ds. H. de Cock Jr., dezelfde die later aan de Theologische School als docent is werkzaam geweest. Snel was de toename der gemeente: telde zij in 1851, het jaar der scheuring, nog maar 19 leden, heden ten dage is dit getal, ook door vereeniging met de z.g.n. doleerenden of Nederd. Gereformeerden in 1895, gestegen tot pl.m. 5000. De laatstgenoemden brachten hun eigen kerk mede, n.l. die aan de voormalige Hagenpoort, aan het einde van de Oudestraat, welk gebouw in 1891 tot zijn tegenwoordige gedaante is verbouwd. Voor het genoemde groot aantal leden was evenwel een derde kerkgebouw dringend noodig: de kerkeraad besloot tot den bouw, verkreeg grond aan de Ebbingestraat en stichtte er de nieuwe kerk met 1280 zitplaatsen voor eene som van f 40.000. Den 19en April 1911 werd de kerk in gebruik genomen met eene rede van Ds. G. Elzinga.
De kerk is in modernen stijl gebouwd, met ramen van gebrandschilderd glas; het gezicht op den kansel en de acoustiek zijn goed. Zij heeft centrale verwarming en maakt ook uitwendig een aangenamen indruk. Een nieuw orgel is in aanbouw, zoodat weldra aan alle eischen voor een doelmatige inrichting van zulk een gebouw zal zijn voldaan. En dat de offervaardigheid en het prijs stellen op een vaste plaats in de kerk steeds toenemende zijn, mag wel blijken uit het feit, dat de gezamenlijke opbrengst der verhuurde zitplaatsen in de drie kerkgebouwen de som van f 7200.- beloopt. De Doopsgezinden hebben een kerkgebouw aan den Broederweg, op den hoek van de Groenestraat, oorspronkelijk de Kloosterkerk der Zwarte- of Cellezusters; de Lutherschen een op den Burgwal bij de Nieuwe Markt, terwijl de Israëlieten hunne synagoge hebben aan de IJsselkade.

Wij hebben straks in 't voorbijgaan genoemd de Theologische School der Geref. kerken. Dit gebouw is gesticht in 1870 op de Oudestraat, dicht bij de Sint Nicolaas- of Bovenkerk, doch de school zelve dateert van 1854. In deze inrichting worden leeraars opgeleid voor de Geref. kerken in Nederland; zij staat onder direct toezicht dier kerken en er wordt onderwijs gegeven door vier hoogleeraren en drie lectoren. Vóór 1894 vond de vorming van a.s. leeraars zoo goed als geheel aan deze school plaats, doch in dat jaar liet men de z.g.n. literarische opleiding los, deze werd toevertrouwd aan een Gymnasium en de School gaf alleen theologisch onderwijs.
De stichting der Vrije Universiteit op Geref. grondslag in Amsterdam, aan welke ook a.s. leeraren worden opgeleid, heeft naar de meening der kerken, het bestaan der Theol. School nog niet overbodig gemaakt daar de V. U. niet van de kerken maar van eene Vereeniging voor Hooger onderwijs uitgaat. Nu, de Kampenaars zullen de school ook wel niet gaarne uit hun midden zien heengaan, zij draagt tot den bloei van Kampen niet onbelangrijk bij. Bij het 40-jarig bestaan bood de burgerij als feestgave een fraaie boekenkast voor haar vrij rijke bibliotheek aan, vervaardigd naar een ontwerp van den heer E. D. J. de Jong Jr. door den meubelmaker Engelen. Het uiterlijk van het gebouw biedt geen architectonisch schoonen, maar toch wel een om zijn netheid en regelmaat frisch aandoenden aanblik; van binnen is het, inzonderheid na de verbetering en vergrooting van 1894, doelmatig voor het gebruik. En dat is toch wel het voornaamste.

Aan

Stichtingen van Weldadigheid

is Kampen lang niet arm. Daaronder zijn te rekenen het Grootburger weeshuis aan den Cellebroedersweg, het Burgerweeshuis op den hoek van Vloeddijk en Brigittenplein; het Ziekenhuis aan het eind van den Vloeddijk hoek Molenstraat, dat echter weldra door een nieuw gebouw, waarover straks meer, zal worden vervangen; het Proveniershuis aan den Burgwal, voor bejaarden in 3 klassen verdeeld, al naar gelang zij geheel kosteloos verzorging ontvangen of meer of minder zelven daartoe iets bijdragen; het BestedeIingenhuis der Ned. Herv. gemeente, staande in de 3e Ebbingestraat; het R. K. Weeshuis in de Boven Nieuwstraat ; de z.g. Bethlehemsvergadering in de Buiten Nieuwstraat, staande onder het Burgerlijk Armbestuur, en dienende om gratis huisvesting aan behoeftige weduwen te verleenen. Een relief aan den gevel vertoont het bezoek van de herders aan den stal van Bethlehem en een opschrift "In Bethlehem 1631" geeft het jaar der stichting aan. Meer dergelijke "vergaderingen" geven allen getuigenis zoowel van den weldadigheidszin onzer voorouders, als van de zorg voor ouden van dagen, behoeftigen en beproefden.
En dat die weldadigheidszin ook bij onze tijdgenooten nog levendig is, leert ons o.m. de

Van Gelder-Stichting

aan de 1ste Ebbingestraat, door den stichter Ds. C. L. D. van Coevorden Adriani, den 7en Juni 1900 plechtig geopend en overgedragen aan den Raad der Gereform. kerk. De naam is afkomstig van schenkers eerste echtgenoote, tot wier gedachtenis de stichting is geschied. De heer v. C. Adriani, geboren 1844, laatstelijk predikant der Geref. gemeente te Baambrugge, sedert 1896 rustend, overleed in Jan. 1911 te Velp, doch ligt in Kampen begraven. Zijne edele stichting bestaat uit twee afdeelingen, waarvan de eerste dient tot opname van lieden uit den deftigen stand, van waar ook afkomstig, doch leden zijnde van de Geref. kerk, die zelven niet van middelen ontbloot zijn, doch niet geheel in hunne behoeften naar hun stand kunnen voorzien en daarom in de stichting eene vrije woning met maandelijksche toelage genieten; de tweede afdeeling herbergt personen uit den kleinen burgerstand, die minstens 6 jaar in Kampen moeten hebben gewoond en gedurende dien tijd ook lid van de Geref. kerk zijn geweest. Ook deze moeten niet geheel zonder eigen inkomen zijn, maar de eischen zijn voor hen lager, dan voor de 1ste categorie. De inwonenden behouden hunne zelfstandigheid zoo goed als ongerept.
Een tweede voorbeeld van ruimen milddadigheidszin levert ons de in aanbouw zijnde

Engelenberg-Stichting

die verrijzen zal op een opgehoogd terrein achter de Hoogere Burgerschool. Voor den bouw werd door den den heer C. H. H. A. Engelenberg te Kampen eene som aan de gemeente gelegateerd, groot tweemaal honderdduizend gulden, bestemd voor een nieuw Ziekenhuis. De Raad droeg het maken van een ontwerp op aan den architect W. Kromhout Czn. te Rotterdam en den 5en Januari 1912 is de bouw, met inbegrip van afzonderlijk keukengebouw en vrij staande barak, gegund aan den laagsten inschrijver J. H. Janssen te Velp voor de som van f 191.980. Het zal eene lengte hebben van 60, bij een breedte van pl. m. 15 Meter en de omgeving zal in overeenstemming met het gebouw worden gebracht. Het is te hopen dat het ook in aanbouw zijnde station voor de tramlijn Hattem-Kampen, dat niet ver van het nieuwe ziekenhuis, aan het begin van den IJsseldijk zal verrijzen, de voor een ziekenhuis zoo noodige rust niet al te zeer zal verstoren.



Het wordt nu tijd eens om te zien naar het gebouw waarin Kampens belangen worden besproken en behandeld door de "vroede vaderen", namelijk

Het Raad- of Stadhuis,

staande, rondom geheel vrij, op een driehoekig terrein gevormd door de Oudestraat, de Voorstraat en de Vischsteeg, zijnde de voorgevel naar de Oudestraat gekeerd. Het gebouw bestaat feitelijk uit twee gedeelten, wat den tijd der stichting betreft. Het oudere gedeelte diende in vorige tijden tot Raadhuis, het nieuwere thans tot stadhuis.

Het oude Raadhuis is omstreeks 1350 gebouwd en heeft dus een eerbiedwaardigen ouderdom. In 1543 vernielde een vrij hevige brand, door onvoorzichtigheid ontstaan, het gebouw van binnen geheel, maar de buitenmuren bleven gespaard en konden hersteld worden; dat ze stevig waren, blijkt wel uit het feit dat ze heden nog staan. Aan den voorgevel merken we o. m. op een traliewerk van gesmeed ijzer; van hier werden de gewone afkondigingen gedaan aan de burgerij; voorts zes beelden, in nissen geplaatst, die voorstellen: Keizer Karel de Groote, Alexander den Groote, de Matigheid, de Trouw, de Gerechtigheid en de Liefdadigheid. In den Schepentoren, tegen het gebouw aan staande, wordt het oude Archief bewaard, dat als van groot belang voor de geschiedenis moet worden geacht, getuige de stukken die daaruit reeds gepubliceerd zijn door den archivaris Mr. Nanninga Uitterdijk.

Het eigenlijke Stadhuis is in 1888 en 1889 verbouwd; de Raadzaal, op de eerste verdieping, bevat de portretten der prinsen en koningen uit het huis Oranje-Nassau, terwijl in de nevens de raadzaal zich bevindende kamers nog portretten zijn van Ernst Casimir en Willem Lodewijk van Nassau.



De mede op de eerste étage voorkomende Trouwzaal is versierd met imitatie-goudleeren behangsel en fijn eikenhouten ameublement. Ook is hier te zien een gobelin uit de 16e eeuw; een stuk dat algemeen geroemd wordt. Nadat wij dit en nog meer moois, te veel om alles hier op te noemen, bekeken hebben, vragen we toegang naar het oude Raadhuis en van de étage waarop wij ons bevinden, gaan we door een zware eikenhouten deur en een gang naar de Schepenzaal, die aan de wanden versierd is met oude pieken en vaandels; op den beganen vloer trekken onze aandacht oude gevelsteen en, steenen kogels en afgietsels van de zes beelden aan den gevel voorkomende; verder kunnen we hier zien oude gilde bekers en drinkhorens, opgegraven kannen e. d., benevens boeken in de middeleeuwen in de kloosters geschreven enz. De toegang tot het oud archief wordt, behalve door twee houten deuren, beschermd door een ijzeren dito, afkomstig van het in de nabijheid van Zwolle gelegen, mede door hulp van de Kampenaren, in 1362 veroverde en geslechte kasteel van Zweder van Voorst, die het den bewoners van laatstgenoemde stad zoo menigmaal benauwd maakte, doch eindelijk voor de doortastendheid van bisschop Jan van Arkel zwichten moest. Verzuim niet te bezien de zandsteenen schouw, in 1543-45 vervaardigd door den beeldhouwer Jacob Colijn van Kamerijk; het is een meesterstuk, dat schier op zichzelf een reisje naar Kampen rechtvaardigt. Nog veel meer fraais en antieks is hier op te merken: in dit opzicht spant Kampen de kroon boven Zwolle en uit alles blijkt dat de tijd, waarin "Kampens wimpels en banieren met roem langs land en zee zwierden", een glorierijke en winstgevende is geweest en dat Kampens Vroedschap in die dagen de kunst beminde en hoogachtte niet alleen, maar ook dienstbaar wist te maken aan den roem der stad.

De Nieuwe Toren, tegenover het stadhuis, bezit een buitengemeen fraai en grotesk klokkenspel. Hier in de buurt - schuin achter het stadhuis - is het in 1904 gebouwde Postkantoor met ingang aan de Oudestraat.

Eene, zelfs korte, beschrijving van Kampen, mag niet onvermeld laten het in 1850 door Koning Willem III ingestelde

Instructie-bataljon

waardoor Kampen alleen reeds in den lande bekendheid geniet. De kazerne, waarin het gehuisvest is, bevindt zich op de Oudestraat tusschen de Botervat- en de Schapensteeg. Het is een forsch gebouw met twee zijvleugels, die een breed plein voor het hoofdgebouw begrenzen, welk plein van de publieke straat is afgescheiden door een hoog, niet onsierlijk, ijzeren hek. Hoe vruchtbaar deze instelling heeft gewerkt ten nutte van het leger, kan blijken uit het feit dat door haar reeds meer dan achttien duizend jonge mannen voor den dienst als onderofficier of korporaal zijn geschikt gemaakt, waarvan een groot aantal later ook den officiersrang bij het leger hier te lande of in onze Oost-Indische bezittingen hebben verworven. Terecht mocht in 1910 het zestigjarig bestaan der Inrichting feestelijk worden herdacht, bij welke gelegenheid door den eersten luitenant J. A . H. Abeleven een Gedenkboek is samengesteld, dat voor oud-leerlingen en belangstellenden een aangenaam souvenir is aan de zoo bekende en beminde stichting.

De opleiding tot officier geschiedt in het gebouw voor den Hoofdcursus, hoek Koornmarkt en Prinsestraat. In een deel van dit gebouw logeerde in 1809 koning Lodewijk Napoleon, bij zijn bezoek aan Kampen. Dit deel maakte toen de woning uit van den Franschen predikant Serrurier. Aan deze inrichting, sinds 1877 in Kampen gevestigd, zijn in den regel ruim een honderd jonge mannen, die door militaire- of burgerleeraren bekwaam worden gemaakt voor hunne toekomstige loopbaan; o. a. heeft tot dezen behoord de bekende oud-gouverneur-generaal van Nederlandsch Oost-Indië J. B. van Heutz.
Ten bate van hen die bij het leger in onze overzeesche gewesten zullen gaan, is er door een der leeraren, den gepens. kapitein van het 0.-I. leger H. T. van IJsseldijk , sinds 1900 eene verzameling van voorwerpen, betrekking hebbende op "onze Oost", bijeengebracht, die, vroeger, op de zolders van het gebouw voor den Hoofdcursus bewaard, thans is verhuisd naar den hoek van de Nieuwe Markt en den Burgwal en bekend staat als het

Ethnographisch Museum.

Het is elken Woensdag en Donderdag des namiddags van 1 tot 4 uur voor het publiek te bezichtigen tegen een entréeprijs van 25 cents. Want niet alleen aanstaande officieren bij het 0.-I. leger kunnen hier profiteeren van het tentoongestelde, ook voor anderen die in onze overzeesche gewesten belang stellen, is hier veel en velerlei te zien wat zelfs moeilijk in andere verzamelingen van dezen aard is aan te treffen. En eigenaardig is het dat het grootste deel der voorwerpen geheel belangeloos voor het museum is afgestaan door de heeren, die vroeger hunne opleiding aan de inrichting genoten hebben.

Ons bestek veroorlooft ons niet, eene compleete opgave te geven van al het bezienswaardige, wij wijzen alleen op enkele zaken, waarvan we wel eens vaak gehoord en gelezen hebben. maar die wij nog nimmer zagen, als daar zijn: een compleeten rijstpelmolen, een Javaansch Schimmentheater, een dito huishouden, een dito bruidsbed, een exemplaar van den Koran in Arabisch letterschrift; modellen van Djambische, Athjesche en andere woningen ; Indische wapenen en koperwerk; mantels en andere kleedingstukken van vorsten en grooten, enz. Daar de ijverige directeur nog immer voortgaat de collectie te vermeerderen, kan men zeggen dat de belangrijkheid van het museum met elk jaar toeneemt en een attraction zal gaan vormen voor bezoekers der stad.
Zij die tijd hebben voor een bezoek van eenige dagen, behoeven niet verlegen te zijn met hun logies; in het gunstig bekende HoteI des Pays-Bas op den Broerweg, dat 1 November 1911 zijn 60-jarig bestaan herdacht, vinden zij alles wat een tourist maar wenschen kan. Wij twijfelen niet of deze zal, bij zijn afscheid van het in zijn kleinheid toch zooveel schoons en belangrijks biedende stedeke, de woorden des dichters tot de zijne maken:

"Zij staag U roem en bloei beschoren".

Geïllustreerde gids Noordwesthoek (1912): het eiland Urk

Die in Kampen vertoeven, moeten niet verzuimen een uitstapje te maken

NAAR 'T EILAND URK,

een oasis in de waterwoestijn ; met de "Minister Havelaar" van de N. V. voorheen Gebr. de Groot, die op Enkhuizen vaart, kan men reeds te 6 ure 's morgens er heen, is er te 8 ure, en kan 's middags te half drie weer naar Kampen terug met dezelfde boot.

Sinds een tweetal jaren geeft dezelfde maatschappij des zomers dagelijks, behalve 's Zondags, met de stoomboot "Baron Rengers", gelegenheid tot een pleizierreisje naar 't eiland, vertrek van Kampen te tien ure, terug aldaar nam. 3.30. Van die gelegenheid wordt druk gebruik gemaakt, ook uit nabij gelegen plaatsen, van waaruit soms ook wel gezelschappen, vergezeld van een muziekkorps, per eigene gelegenheid het eiland bezoeken en door een muzikalen rondgang niet weinig vertier aanbrengen op het anders zoo stille eiland. 't Is misschien wel aan het meer en meer toenemend bezoek te danken dat de plaats zich, in den goeden zin des woords, begint te moderniseeren. Een krachtig bewijs daarvoor vindt men wel o.m in het feit dat op Zaterdag 9 Januari dezes jaars het eerste nommer verschenen is van de "Urker Courant, weekblad voor het eiland Urk". Volgens de aankondiging der Redactie zal het blad op politiek en godsdienstig gebied de richting volgen welke de bevolking van het eiland, met zeer weinig uitzonderingen, aanhangt, n.l. de orthodoxe richting. Door de beide predikanten van het eiland (een Hervormden en een Gereformeerden) zal stichtelijke lectuur gegeven worden, terwijl als hoofdartikelen zullen verschijnen beschouwingen en mededeelingen over maatschappelijke en plaatselijke belangen. Ook zal een plaatsje worden ingeruimd aan artikelen over opvoeding en onderwijs, over gezondheidsleer en, niet te vergeten, visscherijbelangen. Het is te verwachten dat inzonderheid de laatstgenoemde rubriek, wanneer die goed verzorgd wordt, der courant ook lezers buiten het eiland zal verschaffen, want over de visscherij op de Zuiderzee heerschen onder de belanghebbenden nog al uiteenloopende meeningen.
Een tweede bewijs van vooruitgang vinden we in het in Januari 1912 genomen besluit van den Urker gemeenteraad (voorzitter de heer burgemeester Gravestein) om het dorp geheel te rioleeren, wat eene uitgaaf zal eischen, volgens de begrooting, van f 30.000, waartoe het Rijk eene subsidie van f 10.000 verleent. Ja, de tijden der afzondering beginnen te verdwijnen, dank zij inzonderheid de snelle toeneming der middelen van vervoer.



De tocht van Kampen door den Ketel naar de Zuiderzee duurt een half uur, maar is volstrekt niet vervelend, aangezien de oevers veel groen, riet, vee en bouwhoeven te zien geven, behalve op 't laatste gedeelte, waarin wij tusschen de ver in zee uitloopende pieren of dammen varen. Korten tijd na het verlaten van de Ketel, zien wij aan onze rechterhand een smalle strook grond boven het water uitsteken. Dat is het eiIand Schokland, waarop de drie buurten Ens of Zuiderbuurt, Middenbuurt en Emmeloord, met haven, duidelijk kunnen worden onderscheiden. Eene bevolking heeft Schokland niet meer; dit was vroeger wel het geval. In 1840 nog bedroeg het aantal bewoners 695, die leefden van de vischvangst en eene calicotweverij. Er waren toen zelfs nog twee kerken op het eiland, eene Hervormde en een R. Katholieke. Maar aangezien de Hooge Regeering vreesde dat Schokland, hetwelk veel had te lijden van hooge watervloeden en zelf geene natuurlijke middelen bezat om het leven van den mensch te onderhouden en te veraangenamen, hoe langer hoe meer voor bewoning ongeschikt zou worden, achtte Zij het raadzaam het eiland door de bevolking te doen verlaten; de meesten zetten zich toen neer in de bij Kampen gelegen buurtschap Brunnepe ; anderen verkozen Vollenhove tot woonplaats, waar zij hun bedrijf het best konden voortzetten (omstreeks 1858). Thans houden nog slechts een drietal gezinnen op Schokland verblijf, waarvan de mannen belast zijn met het bedienen van den lichttoren en het onderhoud der zeeweringen, waartoe ook nog wel arbeiders van uit Kampen of Urk gebezigd worden. Waarschijnlijk was het in oude tijden met Urk verbonden en als zoodanig één met de tegenwoordige provincie Overijssel. Schokland behoort nog tot deze provincie, maar Urk behoort tot Noord-Holland.

Anno 996 schonk Keizer Otto I, bijgenaamd de Groote, de helft van het eiland Urk aan het klooster Sint Pantaleon te Keulen. Later kwam het door een gift van Graaf Ulichman van Hameland aan het klooster te Elten en nog weer later verkregen het de Graven of Heeren van Kuinre. Herman van Kuinre, de 0ude, verkocht in 1407 zijn heerlijkheid aan den Bisschop van Utrecht, maar Urk en Emmeloord kwamen aan zijn zoon Herman, de Jonge, die in 1415 aan deze streken eenige bijzondere rechten verleende. Later werden de Heeren van Voorst eigenaren, doch bleven dit niet, daar wij vermeld vinden dat zekere Johan van de Werve de heerlijkheid in 1660 aan de stad Amsterdam overdeed, uit wier bezit het eiland Urk overging aan de provincie Noord-Holland.
Waar thans het z.g.n. Val van Urk is, stroomde vroeger de breede rivier FIevo, die, door watervloeden verbreed, eindelijk tot Zuiderzee vergroot werd. De groote catastrophe, waardoor de scheiding van het platteland plaats vond, dagteekent van het midden der 13de eeuw. Naar luid van vertrouwbare berichten moeten op den bodem der zee tusschen Urk en het vasteland meermalen boomen en palen, ja zelfs overblijfselen van kerken en andere gebouwen zijn gevonden, die gestaan zullen hebben op een plaats, Nagele geheeten, welke o. a. genoemd wordt in een brief van Paus Innocentius IV, en dateerende van het jaar 1245. In het jaar 1772 vischte men op die plek o. a. een kerkkandelaar op en zelfs later nog heeft men op den bodem der zee eene dubbele rij ondereinden van boomstammen ontdekt.

Intusschen hebben wij, al varende, Urk in het gezicht gekregen. Het ligt daar in het water als een opgeworpen ronde hoop gronds, welks hoogste punt 8 à 9 meters boven den zeespiegel uitsteekt, bedekt met kleine huizen, een tweetal kerken, een school, een vuurtoren en eenige boomen. Een kalere strook in zee uitstekend, is de algemeene weide voor het vee; op het hooge gedeelte zijn pl.m. 20 putten van zoetwater. De indruk is, hoe dichter wij het eiland naderen, bepaald préttig aandoende, vooral wanneer de zon het eiland beschijnt.
Eindelijk bereiken wij de haven. En welk eene! Ter rechterzijde van de invaart is een ruime vIuchthaven, vierkant, voor ligplaats bij stormweder, waarin wel 600 schepen kunnen geborgen worden.
Oude en jonge bewoners van het eiland zijn bij aankomst van de boot aan de aanlegplaats, hetzij om bij het lossen en laden behulpzaam te zijn of zich als pakjesdrager of gids aan de afstappende reizigers aan te bieden, hetzij bloot uit nieuwsgierigheid. Moet of wilt ge er langer vertoeven, vraag dan maar naar het hotel en café Hoekstra, daar kunt ge best een onderkomen vinden, dat u niet teleurstelt. En van daar uit kunt ge de plaats nader gaan bezien. Zij is verdeeld in Boven-, Binnen-, Achter- en Havenbuurt. De laatste is aan de Zuidzijde van het eiland. Bestrate wegen zijn er niet, dus moet ge U een weinig stof op schoeisel en kleeding laten welgevallen, maar de frissche wind, die U van rondom tegenwaait, vergoedt dat en maakt de warmte dragelijk. De kleine 2700 bewoners van het eiland zijn allen Protestant; omstreeks drie vierden er van behooren tot de Gereformeerde Kerk.
Hun ruim kerkgebouw is in 1867 vergroot, gelijk een steen in den muur van het nieuw bijgebouwde gedeelte vermeldt. Boven de deur in dit door steenen beeren gesteund en eenigszins smaller deel van het hoofdgebouw leest men: "De Heere is onze Banier". En die spreuk drukt de meening van alle Urkers uit, want zij zijn een geloovig geslacht. Hoe zouden ze anders zoo kalm en vertrouwend in hunne afzondering met blijmoedigheid kunnen leven, als de storm de wateren rondom hun stuksken grond opzweept, of als des winters het ijs in de zee hen voor korter of langer tijd van het vasteland isoleert, al zijn ze ook thans door de telefoon en de telegraaf niet geheel van de buitenwereld afgesloten. Komt hun geloof hun ook niet te stade wanneer zij op het woelig en zoo menigmaal onbetrouwbaar element hun visschersberoep uitoefenen, de ansjovis en den haring verschalkende in het zilte nat? Meer dan 250 scheepjes gaan op die vangst uit, en wanneer men die nietige vaartuigen ziet, komt men tot de conclusie dat het wel stoute zeevaarders moeten zijn die daarmede Zuider- en Noordzee durven gaan bevaren. Dat zijn ze dan ook: het Friesche bloed, durvend en onvervaard, zit er in : het is op de fiere gelaatstrekken en aan de gespierde lichamen wel te herkennen. Vermenging met ander bloed komt zelden voor: zij houden graag het ras zuiver. En evenals op andere zeeplaatsen wijkt hun kleeding niet af van wat groot- en overgrootouders droegen. Waarom ook? De wijde broek bij de mannen is doelmatig voor hen gebleken en de kleeding der vrouwen is zeker schoon te achten. Het haar dragen de vrouwen op eigenaardige wijze over het voorhoofd: en zij mogen zóó wel gezien worden met hare fijne, ja soms edele gelaatstrekken. In 't algemeen lijkt haar kleeding wel wat op die der Zeeuwsche vrouwen. De muts of "hulle" draagt in den regel een strook van fijne, meermalen zelfs Brabantsche kant, waardoor het zilveren oorijzer heen schittert; dit oorijzer eindigt aan weerszijden in een zilveren knop, terwijl het aan de zijden gesteund wordt door een gouden speld, waarmede de hul tevens strak over het ijzer gespannen wordt. Een streng kralen om den blanken hals, van achteren door een gouden slot saamgehouden, voltooit haar sieraad.

De Urker visscher is op eenige plaatsen rond de Zuiderzee een bekende figuur met zijn wijde broek, met groote zilveren knoopen of ook wel muntstukken, zichtbaar gedragen en de zilveren gespen op de schoenen. Hij is baardeloos, uit beginsel; een snor of ringbaard zal men tevergeefs onder hen zoeken. De "pet met het kwastje" begint als hoofddeksel uit de mode te raken en wordt vervangen door een karpoes, van lamshuid of schapenleer vervaardigd.

"Maar", zoo hoor ik u vragen, "is er nu behalve de menschen, ook nog het een of ander bezienswaardigs op Urk?" En ik antwoord: Welzeker ! Primo de vuurtoren; als ge gelegenheid kunt vinden er eens bovenop te gaan, zal u het uitzicht kostelijk bevallen over het wijde watervlak; op den vuurtoren kunt ge dan tevens het mistsignaal bezichtigen, al wensch ik u geen weder toe bij uw bezoek, dat het noodzakelijk zou maken, dat toestel ook te mogen hooren. Ten tweede kunt ge een bezoek brengen aan de oude maar nog sterke Nederl. Hervormde kerk, in welks schip een oud oorlogsgaljoen is opgehangen van welks herkomst men u evenwel niets met zekerheid weet mede te deelen. Ten derde is er een groote Gereformeerde kerk. De Gereformeerde gemeente dagteekent van 17 Juli 1836: den 18en Juli van het vorig jaar (1911) is haar 75-jarig bestaan feestelijk herdacht, onder leiding van haar tegenwoordigen leeraar Ds. G. H. A. van der Vegte, met eene feestrede van prof. Dr. H. Bouwman van Kampen. Ten vierde een flinke, openbare school met zoo goed als christelijk onderwijs: van bepaald neutraal onderwijs is men er niet gediend. Ten vijfde het Gemeentehuis met een schilderachtig raadzaaltje waarin de belangen van Urk's bevolking worden besproken en overwogen en waar een photo te zien is van zes Urker visschers, die in 1873 (op 17 December) 12 man van de Hamburgsche stoomboot Urania, op het rif van Norderney vastgeraakt, bij vliegend stormweer van een gewissen dood redden en deswegens door den Keizer van Duitschland rijkelijk beloond werden, terwijl eene commissie met den Prins van Oranje aan het hoofd hun een loffelijk getuigschrift uitreikte en de zes kloeke redders door de photografie aan de vergetelheid ontrukte. Een van deze zes, Evert Bakker genaamd, had het genoegen aan den prins der Nederlanden, die zooveel belang stelt in het reddingswezen, bij zijn bezoek aan Urk, op Zaterdag vóór Pinksteren van het vorig jaar, te worden voorgesteld.

Ten zesde kunt ge nog gaan zien het Urker huis van Hendrik Kramer; de van Alphen-stichting, werkinrichting voor oude visschers, die er netten breien en het gebouw van de Werkverschaffing, waar men vischkorven en manden, die zoo goed op Urk kunnen gebruikt worden, vervaardigt.

Verzuim ook niet als er gelegenheid voor is, den automatischen Vischafslag te gaan bijwonen; enkel door een knopje of schelletje doet ge uw bod, dat terstond op de plaat wordt aangewezen. Wat dunkt u: zouden de luttele uren, die ge op het eiland blijven moet, u lang vallen? Ik beantwoord bij voorbaat die vraag voor u ontkennend.

Geïllustreerde gids Noordwesthoek (1912): Hasselt

Van Urk naar Kampen teruggekeerd, gaan we van daar weer op Zwolle terug om den anderen morgen vroegtijdig ons te kunnen begeven naar het aan het Zwartewater gelegen stedeke

HASSELT.

Hasselt behoort niet tot die plaatsen, die door den toerist op zijne reisjes door Nederland bij voorkeur bezocht worden. Waarom zou hij het ook doen? Wat er te zien is, zoo zegt hij, kan ik ergens elders ook vinden, en lichtelijk kan ik in andere plaatsen gemakkelijker komen.

Nu, daar mag iets van aan zijn, maar van Zwolle uit, is een tochtje naar Hasselt en verderop aan 't Zwartewater gelegen plaatsen werkelijk een aangenaam en gemakkelijk uitstapje. Op een mooien zomerochtend begeven we ons met de snelvarende stoomboot de Telegraaf op weg. Heerlijk schijnt de zon en verspreidt reeds vroeg warmte in de atmosfeer, die ons omringt. Maar die warmte wordt aangenaam getemperd door een flink koeltje, dat ons op het dek der stoomboot om de ooren speelt en ons opgewektheid van zin mededeelt. Al varende, verdwijnt Zwolle langzamerhand uit ons gezicht, terwijl we de oevers van het Zwartewater opnemen. Verschillende nijverheids-inrichtingen trekken onze aandacht, als houtzaagmolens, een creosoteer-inrichting, kunstmestfabriek, ijzergieterij enz. Wij varen de plek voorbij waar de Vecht in het Zwartewater uitmondt, en na een uur varens liggen we te Hasselt aan den steiger.

Behalve aan het Zwartewater, ligt Hasselt ook aan de Dedemsvaart, die door een sluis in het Zwartewater uitmondt, waardoor er veel doorvaart is van turfschepen. Die schutsluis bracht in het jaar 1910 bijna f 8000.- aan schutgelden op.

Reeds bij een eersten blik op het stedeke ziet men aan de gevels der huizen (waarvan vele uit de 16e en 17e eeuw dateeren) dat H. vroeger een welvarende plaats moet geweest zijn. Het is dan ook een gewezen Hanzestad, evenals Kampen, maar het heeft de concurrentie met deze stad, benevens Zwolle en Deventer, - de drie voornaamste plaatsen van het oude Oversticht - niet kunnen volhouden. Toch behoeft het nog allerminst tot de "doode steden" gerekend te worden. Haar nijvere bevolking vindt in scheepsbouw en kalkbranderij, een stoomzuivelfabriek "Juliana" genaamd, enz., de middelen voor haar bestaan. Een blik in de Hoogstraat doet ons bemerken dat er welvaren heerscht, al zijn de van ouds bestaande heerenhuizingen thans te bekomen voor misschien minder dan de helft van den prijs dien ze in meer groote en drukke plaatsen gelden. Voor kleine renteniers niet onbegeerlijk!

Van Hasselt is reeds sprake in de eerste helft der dertiende eeuw: in 1252 kreeg het stadsrechten van Hendrik van Vianden, 38e bisschop van Utrecht, 's lands heer. Later werd het opgenomen in het Hanzeverbond, doch omstreeks het midden der 15e eeuw reeds begon haar grootheid te tanen, en dat inzonderheid door de nabijheid van Zwolle, dat op allerlei wijze den bloei van H. zocht tegen te werken. Inzonderheid daarin moet de reden gezocht worden van de zich gedurig herhalende twisten tusschen de beide steden. Die liepen soms vrij hoog! Zoo b.v.b. in 1521, toen H., steunende op een oud recht, de Zwolsche schippers die langs de plaats voeren, dwong om aan te leggen eer zij doorvoeren. Toen besloten twee Zwolsche heeren, Joan van den Bussche en Jacob van Wijtman, ook door politieke overwegingen gedreven, de stad onverhoeds op het lijf te vallen. Zij hadden hulp gezocht en gevonden bij den hertog van Gelder, en in den nacht van 7 op 8 Juli werden de strijdkrachten in twee schepen naar H. vervoerd, terwijl reeds vooraf eenige Zwolsche burgers naar H. waren gegaan om van binnen uit de aanslagers te helpen. Doch de uitslag beantwoordde niet aan de verwachtingen: de Hasselaren sloegen den aanval af en namen de aanleggers gevangen, die slechts op hun eerewoord, dat zij nimmer, direct of indirect, wrake nemen zouden over hun ongeval, weer werden vrijgelaten.
Een rijke bron van twist sproot voort uit Hasselts voornemen om een brug over het Zwartewater te bouwen, waardoor de toegang naar de plaats voor de boeren aan de overzijde des waters gemakkelijk zoude zijn, wat niet anders dan de welvaart van H. kon ten goede komen. Bisschop David van Bourgondië gaf er in 1486 vergunning toe. Zwolle werkte het leggen van die brug onophoudelijk tegen, zoodat er voorloopig niets van kwam, maar bisschop Philips van Bourgondië - die Zwolle niet lijden mocht - gaf er in 1522 opnieuw vergunning toe en men bouwde de brug. Zwolle wist bij den Keizer te bewerken dat de brug weer moest worden afgebroken, doch in 1526 bouwden de Hasselaars er weer een. De nabuurstad ging aan 't schreeuwen, bewerende dat daardoor haar nering, koophandel, tollen en weggelden gedrukt werden ten voordeele van Hasselt, en eischte zelfs het geheele Zwarte water voor zich op; zij alleen had het recht daarin te visschen, er zwanen op te houden, enz. Maar de brug bleef voorloopig. In 1527 viel de stad in handen der Gelderschen, in 't volgende jaar veroverde de krijgsoverste Georg Schenk haar weer voor den Keizer. Maar nu gingen Hasselt's machthebbers wat ver, door de Zwolsche schippers die voorbijvoeren, aan te houden, te beleedigen, soms zelfs uit te plunderen. In 1531 beslist de Stadhouder, met de ridderschap en Steden te Vollenhove vergaderd zijnde, dat de stad Zwolle in haar recht was en H. de brug moest afbreken. Maar H. weigerde het te doen en begon den Stadhouder te bepraten, die nu de zaak in der minne met Zwolle wou schikken, maar de zaak bleef hangende tot 1539, toen de Keizer het geschil aan zijn Geheimen Raad voorlegde, waardoor eindelijk (de Geheime Raden schijnen toen ook al niet hard gewerkt te hebben), den 13en Juli 1545, de zaak in het nadeel van Hasselt beslist werd door de Landvoogdes Maria, te Zwolle vertoevende; terwijl er bijgevoegd werd dat het leggen van een brug "over die Rivire genoempt Swarte Water", alleen toekwam aan den Keizer en zijne nakomelingen. Eerst in 1828 bekwam Hasselt de zoo zeer gewenschte vergunning weer van Koning Willem I en de brug is sedert gebleven en onder het bestuur van den burgemeester Jonkheer van Nahuijs is zij vernieuwd en heeft naar hem den naam van Nahuijsbrug ontvangen. Zij is nog steeds de trots der Hasselaren.
In het midden der 17de eeuw was er formeel oorlog met Zwolle welker inwoners den toevoer van levensmiddelen en handelswaren beletten door bij Zwartsluis een gewapend schip te posteeren, terwijl zij van den dijk van den polder Mastenbroek, westelijk van het Zwartewater gelegen, de stad beschoten. Toen moest H. zich overgeven en haar invloed op 's lands regeering - en daarmede ook haar welvaart - verminderde langzaam maar zeker, terwijl hare klachten onverhoord en hare pogingen om zich weer op te werken, onbeloond bleven.Onder het latere éénhoofdig bestuur des lands werden de conditiën voor Hasselt's bestaan wel gunstiger, maar nog in het begin der 19de eeuw ondervond het de tegenwerking van de genabuurde stad bij het plan tot het graven van de Dedemsvaart, die bij Hasselt zou uitmonden in het Zwartewater. De vaart echter kwam er, en nu hoopte men, nadat in 1828 ook vergunning voor de brug verworven was, dat de te leggen straatweg, die Zwolle met Leeuwarden en Groningen verbinden moest, ook over Hasselt zou gaan. Die hoop was niet onredelijk, want van oude tijden af liep de verbinding van Zwolle met Friesland en Groningen over Hasselt (ook somwijlen over Coevorden), maar de hooge Autoriteiten beslisten anders, de straatweg werd gelegd door het gebied van Staphorst en Rouveen rechtuit op Meppel aan. En dienzelfden weg volgde ook de later aangelegde spoorweg, en Hasselt bleef buiten het groote verkeer. Eerst in de laatste jaren is het uitzicht om in dat verkeer eenigermate te worden opgenomen verhelderd: de aan te leggen lokaalspoor (of stoomtram) van Zwolle op Blokzijl zal Hasselt aandoen. "De uitgestelde hoop krenkt het hart", als een oud geschrift ons leert, maar mag ons toch den moed niet benemen, en dat heeft men in Hasselt begrepen. Hasselt is een der eerste plaatsen in ons land geweest, waar een boekdrukkerij was gevestigd (van P. Barmentlo). Reeds in 1481 leverde deze drukwerken en van 1490 bestaat nog van deze pers eene verzameling van brieven van de kerkvaders Eusebius, Augustinus en Cyrillus. De bevolking, in 1825 slechts 1170 zielen tellende, bedroeg In 1894 meer dan het dubbele aantal en thans is dit cijfer 2425.



Ziezoo, nu hebben we iets van Hasselt's geschiedenis gehoord, laat ons thans iets vertellen van wat de plaats bezienswaardigs oplevert. En dan noemen we in de eerste plaats het Raad- of Stadhuis, aan de Markt; ten tweede de kerk der Hervormde Gemeente, ten derde de Heilige Stede. Het is een oud en eerwaardig gebouw, het Raad- of Stadhuis van Hasselt. Reeds in de eerste helft der 15e eeuw bestond het, want toen werden er reeds veranderingen in aangebracht. Het geheele gebouw is in twee gedeelten gesticht; het oostelijk deel is uit het midden der 16e eeuwen is fraaier dan het westelijke, het oudste. Dit gedeelte, 10 Meter lang, is van baksteen en was vroeger bepleisterd; het diende toen tot vleeschhal, thans tot secretarie. De burgemeesterskamer is in het oostelijk deel er van terwijl tusschen deze twee vertrekken in de trap en de kamer van den concierge gevonden worden. Op den overloop zijn een collectie oude wapens als haakbus- en, hellebaarden enz. tentoongesteld. In de raadzaal is een fraaie eikenhouten betimmering te bewonderen, benevens eenige schilderstukken waarvan het stuk van N. van Galen, eene terechtstelling voorstellende, wel het meest de aandacht trekt. Ook vindt men er een portret van Prins Maurits, naar Mierevelt en een gezicht op Hasselt, van den Veerweg gezien. In de ramen merkt men op het wapen van Overijssel en dat van Hasselt.

Niet ver van het stadhuis bevindt zich de Hervormde kerk, ook min of meer gerestaureerd, maar niet zoo doelmatig en oordeelkundig als het Raadhuis. De kerk, welker stichting opklimt tot het jaar 997 en toen den H. Stephanus toegewijd, heeft een fraaien preekstoel en sierlijke kroonluchters. Stevige en toch slanke pilaren steunen de met bogen en rosetten versierde gewelven, en het penseel van den schilder heeft zich hier ook niet onbetuigd gelaten.
Ook de Katholieke en Gereformeerde inwoners hebben hunne doelmatig ingerichte gebouwen voor de uitoefening van hunnen godsdienst: de plaatsverhuring in de kerk der laatstgenoemde gemeente bracht in 1911 de som van f 1600.- op, wel een bewijs dat zij mag meetellen. Maar wat inzonderheid in de laatste jaren Hasselts naam op veIer lippen heeft gebracht, en bezoek van duizenden vreemdelingen heeft uitgelokt, dat is de z.g.n. "HeiIige Stede", die, hoewel deze naam van later dagteekening is echter reeds in 1220 bestond als Sacramentskapel, gebouwd door den Bisschop van Utrecht, "als uitboeting eener heiligschennis, op deze plaats gepleegd". De daar, volgens de overlevering, plaats gegrepen mirakelen trokken eene menigte bezoekers, die niet nalieten bij hun vertrek rijke giften achter te laten en de pauselijke legaat Nicolaas de la Cusa , in ons land gezonden door Paus Nicolaas V, om de misbruiken en zedenverbastering in de kloosters tegen te gaan, verbond aan het bezoeken der kapel een aflaat van 100 dagen (1451). Voor de curiositeit lasschen wij hier in de oudste oorkonde der "Heilige Stede", dagteekenende van het jaar 1328.

“Johannes door de genade Gods Bisschop van Utrecht. Ter algemeene kennis zij gebracht dat, daar de Allerhoogste in zijne onuitsprekelijke goedheid, en in den gloed zijner uitnemende liefde, waarmede Hij ons zoozeer heeft liefgehad, dat Hij den tijdelijken dood voor ons wilde ondergaan - zich gewaardigt, om dag aan dag door talrijke wonderen welke overal over geheel de wereld geschieden ter eeuwige glorie uit te noodigen - wonderwerken, welke Hij niet slechts in grooten getale en verscheidenheid in zijne Heiligen, maar ook in zich zelf, dat is in het Allerheiligste Sacrament van zijn Lichaam en Bloed, binnen de grenzen van het Kerspel Hasselt, ter plaatse, waar eene door Ons opgerichte kapel staat, keer op keer wrocht, welke Hemelsche teekenen een drom van Geloovigen voortdurend uitlokt deze plaats te bezoeken, ten einde door hunne gebeden, offergaven, aalmoezen en andere godvruchtige werken, aan God den cijns hunner aanbidding te brengen, zoo is het dat Wij, verlangende dat deze plaats of kapel den verschuldigden eerbied ontvange, en door de Geloovigen met onverflauwden ijver worde vereerd, aan allen die, na een rouwmoedige Biecht te hebben afgelegd, uit godsvrucht, of bij gelegenheid eener bedevaart of bidgang deze kapel zullen bezoeken; zoo ook aan hen, die er de Heilige Mis of andere goddelijken Dienst bijwonen, of in hun sterfuur een deel hunner nalatenschap aan de kapel vermaken; ook aan hen, die tot den bouw, het waslicht, de kerkgeraden en andere benoodigdheden der kapel de behulpzame hand leenen, zoo dikwijls zij de bovengenoemde godvruchtige werken of een derzelve zullen gedaan hebben, in den naam der goddelijke Barmhartigheid, vertrouwende op de verdiensten en voorspraak van de Allerzaligste Moeder Gods Maria, de Heilige Apostelen Petrus en Paulus, en den Heiligen Martinus, onzen glorierijken Patroon, goedgunstig een aflaat van 40 dagen verleenen. In oorkonde der waarheid is ons zegel aan dezen brief gehangen.
Gegeven op ons slot te Vollenhove, in het jaar onzes Heeren dertien honderd acht en twintig, op den sterfdag van den H. Martinus, Belijder."
Voor getrouw afschrift en vertaling, J. R. VAN GROENINGEN, PASTOOR.

Van de oude kapel zijn nog eenige bouwvallen te zien, verborgen echter onder een luik. Is men dit gepasseerd dan ziet men een fraai prieel, waarin het altaar, met het opschrift : Miserorum et affectorum Asylon, d.i. "Toevlucht voor ellendigen en bedroefden". In 1582, toen de Hervorming zich overal had baan gebroken, werd de Heilige Stede gesloten, hare goederen verbeurd verklaard en in 1592 werd de kapel voor afbraak verkocht. Eerst driehonderd jaren later werd de plaats waar zij gestaan had, teruggekocht en langzamerhand aan alles weer de hand ter herstelling en verfraaiing gelegd. In 1911 is zelfs een ruime veranda opgericht waarin plaats is voor pl.m. 600 personen, die de predikaties en zanguitvoeringen op die wijze op hun gemak kunnen volgen. De werkzaamheden worden besloten met een processie door den tuin, waaraan soms meer dan tweeduizend personen deelnemen.

Geïllustreerde gids Noordwesthoek (1912): Zwartsluis

Maar het wordt nu tijd van Hasselt afscheid te nemen. Nog even het fraaie plantsoen omgewandeld en ons verfrischt in het hotel Rozendal, en wij zoeken de aanlegplaats der booten weer op, om ons te laten vervoeren naar het op een uur afstands gelegen

ZWARTSLUIS.

Met een der bootjes "Zwartewater" of "Telegraaf" zijn wij er in een half uur. Het eerste dat wij opmerken is de inderdaad geriefelijke haven, waarin tal van schepen een lig- en losplaats kunnen vinden.
Volgens Dr. H. Blink is Zwartsluis eene nederzetting, ontstaan op de plek waar het Meppelerdiep door een sluis, de z.g. Arembergersluis, (aldus geheeten naar den stadhouder graaf van Aremberg, die omstreeks 1560 ook de Arembergergracht in noordelijke richting graven liet) uitmondt In het Zwartewater. "Zwartewatersluis" werd vervolgens "Zwartsluis". Ziedaar de naamsafleiding.

De tegenwoordige schutsluis dateert van 1826 en dient ter vervanging van de vroegere z.g.n. boksluis, d.w.z. alleen geschikt voor bokken of platbodemvaartuigen. Nog een gelegenheid voor de schipperij om uit het Meppelerdiep in het Zwartewater te komen, biedt de Staphorster sluis aan de Nieuwesluis, doch sinds de groote schutsluis is daargesteld, wordt van de andere veel minder gebruik gemaakt. Men krijgt eenig denkbeeld van de door de scheepvaart te voorschijn geroepen drukte, als men weet dat er jaren zijn dat er 18000 schepen door de sluizen passeeren.



De bevolking houdt zich bezig met scheepmakerij en kalkbranderij, en handel in turf. In 1825 telde zij 2500 zielen, in 1840 omstreeks 3650, die in 1910 tot 3700 waren aangegroeid. Er is dus wel vooruitgang te bespeuren, die gewis nog toenemen zal nu de N. C. S. M., die den spoorweg Zwolle-Blokzijl zal exploiteeren, haar besluit heeft te kennen gegeven haar hoofdkantoor daartoe met remise en reparatie-inrichting in Zw. te willen vestigen. Geheel van industrie ontbloot is Zwartsluis niet. De fabriek "de Volharding" van den heer R. Buisman is om haar "gebrande suikerpoeder", die aan de koffie een prachtige kleur bijbrengt, ja,dit smakelijk vocht, als surrogaat zelfs vervangt, alom in den lande bekend.

Behalve zijn doelmatige haven biedt Zwartsluis niet veel bezienswaardigs: toch doet de plaats niet onaangenaam aan. Zij is in het bezit van eene ruime Hervormde kerk, vroeger een R.K. kapel, in 1604 herbouwd en in 1649 en 1743 aanmerkelijk vergroot. In 1849 schonken de burgemeester J. van Setten en zijne echtgenoote Hilligje Hartgers, bij gelegenheid hunner 25- jarige echtvereeniging, aan de kerk een fraai bewerkte zilveren schenkkan ten gebruike bij het H. Avondmaal.

De gemeente telt ongeveer 1600 leden, doch grooter is het aantal der tot de Gereform. kerk behoorende, n.l. bijna 1850. Deze bezitten sinds 1888 op het Singel een fraai en doelmatig ingericht kerkgebouw, waarin de vaste zitplaatsen in 1910 de kapitale som van ruim f3500 aan huur opbrachten, terwijl het gelijksoortig bedrag in de Hervormde kerk nog geen f 1300 beliep.

De lagere landen langs het Meppelerdiep, die veel voor hooiland gebruikt worden, hebben bij Westelijken of Noordwestelijken wind spoedig last van overstrooming. Wanneer de tijd van den hooioogst dáár is, heerscht er op deze landen van den vroegen morgen tot den laten avond een overstelpende drukte. Voor een langer verblijf dan een heelen of halven dag kan men uitstekend terecht in het hotel Schrijver, niet ver van de Aremberger schutsluis gevestigd.

Geïllustreerde gids Noordwesthoek (1912): Genemuiden

GENEMUIDEN.

Van Zwartsluis door het Buitenkwartier (een knappe straat) wandelen we den dijk op naar Genemuiden. We kunnen er varend ook komen, maar die van een frissche wandeling houdt van niet meer dan drie kwartier, verkiest wellicht dezen korten afstand per pedes apostolorum af te leggen. Bij de Noord slaan we linksom en komen dan weldra aan het pontveer waar we over het Zwartewater gezet worden om in Genemuiden te komen. Dit veer bracht bij de laatste verpachting (in 1911) voor den tijd van 3 jaren de som op van f 869.- jaarlijks.
De plaats doet niet onaangenaam aan en heeft de meeste huizen aan de havenkom. Zij telt tegenwoordig plus minus 3000 inwoners, in 1840 was dit getal nog geen 2000 en in 1825 maar een goede 1300. Er is dus vooruitgang te bespeuren. Jan van Nassau, 39ste bisschop van Utrecht, gaf de plaats, dicht bij den mond van het Zwartewater verrezen, in 1275 stadsrechten. Nog in de 14e eeuw was het versterkt, en had twee poorten. Het is voornamelijk de fabricatie van en handel in matten en hooi, waarin de nijvere bevolking de bronnen van haar bestaan vindt. Behalve de bekende rolmatten legt men zich thans ook toe op het maken van matten van gekleurde biezenvlechten, die als vloerbedekking in serres en veranda's gereeden aftrek vinden. In het linoleum vindt de mattenindustrie echter een zwaren concurrent. Komt men er in den nazomer, dan liggen de straten, wegen en bruggen dik met biezen overspreid, die ter nauwernood een doorgang voor menschen en rijtuigen vrij laten. De biezen moeten droogen en vele nijvere handen staan gereed ze, als ze goed zijn voor het doel, tot matten te verwerken.

De biezen groeien in groote hoeveelheid in de ondiepe kustzee ten Zuiden van het Zwolsche Diep. De biezengroei, zegt Dr. Blink, houdt het slib tegen en hoogt aldus den bodem op, waarin dan weer lies en riet kunnen groeien. Het riet groeit nabij het land.

Het Zwolsche Diep is een vaargeul tusschen twee ongeveer een uur lange dijken en vormt even als de Ketel bij Kampen, een weg voor de schepen naar de Zuiderzee. Aan het eind van den Zuidelijken dijk woont de wachter, die voor de vuurbaak zorgen moet, in een huis dat den naam van Kraggenbrug draagt. Daar is ook een noodhaven waarvan de schepen bij stormweer gebruik kunnen maken om zich te bergen.

In 1539 beklaagde de stad Zwolle zich dat de Genemuiders hunne vischrechten op het Zwartewater verkortten door, zoo men zegt op last van den Stadhouder, te bepalen, dat aan niemand eenige visch mocht verkocht worden, voordat de bezetting en inwoners van Genemuiden genoegzaam voorzien waren.

Dergelijke twisten moeten ook reeds in de 15de eeuw hebben plaats gegrepen en schijnen later bijgelegd te zijn door tusschenkomst van de Staten van het Opper- en Nedersticht. In 1540 bekwam Stadhouder Georg Schenk in een gevecht bij deze plaats, een musketschot dat hem zijn leven kostte. In 1572 maakte de Graaf van den Berg zich zonder tegenstand meester van de stad. In 1606 smeedde Spinola een aanslag om Genemuiden in te nemen. Meermalen is Genemuiden door brand verwoest, o. a. in 1625, in 1698 en 1738. Of dit te danken is aan de groote hooibergen die, vooral in de straat achter de havenkom, in groot aantal, doch veel te dicht bij de huizen, zijn gebouwd, is wel waarschijnlijk te achten. In 1868, op 11 en 12 Maart, werden niet minder dan 140 huizen en 39 hooibergen een prooi der vlammen. Inzamelingen vonden vrij algemeen plaats om de bewoners eenigszins in de geleden schade tegemoet te komen; op de puinhoppen van de verwoeste stad verrezen nieuwe woningen, die aan de plaats het tegenwoordige nette aanzien geven. Gelukkig werden bij den grooten brand het fraaie stadhuis en de Hervormde kerk gespaard. Dat er veel liefde voor den godsdienst heerscht, kan blijken uit het feit dat de verhuring van zitplaatsen in laatstgenoemde kerk voor 1911 ruim f 2000.-- opbracht. Ook de Gereformeerden hebben hier een alleszins net kerkgebouw.

Na nog vermeld te hebben dat men in Genemuiden, dat bij storm uit het N.W. somwijlen veel last van het opgezweepte water hebben kan, den strijd tegen den waterwolf niet opgeeft, blijkens een raadsbesluit van 8 Febr. 1911 om het geheele biesveld der gemeente in te dijken, waardoor men een polder van ongeveer 40 Hectaren land aanwint, verlaten we de plaats om naar Zwartsluis terug te keeren, en ons van daar per diligence te doen vervoeren naar Vollenhove.

Geïllustreerde gids Noordwesthoek (1912): Vollenhove

VOLLENH0VE.

We kunnen deze plaats, wanneer men van geen fiets of rijtuig gebruik maakt, niet wel anders bereiken. Tweemalen per dag rijdt dit voertuig van Zwartsluis in aansluiting met de van Zwolle komende stoombooten "Zwartewater" en "Telegraaf". Wanneer eenmaal de spoorweg Zwolle-B1okzijl zal gereed zijn - en 't staat er goed voor nu - zal ook Vollenhove uit haar betrekkelijk isolement worden verlost. De afstand van Zwartsluis is twee uur in N. W. richting. Het is gebouwd aan den oever van de Zuiderzee en telt 1675 inwoners. Het de plaats aan drie zijden omgevende Vollenhove komt reeds in de 10de eeuw voor in de geschiedrollen onder den naam van Fulnaho, later Volno, door Keizer Otto I aan de kerk van Utrecht geschonken. De bisschop Godfried van Rhenen stichtte er in 1165 een kasteel, op de plaats thans nog als ‘het Fort’ bekend en van dit vaste punt poogden latere bisschoppen immer hun gezag naar het noorden uit te breiden, wat hun nog al wel gelukte. Zoo verkregen zij in 1407 de heerlijkheid Kuinre en in ’t volgende jaar de kerspelen IJsselham, Paaslo en Oldemarkt, die vroeger tot het Friesche gebied behoorden.

Bisschop Jan van Arkel gaf aan V. in 1354 stadsrechten. Daar het bisschoppelijk gerechtshof hier werd gevestigd, bouwden verschillende edellieden hier en in den naasten omtrek hunne burchten, die met het bijbehoorend land ‘havezathen’ genoemd werden. Zoo had men hier de Haere, Cannevelt, Marxveld, Nijerwal, Oldhuis, Rhemershuizen, Westerholt; op eenigen afstand Toutenburg, Bentheim en de Oldenhof. Niet ten onrechte noemt men deze streek dan ook ‘het land der havezathen’. Enkele namen dezer huizen leven tot op heden voort, doch de meeste der vroeger zoo hechte gebouwen zijn verdwenen. Het slot Oldhuis of Oldehuis, dat meermalen den Bisschoppen van Utrecht tot een verblijf strekte, is in 1854 door het Domein voor afbraak verkocht. Slechts de slotgracht bij de haven is nog aanwezig. Op de boschrijke buitenplaats Old-Ruitenborgh, even buiten de stad, kan men op een met dicht hout begroeid eilandje de overblijfselen vinden van twee ronde hoektorens; dat is alles wat er rest van het vermaarde kasteel Toutenburg.
‘Sic transit gloria mundis’, kan men hier wel uitroepen. De glorie is verdwenen : zelfs het houten bruggetje waarover men vroeger het eilandje bereikte, is den weg van alle hout gegaan, zoodat men een vaartuigje benutten moet om de plaats te bereiken. Toch wil men nog niet al het oude prijsgeven aan den vernielenden tand des tijds. Op aansporing van den bekenden Rijksadviseur voor het behoud en de restauratie van oude historische gebouwen, vooral ook kerken, den heer F.A. Hoefer te Hattem, is men thans bezig met het antieke kerkje in de buurt van Oldruitenborgh van de sporen der vergankelijkheid te herstellen. De bestaande zoldering wordt afgebroken zoodat het eikenhouten boogvormige plafond, dat reeds van den jare 1200 dateert, te voorschijn komt.



Het voornaamste kerkgebouw is de Margaretha- of Bovenkerk, op korten afstand van de zee. Van de talrijke geslachtswapens op de grafstenen der oude familiën, die hier hun laatste rustplaats vonden, is niet veel meer over. De meesten zijn in de Franschen tijd, zoo vijandig tegenover al het adellijke, vernield of beschadigd, doch een goede genius heeft gewaakt over den steen der familie Sloet, zoo gezien in Vollenhove, die een plaats gekregen heeft in den muur der kerk, waar hij nu den bezoekers de gebeeldhouwde en beschilderde wapenschilden van het oude geslacht vertoont. In deze kerk is in 1540 begraven de bekende krijgsoverste Georg Schenk, die bij Genemuiden gewond werd.Behalve de beide genoemde kerken is ook het Raadhuis een bezienswaardig gebouw met zijn antieken gevel en zijn toren, staande op het Kerkplein. Gelijkvloers is het huis een herberg, naar den kant der zee uitgebouwd, waar men een schoon vergezicht heeft op de zee, en tot aan Blokzijl. De bestrating laat wel wat te wenschen over, doch wanneer eenmaal de spoorweg meer leven en vertier zal aanbrengen, zal hierin wel voorzien worden.

Vollenhove bestaat hoofdzakelijk van de visscherij; haar vloot bestaat uit een honderdtal schokkers, waarmede de koene visscherlui de bot en ansjovis uit de Zuiderzee halen. Grooter schepen dan deze schokkers kunnen in de zeer ondiepe haven, die er met de jaren niet beter op wordt, geen plaats vinden. Ook de veeteelt is hier niet onbelangrijk.

Na nog vermeld te hebben dat Vollenhove de geboorteplaats is van den rechtsgeleerde A.J. Cuperus, en dat men er in het hotel Seidel zeer goed logeeren kan, willen we nog iets mededeelen over het Ambt-Vollenhove. Dit bestaat uit de gehuchten Barsbeek, Heetveld, Sint Jansklooster, Groot Leeuwte, Lifte of Klein Leeuwte, de Dune of den Duin, Kuinderdijk en Baarlo. Deze buurtschappen leggen zich met goed gevolg op de veeteelt toe. Het kanton Vollenhove was vroeger vermaard om de z.g.n. blokzijler of blauwe katten, die nergens elders gevonden worden, maar gewichtiger was het om het klooster van de 3e Orde van Sint Franciscus op Sint Janscamp gesticht door den blinden frater Johannes van Ommen in 1338. Na zijn dood in 1420 werd hij opgevolgd door Johannes Rees, die aan de broederschap een eigen kerkhof en vele privilegiën wist te bezorgen. Op hem volgden als geestelijke leidsman Christiaan de Zeeuw, Albert Griet en br. Thomas van Albergen, die het bestuur over de stoffelijke goederen der stichting, die vrome beschermers allengskens deden toenemen, geheel in handen der priesters wist te brengen. Hij drong bij zijne kloosterlingen streng aan op zelfverloochening en betrachting van goede werken en vond, na het klooster 38 jaar bestuurd te hebben, een rustplaats in het koor der kerk voor het altaar (1475). Een latere bestuurder, Hendrik van Stralen, deed schoone kloostergebouwen verrijzen. Na zijn dood in 1501 trad Hendrik Schimmelpenninck uit Zutphen aan het hoofd der Stichting, die het aan zijne vele deugden en vrome werken te danken had, dat hij tot Generaal-Minister der Orde werd benoemd. Hij overleed 26 april 1526 en werd opgevold door Gerrit van Epe, die den 9en Januari 1546 het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.
De priesters uit het Sint Jansklooster waren zeer gezocht als biechtvaders, bijzonder in de vrouwenkloosters dierzelfde orde; ook zijn zij vermaard als vervaardigers van afschriften (op perkament) van missalen en solters (psalmboeken).
Mede in de nabijheid van Vollenhove was het vrouwenklooster Clarenbergh gelegen, dat in nauwe betrekking stond tot het klooster van St. Janskamp.

Geïllustreerde gids Noordwesthoek (1912): Blokzijl

Geheel door het Ambt Vollenhove omgeven ligt de zelfstandige gemeente

BLOKZIJL,

ongeveer een uur gaans van Vollenhove, met een zeer goede haven aan de Zuiderzee, met vuurtoren in de zee en een schutsluis bij de stad, over welker verbetering thans nog onderhandelingen gaande zijn met Ged. Staten van Overijssel. Er bestaat eene goede verbinding per stoomboot met het nabijgelegen Steenwijk, zoodat men over deze aan den spoorweg gelegen plaats het best de reis naar Blokzijl maken of dit verlaten kan. Wanneer binnen niet al te langen tijd dit kleine maar nette stadje door den spoorweg in gemakkelijke verbinding is gebracht met de stad Zwolle, zal een bezoek er aan met meer comfort kunnen geschieden. En die gelegenheid zal reizigers en toeristenbezoek doen toenemen, terwijl de welvaart er bij winnen zal. Niet om de grootte noch om de groot- of grootschheid zal men Blokzijl behoeven te gaan zien: het is misschien de kleinste gemeente van ons land, nauwelijks 16 Hectaren groot, maar er worden pogingen aangewend het gebied der stad te vergrooten door er de noordelijk gelegen buurtschap Baarlo, thans tot Ambt Vollenhove behoorende, bij te voegen.



Het stadje telt thans een 1500 inwoners, die voor 't grootste gedeelte hun bestaan vinden in matten en biezenvlechting, ook houthandel met daaraan verbonden werkzaamheden en vischvangst. De plaats is zeer geregeld gebouwd en heeft haar ontstaan te danken aan de zijl (meest uitgesproken als ziel) of sluis, die den afvoer van het water der Steenwijker A (of Diep) naar de Zuiderzee moet regelen.

Nu vertelt de volksmond dat eertijds bij de sluis of zijl een man woonde, die "Block" heette en dat naar dezen de plaats Blokzijl genoemd werd, doch hoewel er wel voorbeelden zijn bij te brengen dat zoo iets mogelijk is (in Zwolle b.v.b. werd en wordt nog de kleine sluis, die de Nieuwe Vecht met de Wetering verbindt, Mennistesluisje geheeten naar een sluiswachter die van het Doopsgezinde geloof was), zoo wordt toch met meer grond door de wetenschappelijke onderzoekers aangenomen dat Blokzijl niet anders beteekent dan houten sluis. In deze beteekenis komt het woord zelfs meer voor in onze noordelijke gewesten.

Reeds in 1571 komt in oude stukken de naam "Bluckzijl" voor en in dien tijd omgaven nog aarden wallen de stad, die, hoe klein zij dan ook wezen mocht, nochtans belangrijk genoeg werd geacht om ze te doen versterken en in een staat te brengen dat zij zich tegen den vijand kon verweren. Aan de Noord-, Zuid- en Oostzijde had het een poort, die den vrijen toegang kon afsluiten. Den 3en Januari 1581 ontscheepte Diederik Sonoy, door de Staten van Noord-Holland naar Overijssel gezonden om hulp te verleenen aan het door de Spanjaarden belegerde Steenwijk, aan de Groote Zijl zijne soldaten en legde daar de grondslagen voor de schans. Niettegenstaande of misschien juister door den oorlog ging Blokzijl gestadig vooruit en in Januari 1590 gaf Prins Manrits aan de afgevaardigden der BlokzijIer schans, die jaarlijks verkozen werden, de bevoegdheid om administratief en besturend op te treden en verleende hun een zegel of wapen, te weten "een zilveren schild, het hoofd azuur, een gouden blok en een zwarte zijl." In 1609 ontving de schans van Prins Maurits het recht een waag daar te stellen, en zóó ontbrak er maar weinig meer om de oorspronkelijke vestiging van woningen en pakhuizen, die slechts van belang waren voor de schipperij, allengskens tot een "stad" te maken. Officieel verkreeg het dien titel eerst in 1672, het jaar waarvan de geschiedschrijver zegt dat "de regeering was radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos". Moge het over het algemeen zóó geweest zijn, in Blokzijl betoonde men zich verre van "redeloos en reddeloos", toen er kans was om van de overheersching der Munsterschen onder commandant Twikkelo bevrijd te raken.

Zeer in 't geheim hield men voeling met verschillende Friesche plaatsen en toen dit ten slotte leidde tot een poging om de stad te ontzetten, weerden de BlokzijIers zich dapper, en verdreven den overweldiger; Twikkelo vond in het gevecht den dood en werd in het portaal der Herv. kerk begraven. Van Blokzijl begon toen de victorie! Zij was de eerste vesting die het vreemde juk afwierp. Jammer dat na dien tijd het plaatsje begon te kwijnen! De vrachtschipperij verminderde en al hielden vele kooplieden in matten en tapijten nog lang vol - tot in de vorige eeuw toe - met hunne scheepkens de wateren af te zakken en tot zelfs in Holland hunne waren aan den man te brengen, toch kon men het op den duur niet bolwerken tegen de concurrentie in de grootere plaatsen die van gemakkelijke en snelle vervoermiddelen konden profiteeren om hunne magazijnen en winkels met allerlei waar te vullen. Moge de weldra te verwachten stoomtram aan Blokzijl's welvaart ten goede komen!
Wanneer we de plaats doorwandelen, treffen ons, bijzonder op de Bierkade en in de Kerkstraat, de gevels der flinke en meestal van rooden baksteen opgetrokken huizen, goeddeels dateerende van het 2e en 3e vierde deel der zeventiende eeuw. De Hervormde kerk dateert van het jaar 1609, als blijkt uit een opschrift boven den ingang:
"Als men schreef duysent ses hondert neehen recht:
Is aan dees kerck en thorn d'eerste steen gheleght."
Uit een dergelijk opschrift leert men dat de toren in 1630 is gebouwd. De kerk heeft den vorm van een kruis, is gedekt door een houten kap met een gewelf van kraaldeel en in 1902 vernieuwd door de "ijverige bemoeiingen van Ds. M. G. Blauw". De preekstoel, van eikenhout vervaardigd, dateert van 1663 en is met keurig snijwerk in barokstijl versierd. Een houten oorlogscheepje, in de kerk opgehangen, herinnert de kerkgangers aan zijn voorganger, dat van zilver was vervaardigd, maar in 1672 door de Munsterschen werd geroofd.

En nu, veel genoegen bij een bezoek aan Blokzijl! Wij zijn aan het einde van onze tournée gekomen en zoeken onze huisgoden weer op. Die er langer vertoeven wil, al ware het slechts om van het echte HolIandsche vischvermaak te genieten, kan uitstekend logies met pension bekomen in het "Hotel Weide" van H. P. Fleur.
Wij vertrouwen dat geen enkele bezoeker, al zag hij ook de grootste plaatsen van ons land en misschien van naburige rijken, zich beklagen zal dat hij ook eens een kijkje genomen heeft in een echt Oud-Hollandsche omgeving.