dinsdag 28 december 2010

Ons Dinkelland (1926): Naar Austiberg

Niets is zooals het was, en niets kan blijven zooals het is - de steenen evenmin als
de planten, dieren en menschen.
(E. Heimans).

NAAR AUSTIBERG.
Daar ging ik eens naar toe op den 2en April. Vriendelijk scheen de zon in lichte voorjaarslucht. De wijde hemelkoepel hield de belofte in van vele mooie zomerdagen. Aan de grijs en groen berstende knoppen, aan het wapperen van de lichte vaantjes der roggevelden, aan het gesjilp en gekoos der vogels, was het te zien, dat de Lente haar intocht had gedaan.

De Sparren zelfs, dat vormelijk geslacht,
dat houdt de handen statig als ten zegen,
het heeft aan d' onveranderd donkere dracht
veel helder groene vingertjes gekregen,
veel kaarsjes staan ook op der dennen top.
(Lioba)


Fragment van: Wandel- en fietskaart van Denekamp en omstreken (1930)

O, heerlijke Lente! Hoevelen zien uwe eerstelingen niet. Hoevelen zien u pas, als gij weer heengaat en plaats maakt voor den Zomer. Het is waar, langs de Oldenzaalsche straat en tusschen het gras der weiden beginnen hier en daar pas enkele blaadjes schroomvallig te voorschijn te treden, doch zoek de warme slootkanten, die als een broeibak hun helling naar de zuidzijde hebben. Daar is het al-goud van speenkruid en trekt de geurige nectar menig wilde bij en vliegje.
Op een ander plekje ziet ge een gewirwar van kronkelende stengeltjes met miniatuur klimopblaadjes, ietwat mollig zacht en daartusschen gesprenkeld lila bloempjes. Ze zijn van de klimopbladige Eereprijs.

‘Wat al Veronica! - ik wou, ik kon
mijn voet bezij hun diep-blauwe oogjes zetten,
maar 't is te vol,’

De iepen langs de straat zijn al uitgebloeid. Een Tjiftjaf dartelt er in rond op vangst naar rupsjes. Helder klinkt het, goed in de maat, als een marsch van een fanfarekorps: diel-diel : diel-diel: diel-diel. Bij de boerenwoningen roffelt de Winterkoning zijn trom. Van verre lacht de Specht tegen zijn vrouwtje en tiereliert de Leeuwerik tegen het blauw van den zonnigen hemel. Telken jare, als de wijdere zonnebaan wat warmte brengt aan onze moeder Aarde en hier en daar de voorboden der Lente verschijnen, maken wij denzelfden tocht naar den Austiberg.



Loopen is het drie kwartier van 't dorp. Zijn top, eens met weelderig houtgewas getooid, draagt thans op zijn flanken, gekeerd naar Denekamp, nog een paar gesnoeide eiken. Eens wild en woest, met onregelmatige walheggen, tooit nu een zacht groen tapijt in 'n groote plooi golvend tot zijn voet, de Noordelijke helling. Gelukkig, dat niet de heele berg deze metamorphose heeft ondergaan. Nog is er veel schoons.
Austiberg brengt ons het schoone vergezicht op de in blauwe doezeling liggende heuvels van Ootmarsum; op groene dennewouden en op Denekamp met zijn rood glanzende daken vlakken en de blauw-opklimmende torenspits.
De zuid-westhelling van den Austiberg bevat nog een klein plekje ongestoord natuurschoon. Daar is de grond blauw geplekt van Maagdepalm en rose van de Anemonen. Het glimmend groene blad der eerste en 't fraai ingesneden loof der laatste, maakt den bodem onzichtbaar. Daar groeien ook de zeer zeldzame Geelsterretjes (Gagea lutea en G. spathacea), een lelieachtig bloempje met 6 keurig gevormde bloemdekblaadjes. Het witte bolletje, net als dat van een tulp, maar veel kleiner, zit diep in den lossen, mullen boschbodem. De Gagea spathacea is een van de weinige planten, die als een relict uit den IJstijd te beschouwen zijn. Denekamp is de eerste plaats geweest, waar dit bloempje voor Nederland ontdekt is. Later hebben wij het ook gezien bij Enschede, Losser en Ootmarsum.
Austiberg is de meest vooruitgeschoven hoogte, die zich heeft losgemaakt van de Oldenzaalsche heuvelrij. Aan haar voet stroomt een smal, kronkelend beekje door een bochtig dal, 't Riet, en aan den overkant rijst de bodem weer golvend op naar Hakenberg en Tankenberg. Dit beekje bevat langs zijn moerassige oevers zeldzame planten.



Behalve de beide Gagea's staat er bij massa te bloeien het wisselbladig Goudveil (Chrysosplenium alternifolium). De twee stengelbladen zijn fraai gekarteld. Boven verdeelt zich de waterachtige stengel in twee takken, die op een schoteltje van 3 groengekartelde schutbladen een 5-tal bloempjes dragen. Elk bloempje is als een vierpuntig losgeslagen doosje, waar in 't midden acht gouden meeldraden uit oprijzen. Het geelachtige bloempje valt weinig in 't oog voor de honing zoekende bijtjes. Daarom hebben de schutbladen de neiging ook geel te worden, als om het uithangbord te vergrooten.
Komt gij over een maand terug, dan is de plant veel grooter geworden en in de plaats van de gouden bloempjes ziet ge bruine doosjes, die met een spleet openspringen en het rijpe zaad uitstrooien.
Om dit alles te zien, moet ge er een paar beslijkte schoenen voor over hebben. En dit is toch ook niet zoo erg! Vooreerst ziet ge dan, hoe mooi het er beneden uitziet. hoe hier een waterval, miniatuur Schaffhausen, ruischend en schuimend het kristal heldere water naar beneden giet; hoe de Dotterbloemen er al knoppen, hoe de Bittere Veldkers (Cardamine amara) zijn gevinde blaadjes opheft en een fijnen geur geeft bij het kneuzen als Bitterkers, en hoe omgevallen boomstammen er verrotten en overgroeien als in 'n tropisch oerwoud.



Het moerassige dal, vlak in de zon en beschermd tegen koude Noordenwinden, doet de Orchideeën ontwaken en purper gevlekte bladen dragen, als elders daar nog niets van te bespeuren valt. Begin Mei bloeien er de eerste Boschviooltjes.
Een mooie wal met oude, knoestige knoteiken en -esschen (verminkt, maar toch mooi) dicht er bij, is voor eenige jaren voor 9/10 uitgeroeid, om er groen, vlak grasland van te maken. Jammer, dat zulke mooie plekjes, werkelijke "natuurmonumenten", zooals er maar weinige in ons land zijn, ten offer vallen aan de geld- en winzucht van den vaak prozaïschen. landbouwer.
Luisteren wij nog even - voor we den terugweg inslaan - naar het fluiten van den Zanglijster, het gehamer van de Bonte Specht en den luiden blijheidsroep van den Boomklever. Zien we naar den bodem: daar prijken de bruine sterretjes van de harige Veldbies en de groene knopjes van het Muskuskruid. Zij allen roepen ons een ‘Tot Weerziens’ toe. En dat weerzien geschiedt onder meer in Juli, als de hellingen rijk bedekt zijn met goud golvend koren, als de Salomonszegel zijn sierlijke veeren hoog wuiven laat, als de Boschwederik in 't vochtige dal den grond bespikkeld heeft met goud naast smaragd.
Wij onderzoeken thans de oorzaak van deze weelderigheid. Het is de keileem, deze kostbare gave der gletsjers, waarmee de Austiberg, zelf uit oude tertiaire zeeklei bestaande, als een mantel is omhangen. Op de z.-O. helling werd in 1924 bij het graven van fundamentsleuven een stuk barnsteen gevonden, ter grootte van een kippenei. Dit stuk is door het ijs meegesleept van Samland. Door de leem zit veel zand en grint, terwijl de groote zwerfblokken in den loop der tijden door den landbouwer zijn verzameld en om zijn schuur verspreid liggen. Vele zijn gebezigd tot hoeksteenen en in de fundamenten, van andere is een straat voor de ‘niendeur’ aangelegd. Een fraai geplooide gneis van een tachtig pond en een graniet met veel zilverglanzende kali-glimmer heeft de boer met paard en wagen naar Natura Docet gereden!
In mijn jeugd kwam het water, dat over de keilaag naar beneden sijpelde, een 20 meter onder den top als een bron te voorschijn.
De boerderij Austie (beteekent : Ao (= water)stede) heeft daar handig partij van weten te trekken. Er is een put op die bron gebouwd en door buizen wordt het water sedert een 10-tal jaren naar de hoeve geleid en de daar om liggende weiden. En men heeft aldus een goedkoope waterleiding verkregen. De ‘watertoren’ hoeft maar één meter hoog te zijn! Dit voorbeeld werkte aanstekelijk op den eigenaar van het erve Epman, ten Nd.-Westen van den berg gelegen, en ook hij heeft zoo'n goedkoope waterleiding. Waar diens ‘toren’ staat, te midden van hazelaren en bramen, is het een eenig wild plekje. Daar groeien de Gagea's en de Vinca's en ik hoop, dat dit hoekje nog lange jaren de toevlucht mag wezen voor tal van vogels. De boer zal er geen schade van ondervinden, dat dit hoekje nog geen koren oplevert. Moge hij dit plekje evenals het zoo juist genoemde dal als een ‘kostbaar erfdeel zijner vaderen’ in eere houden. Boven op den berg, naar den Oostkant, is nog zoo'n onbebouwd hoekje. Daar groeien Gele Doovenetels bij honderden. En ook heeft Fraai Hertshooi (Hypericum pulchrum) zich aan den rand van het eikenhakhout weten staande te houden. Behalve deze en de mooie Gamander (Teucrium) vond ik er nog de Harige Veldbies, een oude boschplant. In de half wilde weiden, verscholen tusschen hooge walheggen en eiken hakhout, is het in Juni purper van zuringbloemen en wit van Margeriten.

Schiere, schoone
staan uw twintig nopkes, net
als een witte maagdenkroone,
blinkend om uw hoofd gezet;
gladgeglimde Spaansche kragen
zie 'k u dragen
lange dagen,
lange maanden, hier en daar:
willekom mij, gansch het jaar.



Het uitzicht naar den kant van Gildehaus-Bentheim en Isterberg (zelfs de toren van Emsburen is te zien!) loont de moeite om dit punt te bezoeken. Als de Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer er in slaagt, hier een uitzichtstoren te bouwen, hoop ik, dat er maatregelen getroffen worden, waardoor de zeldzame planten voor totale uitroeiing worden behoed. Sedert de Toeristenbond er de derde wandeling over geleid heeft, is het er drukker geworden dan ooit.

Ons Dinkelland (1926): Naar de heide

Nu wijkt wijd-open voor mijn wondrend oog,
Een koepel ruim van eindloos luchten-blauwen
Waardoor de dag zijn roode vanenvouwen
Doet waaierwijze uitwuiven wijd en hoog.
(P. Hilarion Thans)

NAAR DE HEIDE.

Daarheen ga ik graag vroeg in den morgen. Met een tien minuten wandelen over den Brandlichterweg ben ik er. Breed en ver ligt de wijde heide voor ons. Hoog verheft zich daarover de hemelkoepel en welft zich met onmerkbare ronding op de aarde neer. Het oog ontwaart aan den horizon een zacht golvende lijn van bosch en berg, waarop hier en daar een molen of toren als rustteeken getrokken staat. Dichterbij staan reuzenbouquetten van bloeiende appelboomen om het rood der boerendaken en schijnen de hooge hagen en wallen om de bouwlanden als een ondoordringbare muur van groen. De bruine heidebodem golft als een zacht deinende zee; hij stijgt hier tot een hoogte met berken begroeid en daalt ginds tot een dal, waarin zilverig water blinkt temidden van eene groene mos- en grasomlijsting. Onze zandweg door deze bruine heide zwenkt grijs en zwart met slangvormige kronkels op en neer, links en rechts, al verder en smaller en verdwijnt om verre dennenstammen. Ik slenter in den vroegen morgen, als nog geen blad of stengel den hemeldauw heeft afgeschud, in deze met wazig licht doorweefde oneindigheid. Met diepe teugen zuigen mijn longen de reine heidelucht in. Mijn oogen willen groen en bruin en licht en glans tegelijk omvatten en vastleggen in 't geheugen; mijn ooren luisteren naar de verschillende zangen der heidevogels. Mijn zinnen drinken natuurgenot, zoodat mijn geest met innige tevredenheid en onuitsprekelijk geluk wordt vervuld.
Aan den ingang van dezen blijden, nu zonnigen koepel hoorde ik het klokjesgeklingel van den Heileeuwerik : diel-diel, diel-diel, luu, luu, luu ... klankvol en zuiver, al hooger en verder in onnavolgbare hoogten tot aan 's Hemels poorten.

Daar ging omhoog een kleine schelle
met fijnen lichtdoorwaaiden klank;
hei-leeuwriks lied bleef mijn gezelle
Het klinkt van uit de vage verte,
alsof hij midden in 't gesternte
zijn zilveren klokje luidt.
(Van Eeden)



Dan kwam de Veldleeuwerik, meer tierelierend in afwisselende toonhoogte, stijgend en dalend op de maat van z’n vleugels, met rukjes al hooger en hooger, tot hij een stipje gelijk, al tierelierend uit het oog verdween. Links van mij hoor ik een zachter liedje. Een bruin gestreept vogeltje vliegt schuin omhoog. Korte, vlugge, heldere tonen, ontschieten zijn keeltje en langgerekte wijzen vloeien over de vlakte, als het diertje al zwevend nederdaalt. Dat was de Graspieper, die hier tusschen een van de talrijke graspolletjes ongetwijfeld zijn vijf bruinachtige eitjes verborgen heeft. Een veel mooiere zang heelt een andere Pieper. n.l. de Boompieper. Die zingt als een Kanarie, en geeft daarbij een kostelooze demonstratie van een glijvlucht. Het is een wonderlijk iets, dat vliegend zingen dezer kleine vogels!
Ons doel is gindsche groene vlakte, als een oase in de woestijn. De grond wordt daar vochtiger. Bloeiende Veenbies vormt handgroote pollen. De Zonnedauw parelt met kleverige druppels en heeft reeds menig mugje gevangen.

‘De varen toont zijn schoonst in stille schauw,
in water wuift met bruine vlaggen ’t riet,
op lichte, wijde hei alleen wil bloeien
de kleine Zonnedauw.’
(Lioba)



Het Veenmos vormt groene kussens en leidt de hoogveenvorming in. De Kievit heeft een menschelijk wezen bespeurd en klapt al kiewie-wiet krijschend, met breeden vleugelslag over mij heen. Dit is het sein geweest voor de Tureluurs om ook kabaal te maken. Liepen ze tot nog toe rustig met hun roode pootjes aan den waterkant, thans zwieren zij, door slanke vleugels gedragen, huishoog boven de oase. De witte onderkant en vleugelrand zijn allerduidelijkst te zien. Ze schijnen niet hooger te kunnen en schreeuwen maar aldoor: Tjlrk-tjirk-tjirk. Nijdig zwenken ze omlaag: Tuut-tuut-tureluur! Soms zweven ze als een "biddende" valk! Wat sierlijke vogels! Ze doen mij denken aan meeuwen, om die mooie vlieghoudingen. Zes zweven er bijeen.
Nu eens rusten enkele uit op een plaggenheuvel, dan zijn ze alle weer te hoop in de lucht. Ik ga zoeken naar nesten en vind een paar ronde kuiltjes, met wat grasbladeren bedekt. Kijk, daar ligt een leege dop: bruin met donkere stippen. Van verre hoor ik : grietto, -grietto ! Dat is het geluid van de Grutto, die bruinachtige vogel met zijn lange waadpooten en rechten snavel. Daar komt er een aanzeilen. Als hij zich neerzet, strekt hij de vleugels één moment recht naar boven en laat den sneeuwwitten onderkant bewonderen. Daarna klapt hij ze in een.
Een ander qeluld : Klie-e-eee, hoog en krachtig, klinkt naar mij over. 't Is of er een mensch zijn vreugde uitjubelt. Dat is de Wulp, een der grootste onzer heidevogels, met prachtig grijsgemarmerde veerenteekening en den langen. gebogen, snavel.
Als ge goede oogen of een duren kijker hebt, kunt ge op gindsche nieuw aangelegde weide een paar kroeze vogels ontdekken. Dat zijn Kemphaantjes. Als ze wegvliegen, kunt ge ze aan de ronde vleugels nog best herkennen. Ze hebben hier hun kampplaats - en wat menigeen niet vermoedt - ze broeden hier ook.

Nog een andere wakkere strijder kan men hier zien en hooren. Het is de Korhaan. Nog hoor ik ze "kollern". Wil men ze op de balts-plaats bezig zien, dan moet men voor dag en dauw in een hut kruipen en doodstil de eerste zonnestralen afwachten. Dan hebt ge ook gelegenheid andere heidevogels: Tapuit, Klapekster, Patrijs en het blatende Weerlam, (de Watersnip) te zien en te hooren.



Hooger stijgt de zon. De Driehoorns kruien er den mest naar hun miniatuur-molshoopen, waaronder 80 cM. diepe gangen verborgen zijn. Wij zoeken er de staalblauwe Zandkevers, welker larven in 'n griffelwijd schachtje zitten te loeren op prooi. Wij experimenteeren met de larve van de Mierenleeuw, die hier aan dezen zandigen wal de valkuil heeft uitgegraven. We vangen Blauwtjes en Heidevlinders, Hooibeestjes en Argusvlinders, Ortholithas en Anarta's en vullen tot slot onze plantentrommel met fraaie planten, om ze thuis te gaan determineeren, drogen en opplakken. Alleen als je er dát mee wilt doen, wil ik ze u wijzen en permissie geven tot bescheiden plukken. Zie hier dan op den weg tusschen het kale zand: mooie strengetjes van rose bloempjes tusschen groene blaadjes. Het is de Grondster, Illecebrum verticillatum. Daar groeien vlak naast de Riempjes (Corrigiola littoralis) beide een paar moeilijk te determineeren soorten van de familie der Muurachtigen.





Thans springen we over een sloot en we staan op een veenachtig, laag stuk heidegrond. Buntgras en Carexsoorten staan hier vele bijeen. De boeren steken er dekplaggen voor hun aardappelen en koolrapen, om die bij winterdag warm te kunnen toedekken. In den herfst vindt ge er vingerdikke rupsen zwart met bruine gordels dichtbehaard ineengerold liggen. Ze zijn van de Veelvraat. Ze verpoppen zich pas in het volgend voorjaar. Hier groeit: Oeverkruid (Littorella), met wapperende helmknopjes; Waterpunge (Samolus Valerandii), die eigenaardige Primulacee; de Engelsche Distel (Circium anglicum), die artistieke plant, mij dunkt de mooiste van alle distelsoorten; 't Rozenkransje (Antennaria dioica), dat Hollandsche Edelweisz; Vleugeltjesbloem (Polygala) in drie kleuren; Wolverlei (Arnica montana); Cipelgras (Narthecium ossifragum) met zijn keurige en geurige lelieachtige bloempjes; de witte en bruine Grasbies (Rhynchospora alba en fusca), Linum catharticum, Orchis incarnata, Aira discolor en Heleocharis multicaulis. Gentiaan, Cicendia en Parnassia komen wat later in den tijd.



De Lobelia Dortmanna staat hier niet, doch wel in een heiplas aan de Nordhornschestraat en verder aan de Vennen naar den kant van Breklenkamp. In gelijk gevormde, veenachtige heideplekjes kan ik u wijzen de Rotsbes met de rose bloempjes, de stevige Epipactus palustris en de welriekende Platanthera bifolia.



Aan den rand van al dit moois, vindt ge op de heide de groene rupsen van Nachtpauwoog, de zwart fluweelen ringen met robijnen bezet: een treffende overeenkomst (mimicry) met Calluna stengels.
Wandel nog een half uurtje verder, de Gele Beek over, naar het Buitenveld. Een wijd vergezicht tot de wazige hoogten van Gildehaus-Bentheim, heiplassen met steltloopers en sterntjes zal uw loon zijn. Heel wat vochtige stukken heide zijn er reeds in kultuur genomen, maar ik hoop, dat het Malaxis gebied nog vele jaren ongeschonden blijft, Malaxis is een klein groen Orchideetje dat niet gemakkelijk te ontdekken valt.
Tien minuten van rechts, voor de grens, ligt een blanke plas, waarlangs den oostelijken oever Andromedastengels zich slingeren om een polletje van Eénbloemig Wollegras en waar haar vleeschblanke kroontjes als wassen-klokjes prijken boven de groen-gele Sphagnum kussens.
Dit is het Andromeda-ven!
Blank als een spiegel, weerkaatst het de blauwe zonnige hemel, zoowel als de grauwe regenwolken en de dreigende donderkoppen. Over het rimpellooze vlak scheren de Sterntjes en Vischdiefjes, en sedert Mei '25 ook een tiental kokmeeuwen. Het ‘Andromedaven’ noemen wij bloemenvrienden dat onder elkander. Onze heibewoners zouden dit niet verstaan. Ze spreken van het "Ezzelsgoor". Dat woord Goor hebben de Oer-Denekampers vaak gebezigd om er drabbig veenwater, dat wat "goor" uitziet zoo te benamen. Het is altijd een stilstaand water b.v. 't Goor bij Elfrink diek, 't Deepengoor op de Neistad.



Iedere Meimaand maak ik een tocht naar het Andromeda-ven. Niet alleen om te constateeren wat voor vogels ik boven en om zijn oevers zie, niet alleen om de wijde vergezichten, - tot de heuvels van de Lutte en Bentheim ligt de ietwat golvende heide open - maar vooral om de beeldschoone Andromeda te begroeten, die er gekluisterd ligt aan de veenpollen. Andromeda, dochter van Koning Cepheus van Aethiopia en Koningin Cassiopea was schoon als hare moeder. Deze laatste had de Nerëiden beleedigd, door zich op hare schoonheid te verheffen. Tot straf werd door Poseidon een zeemonster gezonden, dat de schrik werd van het land. Het orakel verklaarde, dat Andromeda moest geofferd worden, om het monster te voldoen. Zij werd nu geboeid aan een rots geklonken en haar bloeiend rood verbleekte door lijden tot zacht rose. Zoo vinden wij haar in de wonnemaand Mei. Maar Perseus komt en redt Andromeda. Koning Cepheus geeft uit dankbaarheid zijn dochter aan haar redder.
Voorzichtig snijden wij een paar takjes af en bergen die in onze plantenbus, om er thuis ook anderen van te laten genieten.

Ons Dinkelland (1926): Naar de vochtige heide aan den rietzoom

NAAR DE VOCHTIGE HEIDE AAN DEN RIETZOOM.

O, 't ruischen van 't ranke riet,
hoe menig mensch en hoort u niet
en hoort uw zingend harmony,
doch luistert niet en gaat voorbij.
(Guido Gezelle)

Tien minuten van het dorp in Zuid-Oostelijke richting liggen poelen en plassen. die slechts in heel droge zomers begaanbaar zijn. Eén daarvan is ‘het Goor’, dat voor eenige jaren tot ijsbaan ingericht werd. De bodem bestaat uit leemig zand. Ik houd deze plas voor een zeer ouden Dinkelloop, daar nu nog bij overstroomingen het water door deze laagte vloeit en omdat ze aan de Oostzijde door een steilen oeverrand begrensd wordt.
Aan het onbegaanbare gedeelte, in een wijden boog, ligt er een strand; lage heide, die alleen des winters onder water staat. Deze wilde grond werd honderden jaren achtereen gebruikt om er plaggen van te steken en het is op dezen bodem, dat zich een aardige flora ontwikkelt.
Ik wil U eerst eens den weg wijzen. Sla tegenover de nieuwe R.C. Meisjesschool links af. Daar staat een oude tuinmuur, met allerlei mossen begroeid: Barbula, Xanthoria, Lecidia en Parmelia.



Nu dadelijk rechtsaf, langs kuiper Dingeldein, langs korenakkers en dorpstuintjes. Tusschen de rogge groeien Slofhakken, Kleine Vrouwenmantel en Hardbloem. En wat verder tusschen het gras: Karwei, Dronkenmakende Kervel, Moehringia, Wilgenroosje, Stellaria's. Nog voor je de boerderij bereikt met een erker in de voormuur, een zoogenaamd ‘achteroêt’, slaat ge rechts af.
De breede sloot hebt ge al gezien, met Watertorkruid, Vlotgras, Waterviolier en Waterblaaskruid.
Op het strand daarvoor groeit: Cicendia, Peplis portula, Veronica scutellata, Carex flava, var. Oederi, Scirpus sylvaticus, Alisma ranunculoides, Scirpus setaceus e.m.a.
Nu nog een tien passen verder. Daar begint vlak langs den weg weer een nieuwe sloot, die dicht begroeid is met: Scheeren, twee soorten Fonteinkruid en Scirpus fluitans. Lisch en Kalmoes groeien hoog boven Waterbezie en Waterklaver en iets verder staan de meer dan meter hooge groote Boterbloemen, zoover het oog reikt. De stengels van Paardestaart (Equisetum palustre en limosum) reiken halverwege.
Driehoekig Kroos hecht zich aan de blad rozetten der Waterviolieren. Een smal wegje leidt tusschen het lage, moerassige land door. Daar groeien langs: Melkeppe, Valeriaan, Koninginnekruid en de Breedbladige Watereppe.





Een laag afgeplagd gedeelte ligt voor u: leemzand. Nu grasgrond. Daarop groeit het kleine grut: Vetblad, Zonnedauw (2 soorten), Pilvaren, Dwergbloem, Draadgentiaan, Juncus capitatus, Juncus tenageia, Zoutgras, Scirpus setaceus, Carex vulgaris, Carex glauca, Carex pseudo-cyperus, Mentha, Lycopodium, Lysimachia thyrsiflora, en hoog er op: Gagel, Vleugeltjesbloem, Melkeppe, Wolfspoot, Rolklaver en Orchideeën. In 1920 is hier een weide van gemaakt.





Aan een slootje door een nieuw aangelegde klaverweide, bloeit de Marchantia polymorpha met zijn mooie paraplutjes, en in 'n nog niet ontgonnen plas een Vleeschetende plant: Klein Waterblaaskruid en op de schraalste plaatsen: de Draaisteel (Funaria hygrometica), die de vochtigheid der lucht aangeeft. Hier vlak bij is het moeras door walsloot, ten halve drooggelegd. Riet en wilgen en elzen strijden er om den voorrang. Daar is het gebied van de Kleine Karekiet, die er zijn nestje aan drie rietstengels ophangt. Daar zie je de Rietgors met zijn mooie, zwarte kop. Daar is het gebied van de Boschrietzanger, van Waterhoentje, van Gaai en Grasmusch. Doch het interessantst in dit gebied is het zeldzame Blauwborstje. In April gaan we daar op 'n vroegen morgen al liggen, om naar den zang te luisteren. 't Is bij vijven; de aarde is nog in nevelen gehuld.



Van de takken lekt drup na drup. In roerlooze stilte staan de struiken en grassen om mij. Het Rietbosch ligt voor mij. Slanke, ranke stengel naast slanke, ranke stengel, honderden naast een; met smalle vaantjes, groen, licht en donker; staat als een akker van hoog opgeschoten graan langs den waterkant. Ik luister naar het ontwaken der Schepping. De vogels, de bloemen, de boomen, het licht, zij alle slapen nog. Heel ver in het Oosten schijnen de nevelen iets te lichten. Als een zacht, behoedzaam naderend schijnsel komt het licht, gezeefd door de natte dampen. Ik zie duizenden druppeltjes hangen aan alle takjes en nog fijnere druppels als stofjes zweven door de ruimte. Een diepe zucht gaat door de kruinen der dennen. De wind is ontwaakt en vaart langs het riet en blaast zoete woordjes in de stijve stengels en de vaantjes trillen en beven heel zachtkens.
0, daar begint het riet te leven. Het sjirpt en knirpt al luider en harder in duidelijker klinkende tonen. De Rietgors heeft zijn schuilplaats, den verdorden zeggebos, verlaten en hij klimt nu tegen de rietmasten omhoog en fluit en sjirpt zijn gorzenlied. Het is, alsof hij de Blauwborst wil nadoen, die hier in hetzelfde gebied huist. Hij brengt het echter niet verder dan tot een paar schril uitgestooten klanken met een plotselinge stijging en enkele krachtige uithalen. Daar op eens is het liedje uit. Zijn tong slaat dubbel en hij kan er geen toon meer uitbrengen. Het is, alsof hij in deze natte streken aan chronische heeschheid lijdende is.
Het witte licht wordt blanker. de mistige lucht ijler en de dauwdruppels glanzen in de zeven kleuren van den regenboog. Nu is 't al één helder blauwe lucht. De zon schijnt warm en alle groen van struiken en boomen staat te droomen in zonneweelde. Grijs beparelde spinragdraden zijn getrokken van struik tot struik en op de heide hangen overal miniatuur hangmatjes, als geweven van de fijnste Brusselsche kant. Ik lig er bij het soppige rietland in een hoekje, waar geregeld de Karekiet en het Blauwborstje te hooren zijn. 't Is hier zoo'n vredig, kalm plekje. Achter je het dennenbosch, voor je water en riet en ruigte. Je bent er van de wereld vergeten. Ik ben er gaan liggen, op één elleboog leunend, om de vogels niet te verschrikken. Mijn herfstkleurige jas heeft een dubbel doel: mij te beschermen tegen te veel vocht (een beetje hindert niet !) en mij gelijkvormig te maken met bruine gagel, heide en verdord gras, waartusschen ik half verscholen lig. In deze houding nemen de vogels geen notitie van den mensch. Ze houden hem voor een omgevallen boomstam of een dergelijk natuurding.

De zon schijnt mij op den rug en mijn longen ademen de reine, heerlijke morgenlucht in! Het eerst en het meest hoor ik nu de grijze Fitisjes in de berken. Daar staan er een paar. Hun teere takken fijn geëtst tegen den blauwigen hemel. Fitisjes ! Hun melodieuze zang, zoo weemoedig sluitend, is mij steeds een hoog genot. Daar begint de Karekiet: karre-karre-kiet-kiet-kiet-kiet, err-iet, err-iet-rt-rt : se-wiet, oe-wiet, wiet, wiet-wiet, ting-ting-tinq-hèr-hèr-hèr, kie-e, kie-e, kie, alles in de hooge C, eindeloos door, en men begrijpt niet, waar het diertje zijn adem vandaan haalt. 't Lijkt iets op 't gekwetter van zwaluwen, maar dan veel forscher, fluitender.
Het volk of een vindingrijke vogelbeschermer heeft dit lied vertolkt met:

Karre karre kiet-kiet-kiet -
Mijn nestje zit in 't riet-riet-riet-
Je vindt het niet-niet-niet

Ik luister maar al door naar dat lied. De verschillende motieven schreef ik op, en het was voor mij niet mogelijk, ze alle onder woorden te brengen. Ik geef U liever een coupletje van Jozef Cohen:

DE KAREKIET.
Millioenen zangers heeft de Mei,
Maar geen doortrilt de lucht zóó blij,
Als 't lente-lentelied,
Dat zingt de Karekiet.
Hij fluit en spuit ons, nimmer moe,
Het eene kleine liedje toe.
Het eenzaam lied
Van Karekiet
Hoe wordt hij 't nimmer moe!
‘BUITEN’ 1915.

In de lage struiken rond een nieuw grasveldje, zit de Grasmusch zijn hè o hè te schetteren. Af en toe werpt hij zich al jodelend eenige meters in de hoogte. Naast mij op den vochtigen zandleembodem steken als een kort boendertje de naaldvormige stengeltjes van de Moerasbies de geel wapperende bloeiaartjes omhoog. Midden op het pad bloeit het Reukgras. De paarspurperen helmknopjes bungelen aan witzijden draadjes. Vlak aan den waterkant begint de Blauwborst aan zijn lied. Na het begin, nog een aanloopje, je zou zeggen: nu komt het, en . . . . . uit is het. (Als naaste familie van de Nachtegaal verlangt ge van de Blauwborst natuurlijk heel wat.) Je herkent er stellig het timbre in; ook het fluitende begin, maar verder is het een stumperig doen. En toch hoor ik hem graag. Het is een zeldzaam diertje. Om Denekamp nu juist niet. Daar zijn er elken zomer meer dan twintig paartjes. Maar je wilt hem ook wel eens laten zien aan een goede kennis, die er een reis van Wageningen of Amsterdam voor over had! Maar dan moet heel wat Indianen-sluipkunst aangewend worden en het toeval je gunstig zijn, om hem tusschen al die struikjes en blaadjes goed in 't vizier te krijgen. Blauwborst met zijn saffieren juweel weet zich op waarde te houden en beloont alleen den stillen volhoudenden ornitholoog. Eens heb ik 't nest gevonden, goed verstopt tusschen zeggen en grasstengels aan den waterkant. - Voorzichtig richt ik mij overeind en sluip dien kant op. Een zwarte waterrat zit met gebogen rug als een konijntje te knabbelen aan vlotgrasbladen. Een waterhoentje klokt-klokt en zwemt weg, mij nog de witte onderkant van het staartje toonende, dat als een zeil wordt overeind gezet. Het nest ligt hier vlak bij op een ouden wilgenstronk, een handbreed boven 't water.



Achter het boschje, waar behalve dennen, ook berken en eiken groeien, lag vijftig meter naar het Zuiden een open strook heide, waar elk jaar het Paaschvuur brandde. Nu is die heide: weide. Daar galmen de Tjiftjafs hun eentonig sjilp-sjalp-silp-sjalp. Daar fluit de Geelgors: ‘Boer - boer - boer laot mie in de schuur’. De eerste zes woorden op dezelfde toonshoogte, het laatste een terts lager. De Boompieper zingt zijn kanariezang en daalt in sierlijke glijvlucht ‘en vol plané’ op den top der eiken. Zie daar op 't pad, sta stil: een bruin vogeltje met donker gestreepte borst, huppelt van links naar rechts over 't pad. 't Komt maar steeds naderbij en grijpt nu een langpoot, dan een vlieg, een rups of nog wat anders: een heele snavel vol. 't Is het wijfje van de Boompieper, dat zoo vroeg al in de weer is, voedsel voor haar kroost te zoeken.
Dwars den zandweg over loopen we weer langs een waterplas: ‘Het Venken’ (= Veentje). De grond is er bedekt met Drosera en Pinguicula. In het water de trosbloemige Wederik, Zoutgras en Water Hertshooi. Links de hooge, wilde wal met allerlei varens en op den hoek een der weinige groeiplaatsen om Denekamp van Teucrium Scorodonium, de Gamander.
Door dichte bremstruiken staan we op eens weer op 'n hoog stukje heide, vol afwisseling met dennen, eiken en berken. Het is een oud stuk land, na de IJstijd door Dinkelwater hier neer gelegd, rondom door lage en latere stroombeddingen van de Dinkel omgeven. Je ziet hier en daar nog de steile oeverkanten. De boerderij aan de Z.-W.-zijde heet de Hilgenhorst (= heilige hoogte), omdat er vroeger een kluizenaar woonde. De gracht om het plekje grond is nog goed te zien. Dat deze hoogte weinig van het Dinkelwater heeft geleden, bewijst wel de aanwezigheid van de Zevenster (Trientalis europeea), die hier in tientallen eksemplaren groeit en bloeit. Dat is daar om Pinksteren of Drievuldigheids-Zondag aan dien wal een pracht van witte sterretjes! Geen Salomons gewaad, geen koningskleuren, geen regenboogsche verwen, komen het reine wit nabij, waarmede de Schepper dit fijne, teere kruidje heeft gekroond. Ontelbaar vele malen heeft het zich elken voorzomer in bruidstooi gestoken en . . . . werd toch door niemand bewonderd! Wie weet, hoeveel honderden jaren dat plantje zich daar reeds gehandhaafd heeft. Het zal immers een relict uit den IJstijd zijn!



Nog een paar plantjes heb ik u hier te wijzen: de Voorjaarsspurrie en de rose en witte Rozenkransjes. Als de duizenden bremstruiken om Pinksteren geel opvlammen, is het er 'n niet te beschrijven weelde.

"Wat tintelt daar zoo gouden? - gele brem
vonkt op de hitte-wemelende hei -
't licht leit tot aan de violette kim
te zieden in de zonnige vallei".
(Van Eeden’s Lioba)

De entomologen kunnen er de zeldzame Gele Bremspanners vangen (Fidonia Limbaria) en de grijze, zwart gestippelde Scodionia Belgiaria. Graafwespen en Graafbijen zijn er bij tientallen aan het werk. Leemwespen metselen er in de zandhellingen en in de leemwanden der boerenwoningen.



Schilderachtig liggen de oude ‘schoppen’ (= schuren) daar naast onder het dak van riet. De Winterkoninkjes schetteren er. Roodstaartjes en Zwartgrauwe Vliegenvangers nesten er niet zeldzaam. En dit alles op en bij de vochtige heide vlak aan den Rietzoom, tien minuten buiten het dorp! Hoe lang nog zoo?

Ons Dinkelland (1926): Naar het land der Arnica

Aanschouwt de bloemen des velds;
Ziet. hoe zij groeien, hoe zij bloeien!
SALOMON: ‘Spreuken’

NAAR HET LAND DER ARNICA.

Ik denk een kleine 30 jaar terug. toen ik pas onderwijzer was! Heerlijke tijd, die eerste jaren van het verzamelen! Bij gansche trommels vol brachten we ze thuis: bloemen, groote en kleine, blauwe en witte, enkelvoudige en samengestelde. Welk een verscheidenheid, wat een onbekenden! En dat van één enkel tochtje naar een bosch, een plekje natte heide, uit een moeras of van den kant eener sloot. In verwarde mengeling liggen eksemplaren uit de verst verwijderde familiën dooreen: in eigenlijken zin zou men hier kunnen zeggen: ‘Les extrèmes se touchent.’
Het determineeren van nummer één begint. De familie is gevonden. Met zenuwachtige haast worden de vragen half gelezen, half geraden, de bloem ontleed, verscheurd, versneden met nimmer feilende vaardigheid. Met zorg wordt de keuze der nummers en bladzijden gedaan. Hé, wij zijn er, eindelijk. Een vloeiend Latijnschen naam. In die jaren deed ik het nog met Suringar, waarin toen een Nederlandsche naam een evengroote rariteit was, als een albino onder de spreeuwen: maar Latijn of Grieksch, de naam der plant, op die wijze gevonden, bleef en zal blijven, zoolang de liefde voor planten niet van ons wijkt.
Zoo had ik eens, midden Juni, van de heide meegebracht, behalve uitgebloeide Rozenkransjes en doosjes vol mooie zaadjes van de Voorjaarsspurrie, een gele, flink groote composiet. Zij droeg een rozet van wortelbladeren en nog een paar kleine blaadjes aan den stengel, in welker oksel ontluikende knoppen zaten. Geen Paardebloem, noch Ganzebloem; geen Havikskruid; maar wat? Dat zou mijn Suringar uitmaken. ‘Schijfbloemen buis-, straalbloemen lintvormig. Bloemhoofdjes aan een opgaanden bebladerden stengel . .. Arnica.’
't Klopte alles mooi en in plaats van slechts een Latijnschen naam kreeg ik nog wel op den koop toe: Wolverlei of Valkruid, Arnica montana. Het moet dus wel een zeer bekende en algemeen voorkomende plant zijn, zoo redeneerde ik, dat mijn flora er twee volksnamen voor geeft. En toch had ik ze nog nooit gezien, noch één van die namen ooit gehoord. Bovendien trok de eigenaardige groen-geel-bruine kleur van blad en bloem mijne aandacht en ik zocht de namen te verklaren, die mijne plant ontvangen had van menschen, die beter met hare eigenschappen op de hoogte waren, dan ik. Mocht mij dit aanvankelijk niet gelukken, bij meerdere belezenheid en studie aan het levende individu, is de onbekende van vroeger ‘n intieme kennis van heden geworden.
In plaats van u een opsomming te geven van alle kenmerken en eigenschappen van bladeren, bloemen en vruchten, iets wat ge in iedere flora kunt napluizen, wil ik u liever de plant wijzen in hare natuurlijke omgeving, te midden harer zusters en bekenden en met u haar hebben en doen, haar groeien en bloeien, op de open veenachtige heide - haar tehuis - nagaan. Waar ook in het Oosten of Zuiden van ons land, om met den dichter te spreken, ‘uwe snoeren mogen gevallen zijn’, al erg moet de omgeving botanisch arm wezen, zoo daar de Arnica mocht ontbreken. Op de velden aan de Noord- en Oostzee, ja in de weiden aan den overkant der Sont, tot aan de sneeuwgrens in de Alpen; van Polen tot Frankrijk tiert zij. Op drogen met molm bedekten grond met eene weelderigheid, die men op onze velden zoo zelden aantreft. Van mijn dorpken uit, brengt ons de fiets er in een klein kwartiertje. Naar het Zuiden, op Oldenzaal aan, ligt een rechte weg. Onberispelijk recht, 't is waar, maar niet eentonig. Daarvoor zijn de partijen links en rechts te schoon, daarvoor biedt ze verscheidene malen te mooie punten. Dien kant rijden we op. Een matig warme Junizon staat aan den Zuid-Westelijken hemel, rechts voor ons. Af en toe worden hare stralen onderschept door een grijze wolk, en donkere schaduwen zien we van ter zijde ons naderen, ons inhalen en voorbij snellen als een zwarte sluier, uit eigen kracht zwevende over de bruine heide, over de blinkende witte straat tegen de groene helling der bergen op.
Stijf staan de telegraafpalen in een lange rij, met hare golven van draad, hoog gehouden door 'n loome marmerbleeke hand. Fel blikkert en flikkert het nikkel der stuurstang en het grint op den langen straatweg. Dat licht is te sterk, te pijnlijk voor onze oogen. Maar terzijde van den weg, zoowel links als rechts, is het weldoende licht: dartel licht in de donkere dennengroepen, in het wuivende riet en de qerimpelde plassen, spelend licht op de effen heide, rustig licht in het verre, bleekblauwe verschiet. Als twee grijze strepen slingeren zich karresporen door de bruine heide, af en toe verscholen voortkronkelend achter grijs bemeste dwergeiken of een groep donkergroene dennen, door Gagel omzoomd. Op het puntdraad der welige weiden zit als ineengedoken de deftige Roodborsttapuit, van Maart tot October. Lischdodden, mooi Struisriet en gele bloempjes van het Waterblaaskruid (U.minor) aan een slootje waarin het ‘Tertair’ te zien is, in de heiplassen nevens den weg, geven eene afwisseling te over, die ons den tocht volstrekt niet vervelend doet zijn.



Ongemerkt zijn we gekomen. waar we wezen moesten. Zet uw fiets maar tegen een telegraafpaal, want ge behoeft geen vijf passen meer te loopen. Zie voor u uit! Omgezette boschgrond, schraal, dor. Van allerhande grassen zijn er opgeschoten, vooral Molinia en Agrostis en daartusschen hier en daar en overal een zee van oranje gele groote bloemen, en ietwat overhangend, de lintbloemen ver van elkaar, zoodat iedere bloem een veelpuntige ster gelijkt. Dat zijn Arnica's, schoon en krachtig zooals dat een telg der open heide, der harde gronden betaamt, draagt zij met uitgespreide armen hare drie tot vijf bloemenkorven.



Haar hoofd buigt zij bevallig der zonne toe en haar voeten, geworteld in het geel-bruine zand, houdt zij onder een rozet van een viertal ovale bladen verborgen, bevreesd als zij is, dat dezelfde stralen, die haar hoofd zoo heerlijk koesteren. het schaarsche sap aan haar maaltijd zullen onttrekken. Voor zooverre zij open en bloot staat, draagt zij een kleed van stijve haren, groeit zij daarentegen tusschen heidestruiken of onder kreupelhout, dan vindt zij eene bedekking nagenoeg onnoodig.
Aldus kleedt en tooit zij zich, deze, niet de asschepoester onder Flora's kinderen! Want al pronkt zij nog zoo lief met haar oranjebruin der bloemenkorven. zij is niet bij machte, den prins te bekoren; zij is niet in staat, een heir van gevleugelde bezoekers te trekken. Mocht het al eens gebeuren, dat een bijtje of vlindertje, door uiterlijk vertoon gelokt, komt aangevlogen, zoo zweeft het een oogenblik voor de gele schotel, snuift den geur in en met trillenden vleugelslag gaat het verder. Daar is een luchtje aan, denkt het, en 't zocht geen nadere kennismaking. Zoo heb ik er vaak gewone bijen met veel drukte overheen zien kuieren, nu en dan eene versnapering nemende. Zoo zag ik er ook nog o.a. op 22 Juni, twee St. Jacobsvlinders (Euchelia Jacobaea) met hun lange tong op ééne bloem putje voor putje onderzoeken en leegpompen. Euchelia is een mooi vlindertje, de twee voorvleugels glanzend blauw-zwart met één roode band en twee stippen; de achtervleugels zijn rood met een zwarte band. Log is het lichaam, toch snel haar vlucht. Als ze aan het werk is, geeft ze niet om ons menschen. Op je dooie gemak ga je er bij liggen, zoodat ge zonder loupe heur zwarte sprietjes ziet op en neder gaan; het kopje achter- en voorover buigen, de lange tong ontrollen, die peueren gaat naar den zoeten nectar. Dat gaat vaardig en nauwgezet. Geen bloempje wordt overgeslagen. Vijf minuten heeft ze voor eene bloem dan ook wel noodig.
Als ze een andere bloem heeft opgezocht, gaan we aan de pas verlatene eens ruiken. Wij merken een eigenaardigen prikkelenden geur, die hoewel niet aangenaam, toch ook niet afkeerwekkend te noemen is. Nu ook den stengel eens geproefd! Bah! wat smaak. Bepaald walgelijk! zooiets petroleumachtigs. Dit wijst er ons op, dat de plant een stof bevat, die wellicht aan sommigen der lijdende menschheid verzachting of wel genezing kon schenken. En werkelijk is dit zoo. In de apotheek is flos arnicae wel bekend en van Arnica-tinctuur hebben wij zeker allen meer dan eens gehoord. Dit is een aetherische olie, welke men uit de bloemen of den wortelstok verkrijgt, door deze deelen frisch en gedroogd als thee te trekken of op spiritus te zetten. Het preparaat wordt in- en uitwendig gebruikt, b.v. bij verslapping der zenuwen, bloedingen, kneuzingen, verwondingen door stompe werktuigen veroorzaakt, bij verrekkingen, steken door insecten enz. Dertig tot zestig gram tinctuur is voor menschen de dood: azijn is het beste tegengif. Reeds bij de ouden was de geneeskracht dezer plant bekend. Immers, er is beweerd, dat Arnica komt van Ptar-mica, dat ‘doen niezen’ beteekent of ontstaan is uit Dorycnium, een vergiftige plant, die gebruikt werd voor het bestrijken der speren. Dorycnium, Doronicum, Aronicum,
Arnica. In deze richting de plantkunde bestudeeren, is ook wel aardig, doch evenals op elk etymologisch gebied liggen hier voetangels en klemmen bij massa's. Arnica kan evengoed afgeleid zijn van Amos, lam, en zou dan Lamkruid beteekenen, evenals Arnopogon (Lammerbaard) en Arnoseris (Lamsla). Gemakkelijker zijn wij met de Nederlandsche namen klaar. Wolverlei, naar het Duitsche Wohlverleih, beteekent : wel helpend, lenigend, ziet dus op haar genezende kracht. Valkruid, tegen vallende ziekte, en Heilige- Vrouwenkruid is evenals Vrouwenmantel en Lieve- Vrouwenbedstroo genoemd naar de Moeder des Heeren, ook daarom voorzeker, dat men er een heelende kracht in ontdekte.
Gelijk alles op deze wisselende wereld verandert ook het uiterlijk van ons Arnicaveld. En dat niet alleen gedurende één dag, van dat zij zich openen, zich wenden met de zon of naar den wind, tot des avonds als zij gaan slapen; niet alleen gedurende één zomer, van Mei dat het wortel rozet verschijnt, tot September, wanneer de dikke, bolvormige bloemhoofdjes haar zaad uitzaaien, maar in een vijf tiental jaren heeft ze hare geschiedenis doorleefd. Voor 20 jaren stonden er slechts enkele exemplaren langs den straatweg en gluurden hier en daar van achter een Callunaboschje. Van jaar tot jaar kon men zien, dat de plant in gebied won en op vele hectaren grond voert zij thans onbeperkte heerschappij. Maar nog eenige jaren, en waar zij thans heerscheres is, zal zij de verstootelinge zijn. Een machtiger geslacht zal haar boven het hoofd wassen. Duizenden dennen zullen na eenige jaren alle licht en lucht voor zich houden en de Arnica's een langzamen dood bereiden. Dat is erg egoïstisch en wreed; maar wat moet men in deze tijden al niet verkroppen?
Maar kom naar huis! 't Wordt donker. Onder 't schetsen en aanteekenen hebben wij nog even gelegenheid gehad het gloeien der zon in de verweerde ruiten der aan gindsche heuvelkling opgehangen woningen te aanschouwen, maar daarna heeft het wolkengordijn zich voorgoed gesloten, om geen enkele straal meer door te laten. Nu geen trillingen week of glorieus gefonkel meer. Droomerig daalt een donzig duister over de vredige aarde. De donkere meerplassen liggen roerloos stil. Willoos wuift het riet. Geen geluid wekt er de Karekiet, die duttend zucht op dorre tak. Juniperus-struiken staan in spookvormige gedaante over de vlakte verspreid, als stomme wachten bij een sluimerend leger. In de verre verte klinkt rommelend hol de lange sleep van waggons over de Dinkelbrug. Boven onze hoofden vliegt een uil met dof gesoes en zet zich op het onzichtbare telegraafdraad neder.
't Is donker alom. De nacht daalt, zwarte nacht. Geen sterren boven; slechts hier en daar een sterretje op d' aard: een glimmend wormpje in het mos. Wij plaatsen er een op 'n Arnica en in zacht-blauw phosphorlicht straalt en schittert deze als een Koningin van den Nacht.

Ons Dinkelland (1926): De Lutte

"Hier golfde eens de zee, waar nu de akkers tieren,
En uit vermolmd gebeent, kwam nieuwe groeikracht voort".
(Uit het 12-regelig gedicht aan den voet van den koepel
op den Tankenberg door J. WEELING)

DE LUTTE.

Het is al meer dan dertig jaar geleden, dat ik dag aan dag de liniaal-rechte grijze grintweg wandelde, die sedert Napoleons-tijd Denekamp met Oldenzaal verbindt. Als een dartel lam huppelt deze breede, vorstelijke weg berg op, berg af, wat aan het landschap een vroolijkheid geeft, zooals men in ons land spaarzaam te genieten krijgt. Als vijftienjarige normalist verveelde mij die twee uur lange weg nimmer, omdat de vergezichten, rechts over ‘n breed dal naar de heuvels van Ootmarsum, voor mij de bruine heide met immergroene dennen, links de heuvelketen, die zich als een wijden boog spande van de Tolbult over Hakenberg naar Tankenberg, steeds een enthousiasme van schoonheid en grootschheid in mijn jonge hart deed opgolven. Vanaf de breede weg als 'n hoofdstam, vertakten zich op onregelmatige afstanden links en rechts de landwegen, die nu eens rechthoekig, dan weer scherper, hier recht, ginds kronkelend en slingerend afdwaalden langs berken- en dennenboschjes, langs bouwland of weiden, zich verloren in de wijde dalen van Volthe en Rossum, of zich opkronkelden naar de hoogten van Beuningen en de Lutte. De beperkte tijd liet nimmer toe zoo'n landelijk wegelke in te slaan - je zou er zeker de les door verzuimen - en zoo bleef het land met zijn heiden en bosschen voor en om mij, langen tijd onbetreden en onbekend terrein.


Fragment van: Wandel- en fietskaart van Denekamp en omstreken (1930)

't Meest van al boeide en trok mij de Tankenberg, dat is die met het kantig koepeltje, dat zoo heerlijk lokkend kon blinken in den zonneschijn en bij vallende avond nog lang de roode gloed weerstraalde, als beneden in het dal reeds de donkerte was neergestreken. Die Tankenberg zou en moest ik eens bestijgen, als de lessen wat laat begonnen en ik dus een paar uur voor den boeg had.

Auf die Berge wil ich steigen
Wo die frommen Hütten stehen.
Wo die Brust sich frei entschlieszet
Und die freien Lüfte wehen.
Auf die Berge wil ich steigen,
Wo die dunkeln Tannen ragen,
Bäche rauschen, Vöqel singen
Und die stolzen Wolken jagen.

Ik zou er op afgaan, regelrecht door de heide, door bosschen en kreupelhout, over weiden en prikkeldraad, over slooten en beekjes, want zóó was het immers de kortste weg! En zoo deed ik op 'n Woensdagmiddag in de lente, toen de hazelaren nog stoven, de elzenkatjes bengelden en de leeuwerik tierelierend hoog hing tegen de blauwe luchten. Wat ik toen zag en vond, herinner ik me nog zeer onvolkomen, doch dit staat mij nog levendig voor, hoe ontnuchterd ik stond te kijken, toen ik eindelijk boven was aangeland. Vooreerst om het zeldzame panorama, dat zich voor mijn oog ontvouwde en . . . . over den tijd, dien ik noodig had gehad mijn doel te bereiken. Ik had op een kwartiertje gerekend en ik had er meer dan drie over gedaan! En toch had ik mij nergens opgehouden, ik was steeds voorwaarts gedrongen met jeugdig vuur en onvermoeide zwerverslust.



En later, toen de taalleeraar een vrij opstel gaf, nam ik: ‘Een tocht naar den Tankenberg’ en mijn gedachten hierover neergeschreven, die anders zelden een zes haalden, mochten nu het praedicaat goed verwerven. Die eerste tocht is later, vooral toen de normaal-schooljaren achter den rug waren, door meerdere gevolgd en de uren daar doorgebracht, behooren tot de prettigste van mijn leven. En dat heeft zijn verschillende oorzaken. De Lutte is prachtig als landschap. De Lutte is rijk aan bloemen. insekten, vogels en paddestoelen. De Lutte is belangwekkend uit een Geologisch oogpunt. Dat hebben mij de verschillende ekskursie' s geleerd. Dat leert mij de schoone Lutte nog elken Zomer en Herfst, nog ieder Voorjaar en iederen Winter. De Lutte is in alle jaargetijden een beminnelijke, een schoone en onderhoudende leerares. Van haar heb ik veel natuurgeheimen vernomen; bij haar heb ik zoete vrede en sterkende rust genoten. Velen zien van De Lutte alleen haar uiterlijk schoon en minnen haar zoolang de zomerzonne goud en smaragd over haar hoofd en lendenen strooit. Hun, die meer intiem met haar weten om te gaan, zullen ook haar innerlijke deugden geopenbaard worden. Maar daarvoor is noodig een groote liefde en een vrome piëteit.
Prof. L. Knappert schreef in "Buiten" Juli '15 over dit uitverkoren stukje Nederlandsche grond o.m. : ‘Klaar staat mij zijne schoonheid voor den geest en van de bekoring zijner liefelijkheden is de heugenis onverflauwd gebleven. Daar is de zuivere natuur, die uit hare volheid een genot biedt, dat in zijn echtheid ook voor later, nuchter nadenken blijft bestaan. Het komt aanstonds, nadat gij Oldenzaal hebt verlaten en den straatweg naar Bentheim zijt opgegaan. De boschlucht waait u tegemoet met hare zoete geuren, haar balsemieke reuken van eiken en dennen, van aarde en bladeren, die zijn als blijde profetiën van de weelde, die gij smaken gaat. Hoe diep, hoe begeerig ademt gij haar in, met wat hunkerend verlangen ijlt gij die wereld van heerlijkheid tegemoet’



Het zijn vooral de bergen en de bosschen, die aan de Lutte hare groote bekoorlijkheid schenken. Als een reuzenboog gespannen van Berghuizen ten N. van Oldenzaal loopt de heuvelkam naar het Noordoosten, om zich bij de Hakenberg naar het Westen om te buigen over Austiberg en Tolbult in Beuningen. De pees, die de uiteinden van dezen boog verbindt, is de straatweg Denekamp - Oldenzaal. De hoogteverheffingen van dezen heuvelkam zijn de Oldenzaalsche berg, Tankenberg, Belvedèreberg, Hakenberg en Austieberg. De straatweg Oldenzaal- Bentheim loopt over de Zuidelijke helling en snijdt meerdere uitloopers rechthoekig. Evenwijdig met deze hoofdrug ligt in Berghuizen-Zuid een tweede heuvelrij van Hooge Venterink naar de Koperboer en dan oostwaarts tot de Poortbulten. De kortste afstand tusschen deze twee heuvelrijen is ongeveer een half uur gaans. Het breede dal is echter door alleenstaande ruggen en heuvels in talrijke dwarsdalen verdeeld, die alle met Keileem zijn gevuld en daarom ongetwijfeld hun ontstaan te danken hebben aan het landijs, dat dit terrein doorploegde, en aan de erodeerende kracht van het smeltwater der gletsjers, dat bij de nadering van het ijs vooruitstroomde. Het is dan ook een gewirwar van hoog en laag, door een teekenaar heel moeilijk in kaart te brengen, van horsten en slenken, van bolvormige heuvels en diepe, slingerende dalen. Het zand en grint, dat Vecht en Ems in de periode, die onmiddellijk aan de ijstijd voorafging, over deze streken hebben neergeworpen tot een hoogte van ± 40 Meter boven A.P., is bijna overal door de werking der gletsjers weder vernietigd. Het zand en grint, dat nog niet door het smeltwater der gletsjerbeken weggevoerd was, werd door de grondmoreene in zich opgenomen en met de Keileem in dalen gedeponeerd. Bij het gesteente onderzoek vindt men dan ook steeds zuidelijke kwartsen en lidieten tusschen noordsche granieten en vuursteenen.



Dat zuidelijk zand en grint noemt men ook wel het hoogterras. Nu, van dit hoogterras zijn ons enkele resten bewaard gebleven, gespaard door de groote alvernieler: het schuivende inlandijs. Het zijn zulke plekken die in de luwte der bergen lagen, dus ten Z.-W. der heuvels, daar de gletsjers van uit het N .-0. de Lutter bergen aangrepen. Daartegenover moet men de meeste gesteenten en vuursteenknollen met fossiele zeeëgels aan de Noord-Oosthelling der heuvels en het vlakke voorland zoeken. Zoo ligt bij Hooge Venterink, dicht aan den straatweg naar Losser onder noordelijk Keileem nog ongestoord hoogterras.(?) Ook ten Z.-W. van de Belvedère aan de weg naar Harbert ligt zuidelijk glimmerrijk zand! Ongetwijfeld waren bij oplettend onderzoek tijdens meerdere put of afgravingen nog wel dergelijke plekken te vinden. Onze kennis is nog gering, omdat er nooit opgelet is.
Overal zien wij, dat de Noordelijke helling steil naar de vlakte afdaalt, terwijl de Zuidelijke helling langzaam in heide en grasland overgaat. Ook aan den Noordvoet heeft men de meeste bronnen. Beide verschijnselen hebben hun eerste oorzaak in het aangrijpingspunt der ijsbergen.
De kern der Lutter heuvels is overal blauwe zeeklei uit het Tertiair, en wel dàt tijdvak, wat men noemt het Eoceen en Oligoceen. Voor den oningewijde zij even de volgorde neergeschreven:
Tertiair: Plioceen, Mioceen, Oligoceen, Eoceen, Paleoceen (deze formatie is de oudste der vijf).



Bedenken wij nu nog, dat keileem een vruchtbaar verweeringsprodukt is van gesteentegruis, dat èn keileem èn tertiaire leem het water niet doorlaten, dan hebben wij in deze geologische kennis van het terrein den sleutel om het raadsel der rijke Lutter flora te kunnen ontcijferen. De flora van de Lutte is overweldigend rijk aan soorten. Om ze te leeren kennen is minstens een geheel jaar noodig. Gaan we er voor het eerst heen op een zonnigen dag in Maart. Een frissche wind waait langs den hemel. Je ziet het aan de witte wolkenzeilen, die langs de azuren hemelzee voortvliegen. Je voelt het aan het fijne stof, dat van den straatweg om het stuur van je fiets dwarrelt. Je merkt het aan de bloeiende wilgen, die de gele katjes heen en weer zwaaien. Wij verlaten den breeden weg en zoeken de luwte der bosschen. Waar de oude zeekleikuilen verlaten liggen is het geel van Klein Hoefblad, dat met zijn fijn geslipte kraagjes nog veel te weinig wordt gewaardeerd. Ik vind het een dapper ding, dat al zoo vroeg uit de koude klei durft komen kijken en zoo flink voortbloeit, in een polletje mee naar huis genomen en maar eenvoudig op 'n schoteltje gezet! Hoe fraai-fijn zijn de zaadpluisjes een paar weken later! Op de dichtbegroeide wallen wat hooger op, bij de Hel en Belvedère treft ons het glimmend groene blad van Maagdepalm. Naar de smetteloos blauwe typisch ingesneden kroontjes hoeven we niet lang te zoeken. Overal duiken ze op! Ook zien we de in elkaar gedraaide bleeke bloemknoppen. Honderden vierkante meters zijn er mee bedekt! Daar tusschen moet ge ook zoeken: Muskuskruid, harige Veldbies en klimopbladige Eereprijs, en in Mei de Gele Doovenetel. In April staan de lagere weiden vol gouden Sleutelbloemen (Aprilbleumkes), die wat later overvleugeld worden door de paarse Veldkers: de Pinksterbloem. Aan de vochtige oevers der waterloopkes, die over blanke keitjes voorthuppelen en hier en daar kabbelende watervalletjes vormen, staat de Bittere Veldkers met de paarsche helmknopjes bij duizenden. In oorlogstijd zou men ze zeker als Ersatz-Bitterkers gebruiken. want zoo ruikt en smaakt ze precies. Op dezen zonnigen voorjaarsdag slenterde ik over de Noordelijke helling der heuvels, had Hel en Tankenberg bezocht en aan de zonzijde van een wal gelegen. Geluisterd naar Heggemusch en Winterkonink, naar Specht-gelach en Ekstergeschetter en onderzocht nu den grond, vol van allerlei. Het toeval wilde, dat ik er een paar fosforieten en een stuk walvischbeen ontdekte. Op het harde pad zwierven zwartbehaarde bijtjes, die er diepe schachten groeven en waarin ze verdwenen met klompjes stuifmeel aan de pooten. Mijn weg naar het Westen liep langs drie bronnen. Op de eerste is een put gebouwd, voor de watervoorziening van villa Egheria. De tweede ligt midden in een weide, en frisch opgeschoten groenglimmend gras wijst den weg, waarlangs het water de helling afsijpelt. Het was daar geel van Goudveil en tusschen de hooge vertakte stammetjes van Hypnum en Climaciummos, vond ik overal de slingerende stengeltjes met de breed aangehechte doorschijnende blaadjes van het teere levermosje: Lophocolea.



De derde bron ligt weer vlak aan het pad. Maar dat is zoo weinig beloopen en dus zal dit rustige plekje wel niet veel door toeristen bezocht worden. Ik wou, dat ik het u kon schilderen, zooals ik er van genoten heb, dien middag en nog twee maal in den zomer! Stel u voor, dat men geprobeerd heeft een hol in een berg te graven, zoo groot, dat er een arbeiderswoning in staan kon en dat men daarna het werk heeft gestaakt. Dit hol of deze nis nu is door de bron in den loop der tijden zoo uitgespoeld. Een handbreed is het beekje, als het over den weg naar beneden rolt. In het midden der kom vloeit en sijpelt het over een breedte van eenige centimeters weg van onder een vlierstruik. De grond is er soppig. Ze veert onder je voeten als een volgezogen spons en lagen er geen doode takken en boomstammen te verrotten, ik zou niet bij het Goudveil hebben kunnen komen, dat er zoo heerlijk dicht te blinken stond. Op dien stam kon ik zitten en de wilgekatjes ruiken, waarin de bijen zoemden. De zon scheen er zoo heerlijk op en daar voelde je de kille Maartsche wind niet. Het was een vreeselijk mengelmoes van heesters, dat er was opgeschoten. Lijsterbes en Aalbes, Bramen en Frambozen, Mei- en Sleedoorns, Wilg en Els, Hazelaars en Esschen, 't groeide en tierde al in en om deze bronnekom! Een mensch komt er nooit. Er wordt niet gehakt en niet gekapt. Niet gezaaid en niet geoogst. Alleen de Natuur doet hier haar werk. Zij zendt de vogels om er te zaaien. Juist kwam er een merel drinken, toen ik er zat. Een roodborstje wachtte tot ik verdween; een zanglijster zong er in een fijne den; een gaai krijschte er in de lage eikjes; pimpels slierden en hipten van tak tot tak. Zij allen zijn zaaiers en poters van onze wilde bosschen en ook van dit wilde drassige hoekje om de bron.
Aan de andere zijde van den weg rolt het water lustig verder over een helder bed van zand en kiezelsteentjes. Het is een beekje, zooals er zooveel in de Lutte zijn, en die men bij een der vele watervallen heusch kan hooren kabbelen.

"Hoort, hoe die twee waterleikes
Vluchtig vlietende onder 't gers
Over zanden over kelkes
Nooit van loopen en zijn dwers.
Hobbel, dobbel drets en drevelend
Krinkle, winkele weg, al krevelend
Nu alhier en dan aldaar
Loopen ze, ik en weet niet waar.
Nauwlijks eerst een duimke diepe,
Nieuw geboren onder 't zand,
Worden ze haast een zilver striepken
Half zoo breed als heel mijn hand:'
(GEZELLE)

Langs de boerderij Weusthof gaat het pad de hoogte in. In het tuintje staan groote pollen Lenteklokjes, sneeuwwitte kelken met groene oortjes. 't Is nu al bijna 25 jaar geleden dat ik er Heimans gidste en hij op een ouden wal hier vlak bij, die Lenteklokjes in 't wild zag staan, een unicum voor Nederland!



Aan denzelfden wal groeit de fijne Gebogen Beukvaren, die alleen van Zuid Limburg bekend was. Een jaar later moest ik op een sneeuwigen Februarimorgen de bekende botanicus Kok Ankersmit uit Apeldoorn bij die grootere zuster der Sneeuwklokjes brengen en hoewel wij toen meer dezer wallen hebben afgezocht, geen toonde ons nog de gezochte lenteboden.

Zooals overal heeft de Botanicus er in Juni den rijksten oogst te wachten. De bergweiden staan vol kleurige orchideën; de dalen vullen zich met geel van Bosch-Wederik; langs de wegkanten ijle schermbloemen en Gamander, roode Koekoeksbloem en Kattestaart; bij Klieverik en in de Hel de glazige stengels van Springzaad met de groote hangende trompetvormige gele bloemen. Daartusschen staat het zeldzame Heelkruid en 't Klein Glidkruid met de rose bloemen. Bij Klieverik, is de zeer zeldzame Agrimonia odorata (Welriekend Leverkruid) door wegverbreeding verdwenen. Ten zuiden der (vroegere) Belvedère staat het Klein Wintergroen te pralen met de wasachtige klokjes; daar slingert zich de spitse Wolfsklauw tusschen boschbes en dennen en bollen de zeggepollen in allerlei kleurennuances van groen met korte en lange, met smalle en breeduitplooiende aartjes boven het lage grut der greppelkanten.

Mei en Juni zijn ook de vogelmaanden bij uitstek. De Bonte specht hamert er duchtig op los. In 1917 wist ik het nest te zitten in een grove den en zagen wij, op een ekskursie met Amsterdamsche studenten, een der ouden, die de schreeuwende jongen kwam voeren. Boomklevers hoor je overal en Zwartkopjes nergens meer dan hier in de hooge eiken. De Fluiter in de beukenbosschen; en in de nestkastjes op het Zwaantje de Zwartgrauwe Vliegenvanger. Hier broeden ook de Zwarte Specht en de Groote Lijster.



Als het groen der boomen eenstemmiger in kleur wordt gaat de jeugdige hartstochtelijke zang der vogels verflauwen. Het land krijgt een zomersch aanzien. De aardappelvelden zijn gewied en vertoonen toch gelukkig nog wat bloeiende netels. Het koren is in de aren geschoten en streelende laten wij de halmen door onze vingers glijden. En dicht langs het eikenhakhout loopt een pad, van waaraf wij een heerlijk vergezicht hebben over de als dikke kussens gebolde akkers.
Wij weten er veel van die paadjes, waarvan een tijdgenoot zoo toepasselijk zong:

Daar loopt een wegje door 't korenland,
't Is maar zoo breed als een menschenhand.
't Is overbogen
Door aren, hooge,
Twee wijde velden aan iederen kant.
't Loopt zoo verborgen de wereld door.
't Gaat in de weelde van 't graan te loor,
't Kruipt onder de aren.
Ik zie het zoo garen,
'k Geef al de wijde wegen er voor,
(AUG. PEAUX.)

De golvende korenvelden van de Lutte! 't Is een stralende zonnedag in 't begin van Juli. Hoog welft de blauwe hemelkoepel! De zonnestralen, door geen wolkje getemperd, doen de zacht deinende halmen voor ons schitteren als goud. In 't verschiet het kerkje van de Lutte, verder de torens van Bentheim, Schüttorf, Gildehaus. Achter ons lokt de koelte van de bosschen van het Kruusselt, waar het licht slechts spaarzaam door het dichte bladerdak dringt. Maar toch even moeten we in die goudzee ondergaan, even de weelde er van aan onze handen voelen.

'k Sta geren te midden
de velden alleen
En 'k schouwe in den
diependen hemel. .....

We gaan verder en richten ten slotte weer onze oogen naar den grond, waar tusschen de rogge het ijle reukgras, doovenetel, welriekende akkerdistel, lamsla, ruige wikke met weinig in 't oog loopende grijsblauwe bloempjes, onze aandacht vragen. Langs smalle paadjes, soms begrensd door eiken hakhout en elzen waar tijftjaf, fitis en winterkoninkje nog hun liedje laten hooren, waar de roggeakkers nu en dan worden afgewisseld door bloeiende boekweitvelden, overgonsd door een leger van honing zoekende bijen, komen we aan het kerkje, dat aan de achterzijde in de koelte van oud geboomte verscholen ligt. In het dichte struweel langs ons pad hooren we voortdurend waarschuwende geluidjes en haastige beweginkjes. Daar weer een nadrukkelijk: tèk, tèk. Voorzichtig sluipen we nader. Wat een aardig tooneeltje, een zestal donzige, kleine, goudbruine winterkoninkjes, 't parmantig staartje recht overeind, lustig van tak op tak wippende.
Volgen we den Losserschen weg naar rechts, dan zouden we aan de spoorlijn komen, waar langs ons de weelde van de rijke bloemstengels van Orchis latifolia en Platanthera bifolia opvalt. Nu over een zandweg door heidevelden naar een bijna ondoordringbaar sprookjesachtig bosch.
De bodem is er zoo vochtig, dat een pad, dat blijkbaar zeer zeldzaam wordt betreden, slechts gedeeltelijk te volgen is. 't Gaat schuil onder vergeet-me-niet, munt en walstroo, waartusschen forsche stengels van Epipactis palustris opsteken. Later verdwijnen de droge plekjes geheel en moeten we terug. Door heide en bosch, waar Arnica wuift onder ruischende dennen, komen we weer op den straatweg uit. We gaan bij voorkeur de weinig betreden paden en zoeken onzen weg langs korenvelden, hooggelegen esschen met ruim uitzicht of opgaand eikenhout. Langs den weg Wilgeroosjes, Boschandoorn, Oievaarsbek, Helmkruid, Fraai Hertshooi, Wederik.



Daar zien we iets blinken door het kreupelhout: water. Een verborgen vijvertje, waarover een wilg zich buigt. In den stronk van een ouden wilgenstobben verdwijnt een meesje met voer in den bek. 't Haast zich weer weg. Even kijken! Ja. een nestje! 5 jongen, al geheel in de veertjes, houden zich bij onze nadering geluid- en bewegingloos. Hoe aardig! Langzaam stijgend komen we aan een punt, waar ons opnieuw het heerlijke vergezicht over het wijde land treft. Rechts van ons het bosch "de Volker". Het geheimzinnig droomerig halfduister trekt ons aan. De bodem is er bedekt met het glanzende blad van Maagdepalm. Struiken, rijk beladen met wilde frambozen, zijn bereid onzen dorst te lesschen. Boschgeuren en vogelstemmen lokken ons steeds dieper in deze heerlijke wildernis.
Bij de boerderij Ophuis volgen we den zandweg naar de Belvedère. Nu een prachtvol vergezicht, weer over golvende korenvelden naar 't Noorden: Denekamp-Nordhorn. Een slingerend pad voert ons langs hooge eiken en dennen tot we bij de boerderij Middelkamp door een weide in de "Hel" neerdalen. De grond is er vochtig. Wanneer we de helling van het diepe dal afglijden, zien we dat de bodem bedekt is met de teergroene blaadjes en zachtgele bloemen van Impatiens Nolitangere, waartusschen het zeldzame Heelkruid moeilijk is te vinden. Ook hier treft het getemperde licht; de heerlijke stemmige stilte, slechts verbroken door een late, matte zang van tuinfluiter en zwartkopje.





Ook hier een plekje waar we ons bijna niet kunnen losrukken en dat tot droomerig rusten en genieten lokt. Maar toch - na de schemering der dichte bosschen willen we nog eenmaal het wijde land overzien! En we volgen het pad dat naar den Tankenberg leidt. Daar zullen we herinnerd worden aan den tijd der heidenen, die hier hun tempel bouwden. De Oldenzaalsche kei moet er als offersteen gediend hebben.
Kwartsen, toetssteenen, Silurische zandsteen en kwartsieten voeren onze gedachten terug naar nog langer vervlogen tijden, toen de kern van dezen heuvel uit oude zeeklei. werd omspoeld door de golven van een der Rijn-Maas of Vecht-Ems monden en hier hun zand en grint afzetten. Keileem, granieten en licht gekleurde vuursteenen zijn later door schuivende gletschers uit het Noorden hierheen gebracht. Maar hebben we eenmaal den top bereikt, dan worden al die herinneringen uit overoude tijden verdrongen door het heden! De oneindigheid van het wijde golvende land! De heuvelen en de dalen, de bosschen in wazige verte, de boerderijen opduikend uit het groen; de torenspitsen, blikkerend in den zonneschijn! En om ons de stilte, de wijdte, het gouden licht! Heel de bekoring en de weelde van dit rijke land voert onze gedachten naar hooger sfeeren, waar geen aardsche droefheid en bekommernis ons volgen, waar alles blijdschap is - vrede - harmonie!

“Und meine Seele spannte
Weit ihre Flügel aus,
Zog durch die stillen Lände
Als zöge sie nach Haus."

Nog eenmaal moeten we naar de Lutte. Als October zijn lichte zonnige luchten stralen laat over de aarde en het heldere hemelblauw dag aan dag te genieten is.

“dan is 't me een lust door 't bosch te dwalen,
en in den koelen najaarswind
eens ruim en zuiver aam te halen:
den Herfsttijd heb ik steeds bemind”.

Den Herfst met zijn kleurenpracht, van geel en rood en brons en bruin! De ijle, lichte lucht omhoog; en beneden op het mos de paddestoelen in al haar verscheidenheid van verven. De atmospheer straalt van overvloed. van onbezorgdheid en van blijheid, zooals men slechts vindt in de landen van de zon. Op de Lutter heuvelen zijn wij in het centrum van het graanland, het aardappelland, van wouden en weiden, van bergen en valleien; een overrijke aarde, welke hare weldaden schenkt aan wie maar de minste moeite neemt ervan te proflteeren, materieel en geestelijk!

Ons Dinkelland (1926): Steenen zoeken

Hic Solum Saxaque Loquuntur.
Hier zullen spreken de bodem en de steenen.

STEENEN ZOEKEN.

Gaan we vandaag. meester?
Als het niet te druk loopt op 't Museum. ja. Niet eerder dan half zeven. Bij zomertijd zijn de dagen lang en is 't om tien uur nog licht. Als er nog late bezoekers mochten komen, gaan ook zij mee. Keien kloppen. Al heb je nooit aan geologie gedaan, toch wil je er wel eens wat over hooren en zien. Daarbij zoo'n les in de heerlijke natuur aan den rand van een bosch op een zoele zomeravond is op zichzelf al een genot.
Wij gaan naar de Lutterkant, richting Oldenzaal. Ik weet daar achter in Beuningen op de Noordhelling van het heuvelen-complex, dat de Hakenberg als middelpunt heeft, een paar grintgroeven, waar heel wat moois is te vinden. Je slaat af tegenover de Beuningermolen, de zwarte sintelweg, die door een handwijzer aangegeven is met als opschrift: Hakenberg. Als je een tien minuten geloopen hebt, begint de weg te klimmen. Een rug van hoog bouwland strekt zich in Westelijke richting uit. Langs de roggeakkers staan hooge palissaden van opgaand hout, walheggen met een ruige ondergroei van bramen, wilg, struis- en boendergras. Daar vond ik op Allerzielen 1924 tusschen de ontbladerde twijgen drie nesten van de Dwergmuis, ons kleinste Zoogdier. Twee waren onbewoond. Uit het derde sprong, toen ik mij door de bramen heenwerkte en de hand naar de nestopening uitstak, het kleine diertje als een donker iets omlaag en was op den begroeiden bodem in veiligheid. Zoek hier op een plekje grond, dat nog bosch is, naar een greppeltje. De wanden er van zijn uit gele leem met keien opgebouwd. Het is de vruchtbare keileem, die hier een begin neemt en de heele Lutte pleksgewijze bedekt.



Zouden wij onzen weg vervolgen die rechts ombuigt, zoo kwamen wij op den grintweg naar Oldenzaal terecht; daarom slaan wij links af, daar waar weidegrond helt naar het Zuiden en waar verder de bodem weer rijst tot een dennebosch den horizon afsluit. Een enkel rood dak, waaronder inboorlingen de ouderlijke traditie voortzetten, ligt hier en ginder tusschen wat vruchtgeboomte. Bontgevlekte koeien verplaatsen met moeite het logge lijf, terwijl rose varkens dartelen en stoeien in een gevlochten loop, of ook wel geheel vrij weide en bosch afsnuffelen.
Waar de weide als de twee bladen van een openliggend boek naar elkander neigt, heeft de boer een drinkplaats gegraven voor het vee. Als we even kijken zien we, dat de wand uit vette groenachtige klei bestaat. Eoceene klei met een dunne bedekking - nog geen halven meter - van diluviaal zand en grint. Nu zijn we in een paar minuten bij den zoom van het bosch. Meerdere grintkuilen liggen hier op een rijtje. Sommigen zijn vol water geloopen. Het grint is weggehaald en men kwam op klei of ... het grondwater had de overhand en verder werken was onmogelijk. Groote brokken steen liggen op hoopen aan de kant geworpen; voldoende materiaal om er een hamer op stuk te slaan.



Nu gaat het er op los. Uit de rugzakken komen hamers en een schopje tusschen oude kranten te voorschijn. Een paar doosjes rollen al in 't zand. Van de groote keien moet een stuk worden afgekapt. En evenals Siegfried, met het geweldige zwaard, slag op slag het vreeselijk monster trof, zoo ketst en botst en knarst het staal des mokers op het glasharde kwartsiet. Als je een bloem wilt leeren kennen, moet je er van binnen inzien. En wie een mensch wil begrijpen moet niet alleen naar jas of japon schouwen. Zoo moet je ook bij steenen doen. Niet alleen de buitenkant, maar ook de binnenkant dient bestudeerd te worden. Beide zijden verraden den aandachtigen beschouwer vele geheimen. En een steen heeft er vele. Vele puzzles, die alleen bij streng logisch redeneeren op te lossen zijn. Het kost moeite, doch die wordt door het vinden van de oplossing beloond.
Bezie eens een half dozijn steentjes aandachtig. Onmiddellijk zullen u opvallen: het verschil in kleur; wit, rood, grijs, zwart, blauwachtig, gevlekt; - het verschil in breuk; glad, korrelig, splinterig; - de verscheidenheid in samenstelling: roode vlakken met lijntjes, rose korrels met grauwe lijntjes.: rose korrels met witte stipjes; witte brood met bruine krenten; zwarte pekachtige gesteenten met onregelmatige holten, enz. enz.
Zal dit alles u ooit duidelijk worden? Zullen het meer zijn dan onbegrijpelijke hiëroglyphen, runenteekens uit lang vervlogen eeuwen, die toch ook de mensch van heden weder heeft geleerd te ontcijferen! Ook de taal, die de steenen spraken, was tot voor kort nog onverstaanbaarder dan hiëroglyphen schrift. En toch: ……. : "de steenen zullen spreken". Zij zullen ons vertellen, hoe zij ontstaan zijn, onder welke omstandigheden, waar hun geboorteplaats ligt? hoe zij hier gekomen zijn? wat er van ze worden zal!
Onze studie begint, terwijl de kronen der dennen zachtjes wuiven en heel ver achter de heuvels van 't westen gouden zonne haar dagtaak eindigt. Wij gaan de gevonden steenen sorteeren naar de kleur.
1. De witte en glasheldere. Het zijn kwartsen, in de volksmond kiezelsteentjes genoemd. Scheikundig bestaan ze uit Si O2, d.w.z. kiezel + zuurstof. Een steensoort van eenvoudige samenstelling. De witte zijn wit door millioenen kleine luchtblaasjes, die evenals luchtbellen in het water de glasheldere stof een melkwit aanzien geeft Wij noemen deze melkkwarts. De andere soort: Vetkwarts. Kwarts in kristalvorm heet bergkristal en wordt als Rijnkiezel in borstspelden gedragen. Is helder als diamant.
Tusschen onze voorraad liggen er ook die een rose of gele tint hebben, maar overigens net zoo uitzien. Het zijn kwartsen, die door ijzeroxyde of een roest van een ander metaal gekleurd zijn.
Een druppel inkt kan een glas water blauw kleuren. Een korreltje kamijn een zelfde hoeveelheid rood. Zoo ontvangen ook vele gesteenten hun kleur door de roesten van metalen, welke er tijdens het ontstaan ingedrongen zijn. Wij kunnen gerust zeggen, dat bijna alle gesteenten in de aarde zijn ontstaan. De rest in water. Als nu kwarts opgelost is in water, en dit water bevat nog tegelijkertijd bruine ijzerroest, dan zal wanneer het water verdampt de ijzerroest zich vermengen met het kiezelzuur en een rood getinte kwarts vormen.
2. Nemen we eens wat zwarte steenen uit onze voorraad; wij zien daaronder al gauw drie soorten.
a. Kantige brokjes als prisma's rechthoekig, en ook wel ruitvormig afgesneden, vaak met witte aderen of lijsten er door. Deze noemen wij toetssteenen, omdat ze vroeger gebruikt werden om er goud op te toetsen.



Ze bestaan uit witte kwarts maar zijn rijk doormengd met zwarte koolstof (van verrotte planten of dieren afkomstig). Laagsgewijze afgezet op den bodem van een diepe zee, hoe weet men nog niet precies, maar 't is millioenen jaren geleden. Ze komen o.a. uit het Kambrium van de Ardennen en zijn dan door Maaswater naar hier gestroomd. De hoekige vorm hebben ze gekregen door druk en verzakkingen in de bergen, toen ze nog deel uit maakten van de Ardennen. Ze zijn weinig door het water afgerond, omdat ze uit massieve kwarts bestaan; een stof heel hard niet alleen, doch ook moeilijk in water oplosbaar.
b. Vuist- en kopgroote onregelmatige brokken, soms met holten waar je een pink in kunt leggen. Het zijn lei-kwartsieten uit Jura-lagen in Westfalen afkomstig, door Vecht, Ems en later wellicht nog door 't ijs naar Beuningen vervracht. Het zijn samen klonteringen van kwarts en koolstof (of klei) tusschen kleiafzettingen en bevatten vaak afdrukken van Ammenieten en geelschitterende pyrietkristallen.



c. Platte stukken. duidelijk gelaagd als een stapel pannekoeken, splijt gemakkelijk in één richting. Het zijn leien, eens uit zeeklei in het Eifelgebied ontstaan, in het verre, verre verleden, in dat gedeelte van het Primair, dat we het Siluur noemen. Sommige zijn gebogen, geplooid; soms in de bergen gebroken en gekit met witte kwarts. Er zijn er bij, die schelpafdrukken bevatten. Deze zijn uit een later tijdvak: de Jura. Aan de buitenkant zijn ze min of meer bruin of grauwachtig verweerd. Daardoor zijn ze steeds te kennen van de Toetssteenen. Ik vond ze, die zoo vergaan waren, dat je ze met de vingers tot poeder kon wrijven.
3. Wat hebben we nog over?
Bonte steenen, veelkleurige bloemen, rood, zwart, met magnefieken glans, doorspekt met glimmend zilver en plekjes van bruidssuiker. Een wonderlijke hocus pocus. Geen wonder ook. Diep in de aarde is dit gesteente ontstaan, uit gloeiende gesteentebrij, magma noemt men dit; het is een mengsel van mineralen in een gloeiende oven gesmolten bij ca. 2500 graden C. en langzaam in diepe spelonken der aarde, zeer langzaam in vasten toestand overgegaan. Gestold magma dus. En van de schooljaren zullen we het ons herinneren, dat wanneer vloeibare stoffen in den vasten vorm overgaan, ze ieder een eigen vorm aannemen. Wij denken aan sneeuw en ijskristallen, aan klontjes en zoutkristallen als bekende voorbeelden.
Als het magma der aarde door afkoeling gaat gaat kristalliseeren, ontstaat er een kristallijngesteente, wat men graniet, porfier of basalt noemt. Deze drie namen beteekenen niet hetzelfde. Of de een en niet de andere steensoort uit magma ontstaat, hangt van twee omstandigheden af.
a. Van de samenstelling van het magma.
b. Van de wijze van afkoeling, snel of langzaam
In het algemeen, d.i. zonder grove leugens te verkondigen, kan men zeggen: Als magma zeer langzaam afkoelt, ontstaat er graniet. Als magma tijd en gelegenheid heeft enkele kristallen te vormen en de rest, als hutspot, stolt, ontstaat Porfier. Als magma zeer snel afkoelt, zoodat zich slechts enkele fijne puntjes als kristallen kunnen afzetten en het magma weinig kiezelzuur bevat, ontstaat er Basalt.





Graniet, Porfier, Basalt.
Deze drie soorten moeten we eerst uit elkaar zien te houden. Nu is Basalt een zwarte steensoort met hier en daar enkele glasachtige puntjes. Ze wordt vaak tot verharding van wegen gebruikt en dus daar 't best te bestudeeren. Tusschen grint vinden we het uiterst zelden.
Zoeken we nu naar porfieren. Dat is in den beginne heusch niet gemakkelijk. Als je er een vinden kunt, die er uitziet als 'n krentebroodje: deeg met hier en daar een vlekje, gewoonlijk roodachtig, dan hebt ge allicht een Porfier in de hand. Het deeg kan grauw zijn, zwart of geelachtig, grijs of hoe ook, altijd moet het een ondefinieerbare homogene stof zijn, waarin andere blokjes of korrels ingelegd zijn. Het deeg is niet glanzend, de ingelegde stukjes Veldspaat wel. Daar gebruikte ik een nieuw woord, dat ik u dadelijk verklaren zal. Met deze andere steensoort. Graniet noemen we dit. Zie hier op het versche breukvlak een rozig, glimmend vlakje. Daar zit er nog een en . . . wacht even, de steen een beetje schuin houden. Daar spiegelt er nog een en daar. De steen zit er vol van. Dat zijn alle Veldspaatkristallen. De scheikundige formule daarvan is: K2O. Al2O, 6Si O2. Voor wie dit abracadabra is, dient dat de voornaamste beteekenis hiervan is : Veldspaat is samengesteld uit Kiezelzuur + Kalium + Aluminium. Er zijn een viertal soorten van Veldspaat. In plaats van K20 kan er ook staan: Na20 of Ca 0 of Ca 0 Na20. d.w.z. de Kalium is vervangen door Natrium of door Calcium (= kalk) of door Calcium + Natrium.
Veldspaat is altijd te kennen aan de gladde, spiegelende vlakken. Kwarts is op de breuk oneffen. Veldspaat kan behalve rose, ook heel lichtblauw en wit zijn, kan ook in gepolijste natuursteen aan winkelpuien glanzen als paarlemoer!
In Graniet zitten nog twee verschillende dingen:
a. Roetzwarte stippen of vlakken, met glanzende breuk; dat is Hoornblende. Soms kan de heele steen er uit bestaan.
b. Glimmer, zilverwit, gitzwart, goudbruin. Splijt altijd in dunne schilfers. Met een zakmesje of met een speld zijn gemakkelijk plaatjes los te peuteren. Witte glimmer heet mica; zwarte glimmer: micaniet.

Als ge nu veldspaat kent en daarbij weet, dat het verweerd als wit krijt uitziet - zie naar de buitenkant van den steen - dan zult ge het, veel kijkende, langzamerhand in meerdere gesteenten kunnen ontdekken. Het zal u de sleutel zijn tot het openen van allerlei laadjes, waarin de verschillende steenstoorten straks komen te liggen.
Maar het is al donker geworden. Nu moeten wij naar huis. De Nachtzwaluw vliegt met ruischend geluid en vleugelkleppend als een duif, uit het dennebosch en scheert om de kronen, snappende nachtuil en mestkever. Je hoort hem ratelen orrrr - errrr, op twee verschillende toonshoogten. Het is net of de eene bij 't uitademen, de andere bij 't inademen wordt voortgebracht.