woensdag 29 januari 2014

Wandelingen door Nederland - Overijssel (1928): Nijverdal - Ommen

Den volgenden morgen, als 't hotel nog in zeer vroege ochtendstemming is, ben ik de Haarstraat al uit, over de spoorbaan en van den grintweg naar Nijverdal af, weer een zandweg op. Geen mooiere wandeling dan "door 't veen" naar Hellendoorn, het groote Rijssensche veen waarvan dit, ten N.W. der stad, een matig nat overblijfsel is. Voor een moeras tenminste, voor weigrond dien het voor moet stellen is 't weer veel te nat. Het is in talrijke stukken en stukjes verdeeld, met ijzerdraad aan kromme paaltjes afgescheiden; aan den kant van het voetpad ligt een breede sloot, de Maatgraaf, waardoor massa's water Oostwaarts naar de Regge worden afgevoerd. En nog is het terrein hier en daar zoo nat, dat de koeien bij tijden 'n stuk in den sponzigen bodem wegzakken en voor eiken stap de pooten moeten lostrekken. Waar koeien zijn, - op sommige plaatsen blinkt water in kleine kuiltjes waarover de witte zijdevlokken van 't wollegras heenwuiven; ook wordt er turf gestoken, of 't zijn maar schadden die in de kleine zwarte huisjes, de "schöpkes", geborgen worden.
"Turf in de wei" is nog zoo slecht niet. De grond is ook rood van zuring en koekoeksbloem, waartusschen 't zilveren blad aan de kruipende stengels der gevindbladerige ganzerik, terwijl de sloot met vergeet-mij-niet, waterranonkel en kikkerbeet dicht bevolkt is. Berkjes en wilgen staan verspreid. De boeren gooiden puin op 't land om de gaten te dichten; een beetje zand erover, dan groeit daar best gras op. Ziehier een van de vele punten waar voor het bestuur van 't waterschap "De Regge" nog werk is.

Een weg linksaf leidt naar den Holterberg, ik ga recht door langs een loofboschje en, iets stijgend, weer op droger grond waar het dennenbosch begint. Een paar kleine boerenhuizen liggen zoo vreemd tusschen 't hout, doch frisch in den geurigen morgen; dan de groote eenzaamheid. Ik houd een rand van hooge op zijn minst 50-jarige dennen die 't pad met naalden hebben overdekt; aan de rechterhand is het land kaal, daar ziet men de drie hooge fabrieksschoorsteenen van Nijverdal in de verte, achter elkaar als een stel masten. Wat zonderlinge zwartgejaste mannetjes staan op dat veldje in gesprek, ge zoudt zeggen uit een sprookje, tot ge bemerkt dat het jeneverstruiken zijn. Ik bereik den zandweg van Holten waar die van 't Zuiden af het bosch uitkomt; hier ben ik aan den voet der heuvelen. Een laan klimt op tot den Haarlerberg en naar Haarle, dat weer daarachter ligt; mijn richting is rechtuit over de heide. Rechts een veenplas waar de wulp zijn langgerekt oewiet door de hooge lucht roept. Kom in den voorzomer niet te dicht bij 't water, of wat daar broedt vliegt u als razend rondom 't hoofd. Een onweersvogel, die wulp. Eens hoorde 'k hem daar terwijl hij tegen 't grauwe wolkenpak zijn kringen maakte en waarschuwend oewiet oewiet oewie-et riep. Toen kraakte de lucht, de eene grommelschoer na de andere schoot erdoor en kletsende regen viel op hei en dennen. Ik hing mijn jas als een dakje in 't struikgewas en ging eronder zitten. Vlaag op vlaag schudde de druipende takken en sloeg me tallooze druppeltjes in 't gezicht. Doch de vogel trok zich van de bui niets aan. Slechts even was hij op den grond of door 't geraas niet te hooren, dan vertoonde hij zich weer en zwierde, en schreeuwde ... Een andere heerlijkheid van deze heivlakte tegen de halfgeschoren heuvelen is het roerkruid, zoo schoon rood of wit en fijn gepelsd; een die verblijdt wie hem tusschen de heidestruiken vindt.

Noetsele

Waar het open veld teneinde is volgt weer dennenbosch: even verrassend liggen daar de boerderijen tusschen 't hout: de buurschap Noetselen. Het pad is door paaltjes, d.w.z. in stukken gezaagde lantaarnpalen, als rijwielpad aangeduid. Een breedere weg zet het voort naar de huizen, en gaat den straatweg Almelo-Zwolle kruisen. Deze straat stijgt over den heuvelrug, terwijl de spoorljjn ernaast in eene insnijding ligt. In een dichtbij gelegen plantsoentje onthult een gedenkteeken, waarin dit dal zoo nijver is: eene vrouw, in de linkerhand de weversspoel, biedt den lauwerkrans (volgens opschrift) namens ‘de dankbare ingezetenen van Nijverdal aan G. Salomonson Hz,. bestuurder der Koninklijke Stoomweverij, bij zijn 50-jarig jubileum 1859-1909’. Ten N. O. van 't station lag de havezathe Eversberg.

Hellendoorn is niet ver meer. Uit het oude Rijssen, dat een vernieuwde nijverhaid slechts langzaam vernieuwde, kwam ik door t nieuwe Nijverdal dat aan de textielindustrie haar geheele bestaan te danken heeft, om nog geen 3 K.M. verder weer in den ouden tijd te belanden. Want Hellendoorn is oud, de kerk met haar tufsteenen muren doet in eerwaardigheid voor die van Rijssen niet onder. Al zijn de havezathen verdwenen, het landgoed Duivekate, waarvan de oprijlaan - met twee groote keien ter weerszijden, waaraan ijzeren kettingen - even voor ’t dorp den weg verlaat, heeft een verleden van bijna drie eeuwen. En van de oude gebruiken zou als in Rijssen te vertellen wezen; zoo is “töfelkesaoven”, duidelijker gezegd "tafeltjesavond”, ook daar althans ‘bij ’t volk’ nog in eere. Buiten Overijssel kent men de plaats alleen door haar Volkssanatorium. 'k Moet nog een heel eind noordwaarts loopen, langs vele huisjes achter ronden put, een kleine Joodsche begraafplaats enz., over eenen weg welke, hoewel aanvankelijk breeder dan die van Oldenzaal naar Ootmarsum, wat afwisselende begroeiing betreft daaraan herinnert, voor ik zoover ben; indien daar niet een handwijzer naar 't herstellingsoord gewezen had zou ik gemeend hebben verkeerd te zijn, want op het hek staat "Eele Berg". Het gebouw bevindt zich nl. op den Eelerberg en tot het schoone landgoed van dien naam hebben al zijn tijdelijke bewoners vrijen toegang. Den inboorlingen is eene wandeling naar 't sanatorium iets voor den Zondagmiddag; fietsen kan men er ook, of rechtsaf over een ander goed fietspad naar Pixen en Daarle. Meer prachtige zijwegen in 't zand volgen, door bosch en drassige weiden en hei met jeneverbes. En ziet, daar zijn zelfs schapen, een heele kudde witte en zwarte die juist op stap zullen gaan, komend uit het groepje huizen bij de veeljarige ophaalbrug over 't Overijsselsch kanaal, of wel "Trekvaart van Zwolle". Breed is het niet, de doorvaartwijdte van de brug ongeveer 6 Meter, 't verkeer matig. Een vijftal schepen per dag; van 120 ton, dan zijn ze groot. Mededeeling van den brugwachter.

De weg wordt smaller. Gem. Hellendoorn is ten einde, Hankate begint: weide aan weide. Waar de grintweg van RaaIte invalt, onder de buurschap Lemele, behoorend alweer tot eene andere gemeente (Ommen, vroeger Ambt-Ommen), staat een heel klein Protestantsch kerkje met 8-hoekig middengedeelte en een "schijnklok" - zoo als andere dorpskerkjes, bijv. dat te Jisp, een schijnorgel bezitten (geverfde latten voor pijpen) - die ten eeuwigen dage half tien aanwijst. "Nu is dat niet zoo erg voor dit kerkje, aangenomen dat de (eenige) Zondagsdienst om half tien begint, want een ander uur heeft men dan niet noodig en de wijzerplaat is van te bescheiden afmeting, dan dat de thuisgezeten Lemelers er op zouden kunnen kijken.

Achter dit kerkje "rijst op" - men mag het waarlijk zeggen: de Lemelerberg. Want er is iets geweldigs aan dien hoogen zandhoop met zijn breede flanken en lange hellingen, en het voorkomen van een Alp, een "Toter Alp", zoo kaal als hij is, afgezien van een heel smalle strook bosch slechts met wat heide begroeid. En ben ik, opnieuw door dicht bosch waar 'k een tweede wit-zwarte kudde schapen ontmoette, een eindje gestegen, dan zie ik links een zandheuvel, welks witte kanten als van sneeuw zijn. Het einde van den heuvelrug, evenwel, is zwaar beboscht.
Links verandert nu het landschap, de Regge wendt zIch Westwaart en de lage groenlanden moeten mee. Zij is hier even breed als 't kanaal; de brug is beter, een ijzeren Rijksbrug van 1902, en staat bekend als de "Nieuwe". De weg splitst zIch bij een rustende tol; rechtsaf naar Eerde. Daar verheft zich ook de laatste heuvel, de Bestmer. Een eveneens rustende molen stak twee kapotte wieken boven jonge dennen uit; die is goed voor afbraak. Dan biedt een groot veld een ruimen blik op kasteel Het Laar. En spoedig ben ik aan de Vecht, tegenover Ommen. En aangezien het beste hotel ook aan deze zijde ligt, genoeglijk aan het water, kom ik dien avond niet over de brug.

In Ommen is éene merkwaardigheid waarvoor men even moet oversteken. Niet het betrekkelijk nieuwe raadhuis welk eerste steen, volgens opschrift, door burgemeester Mr. W.A. van Laer 21 Maart 1828 werd gelegd, architect J.F. Creutzburg. Ook niet de Ned. Herv. Kerk die, hoewel oud genoeg om belangwekkend te kunnen wezen, ondanks houten toren met vier hoektorentjes, spitsboogvensters, een vierkant klokkenhuis met schalmgaten aan drie zijden, enz. vrij afzichtelijk is, buiten zoowel als binnen, buiten echter gedeeltelijk aan ’t oog onttrokken door de linden tegen den voorgevel en de kastanjes rond het koor. ’t Is een woonhuis in de straat tusschen belde, d.w.z. de gevelsteen eraan. Twee steenen tegen elkaar, de bovenste met "samenspraak" welke bekend genoeg moet zijn; gaven Van Lennep en Ter Gouw niet zés uiteengelegen plaatsen op, herbergen of winkels, waar ze in verschillende “lezingen" aan den gevel stond om den voorbijganger of een overbuur te vermanen?

Ommen is daar niet eens bij. Misschien herinnert de lezer zich, dat wij in 1925 dezelfde woorden op een Arcensche gildeplaat lazen. (Zie: Wandelingen door Nederland. dl. 1 (Noord-Limburg). blz. 66.). Omdat het vandaag bijna té warm is ga ik slechts tot Dalfsen. Na de regenperiode begint het land nu toch op te drogen; de stoffige weg loopt door bosch dat heet en droog is als geen bosch tot nu toe. De omstreken zijn, voor 't eerst sinds Delden, tamelijk bevolkt doch door eene bijzondere soort vacantiegasten: padvinders, kampjongens en -meisjes; de theosophen moeten nog komen.
Vroolijke kinderen in "Stad" reeds ontmoet, op zoek naar proviand, die uit hun kamp 't bosch inzwermden, zwemmen gingen of samenschoolden rond den leider voor een ernstig woord.
Die droogte duurt gelukkig niet lang, het bosch wordt weelderiger door meer loofhout totdat de Regge te voorschijn komt met groenland en koeien. 't Gebruik van de ophaalbrug kost den wandelaar 1 cent, waaruit zou volgen dat ze gemeente-eigendom is. De brugwachter bevestigt dit vermoeden en vertelt meteen, dat Stad en Ambt sinds 1 Mei 1923 vereenigd zijn.

Een eind vóor Vilsteren houdt het bosch op; in 't open stuk zijn mannen aan 't rogge maaien. Behalve rogge: aardappelvelden, een nieuwe R. K. kerk en een malende korenmolen. Een wagen, hoog geladen, rijdt voor mij uit; de zon schijnt op de lading welke helgeel oplicht tusschen de donkere boomen aan den weg. De huizen liggen in 't groen zoodat men venwacht na 't zonnige stuk eens heerlijk in de schaduw te gaan, maar dat valt tegen: door de kom van 't dorp ligt de weg ook in de zon en schaduw valt alleen over de huizen. Des te beter voor die ouderwetsche uitspanning met lommerrijken tuin, bij de kerk. Het Huis Vilsteren, een paar stappen daarvandaan, heeft als eenige merkwaardigheid een toegangshek met vier siervazen op pijlers, waarvan de buitenste lager staan dan de binnenste.

't Volgende kasteel, aan de Vechtzijde in een bosch gelegen, achter een lange oprijlaan, is het huis Hessum, uit de 19e eeuw en zelfs zonder mooi inrijhek. Op een groote weide over den weg zijn ze aan 't hooien, hebben 't laatste voer juist klaar, gelukkig - zegt een arbeider die, houten hark over den schouder, van 't land komt. Ik vraag, wie de eigenaar is. Baron M. of von M., een Duitscher. "Daar komt meneer net aan." Op de fiets. "Ja, als 't erg druk is helpt hij ook een handje mee." Hij is de eenige "baron" van de streek; hoewel op andere huizen in de buurt, van gewichtiger historische beteekenis, ook baronnen wonen of woonden, worden die door het landvolk nooit bij name met den titel aangeduid, alleen hij. - Iets verder, aan denzelfden kant, ligt de uitspanning "Madrid" in de zon, met boerderijtje waaraan nog gebouwd wordt. Vroeger vlakbij kasteel Rechteren, ergernis voor den heer, totdat de herberg eindelijk verdween. Nu kan men zich daar nog aan 't kasteel zelf een weinig ergeren, waarvan ook 't een en ander verdwijnen mocht. 't Is waar, zoo'n groot oud huis mag in twee verschillende stijlen gebouwd zijn, dat behoeft het oog niet te hinderen en spreekt van zijnen levensloop; maar wanneer een van die stijlen zoo is dat hij in 't geheel niet bij den anderen, oorspronkelijken, past, een vooral op afstand door het Fransche dak leelijke aanwas aan dat trotsche norsche half-middeleeuwsche gedeelte met de kleine vensters en den hoogen ronden toren, zou 't een goed werk wezen hem te verwijderen, indien mogelijk door verandering wat beter te doen aansluiten. Dichtbij bezien, kan men zich met het Louis XIV-front bijna verzoenen.

Om 't zoover te brengen dat ik dezen burcht in 't water kon zien liggen, aan het keurige plantsoen, m.i. beter bij dat Fransche gedeelte dan bij den roofburcht passend, moest ik weer 1 cent offeren, nl. aan het tolhuis Hessum. Dit was de eerste keer dat den voetganger wegbelasting werd opgelegd, door 't gemeentebestuur van Dalfsen, hij ontving echter in ruil een bedrukt kaartje waarop o.a. het gemeentewapen, bovendien kosteloos uit de pomp in 't huisje een glas koud water, hetgeen alles bij mekaar zeker meer waard was. Tenslotte wekt het kaartje, na thuiskomst in 't reisdagboek geplakt, zoete herinneringen aan Hessum, tolhuis, pomp en het gemeentebestuur van Dalfsen. Wat hem daar minder aardig voorkwam, dat waren de naambordjes van groote afmetingen vooraan elk dorp. Men hoort deze borden wel eene belangrijke verbetering noemen waarvoor alle weggebruikers dankbaar moeten wezen, 1e den toeristenbonden en 2e den gemeentebesturen, i.c. dat van Dalfsen. Maar, zullen hierdoor niet vooral die arme automobilisten nog minder gelegenheid hebben, met de bevolking in aanraking te komen? 'k Dacht juist, het is zoo goed en gezond voor wie snel reist eens stil te houden, uit te stappen, de beenen te bewegen en een praatje te maken. 't Gevolg zal zijn, dat onze eigen menschen even hulpbehoevend worden als de meeste buitenlanders hier reeds zijn, voor wie de uitvinding misschien erg nuttig is. In vorige eeuwen maakte reizen flink, een jonge man werd, ter voltooiing zijner opvoeding, den vreemde in gezonden en 't kwam dikwijls minder op zijn welgevulde beurs en introducties dan op eigen ondernemendheid, durf en doorzettingsvermogen aan, of hij slagen zou. Al zocht "men" vroeger ook in de diligence zijn gemak, mopperde op slechte wegen, slecht weer enz. Als 't zoo doorgaat zal er, om eene reis te doen slagen, niets meer noodig wezen dan de welgevulde beurs. Gesteld dat ik vooraan Rijssen een handwijzer gevonden had waarop "naar de oude pomp", of een gids met gemeentelijke uniformpet, 'k zou den meester niet aangesproken en niets vernomen hebben van al die fijne bijzonderheden welke men alleen in vertrouwelijk gesprek met de menschen zelf te hooren krijgt. Maak het U maar gemakkelijk, heeren van den weg, het reizen wordt er voor U - alles wél beschouwd - niet plezieriger op.

Gevel eener boerderij - Anno 1664 – op ‘Den Aalshorst’

De weg loopt op en wordt tot Vechtdijk. Een uitgestrekte uiterwaard, naar Dalfsen toe zich versmallend, scheidt hem van de rivier waarover men, staande aan de overzijde bij 't hotel, zoo gunstig en mooi gelegen, een zeer ruim vergezicht heeft, afgesloten door den boschrand waaraan, gelijk een bevestigingstoren aan eenen stadsmuur, de toren van Rechteren slank oprijst. Het dorp, drie of meer molens rijk, is tamelijk belangrijk. Dat het voormalig schoutambt dit vroeger ook geweest moet zijn, toont de groote kerk, weer gedeeltelijk van tuf, met hooge koorvensters en twee zijbeuken. 't Huis Rechteren heeft er zijn eergestoelte en eene grafkapel, groote zerken waarop o.a. Frederic van Rechter, en 't jaartal 1463 te lezen is. Het grafmonument tegen een der wanden is te vol wapens en letters om veel indruk te maken. Een orgel met klok, beelden en geschilderde blauwe gordijnen, vermeldt als zijnen maker Joh. Christoff: Scheuer.

Den Aalshorst

Ik ging weer over de brug en om 't stationnetje heen een grintweg op naar het Zuiden. In het bosch aan de rechterhand ligt eene kostbaarheid, een waarlijk in alles, bouwhuizen, buitengewoon sierlijk hek enz. voortreffelijk klein kasteel, 't huis Den Berg. Hieraan niets dat den eersten indruk verstoort. Integendeel, men wordt onmiddellijk gegrepen door dit schoone geheel van voornaam huis en tuin, verrukkelijk gelegen tegen 't zwaar geboomte, en men begrijpt dat hier iemand het beheer voert, die op kunstzinnige wijze de hand aan alles houdt. 't Is al prettig dit op te maken uit wat men ziet, in aanmerking nemend het groot geknoei aan schoone huizen en het treurig verval van zoo menig juweel van oude kunst; maar het te hooren uitspreken in geestdriftige bewoordingen zoodat ge zekerheid hebt dat hier in stand zal blijven; menschen te ontmoeten die, in de gelegenheid zijnde de schoonheid te dienen, het ook doen, dat is pas eene gelukkige ondervinding. 't Was in het tweede huis dezer familie (Van Dedem), een half uurtje verder in een ander bosch, ver van den openbaren weg aan het einde eener zeer lange laan en aan een stillen bebloemden vijver, dat ik deze mocht opdoen. Den Aalshorst. Het inrijhek, van een buitengoed bij Assendelft hierheen overgebracht, staat nog niet lang maar wel 't huis zelf, al heeft het veranderingen ondergaan waarvan ook 't opschrift boven de voordeur (einde 16e eeuw) een "renovatum" spreekt. En met dezelfde zorg waarmede mijn gastheer het uit- en inwendige ervan verzorgt, het in den eigen stijl herstelt, in 't oude metselverband waarvoor hij zoonoodig steenen koopt uit oude afbraak, onderhoudt hij de bijgelegen boerderijen waarvan alleen 't inwendige naar de eischen des tijds mag zijn - want het goed moet ook rendeeren - verzorgt hij, ten slotte, het landschap rond die huizen opdat én menschenverblijven én land, weiden en boomgroepen, sloot en vijver, te zamen vormen: een allerschoonst geheel. Zijn "natuurmonument je" zooals hij 't noemde.
't Spreekt vanzelf dat ik dien nacht, in het eeuwenoude huis aan den nu van maanlicht glanzenden vijver, in het ouderwetsche ledikant met gordijnen, omgeven door de diepe rust buiten, sliep als de prinses van 't sprookjesbosch.

Wandelingen door Nederland - Overijssel (1928): Hasselt - Genemuiden

Het wakker worden in deze omgeving was een langzaam genot. Fel streepte 't licht in de smalle openingen der blinden, ik gooide ze open en zag het water onder mij schitteren; het bosch was al warm, licht en vol leven. Wel zongen de meeste vogels niet meer maar de insecten gonsden des te luider. - Ik liep een gedeelte van de oprijlaan terug en bij den knak linksaf, in plaats van rechts naar 't hek, een zandweg. Hoog stonden de bloemen aan 't pad en bloeiden met alle kracht, nu de tijd daartoe zoo was ingekort. Het oogenblik moest worden waargenomen. Reeds begon de bladrijkdom der boom en te verdonkeren en te verdrogen.

De weg maakt een paar bochten en raakte aan 't bosch van de Hoonhorst (= Hohenhorst, horst beteekent: zandige, meestal met laag houtgewas begroeide, hoogte). De ingang, nieuw als het huis, ligt aan de Westzijde; daarvoor moet ge eerst door 't buurtje van dien naam, eenige huizen, herberg en R.K. kerk aan een pleintje. Menschen trof ik niet op straat, slechts geruchten drongen naar buiten. De meesten waren op 't land. Daar lag nog bouwland, waarlangs de nu zonnige grintweg liep, om het buitengoed Mattaram heen, 't laatste bouwland en het laatste bosch voorloopig, want het landschap veranderde geheel: als ik rechtsaf gaande de spoorbaan weer ben overgestoken, heb ik een langen rechten weg voor me waaraan groote boerderijen met veel hooibergen, en niets dan weiden daarachter. Alles is hier weidegrond. Enkele boomen bij de huizen, boomen aan den weg, doch nergens meer bosch. Nergens meer bouwland. In de breede slooten komt de mooie adderwortel vaak voor. Nog iets gaat nu 't landschap karakteriseeren, dat ik echter pas zie nadat ik, door den "Marshoek" over een verboden weg op den Vechtdijk gekomen en den spoorweg Zwolle-Meppel, hoog liggend voor de brug, overgestoken zijnde, in 't lage land daarachter ben afgedaald: de plassen. Kleine en groote waarin riet en waterlelies, steeds meer plaats vergend, totdat ze den omwonenden, door de biezen cultuur, een belangrijke bron van inkomsten worden. Ondanks al dit water hebben de menschen daar aan de Vecht niets goeds te drinken, wat de pomp geeft is ondeugdelijk; hun drinkwater halen ze bij den brugwachter die beter voorzien is. 'k Heb geen zin om terug te keeren, loop door tot een huis bij 't sluisje met ophaalbrug over de Binnenvecht, een kanaaltje naar Zwolle. Daar is 't weer goed, een oude boer wijst me de pomp en maakt 'n praatje. 't Land zelf, dat kon hier nog beter zijn. Zie 'ns aan, al die "rusken". Gelukkig is 't waterschap op komst (een gemaal wellicht?). 't Zal geld kosten, behalve door de oprichting misschien 8-10 gulden per H.A. (dat zou veel zijn) voor "leeg land", het hooge betaalt minder, doch dat hebben ze ervoor over. Want het wordt er aardig beter van. Hij woont hier met twee zoons, drie gezinnen, een bedient de brug. Het huis daar aan de overzijde van de Vecht zoo deftig gelegen tusschen zwaar geboomte heet Dijkzigt en is eigendom eener Zwolsche familie, maar ze komt zelden meer ...
"Het wordt er aardig beter van". Wanneer iedere Overijsselsche landbouwer dat allang begrepen had, zou 't er nu heel anders kunnen uitzien. Doch hoeveel tegenstand moest en moet het landbouwonderwijs niet overwinnen, van boeren die maar volhouden, dat eene wilde bevloeiing van willekeurig welk water voordeel brengt. "Bevloeiing" mag 't eigenlijk niet heeten, want die houdt men in de hand, haar toepassend als eene soort kunstbewerking; maar regen- en veenwater op de minst gelegen tijden 't land overstroomend geeft slechts schade. Zoo ligt nog veel wild en waardeloos in de provincie dat meestal geen slechte grond is, alleen schromelijk verwaarloosd. Na de markeverdeeling werd het land wel aangepakt, doch door een boerenstand, die over 't algemeen te weinig kracht had om het vele dat eraan te doen was aan te kunnen. De hulp der rijk geworden fabrikanten strekte zich zoover niet uit. –

Grootere rietplassen volgen. Aan een, vlak bij de Berkumerbrug over de Vecht, zette ik mij onder eenen boom neer om even te rusten en het geweldige verkeer over die brug gade te slaan. 't Is of oude tijden herleven toen álle verkeer over de wegen ging: een bijna niet onderbroken rij huifkarren, vrachtauto's, fietsers enz. begeeft zich in de richting van Meppel. Zoo ziet men 't niet eIken dag: markt geweest in Zwolle. Dat wil wat zeggen, Zwolle is een belangrijk boerencentrum en vertoont dan - hoe stil ook op andere dagen - eene marktdrukte waarvan wij in onze Geldersche hoofdstad niet veel weten. Alles uit de buurt trekt daarheen. Zoodat ge op eenen Vrijdag geen officieele personen der omliggende plaatsen thuis moet gaan opzoeken; wilt ge hen spreken, ga naar Zwolle en tracht uit te vinden in welk café zij zich plegen op je houden.

De wandelaar loopt dien straatweg een kort eindje, tegen den stroom in, en slaat rechtsaf. Daar is toch weer een stuk zand, een "horst" waar de bodem, met kreupelhout begroeid, iets opglooit.
Doch spoedig zakken we af, de Vecht is nabij; tegelijk met twee boerenwagens bereik ik 't Haarster veer. Ook op hun "skimmeI" staan jaartallen, verguld: 1857 en HD 1874 RK. Samen betreden wij de pont. De Vecht is hier breed als eene rivier. Aan de overzijde tegenover 't veerhuis ligt een groot gebouw in de boomen, op het hek lees ik Arnichem. Tegenwoordig vacantie-oord voor de jonge Dominikanen, leerlingen van 't seminarium te Huissen, en in dezen vorm uit de 1e helft der 19e eeuw, was het vroeger een heerenhuis dat eens - gelijk de leden van "Overijsselsch Regt" in hunne Verslagen en Mededeelingen van 1926 konden lezen - in handen der Protestanten voor geheel andere geestelijke doeleinden zou gediend hebben, indien de "vrijgevige" eigenaar ten slotte niet onbetrouwbaar was gebleken. - Haerst is wat zonnig; behalve weiden ziet men roggeveldjes tusschen de verspreide huizen. Waar links in de boomen 't huis Den Doorn zich even vertoont, gaat de weg weer onder eiken; eene van de plaatsen, waaraan de naam der Overijsselsche familie Van Haersolte (eertijds ook Van Haerst geheeten) verbonden was en nog is.
De weg bestijgt nu den dijk, makende een lus rond eenen Vechtarm, bekend als de Zijlkolk. Vol riet en plompen, waartusschen de waterhoentjes druk doen. Talrijker worden de plassen; aan sommige zit een eenzaam visschertje. En de dijk wordt steeds gewichtiger. De huizen kruipen achter zijn beschermend lichaam weg; indien ervoor, dan op ongeveer gelijke hoogte met de kruin. Waterlast, men weet er hier zoo goed als in heel Overijssel van. Dit natte voorjaar stond de wei weer zóolang onder, dat de koeien begin Mei nog niet naar buiten konden. Of 't schaálijk is, vertelt 'n vrouwtje in een der huizen, dat ik langs een trapje bereikte. Laat men haar echter te vroeg de wei in, dan trappen ze 't natte grasdek stuk. Wat goede weigrond nog aan zorgen vereischt! Ten eerste de ligging, niet te nat en niet te droog, dus de afwatering; dan het vlak, niet bultig, geen hellingen; dan de zode zelf, de grassoorten, waartusschen liefst geen boosdoeners als de "roobol", - en om 't alles aan den gang te houden, de bemesting.
't Water is hier in de dreigende hand: een te-veel kan het land op alle punten kwaad doen. Een goede, in elk opzicht gezonde weide is des boeren trots. Daarom mag men zich erover verwonderen, dat zoovelen die "met heel hun hart" boer zijn toch zoo weinig hun verstand gebruikten, dat ze niet eens de slooten schoonhielden. Zooals elke boerin de keuken ijverig keert en huis en erf op orde houdt, zoo moest haar man het "vuil" van 't land bijtijds verwijderen, opdat daar niet de boel in 't honderd loopt, de grond verzuurt, het vee er niet terecht kan. Maar met schoone slooten alleen is 't niet gedaan.

Er waren trouwens nog andere redenen, als de slechte verkaveling, welke vele boeren zoo onverschillig tegenover hun eigen land deden staan. Om die moeielijkheid te overwinnen heeft men eenige jaren geleden een goede hulp in de gewijzigde Onteigeningswet gekregen. Wanneer een complex landerijen door verwaarloozing te weinig opbrengt, kan het nu in handen eener vennootschap worden gebracht, welke het met of zonder medewerking der eigenaren op betere wijze cultiveert. In verscheidene provincies zijn ze opgericht, met gemeenten (en Rijk) als deelhebbers, meteen ter bestrijding van de werkloosheid. Op onzen grooten tocht van 1926 leerden wij zoo eene kennen, "Het Lantschap Drenthe". Ook hier was men doende, iets Noordelijker, onder Staphorst; daar heeft de Ontginningsmaatschappij "Overijssel" een tamelijk groot weidegebied, in treurigen toestand verkeerend, onder handen genomen.

Hoe 't alles er daar op aan komt! Want hooi moet er wezen, véel hooi. Hoe verder ik kom, des te meer hooibergen en melkkoeien in verhouding, melkbussen aan den weg en de stevige melkers naar 't land stappend, de rechte emmers, beneden even breed als boven, binnen rood en buiten groen, aan een breed juk dat op de schouders rust. Wei aan wei, in de waterrijke slooten witte zoowel als gele plompen en 't spitsbladige pijlkruid. Zoo is 't, over de boerendorpjes Genne en Holten heen tot Hasselt toe.
De weg loopt gedeeltelijk binnendoor om bij Holten weer den dijk te bestijgen, langs een zijtak van 't Zwarte Water. Daar staat ook 't eerste gemaal: Streukelerzijl, waarvan de 1e steen 8 April 1925 door den gouverneur der provincie, Mr. A.E.L. graaf van Rechteren Limpurg Almelo, werd gelegd. Dát is wat we hier noodig hebben. Iets verder, over uitgestrekte rietplassen heen, krijg ik 't gezicht op Hasselt. Van de huizen ziet men aan dezen kant niet veel, alleen den toren en een langgerekt plantsoen dat de stad verbergt. Het laatste stuk dijk vóor Hasselt is aan de rivierzijde met een blijkbaar ouden baksteenen muur versterkt, welke op vele plaatsen dicht begroeid en versierd is met de prachtige, bevallige linaria cymbalaria (muurleeuwenbek).

Deden Ommen en 't zandgebied bij Dalfsen nog eenigszins Twentsch aan, deze cultuurstreek is wel geheel anders. Een waterlandschap dicht bij zee, druk bevaren riviermonden dienende heel ouden handel van steden, die al zoolang met elkaar en de halve wereld verkeerd hebben. Uit het “afgelegen" Twenthe, betrekkelijk kort geleden voor 't voetlicht getreden, was ik weer tot de oude groote wereld teruggekeerd. Ook Hasselt, weliswaar een der kleine steden van Overijssel, moest uit vroeger dagen zooveel belangwekkends hebben overgehouden dat daar 't een en ander te zien en te doen zou zijn. Gelukkig is de middag nog niet om. Eerst eens langs de gevels. 't Begint met een buitenwijkje, molen, een paar huizen en de pomp op 't pleintje. Dan eene menigte hooibergen als een kudde olifanten, deze en gene 'n beetje scheef gezakt, moe van 't lange staan. Door de gemeente aan ingezetenen verhuurd, staan ze gevaarlijk dicht bij de stad, waarom men erover denkt het geheele gezelschap, na afloop van de pacht, naar een verderaf gelegen terrein te verplaatsen. Daarachter eene stapelplaats van bazalt. 't Veelvuldig gebruik der betrrouwbare zuiltjes vereischt in die streken, met de vele steenglooiingen aan riviermond of havendam, een geregelden verschen aanvoer. Aan de rechterhand een water, de stadsgracht, buiten- en binnengracht waartusschen op de voormalige bastions een breed en lang plantsoen met vele hooge boomen, bloemperken en zelfs een vogelentuin alles zeer fraai aangelegd, en drie omheinde kerkhoven. In de verte aan 't water, de ovens eener schelpkalkbranderij. Op een kleine zandvlakte aan de straat, tegen de binnengracht, is een man doende nieuwe zeilen, blijkbaar uit eene zeilmakerij in de stad, uit te spreiden en met droog zand te bedekken om het "plakken" tegen te gaan.

Heerengracht te Hasselt

Hier treed ik de stad binnen. Het huisje rechts, met gevelsteen waarop "Miserorum / et afflictorum / asylon / Voor ongelukkigen / en / Bedroefden / een toevlucht", staat op de plaats der “Heilige Stede”, eene plek van vereering, bedevaartsoord waarheen telken jare velen optrekken om in de kapel en in den tuin, tegen 't plantsoen aan gelegen, zeker mirakel te herdenken dat daar eeuwen geleden zou geschied zijn. De liefhebber van oudheden vindt er eene kleine verzameling behouwen steenbrokken, bij opgravingen aan den dag gekomen. Protestanten, die zulke vereeringen niet konden uitstaan, hebben haar indertijd met vrij boosaardige bedoeling tot mestvaalt bestemd; nu wordt ze weer door iedereen ontzien. Meer oude, veel oudere gevels volgen, hooge ramen en kleine ruitjes, hoog rood gekleurde en mooi verweerde baksteen, en dan eene ophaalbrug en sluis uitlatend naar 't Zwarte Water waaraan de stad ligt. Het einde van de Heerengracht, zoo stil bespiegelend tusschen boomen en huizen, met eene bocht als de Amsterdamsche, welke in haar bescheidener, niet zoo vorstelijke, afmetingen ook heel mooi is. De Dedemsvaart mondt erin uit, zood at ze ook vertier van schepen aan hare kaden ziet. Nu staat de hooge baksteenen toren der groote kerk aan 't einde van de straat vlak voor me, zoo te zeggen in den weg, waarom de straat een bocht naar rechts maakt. De koster bewoont een kruidenierswinkeltje tegenover het "Armen en Weezenhuis Anno 1778" (gevelsteen, ter weerszijden een masker), welks voorgevel ook twee wapens naast een kop vertoont: dat van de stad, een rood staand kruis op zilveren faas in een blauw
veld, het andere door later "bijverven" vermoedelijk verknoeid. Hier schuin tegenover ziet men in een steegje, afgesloten door de Vischpoort met doorkijkje naar de rivier. Een overblijfsel, baksteenen boog met overkraging en de zandsteenen ondersteuning van eenen uitbouw; eene door de V. L. genoteerde "woonverdieping" is er niet aan te vinden. Ik vraag hiernaar aan een meneer die vlakbij in gesprek stond. Spoedig bemerkte ik, dat hij niet de plaatselijke oudheidkundige was. Hij wist echter van alles te vertellen, ten slotte ook dit:
- En dan hebben we hier nog die eigenaardige instelling, het Professorenambt.
- Wat, heeft Hasselt een hoogeschool gehad?
- Ja zeker, (met een veelbeteekenend knikje), er zijn hier twee hoogescholen geweest, tegenover mekaar. Loopt U maar een eindje verder, de Hoogstraat uit ...
Twée universiteiten, tegenover mekaar nog wel, dat zou niet mis geweest zijn! Zooiets als twee handelaren in hetzelfde artikel, die elkaar concurrentie aandeden. .....

De koster is niet thuis, een meisje zal meegaan "als ik tenminste de goeie sleutel heb”. Grootmoeder past zoolang op den winkel, ze vindt het maar half goed en doet al te spoedig blijken dat zij er spijt van heeft. Wij intusschen naar St. Stephanus, die ook beschermheilige van de stad is, waarom hij 't door een gouden kroon gedekte stadswapenschild ter linkerzijde vasthoudt, gelijk een officieele afbeelding in de Raadzaal 't laat zien. Alles wel beschouwd is de kerk buiten vooral aan de zijde der door verweering zoo schilderachtige aanbouwsels tegen den Zuidbeuk, mooier dan binnen. Binnen is over 't meeste mooi een leelijk sausje gegoten, d.w.z. 't bekende vieze geel over ’t eikenhout van doophek zoowel als betimmeringen, en grijs over t muurwerk, ter verfraaiing met wat rood afgezet. De H. Stephanus zelf, die zoo hoog als sluitsteen in het middenkoorgewelf - er zijn drie koren aan even zoovele even lange beuken - dienst doet, moet zich vreemd voelen, een der weinige overblijfselen welke wat zeggen in deze kale omgeving. Hij heeft ook nog kleur aan zijn kleed, misschien aan den kwast welke 't verfraaiende rood aanbracht ontvloeid. Het orgel rust op bruin gemarmerde zuilen en draagt de namen van "regeerders en gecommitteerden uit de deelnemers." In een raam van den Zuidbeuk 1844, in de koren driemaal 1845, wellicht de datum waarop men 't droevig overblijfsel der gebrandschilderde ramen uit de 17e eeuw opgeruimd en alles weer door wit glas vervangen heeft. Een klein ruitje met den Overijsselschen leeuw is nog aanwezig. Een minder beschamend verlies te gedenken vraagt een steen in den Zuidbeuk: het overlijden, op 12 Nov. 1612, van den "eerweerdige godtsalige, welgeleerde, ende vrome dominus. Otto Gysius getrouwe leraer des heyligen evangely deser gemeinte." Den 15 Nov. d.a.v. is hij begraven, hetgeen juist 8 jaren ná zijn eerste predicatie was. Onze voorouders waren erg gevoelig voor dergelijke toevalligheden en verzuimden nooit, ze te vermelden. 'k Bezichtig ook de aangebouwde ruimten, kerkeraads- en catechiseerkamer met kruisribgewelven, welker aanzetten op acht kopjes rusten. Zelfs het stovenhok
waarin planken vol testjes; hier werd het meisje spraakzaam - tot nu toe had ze niets ten antwoord geweten en dus weinig gezegd - en vertelt, hoe deze met zoogen "zwarte gloed" telkens gevuld en tot gebruik gereed gemaakt worden. Nu, geduldig was zij in alle geval, geduldiger dan de grootmoeder die, ongerust geworden en ten einde raad, een jongentje stuurde om kleindochter te verzoeken onmiddellijk thuis te komen ... Daar de wandelaar geen oneenigheden veroorzaken wilde, maakte hij een einde aan den rondgang en ging verder.

Kerk en raadhuis op éenen middag is wat veel wanneer men tijd heeft, ik sla 't stadhuis dus over tot morgen en loop eerst verder de stad in. Tegenover den langwerpigen raadhuisgevel trekt een antieke kapperswinkel door zijn uithangbord de aandacht, ouderwetsch ingericht, waar de kapper, ook zonder dat ge aan uw hoofd iets wilt laten verrichten, u vriendelijk zal ontvangen wanneer blijkt, dat ge belang stelt in hoe het was en is. Hij bracht me zijn collega te Losser in herinnering, hoe ver al weg, hoe lang geleden al ontmoet! Dat hij 't met iedereen goed meent, betuigt zijn uithangbord aan beide kanten:

Ik ben verblijd en scheer met vlijt,
Ten dienst van alle menschen.
Maar 't is mijn leed, dat ik niet weet,
Te doen naar ieders wenschen.
C. van Lingen J.W.Gzn.

Verder gaande, de Hoogstraat af, zag ik nog menige merkwaardige gevel, o.a. een met twee eenhoorns, ter weerszijden van een kopje, en twee malen IAN H waaronder Anno 1611; ook op dit oogenblik wordt dit huis door een Jan H(ulzebosch) bewoond. Twee deftige behuizingen, tegenover elkaar, dat zullen de “hoogescholen" zijn! Aan 't einde dezer straat word ik een kleine scheepswerf gewaar, en rechts de Dedemsvaart.

's Avonds, na den maaltijd in hotel "De Herderin", slenter ik nog wat rond in 't halfduister. De avond is hier eene groote plechtigheid. In 't plantsoen zaten kinderen te lachen op een bankje, stapten meisjes gearmd de paadjes af; doch voor de schoone geveltjes der Heerengracht, op de stoepjes, waren menschen heel stil gezeten en 't weinige dat ze zeiden was haast in fluistertoon. De gracht is zwart en geheimzinnig. Ook bij de brug stonden mannen in zacht gesprek. Daar bracht de laatste tram uit Zwolle even wat rumoer, dan ging iedereen naar bed.

Den volgenden ochtend begaf ik mij naar 't raadhuis. Dat was geen verre tocht: naast de deur. De voordeur stond aan, ik naar binnen. Terwijl ik in de vestibule de blauwe tegeltjes, allerlei oud goedje later ingezet, allegaartje van bijbelsche tafereeltjes, bloemen, landschapjes enz., stond te bekijken verscheen niét een bode, welke functie daar vermoedelijk niet bestaat of met die van veldwachter in een persoon vereenigd is, maar - iemand anders, de zooveelste aangename ontmoeting van dezen tocht. Zoo zat ik spoedig in burgemeesterskamer en vernam vele bijzonderheden omtrent stad, menschen en raadhuis. Ook over 't "Professorenambt" dat een Provisorenambt bleek te zijn, ter verzorging van de Hervormde armen voorzoover die niet uit het Weezenambt, behartigend de belangen der minderjarige Herv. weezen, kunnen verpleegd worden. De tegenover elkaar gelegen "universiteiten" waren slechts twee kostscholen geweest. Daarna gingen wij de trap op, ter raadzale.
Het bovenportaal is met eene verzameling hellebaarden, goedendags, beulszwaarden e.d. versierd; in 't midden hangt een groote trom waaraan 't stadswapen en "Stads Rust, Onze Lust", en een beetje afgezonderd: een zwanenvanger. Daar bestaan geschiedenissen over, want Zwolle matigde zich vroeger 't recht van zwanendrift op het Zwarte Water aan, belangrijk twistpunt tusschen de twee steden. De raadzaal met hare schilderijen, o.a, een groot doek betiteld "de ontrouwe baljuw van Dordrecht", eene terechtstelling ten tijde van Graaf Willem den Goede - een dergelijk stuk hangt te Gorinchem waar het "de koeiendief" heet - een geschilderd gezicht op Hasselt, een dito gegraveerd (uit den ,,Tegenwoordige Staat”), een zware eiken tafel onder twee koperen kronen, waaraan stoelen met rundleer overtrokken, en eene schouw op welker boezem een gedicht in lijst "ex 2 chronica xIx vs 6. 7. 8.” tot stichting van den Raad:

Ghij, Heeren alle t' saem end Richters wijs end' vroet
Betrachtet wel te recht, - siet toe wat ghij hier doet
Daerom houd s' Heeren vrees ghestadich in t' gesicht

doet zeer voornaam aan. Ook wordt men er gewaar, uit eene oorkonde, dat de brug over 't Zwarte Water, 29 Febr. 1896 opengesteld, naar den toenmaligen burgemeester Van Nahuysbrug heet. Verdere bezienswaardigheden zijn eenige gebeeldhouwde sleutelstukken van balken en een hard-ouderwetsch-degelijk-eiken plank uit een huis in de stad, dragend dit opschrift: Berent: Gerris. Meiier van Espelo . Anno 1609 : Den X julii (huismerk). De bekende schrijver van den "Hof te Espelo en zijne bewoners" moet er, hij zijn bezoek aan Hasselt, plezier in gehad hebben.

Eene kamer aan de andere zijde van 't portaal is tot archief ingericht. 'k Had geen tijd er lang te blijven, zoo deed ik slechts een greep in de welvoorziene boeken- en aktenkast en oogstte de volgende kleinigheden:
1. eene collectie stadsrekeningen 1798/9, waarin o.a. alle ten behoeve van het feest der constitutie gemaakte kosten waren opgesomd.
2. een Regeeringsalmanak uit de 2e helft der 18e eeuw, waarin mij de naam van Mr. Queysen trof, te Almelo, door wien immers de koopacte van den Grimberg opgemaakt werd, kooper L. E. F. Nehrkorn?
3. een handschrift in antieken band, op perkament, bevattende de stadsrechten en beginnend in gerubriceerd schrift (dus stellig van vóór 1500), later bijgehouden al naarmate nieuwe ordonnantiën tot stand kwamen. Op de binnenzijde van 't eiken bord deze waarschuwing: Heimlijcken haet, Eigen Baet, longen Raet, Door Diese drie wilt verstaen, Is het roomsche rjjck vergaen: eene vermaning tot gerechtigheid en bezinning, in dezelfde bewoordingen reeds halverwege de trap op een plank gelezen. 't Latijn staat er, in het boek, onder en bovenaan deze woorden: Promptiora sunt jura ad absoluendum quam ad codemnadu. Heeren regeerders van Hasselt waren behoorlijk wel terecht gewezen .
4. een Boekje van Ontfangst en uytgaaf van d. krijgsraad (18e eeuw, tot 1795). Als inkomsten paraisseerden geregeld: huur van een hof, huis, en bijdragen der 6 gilden, in volgorde: slutters (sliters-) gielde, schoemakersgilt, kleermakers (snyders-) gilde, metsgilde, bakkersgilde en timmermansgilde, dat zijn drie verschillende schrijfwijzen van "gilde" op ééne bladzijde. Na 1766 worden geen inkomsten meer vermeld, waren ze er niet meer? De heer Aäron Exalto d' Almaras, in 1770 als scriba genoemd, schiet zelfs geld voor, f 65.- waarvan rente te betalen, ook lost men later f 10.- af, waarvan dit? Het ál te eenvoudige "krijgsraad" verandert in 1772, zoodat op dat jaar te lezen staat: uijtgaave van de Heeren van de manhaftige Krijgsraad door den ontvanger Derk van Egten de Anno 1772. In 1790 wordt hij weer genoemd; 1773 e.v. jaren is Jan Bode ontvanger, na hem weer anderen. Als uitgaven paraisseeren: kleine bedragen voor herstellingen, nieuwe stoelen e.d., voor brandewijn en jenever, wijn, bier...... ('70) voer het slaen van de trom 1 - -. 1772: Aan Kobus de Tamboer voor het slaan der tromme up de Kermiswagt 1 _ " _. Hij zal er een "Stads Rust, Onze Lust" uit geslagen hebben. Vermoedelijk zeer vele en niet anders dan dat, geen veldslagen op de wijze van Monsieur Le Grand, waaraan hij waarschijnlijk geenerlei herinnering had; bij 't inzien dezer rekeningen voelt men zich zóó rustig worden ... Ophaalen v. h. trommelgeld _ 12 _, tractement scriba 1 - -. 1773: op oude jaarsavont voor dragen van de wyn en de oly – 5 - …. Voor 3 mengel jannever op de Karmswagt - 1 - 7.

Hiermede eindigde mijn bezoek aan 't raadhuis. Alvorens de stad te verlaten ,was het mij, dank zij vriendelijke bemiddeling, mogelijk ook in ‘t kerkelijk archief een kijkje te nemen. Alweer naast de deur. Daaruit was echter in drie kwartier niets te halen. Het bestond trouwens alleen uit kas -en grafboeken; de notulen waren niet ouder dan 1840. Benevens een boek dat er niet in thuis behoorde, nl. het gildeboek van zeker weversgilde, weinig anders inhoudend dan de namen der gildebroers, en telkens (datum) heft ...(naam) het gylde gewonnen en syn prove gedaen. 't Begint 1627 en loopt door tot diep in de 18e eeuw.
De kasboeken doorbladerend, zag ik vele posten betreffende plaatshuur en koop. Daarbij gaf de kerkvoogd, een even vriendelijk geduldig mensch als zijn ambtsbroeder te Rijssen, de volgende toelichting. Volgens 't reglement in 1844 gemaakt op de vrouweplaatsen en mansbanken, onderscheidt men eigenaars, koopers en huurders. Eene eigen plaats van de vrouwen is erfelijk, van de mannen niet. Kooper is wie het recht kocht, jaar op jaar eene plaats te huren. De huurder moest elk jaar opnieuw inhuren, voor meer of minder , dat hing van de mate van belangstelling bij anderen voor zijne plaats af. Nu koopt de kerk zooveel mogelijk op. Eene vrouweplaats zonder erfgenamen, d.w.z. kinderen van de vrouw (want verdere familie kan niet erven) vervalt na verloop van een jaar aan de kerk. Wat de banken betreft, daarin tracht het kerkbestuur “vasten voet" te krijgen. Eigenaars eener bank kunnen de daarin aanwezige plaatsen verhuren of verkoopen. Soms werd ermee geknoeid, zoo zaten in eene bank 4 personen op 3 plaatsen. De eigenaars betalen jaarlijks een zeer gering bedrag, en wat voor ’t onderhoud; het stovengeld wordt ook afzonderlijk berekend. Eveneens met vrouweplaatsen werd geknoeid; zoo maakte familie gebruik van de plaats eener juffrouw, die buiten de stad was gaan wonen, het jaarlijksch bedrag kwam geregeld binnen, totdat pres. kerkvoogd op een goeden dag begon te overleggen: wat wordt ze toch vreeselijk oud. Hij informeerde bij de afd. Bevolking ter secretarie van die andere stad en kreeg ten antwoord, dat de goede juffrouw allang overleden was. Het recht op de banken is slechts een zitrecht, men mag zijne bank dus met meenemen, al had men haar zelf laten maken. Bedoeling van het kerkbestuur is, alle plaatsen in eigendom te verkrijgen en deze dan tegen een van te voren vastgesteld bedrag te verhuren, hooger of lager al naar de uitgaven van elk jaar gesteld zullen zijn; het tegen mekaar opbieden bij de jaarlijksche verpachting was een al te oneerbiedig gedoe.

Dankbaar voor de vriendelijke ontvangst, nam ik afscheid van Hasselt. 'k Had nog wel iets willen vragen, - maar. In de kerkeraadskamer hing een nette teekening der kerkegoederen ; leken mij niet onbelangrijk. Is de gemeente rijk? En begrijpt zij toch, dat inkomsten uit vroeger verkregen goed de gemeenteleden niet ontslaan van de verplichting, met vaardige hand te geven; en verstaat het kerkbestuur de kunst, inkomsten uit beide bronnen met vlijtige handen uit te geven? Of treft men hier dien naren toestand, dat de gemeenteleden meenen 't geld in den zak te kunnen houden omdat de kerk rijk is, terwijl het kerkbestuur zooveel mogelijk op 't Grootboek zet, liever dan alles voor een christelijk doel te besteden? Kerkegoederen zijn gegeven opdat men meer zou kunnen, in den geest van Hem die de Barmhartigheid zelve was.
In dezen gedachtengang werd ik spoedig gestoord toen ik de brug over wilde, want dat kostte weer geld, al ben ik lang zoo zwaar niet als de tram die er veel meer kwaad aan doet zonder, naar men mij vertelde, met één cent over de brug te komen. Ik passeer een groote zuivelfabriek en zwaai rechtsaf, den dijk op.
't Is heerlijk loopen op eenen dijk! Vooral vandaag, nu het land ligt in een wazige atmospheer waar 't Zwarte Water zoo mooi van glanst, met een enkel lichtend zeiltje bezet, dat bijster weinig wind vangt. 'k Verwachtte koelte van de Zuiderzee maar dat is mis, een trage wind waait uit het Oosten, en door 't vrijwel ontbreken van schaduw valt de laatste dag niet mee. Links het zeer groote waterschap, de polder Mastenbroek. Ook daar voelt men zich niet al te veilig - welke dijk is sterker dan de sterkste vloed? - wanneer 't water hoog tegen den dijk staat, voor welke ure die paal met dwarslatten is opgericht, waaraan dan overdag een of twee zwarte ballen, 's nachts een of twee lichten ter waarschuwing geheschen zijn. Aan verdedigingsmiddelen anders geen gebrek; 't is echter nog niet zóo lang geleden dat in de dijkmagazijnen zeer ouderwetsche lantaarns met hoornen vensters Jagen, waarmede de dijkwachten in tijden van nood zich moesten bijlichten. Nu doen ze 't met nieuwere modellen, 300 kaarsen sterk!
Was het om op kleinigheden enkele guldens te kunnen uitsparen, wat sommige polderbesturen zoo gaarne doen terwijl ze vele duizenden voor dijkverzwaring e.d. grif toestaan, alsof 't inderdaad waar is dat "die boeren boven de drieduzend gulden de tel kwiet" zijn? Of was het om Jan van Arkel, hun goeden heer die in de 14e eeuw met de inpoldering moet begonnen zijn, waarom hij bij voorkomende gelegenheid altijd nog ... de schuld ervan krijgt wanneer 't een of ander niet in orde is? Beklagenswaardige Jan die in zijn eigen dagen, ongeveer 600 jaren geleden, zoo'n góeden naam had!

Aan den overkant van 't Zwarte Water had men weer andere moeielijkheden. Daar, boven de Dedemsvaart, strekt het waterschap Hasselt-en-Zwartsluis zich uit tot aan 't Meppelerdiep. Zwartsluis zie ik al liggen, een zeer lang dorp tegen den dijk. Toen 't Meppelerdiep nog niet bemalen werd ging het hooge water van Drenthe elk jaar een of meer malen over de zoogen. Staphorster stouwe, een dijkje daarlangs, en zette 't land onder vaak tot Hasselt toe. Dat was al een heel oud en lange jaren beredeneerd waterbezwaar. In den "Tegenwoordige Staat" (1786), dl. 1 blz. 36-17, vindt men daarover reeds het volgende: "Naar mate men de Veengraveryen in Drente voortzet, wordt de toevloed van water naar Overijssel grooter: en dezelve is in de laatste jaren zodanig vermeerderd, dat hier uit, ten zy de nodige hulpmiddelen in 't werk gesteld wierden, voor de Ingezetenen van het Kwartier van Vollenhove inzonderheid, de zorglykste uitzigten zouden moeten ontstaan". Weliswaar ligt het genoemde waterschap buiten 't kwartier van V., dat door het Meppelerdiep werd begrensd, maar het had daarom niet minder waterlast van Drenthe. De in die jaren over een gemeenschappelijk plan tot verbetering gevoerde onderhandelingen werden in 1779 geheel afgebroken. "Ongelukkiglyk had zig met deze zaak een geschil vermengd, 't welk, zelf niet kunnende vereffend worden, tevens belet heeft dat men wegens de afleiding van het water overeenkwarne". Een andersoortig beroep op eenen Heer uit middeleeuwschen tijd, ook bisschop van Utrecht: Frederik van Blankenheim, die in 1395 den Drenthen algeheelen tolvrijdom had verleend. Waarom zij 'n kleine 400 jaren later den turftol te Zwartsluis nóg niet wilden betalen... Nu wordt dan 't Meppelerdiep bemalen, en ook het waterschap Vollenhove, hetgeen echter niet belet, naar ik in Hasselt hoorde, dat Drentsch water nog wel eens verkeerd loopt, te ver 't Zuiden in.

Ik volgde dus den dijk. De huizen staan op éen na binnendijks, de meeste door boomen beschut die evenwel nooit schaduw over den dijk werpen. Of 't moest 's avonds zijn, tegen zonsondergang. Vooral de kleine soort, waarvan men bij Grafhorst meer ziet dan aan deze zijde van den polder, drukt zich tegen het dijklichaam om toch maar warm, den kouden felien wind van barre winterdagen uit den weg te blijven. 't Dikke rieten dak plooit zich koesterend over de raampjes. Aan riet geen gebrek: steeds talrijker worden de rietplassen, ook ziet men meer visschertjes en zal er in den Herfst nog meer zien, tusschen de rietstengels van 't Zwarte Water. Want Hasselt is als vischoord beroemd bij Amsterdamsche handelslui, die in October alle kamers van "De Herderin" komen bezetten. Zéer vreedzame invasie, vergeleken bij die eeuwen geleden toen de Overijsselaars den Hollanders, die voor de monden van den IJssel kwamen visschen, een geheel andere ontvangst bereidden.

De ‘straat der hooibergen’ te Genemuiden

Dat het riet handelswaar is en geld oplevert, blijkt pas goed uit de stapels gesneden stengels welke ik vooraan Genemuiden zie liggen. Daar is ook een rijtje hooibergen, tegen een dijkje; doch de meeste ziet men van Grafhorst komend. 'k Loop daarvoor de stad - pas op, dat ge niet van "dorp" spreekt! - geheel door en bekijk haar eerst aan den Zuidkant. Een eigenaardig gezicht! Evenals te Hasselt heeft men hier de meeste hooibergen bijeen, een paar kleine groepjes in 't plantsoen achter de kerk, een enkele tusschen de huizen. Maar in plaats van als een dichte kudde zijn ze te Genemuiden in zeer lange rij langs eene straat gebouwd, evenwijdig aan de hoofd- of Langestraat en door vele steegjes daarmede verbonden; zoodat ge de hoofdstraat afloopend, door die steegjes telkens 't gezicht hebt op een stuk hooiberg. Een bordje vooraan deze "straat der hooibergen" verbiedt den voorbijganger het rooken. De brandweer is er van bijzondere hulpmiddelen, groote zeilen e.d. voorzien om een hooibrand spoedig te kunnen insluiten. Al dat hooi wordt voor een belangrijk deel door de inwoners voor eigen vee gebruikt; op de weiden rondom de stad graasden dan ook vele koeien. Van 't riet voert men meer uit, behalve voor de hooibergen is het voor weinig daken daar benoodigd: de meeste zijn met roode pannen afgedekt. Dit geeft het stadje 't aanzien van een groot visschersdorp, want visschers schijnen aan rood de voorkeur te geven; dat er ook woonden en nog wonen bewees - behalve de gouden zalm in 't wapen - een enkele visschersschuit, de Gen. 12, die bij het veer lag.

Daarop liep ik de Langestraat terug om links en rechts de geveltjes op te nemen. Daar zijn er van 1794, 1741, 1788, en een veel ouder, waarin een steen met opschrift en twee wapens: een 6-puntige ster tusschen 3 + 1 lelies, alles van zilver op een blauw veld; het andere verregend of "opgefrischt" en daardoor bedorven.
Wat beteekent die mededeeling over eenen Ricoldus …. Jacopson ? 't Latijn erboven is duidelijk (zonder afkorting:) "deus providebit" (Genesis XXII, 8 . 14). Dat vertaalt me daar nu iedereen.
't Is nl. Zaterdag, de straat druk van schrobbende vrouwen, die mét haar stoepjes een deel van de straat reinigen. Dit geschiedt onder groote vroolijkheid, waarin de vreemdeling, zoodra zij hem voor dat huis wat langer zagen stilstaan, gemakkelijk wordt betrokken: in een ommezien scholen een 30-tal menschen rond hem samen en kijken mee. Een man, voor 't huisje op de keien gezeten, staat glimlachend op en voegt zich bij ons. Ja, die steen, daar hebben ze al wat van gemaakt, zegt hij, de een beweert 't is Latijn, een ander zegt Fransch, maar niemand kan ’t lezen. Dan treedt een door de jaren gebogen vrouwtje naar voren en vertelt, dat het nu is uitgemaakt. Twee heeren waren er geweest, hadden lang gekeken en daarop zes weken niets van zich laten hooren zoodat iedereen al dacht, 'r komt weer niks van. Totdat op een dag de vertaling was aangekomen, welke luidde: "de Eere zal ’t voorzien”. Ja, zoo is ‘t! Dat hiermede slechts een deel werd opgehelderd kon ik haar niet aan 't verstand brengen, zij herhaalde maar dat "de (H)eere" 't voorzien zou” en dat dit de vertaling was. Wat iedereen, behalve mij, volmaakt tevreden stelde.

Eenigen liepen mee om me nog meer merkwaardigs te toonen. Langs 't raadhuis, waar een geharnast ridder boven 't wapenschild uit rees, dien allen goed schenen te kennen want zij noemden hem Jan van Arkel en verzekerden, dat hij de man was die Genemuiden stadrechten gegeven had, in 1275. Nu is dit gladweg onmogelijk, aangezien deze Jan pas in de 14e eeuw geboren, A.D. 1342 bisschop van Utrecht werd; maar hij zal de in 1275 van eenen voorganger verkregen rechten hebben bevestigd. Vandaar brachten ze mij in eene zijstraat en voor 't volgende gedicht in steen, - is het niet Rijssen, met of zonder deur, en ook Losser?

De Werelt is maer een schein
En al wat daer in magh wesen
Dat niet ten hasten sy
In ass en stoff gedreven
Maer ik betrauw op Got
De my nadesen leven
Sal my een beter huv voer sein
En hoger woningh geven.

De Genemuidenaars zien er over ’t algemeen welvarend uit; vele vrouwen dragen rond den hals een bloedkoralen ketting met gouden slot. Als laatste bijzonderheid deed men mij aan de haven, waarin eenige turfschuiten bij eene sluis, opmerken dat de kastanjes daar "afwisselend mannetje en wijfje" staan, - en toen ging ik alleen verder, een overschaduwden weg naar het veer. De pont zou juist overgaan. Ze loopt aan een van oever tot oever gespannen, staaldraad; veerman en helper hebben een breeden riem voor de borst waaraan een ketting met houten blokje aan 't einde, die telkens om den staaldraad geslingerd wordt. Dit geeft voldoende houvast, zij zetten zich schrap en trekken, al voortloopend over de pont welke zij daarmede als 't ware naar den overkant wegtrappen. Ook eenige erop gespannen zeiltjes moesten hier meehelpen.

De boomenrij wordt voortgezet op den Noordelijken oever, doch houdt op voor den rechtschen dijk, kaal en zonnig, naar 't schijnt tot in eindelooze verte. Tot aan de zee. Geleidelijk komt ze in 't zicht, het Zwarte Water loopt tusschen twee kilometers lange dammen, daarbuiten liggen de slikken, de kustlijn buigt uit en daar hebt ge 't groote water. Tegen den einder een laag eiland, Schokland, gelijk een half gezonken aak: voor- en achterplecht steken nog boven water, aangeduid door groepjes boom en, het tusschenhangend ruim schijnt overspoeld te worden. Zoo loop ik zeewaarts, aan de linkerhand het zich verbreedende water, rechts een andere oneindigheid van groen land. Ik daal nogeens daarin af, voor een praatje. De man van 't huisje is arbeider in Zwartsluis; hij houdt ook eene koe. Deze graast met 49 andere op den dijk, onder toezicht. Zij, de menschen, drinken 't water van de wetering achter hun huisje. Ongekookt. Of dit wel altijd goed is? Je moet eraan gewend wezen, zegt de man. Voor wie 't niet lust staat trouwens een kan met koude thee op de plank.

Zoover gekomen, dat ik om de dammen van 't Zwarte Water heen de Zuiderzee in volle pracht zie voor me liggen, moet ik helaas den dijk af. 't Is jammer, want eene wandeling aan den rand dezer schijnbare oneindigheid is een zeldzaam genot, te zeldzaam in ons wereldje van bijna steeds eindige dingen. Maar toch, ook binnendoor gaand is men onmiddellijk weer geboeid want zie, hoe verandert ineens het landschap! Men betreedt zand, een hoog stuk met glooiingen. Bijna heuvels. Dus weer rogge en aardappelen. De perceel en zijn door, malle hooge walletjes gescheiden, waaruit wilgen en ander geboomte opschieten. Niet dat ze daarin wortelen. De walletjes zijn slechts muurtjes van aarde telkenjare met de schop opnieuw vastgeslagen; aarde zonder gras. De bodem is te droog voor slooten, en eene vreding van paaltjes met draad kan er niet af. De boer is niet rijk, zijn boerderijen zijn meest van of beneden de middelmaat; slechts éen groot gebouw ligt bij den weg, aan 't bosch van Cadoelen: de Oldenhof. Op de pijlers van ’t inrijhek twee zandsteenen dennenappels. Iets verder vertoont zich het huis, achter een weide, door een tak der Overijsselsche familie Sloet bewoond, wier naam aan vele huizen dezer provincie verbonden was en is. Dichter bij Vollenhove zie ik nog het overblijfsel van een andere havezathe (Tweenijenhuizen), de gracht en twee bouwhuizen. En zoo is het eindpunt bereikt. En alsof de Heer van wind en regen daarop gewacht had, breekt een geweldig onweer los boven de stad, even nadat ik in 't hotel onderdak heb gevonden. De hitte der afgeloopen week was den hemel weer te bar geworden. Voor de jonge Vollenhovenaars, die op Zaterdagavonden wat door de straten plegen te kuieren en aan ‘t haventje naar de zee kijken, was dit een tegenvaller, ze moesten thuis blijven of onder afdakjes en in portieken tegen de huizen schuilen. Want het regenwater viel in straaltjes, de stad droop!

Wandelingen door Nederland - Overijssel (1928): Vollenhove

De Zondagmorgen was zooals hij wezen moet: zonnig en stil. De witte meeuwen schoten door de lucht, en lichter nog gevleugeld gingen de gedachten, omhoog waar geen schaduw van een wolk meer op haar valt. Reeds trokken de menschen op ter kerke, ik liep mee, in de richting eener kerk welke mij, om haren gisteren van verre aanschouwden - toren de voornaamste, de "groote" toescheen. 't Was echter niet aldus. Deze is de O.L. of Kleine kerk; al staat de deur open en hoor ik mannenstemmen in den toren, gepreekt wordt er niet.
Ofschoon de binnenmuren door latere behandeling vrij nieuw schijnen, zoo ziet men aan de betrekkelijk kleine, hooggeplaatste spitsboogvensters dat dit kerkje zeer oud moet zijn. Zouden de gedichte spitsboog in den Zuid-, of de rondboog in den Noordmuur de oorspronkelijke ingangen wezen? Nu gaat men onder den toren, waarin nog de moeten van een kruisribgewelf, door naar binnen. Het inwendige bevat niets bijzonders; een koperen lezenaar met dolphijn treft men op tallooze plaatsen aan en de eenvoudige soliede preekstoel trekt de aandacht niet. Vreemd is de ligging, tusschen huizen en niet aan hunnen mooisten kant: een mesthoop vlakbij, verder rommelhoeken. Aan de koorzijde geeft een steegje uitweg naar eene straat, loodrecht op de hoofdas van 't smalle langgerekte stadje en den wandelaar spoedig buiten brengend, d.w.z. op eenen dwarsweg welke de havezathe Oldruitenborch met moestuin en park scheidt van de stad. In den tuinmuur, links van den ingang, zitten twee bewerkte hardsteenen boven elkaar; de bovenste draagt een wapen waarvan 't helmteeken nog duidelijk doch het schild onleesbaar is, de onderste, langwerpig van vorm, het begin eener aanhaling in Gothische letters: Eccli 35 Bono animo gloria[m] redde de ... Om een hoek krijgt men uitzicht op het huis, een zwaar wit gepleisterd gebouw zonder veel stijl, wel heerlijk koel en rustig gelegen tusschen 't hoog geboomte.

'k Loop de stad weer in en bezie de oude gevels, meest puntgevels, een enkel trapje en vele jaartallen, vooral 1680 e.v. alsof ze eene uitbreiding dateeren of een herbouw na brand. Mooi zijn eigenlijk slechts twee, tegenover elkaar, de Latijnsche school en het raadhuis; laatstgenoemde zonderling geplaatst tusschen gevangenis (in den toren) en aangebouwde herberg. De deftiger heerenhuizen aan de Bisschopstraat, vroeger eveneens havezathen - Marxveld, Lindenhorst, Plattenburg (nu waterschapshuis) - rond het bisschoppelijke slot dat op een eilandje bij de haven stond (zooals een antiek schoorsteenstuk in 't onlangs afgebroken postkantoortje het afbeeldde) hebben betere dagen gekend. In oudste gedaante maakten zij mee, dat de Utrechtsche bisschoppen er afstapten, 't zij om daar te jagen, 't zij op weg naar de Drentsche landen. Zagen wij hen niet, aan 't einde van onzen Drentschen tocht op den Bisschopsberg, van Steenwijk komend de Lantschap binnenrijden? Utrecht was hier oudtijds de weldoener en kon dat zijn o.a. doordat zij van den keizer 't recht bezat, steden vrij te maken. Ook herinneren Hasselt zoowel als Vollenhove zich nog met eenigen trots hare bisschopsmunt.

Achter het raadhuis, daar is de Groote kerk. Wel groot, doch niet door hoogte van schip of toren de stad overheerschend. Bij de wijd open deur zit een man op wacht om stoornis van buiten tegen te gaan; maar zooals hij den vollen Zomer inlaat waardoor de gemeente blijkbaar niet wordt verontrust, zoo den zacht binnentredenden vreemdeling, wiens tegenwoordigheid in de ruimte vooraan haar niet hindert, want zij zit achter een hoog schot waarboven slechts de slanke ronde zuilen met spitse scheibogen onder 't houten tongewelf, alles gewit gelijk 't uitwendige heelemaal gecement is, uitsteken. Hier, aan de zijde der sluitingen van de twee beuken, is ‘t een en ander aan den muur geschreven om gelezen te worden, ter linkerzijde op den grooten opstaanden grafsteen, met tweemaal 7 kleurige kwartierwapens, van Johan Sloot Heer te Sallick Drossaert des Landes van Vollenhoe ende Castellein der Heerlyckheyt Cuindre (overleden 21 Nov. 1610) en van Florentina van Buchorst Weduwe Slooth (overleden 21 Nov. 1612) met deze spreuk: Quae vitam hora pio finiet, incipiet; ter rechterzijde op 4 predicantenborden en een bord met versje over 't orgel:

Syn overschoon geluydt is d' Eerste mael gehoort
op d Eerste Dagh van Mey met Psalmen soet accoordt
enz.

Onderteekend: Henr: van Der Poel, predicant alhier, Nu in ‘t 34-ste Iaar van sijn H: Dienst. 1715. Een hoekige gedenksteen in een der sluitingen is (voor mij) grootendeels onleesbaar.
Kon de gemeente door een laag venster in den Westmuur naar buiten kijken, zij zou de zee zien. Voor de Vollenhovenaars is dat zooiets bijzonder niet als voor iemand, die zeven dagen geloopen heeft om haar te bereiken. Hoe geniet ik van licht en ruimte, een welverdiende rust. Het is hier even goed als in de kerk. Heerlijk rustpunt voor den geest .... zoolang men wil, want ook op zee zijn dingen die de aandacht trekken. Op een der hooge havenhoofden gezeten, zie ik de kustlijn af, het stoomgemaal, Blokzijl, en in wazige verte, Kuinre, De zee schittert, met witte stippen van de erop drijvende meeuwen; op de reede liggen bootjes te wiegelen. De havenmond heeft weer weinig water: wanneer een der daar zwemmende en ploeterende jongentjes gaat staan, reikt het tot aan zijn middel! Waterrotjes, die stellig al verlangend zijn met Vader mee te gaan, zoodra ze de school achter den rug hebben. Maar moesten zij niet liever aan wal blijven? Wat heeft de Zuiderzee hun nog te bieden? Een onzekere toekomst.

Havenmond te Vollenhove

't Is altijd al een geluksberoep geweest, dat van visscherman. Een visscher moet wagen. Doet dat ook zoolang hij jong is, komt met rijke vangst van plaatsen, waar niemand vóor hem ooit iets ving of waar 't gevaarlijk heette; dan wordt hij bij de anderen als “botkoning" of "aalkoning" beroemd. Die roem duurt gewoonlijk kort. Boven de dertig begint hij meer en meer bedenkelijk te kijken, ziet te veel naar de lucht, is bang voor zijn netten enz., en uit is 't met het bijzondere geluk. Nu komt daar, door de droogmakerij, bij dat de kansen van allen, jong en oud, jaarlijks zullen verminderen. De sluiting van het Amsteldiep heeft reeds merkbaren invloed; 't schijnt dat de ansjovis, daardoor verontrust, sindsdien andere onnaspeurlijke wegen zoekt. Waar moet dat zóo gauw naar toe? 'Wel gaat de bevolking, die door de vischvangst der laatste 20 jaren een matig goed, niet te ruim, bestaan had, - de tijd, dat velen in Vollenhove op bloote voeten liepen en in geval van nood met den rommelpot rond gingen, is voorbij - begrijpen dat het getij verloopt, doch weinigen zijn zonder hulp in staat, bijtijds de bakens te verzetten. Ze laten den boel nu maar een beetje gaan. De schuit wordt niet meer nagezien als vroeger, raakt er iets los, men prutst het zelf aaneen; zoo had het werfje dit jaar nog geen tien schepen gebreeuwd, tegen tientallen in vorige jaren. Toch gaan de jongens nog vaak mee, ook wanneer besloten is hen een ander vak te laten leeren zoodra ze 14 jaar zijn; voor sommigen is dat heelemaal verkeerd, die krijgen aan boord zulke manieren dat ze - volgens zeggen van een patroon in het stadje - "voor niets anders meer te gebruiken zijn, zoo ruw in den mond, dat men hen naar de klanten niet te sturen durft".
Er wordt zekere hulp verleend. Het Gemeentebestuur is werkzaam. Nadat de Regeering zich echter eerst - met het beruchte “bonnenstelsel", de voorschorbank - heeft vergist, is zij een tijd lang al te voorzichtig geweest. Men wil ook trachten, de menschen zoo mogelijk op hun geboortegrond, waaraan ze gehecht zijn, te houden. Niet "evacueeren"; er is trouwens nergens overvloed van plaats, of van woonruimte. Dus, een nieuwe nijverheid, of wat ook. Men onderzoekt, probeert …...

Op het bruggetje aan de binnenhaven staan eenige visschers. Ze zeggen weinig, kijken uit. Een visscherman heeft zoo een verren blik. Zij hebben er echter niets op tegen, wat te praten. Ik vraag naar hun bedrijf. 't Is de tijd van bot en paling, in 't najaar "spierling", garnalen; de ansjovis van 't voorjaar. In Zwolle zegt 'n dienstmeisje tegen haar visch koopende mevrouw: " ... dat is zijdenet-bot, dat zijn de kleintjes, die motten we niet hebben". Juist. Zijdenet is staand net, het staat op den grond want de bot komt niet hoog; die blijft er langer in dan zijn grootere soortgenooten in het sleepnet, waaruit zij vrij spoedig in handen van de Zwolsche venters geraken. Sleepnet-bot is dus lekkerder, heeft geen water binnen gekregen. Het staande net, door de visschers zelf gebreid, kan honderden meters lang wezen, allemaal kleine "zakken" aaneen tusschen twee touwen, liefst van Russischen hennep. 't Wordt met "kasjoe" (catchou) getaand, waardoor het ook in warm zomerwater niet rot. De (ongetaande) katoenen, veel minder sterk, zijn alleen in koele maanden te gebruiken.

Raadhuis van Vollenhove

Daarop liep ik 't stadje nogeens in en maakte verdere kennissen. Ook trof ik er eenen ouden. Op 't raadhuis. Daar hangt nl. eene plaat van de slag bij Waterloo, met opdracht door den uitgever-schenker: E. Maaskamp - welbekend van menig boek en menige kaart uit het begin der 19e eeuw -, toentertijd te Amsterdam, maar als "zoon van den aldaar [te V.] als Regent en Kerkmeester overledenen Willem Maaskamp" vol dankbaarheid jegens zijn geboortestad. - Veel merkwaardigs was er niet, een oud vaandel met lijst der gevers (Oranjemannen uit den Patriottentijd), eenige kleinigheden, stempels, bode-insigne, enz. En mammouthbeenderen uit de Voorst. Een antieke kaarsenkroon en stoelen bevinden zich in 't museum te Zwolle. De kroon wil de burgemeester eens terugvragen, de stoelen maar niet, die raadsleden zitten soms zoo gek te wiebelen, daar kunnen ze niet tegen ……


Zonder eene omwandeling van de Voorst is uw bezoek aan Vollenhove niet af. Als een voorgebergte steekt ze in zee. 't Mooist is ze bij avond, wanneer het stille water slechts even tegen de paaltjes rimpelt, de kustlichten zichtbaar worden: Blokzijl, een boei, Schokland en de dammen van 't Zwarte Water. Is het reeds bijna donker, dan zult ge eenige schapen opschrikken, aan uw pad in 't gras gelegen en met een ruk wegspringend zoover de ketting reikt. Achter het bosch van den Odruitenborch komt ge uit. Dat verrukkelijke park, waarin op Zondagmiddagen ook vele stedelingen wandelen, en zitten op 't bankje aan den eendenvijver, tegenover de ruïne van het eens geweldige slot de Toutenburg.

De ruïne Toutenburg

Tegen den avond, aan het tramhuisje, terwijl de koeien uit eene van drie combinaties van elk 50 stuks, welke daar de dijken afgrazen, huiswaarts keerden hielden we ons laatste praatje. Tegen
middernacht was ik thuis.
Den volgenden dag begon eene nieuwe regenperiode.

ARNHEM, Januari-Maart 1928

dinsdag 20 augustus 2013

Geïllustreerde gids van Almelo (1915)



Korte Beschrijving van Almelo

Den 1en Januari 1914 zijn de gemeenten Stad- en Ambt-Almelo vereenigd tot de gemeente Almelo, die ± 22OOO inwoners telt en alzoo de derde plaats in Twente is geworden.
Almelo is een fabrieksstad; het groote aantal schoorsteenen geeft op een afstand al te kennen, dat de nijverheid hier zetelt. Weverijen voor katoen, halflinnen, bukskin, wollen stoffen, een katoenspinnerij, tricotfabriek en een chemische wasscherij en ververij, fabrieken voor bewerking van kapok, inrichtingen voor confectie, enz., alsmede een groote bierbrouwerij, maken Almelo tot een belangrijke industrieplaats.

Afbeelding: Een stukje Almelosche industrie

Ook de handel in granen en koloniale waren is van beteekenis, en ware het Overijselsche Kanaal in betere conditie, de handel zou zeker in belangrijkheid toenemen. Veler hoop is gevestigd op het Twentsche Kanaal, dat tot Enschede zal worden doorgetrokken.

Afbeelding: Havenkom

Voortdurend heerscht hier gebrek aan woningen, hoewel bouwvereenigingen in de behoefte trachten te voorzien. Het voormalige Ambt heeft ruimte om nog honderden woningen te stichten.
Een tuindorp is in wording. De gemeente is voorzien van een drinkwaterleiding, bezit een nieuwe, ruim aangelegde gasfabriek, alsmede eene Electr. Centrale, die haar kabelnet over de heele gemeente uitstrekt.
Aan de eischen der hygiëne wordt voldaan door rioleering. keuring van levensmiddelen en door een strenge melkcontröle.
Even buiten het centrum zijn aan de wegen naar Ootmarsum, Vriezenveen. Wierden, Hengelo in de laatste jaren heel wat villa's gebouwd met fraai plantsoen.

Afbeelding: Wierdensche Straatweg

Bij aankomst met het spoor is men slechts 5 minuten van het ruime Marktplein. Het Stationsplein en de Wierdensche straat geven den indruk van welvaart. De Groote straat is een moderne winkelstraat; de groote magazijnen voor manufacturen, confectie, meubels, galanterieën, sigaren, enz. kunnen zeer wel concurreeren met die van elke groote stad.
De huize Almelo ligt daar zoo echt rustig. De prachtige lanen en malsche weiden leveren een heerlijk gezicht. Het Bosch met "het Jagertje" is een geliefde Zondagswandeling.

Afbeelding: Gravenallee

De buitenste rand is nog zeer dun bevolkt; het aantal boerderijen neemt voortdurend toe en de woeste grond is bijna verdwenen. In dat gedeelte is de natuur heerlijk schoon. Wie er van genieten wil raadplege de wandelkaart.
Vaak zal men verrukt blijven staan als een kronkelend beekje, omzoomd door een smalle strook grasgrond, van uit de struiken te voorschijn treedt, of een Twentsche boerderij, verscholen in hoogopgaand hout, met de eigenaardige waterput, door haar typisch voorkomen de aandacht trekt.
Grootere welvaart en meerdere kennis van hygiëne doen het eigenaardige en ouderwetsche helaas meer en meer verdwijnen. Toch vond en vindt menig schilder in deze streken een ruime keus van tafreelen.
Almelo is de oude hoofdstad van Twente. Een Rechtbank en een Kantongerecht verhoogen de belangrijkheid van de plaats.

Afbeelding: Het Kolkje

Men treft er aan:
een raad van Beroep Ongevallenverzekering;
een Voogdijraad;
een Rentecommissie (ouderdomspensioen);
het kantoor van den Rijksbetaalmeester;
een Agentschap Ned. Bank;
een Douanekantoor (Bureel van Inklaring);
de Inspectie der Rijksbelastingen;
een Ziekenhuis met modern ingerichte operatiezalen;
het kantoor Waterschap "de Regge";
een H. B. S. met 5-jarigen cursus;
Scholen voor Protestant en Katholiek;
Openbare M.U.L.O. School en bijzondere M.U.L.O.
Handelsavondschool;
Burgeravondschool;
Normaallessen;
terwijl een Ambachtsschool in wording is.

Door spoorwegen is Almelo verbonden met de hoofdplaatsen des lands en met Duitschland. De internationale lijn Berlijn-Amsterdam-Rotterdam loopt over Almelo en elke trein houdt er stil. In twee uren kan men te Amsterdam zijn.
Door het Overijselsche Kanaal naar Zwolle en Deventer profiteert Almelo van de binnenvaart; door 't kanaal Almelo-Nordhorn staat het in verbinding met de kanalen van West-Duitschland; en met het over eenigen tijd in exploitatie brengen der tram Almelo-Ootmarsum-Denekamp vormt Almelo een belangrijk kruispunt van wegen, dat zijn groei en bloei ten goede komen zal.

Afbeelding: Ootmarsumsche Straatweg

Geïllustreerde gids van Almelo (1915): Wandelingen

Wandelingen

I. Het Bosch met "'t Jagertje" door de Toekomst (gemerkt met 1.)
De prachtlaan voor den huize Almelo is de meest bekende wandeling en leidt naar 't Bosch. Dit bosch is niet voor ieder toegankelijk; baldadigheid en strooperijen hebben de afsluiting bewerkt. Persoonlijke doorloopende toegangskaarten zijn tegen geringen prijs verkrijgbaar bij den rentmeester van den Huize Almelo. (De opbrengst komt ten bate van het Ziekenhuis).
Even voorbij 't gerenommeerde "Jagertje" slaat men rechts af de "Wateregge" in. De tocht gaat voorbij Holsbrink over de Loolee langs Marienhoeve naar den zuidwaarts gelegen Bolkshoek, om voorbij "de Schreeuwer" den weg naar Borne te bereiken.


Deze wandeling kan zeer gevoegelijk worden gewijzigd, door voorbij het Jagertje den weg langs het Boershuis in te slaan (op de kaart gemerkt met drie keer 2). Bij Holsbrink in de Wateregge is de weg weer dezelfde. Deze wijziging is bepaald aan te bevelen; aardige intieme wegjes en laantjes, alsmede nog wat woeste streken komt men door. De weg, die gevolgd wordt langs 2-2-2, is erg zandig en de wagensporen zijn diep. Voor de fiets dus minder aanbevelenswaardig (dit deel vereischt toegangskaart).

II. De Bleskolk om (Gemerkt op de kaart met de cijfers 6 en 4).
Den weg volgen naar Vriezenveen voorbij 't klooster "de Goede Herder" en den tol, dan de brug over, die over de Hollander Graven ligt. Onmiddellijk slaat men links af, "'t Meulenbeld" rechts latende liggen. Op de kaart geven de cijfers 6 duidelijk de richting aan. Op den driesprong bij Grimberg gaat men over 't Exoo het land door naar 't Eiland, gemerkt 4, of langs Frerikshuis, Rengeling en de school de Brugstraat in, die in 't verlengde der Spoorstraat ligt en naar 't Station leidt.


Deze wandeling gaat door een echt rustige streek. Lange lanen doorsnijden de weilanden. Een enkele boerderij brengt een aardige afwisseling. Een heerlijke frissche lucht en schaduwrijke plekjes noodigen herhaaldelijk tot rust.

III. De Schelfhorst, Kluppelshuizen, Krommedijk, Tukkertsdijk, Gravenlaan (Gemerkt met de cijfers 7).


Men volgt den weg naar Vriezenveen tot Kortenvoort en slaat rechtsaf voorbij Toren. De tocht gaat rondom de Schelfhorst tot Schapedijk, dan oostwaarts langs Bokhove en 't R.C. Kerkhof, komt men op den weg naar Ootmarsum. Het genoemde kerkhof is op de kaart aangeduid door een vakje gevuld met negen kruisjes. De dikke lijn is de ingang. De uitspanning de Kroon ligt in een dichtbevolkte buurt. Wandelt men nu naar het Sluitersveld en slaat men bij de school den hoek om, dan bereikt men langs de fabriek het Tukkertsdijkje, waarin een smal brugje over 't Kanaal Almelo-Nordhorn. Het laantje langs de Loolee brengt ons weer naar de Graven-allee.

IV. Mosterdpot, Bellinckhof, Joostman (Gemerkt met 3).
Wandel den straatweg op naar Wierden, welke door zware eiken beschaduwd wordt, tot bij den Mosterdpot, een nieuwgebouwde boerderij en uitspanning, rechts van den weg op pl.m. 20 minuten van het Station. Sla dan links af, een flinken sintelweg in, tot den Ouden Wierdenschen weg. Houdt men dan links aan, dan loopt de weg over Bellinkhof, een mooie boerderij, en Joostman. Men heeft dan in een uur deze wandeling afgelegd.


Als men evenwel vóór Schutteman het brugje over de Almelosche Aa neemt, voorbij Beeklust en Zoeternan, dan loont het de moeite langs het erve Uilenreef te gaan, om te bewonderen den mooien boomgaard met parkaanleg. De Bornebroeksche weg links nemende, komt men langs de bierbrouwerij in de Bornebroeksche straat en Veemarkt in het stadsgedeelte.

V. Het Nijreesbosch (gemerkt met 2.)
Aan de Zuidzijde van de gemeente ligt het Nijrees, waarvan een groot deel bosch. Verscheidene wegen zijn voor wandelaars afgesloten. Stroopers en baldadige Zondagsschenders dragen hiervan de schuld. Het Nijrees ligt tusschen de wegen naar Borne en Delden. De kaart geeft zeer duidelijk aan hoe gewandeld kan worden. Men vol ge de wegen gemerkt met 2.


De wandeling heeft veel bekoorlijks. Veel dennehout afgewisseld met beuken en eiken, maakt de lucht heerlijk zuiver en aromatisch. Op sommige plaatsen gevoelt men zich uren ver van bewoonde streken. Deze gevoelens dringen zich vooral op als de versche sporen van vossen en herten bewijs geven van afzondering en vrede.

VI. De Achterhoek (gemerkt met 5.)
Een eigenaardige wandeling is die door den z.g. Achterhoek. Voor enkele jaren stonden daar, behalve enkele groote boerderijen, zooals Demmer, Pieter Nardus aan de Hollander Graven, enkele kleine.
Thans is die Achterhoek een welvarende streek, dank zij de voordeelige positie van de bewoners, die profiteerden van de verdiensten, die de fabrieken aanboden en de grootere opbrengst hunner landerijen, door verbetering van waterafvoer en gebruik van kunstmest.


Voor de fiets is deze Achterhoek geknipt. Als men den Ootmarsumschen weg volgt tot de herberg "De Mooie Vrouw" slaat men links af. Een prachtstreek, voor een groot deel weiland (de rest is bouwland) met veel wegen, die met elzen en berkenstruiken zijn afgezet; daarbij leuke groepen van boomen en schilderachtige plassen, die een paradijs zijn voor honderden ganzen, gefokt voor de Engelsche markt.
De cijfers 5 volgende, komt men over een brug over de Loolee, weer in de Kluppelshuizen uit, vanwaar een afwisselende weg weer leidt naar den Vriezenveenschen weg.

donderdag 2 mei 2013

Gids voor Twente (1917): Achtergrondinformatie en inleiding

ACHTERGRONDINFORMATIE.



De auteur van de Gids voor Twente is H.W. Heuvel. Hij werd geboren in de buurtschap Oolde bij Laren en was (hoofd)onderwijzer in achtereenvolgens Laren, Gelselaar en vanaf 1901 in Borculo waar hij tot zijn dood bleef wonen.
De foto's zijn gemaakt door B.J. (Bernard) Hoetink, die naast fotograaf ook kunstschilder was. Hoetink werd in1876 in Deventer geboren en overleed in Hengelo in 1960. Hendrik Willem Heuvel publiceerde veel en over een veelheid aan onderwerpen. Veel van zijn geschriften hadden betrekking op de geschiedenis en volkskunde van de Achterhoek. Zijn belangrijkste werk is ‘Oud-Achterhoeksch boerenleven, het gehele jaar rond’. Maar hij schreef ook biografieën, over ‘de natuur’ en een aantal toeristische gidsen, waaronder deze Gids voor Twente.



INLEIDING.

"Mij spreekt de blomme een tale,
Mij is het kruid beleefd,
Mij groet het altemale,
Dat God geschapen heeft."
GUIDO GEZELLE.
Dit 'boekje wenscht een Gids te zijn voor Twente. Hoewel in den Achterhoek geboren en getogen, heb ik altijd een zekere voorliefde voor Twente gevoeld, om zijn rijke verscheidenheid aan schoone landschappen, zijn oude zeden en gewoonten, om de vriendelijkheid, gulheid en ongekunstelde eenvoud zijner bewoners. Twente schijnt mij nog oorspronkelijker dan de Graafschap. Waar het "lösse hoes" het langst standhoudt en het oude Saksisch dialect nog het minst verbasterd is, daar is ook de Neder-Saksische zede het best bewaard. Twente schijnt mij het moederland te zijn der Graafschappers, getuige de vele eensluidende of nagenoeg eensluidende namen hier en ginds: Hengelo, Delden, Geesteren, Reutum, Vasse, Zenderen, Woolde, Stokkum, Heksel, Haarle.
Niet in dien zin zullen we gids zijn, dat we altijd precies de wegen aanduiden met een telkens herhaald "linksaf, rechtuit", enz. "Men heeft ja den mond bij zich," zegt men in 't boerenland en de Twentenaar is welwillend genoeg, om op een beleefde vraag den weg te wijzen, ja een eindje mee te loopen. De kaart zal u helpen en de rest laten we over aan 't gezond verstand der toeristen. Ook geven we geen wandelroutes of fietstochten aan als een serie recepten. De wereld is immers naar alle zijden open en het aantal mogelijke combinaties is eindeloos. 't Is komiek, hoe sommige stedelingen een voorgeschreven wandeltocht dag aan dag herhalen, rondloopend als een paard in de manége.
Dat we telkens weer iets uit de historie verhalen, geeft perspectief aan het landschap. De boomen en bloemen, de heuvels en heivelden hebben overal hetzelfde aanzien en woorden kunnen niet beschrijven, hoe met deze stoffage toch zoo verscheiden tafereelen zijn geschapen, maar het verleden, dat nimmer dood is, kleurt ieder plekje weer anders en
geeft het individualiteit.