woensdag 8 augustus 2012

Wij trekken door Twente en Salland (1935): Langs de Buurserbeek

Langs de Buurserbeek

Twente boeit steeds weer door zijn afwisseling, die op den vreemdeling een buitengewone aantrekkingskracht uitoefent. Wij hebben gezworven langs de oevers van de schilderachtige Dinkel, door het romantische Noorden, we hebben gestaan op de heuvels van de Lutte en vertoefd in de schoone boerschappen van oud Lonneker. Nu komen we in een streek, waarvan we opnieuw kunnen zeggen: het is er verrukkelijk schoon in dit land langs het kleine riviertje, de Buurserbeek. Ruim een jaar geleden is het schoon van de Buurserbeek onder de belangstelling van geheel natuurminnend Nederland gebracht. Het plan bestond nl. om de grillige beek, welke de oeverlanden nogal eens blank zet, te normaliseeren. Wat normalisatie beteekent zetten wij bij het hoofdstuk over het Dinkelland reeds uiteen. Waren de plannen van den Provincialen Waterstaat van Overijsel zonder meer uitgevoerd, dan zou een der rijkste gebieden, welke ons land kent, volkomen verwoest zijn. Vele natuurminnaars in ons land, onder aanvoering van dr. Jac. P. Thijsse, kwamen in het geweer. De actie heeft succes gehad, want de mooiste plekjes zullen gespaard blijven.
Men hoort zoo vaak de klacht uiten, dat groote gebieden, waarin het zoo heerlijk is te dwalen, bedorven worden door menschen, die van de natuur niets weten. Daar, waar de schoonste schatten van bosch, strand en heide worden tentoongespreid, stuit men helaas zoo vaak op mondaine hotels, op dancings met jankende jazzmuziek. Zij, die dat willen ontvlieden, moeten naar Salland en Twente komen, maar vooral naar de Buurserbeek. Hier is de natuur nog onbedorven; alleen is een klein gedeelte langs de hooge oevers van het stroompje wat te veel in beslag genomen door de buitenhuisjes en optrekjes van families uit Enschede, maar hinderlijk is dit niet. Het is heusch geen toeval, dat de Natuurvrienden in Buurse hun tehuis "De Braom" stichtten; deze vereeniging, welke het echte genieten van het buitenleven in al zijn eenvoud nastreeft, weet waar de schoone plekjes te vinden zijn.

Afbeelding: De Buurserbeek

Buurse! Hoe vaak hebben we er niet gedwaald door de verrukkelijke natuur. Hoe schoon is het hier vooral op de zomeravonden, wanneer men de stilte aanvoelt in dit eenvoudige, maar zoo mooie land, waar men steeds weer nieuwe indrukken opdoet, waarin men voelt hoe schoon het is te toeven in bosschen en heide.
Het dorpje kan men gemakkelijk over harde wegen van Enschede of Haaksbergen bereiken. Maar nog mooier is het gebruik te maken van de prachtige fietspaden, welke dit gebied doorsnijden. Komende van het Duitsche dorpje Alsttäte bereikt de Buurserbeek het Nederlandsch grondgebied. Wie er gelegenheid voor heeft moet even de grens overgaan, omdat vlak bij een plekje aan de Buurserbeek wordt gevonden, dat de moeite waard is, nl. de oude, bij uitstek fraai gelegen watermolen de Haarmölle, welke eeuwen oud is. Voor den geoloog is het hier een zeer interessant gebied, want men treft er geologische formaties aan, welke men in ons land tevergeefs zal zoeken. Hier treedt nl. in den molenkolk de schelpen kalk duidelijk te voorschijn als z.g. rimpelkalk. Bijzonder fraai met zijn hoog oud geboomte ligt de Haarmolen aan de beek; de molenkolk is de laatste jaren als zwembad in gebruik.

Zoodra de Buurserbeek Nederlandschen bodem bereikt, slingert zij zich door een gebied, waar men diep onder den indruk komt van al het schoons, dat in deze boschrijke heuvelachtige omgeving te vinden is. Het is hier het land van de Hanebulten en de Heurnebulten, eigendom van den heer G. J. P. van Heek, die vlakbij zijn huis heeft.

Afbeelding: Kronkelende paadjes leiden door bosschen en hei. De Hanebulten bij Buurse.

Kronkelende paadjes leiden door de bosschen; het is verrukkelijk te dwalen in dit natuurreservaat. Alle natuurminnaars zullen den heer Van Heek, die zulk een groote liefde toont voor het schoone van dit gebied, dankbaar zijn, dat hij dit alles in stand houdt. Temeer omdat hij zoo graag ziet, dat anderen er van mee genieten. Hij stelt zijn geheele uitgestrekte gebieden zonder meer open voor alle trekkers, overtuigd als hij is, dat niemand misbruik zal maken van dit nobel gebaar, waarmede de heer Van Heek reeds duizenden landgenooten aan zich heeft verplicht.

Verder gaat de beek, door donkere dennebosschen en dan bereikt ze het dorpje Buurse, dat in twee deelen is gesplitst: hier liggen de huizen gegroepeerd om de Ned. Herv., ginds om de R.K. kerk. Rondom het dorpje golven de wijde korenvelden. Langs den oever van het stroompje zijn in deze omgeving veel landhuisjes gebouwd, maar dan bereikt het opnieuw een wild gebied: het Koekoeksdal. Diep weg stroomt hier de beek met zijn hooge oevers, geflankeerd door bosschen en varens. Dan kruist ze den weg naar Haaksbergen en wat nu volgt, kunnen we gerust noemen:

een der paarlen van het Nederlandsche landschapsschoon, het Buurserzand.

We slaan rechtsaf en komen in een gebied, dat door wijlen den heer Jan Bernard van Heek als een natuurreservaat is gesticht en door zijn nabestaanden is geschonken aan de Vereeniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland. Het is een gebied van heuvelachtige heide, plassen en boomengroepen, een der schitterendste landschappen in Nederland, die we kennen. Wie door het Buurserzand dwaalt zal diep getroffen worden door de pracht, welke de natuur hier ontvouwt. Van een der hooge heuvels ziet men wijd in het rond, waar heel in de verte de torens van de naburige plaatsen zich afteekenen. De plassen spiegelen in het zonlicht. Op de toppen der heuvels staat de jeneverbes. In den vallenden avond gelijken de vreemdsoortig gevormde boompjes op wangestalten. Hier groeit de gagel, hier en daar verspreid staan de witte berkenstammetjes. Een rijk vogelleven wordt hier gevonden. Men ziet er de wielewaal, de meerkol, de havik, de buizerd, de kievit en de wulp. Ginds in een boschje huist de houtduif. Een vreemde stilte hangt hier; verscholen onder het bladerdak ligt een oud, vergeten boerderijtje, de Bommelas, als een herinnering aan vroeger tijden voor het nageslacht bewaard. Wanneer men door de ramen naar binnen gluurt ziet men een groote houten kist, waarin de vroegere bewoner van het huisje, die 90 jaar is geworden, den nacht doorbracht. Om lucht te kunnen krijgen stak hij een houtje tusschen het deksel.

Afbeelding: In het Buurserzand. Verscholen onder het bladerdak ligt, een oud vergeten boerderijtje.

We steken nu den ruilen zandweg over, welke de buurtschap Rutbeke met Buurse verbindt. Opnieuw staan we aan den oever van een plas, temidden van de heide. Een oude standaardmolen welke hier is opgericht, weerspiegelt zijn beeld in het heldere water. Het is hier een plekje om uren te toeven. Het heideveld, met prachtig geboomte omzoomd, is mede een deel van het natuurreservaat. De molen stond vroeger in Usselo en is in 1921, toen hij voor afbraak werd verkocht, door Jan Bernard van Heek naar hier overgebracht; deze liet den prachtigen ouden molen grondig restaureeren. Op de vier Bentheimer steenen, waarop hij rust, werd een gedicht van J. J. van Deinse gebeiteld; dat als volgt begint:

Ik zin ne oale Stenderkast
Oet achtteen honderd twee,
Do mi-j Jan Heenik Wissink ginn'
In Ossel bouwen dee.

Gaat men rechtdoor dan komt men in de buurtschap Rutbeke, welke tot de gemeente Enschede behoort. Schitterend ligt hier temidden van grootsche eenzame natuur het buiten van wijlen J. B. van Heek "Zonnebeek". De oprijlaan loopt door een heidelandschap met eenige groote plassen. Op den achtergrond ligt het donkere dennebosch "de karkedannen". De oprijlaan komt uit op den weg waar de boortorens van de Zoutindustrie staan.
Wij keeren weer terug naar de Buurserbeek, welke nu aan den anderen kant van den weg naar Haaksbergen stroomt. Ook daar ligt nog een klein gedeelte van het natuurreservaat; het stroompje baant zich hier een weg langs een hoogen zandigen kant, waarin veel nesten van oeverzwaluwen worden gevonden. In de heuvelachtige hei, waardoor rulle, begroeide wegen leiden en overal dennen en kwakels groeien, ligt een oude schans, welke vermoedelijk door de troepen van Tilly in den 30-jarigen oorlog is aangelegd.


Ten Zuiden van de Buurserbeek bevindt zich een moeilijk te bereiken, onbekend gebied: het Haaksberger- en Buurserveen, dat zich ook aan gene zijde van de grens uitstrekt. Wij kunnen een bezoek aan deze wilde, ongerepte natuur warm aanbevelen; ook van dit landschap gaat een groote bekoring uit. Vreemd doen de oude grenssteenen aan temidden van veen en heide. Euwenoude boomen, welke in den veengrond liggen bedolven, worden hier nog voortdurend gevonden. Ook dit gebied is een smokkelaarsdorado; vooral aan Duitsche zijde is de bewaking zeer streng.
Wanneer we verder den loop van de beek volgen trekt het prachtige elzenhout langs de oevers de aandacht. Dan komt de vlakte, met het bedrijvige dorp Haaksbergen. Ongeveer een half uur buiten het dorp ligt de befaamde Oostendorper Watermolen. Honderden kampeerders kennen dit uitgezochte plekje, waar de tegenstellingen in de natuur wel zeer duidelijk aan den dag treden. Hier de beek met de ruigbegroeide oevers, daar sappige weiden en aan den overkant het donkere bosch. Heerlijk is het hier te rusten onder de schaduw van de eeuwenoude boomen voor het molenaarshuis.

Afbeelding: Watermolen van Haaksbergen

De molen, welke uit de 15e eeuw stamt, diende zoowel voor het malen van koren als voor het slaan van olie. De oliemolen is eenige jaren geleden door de Oudheidkamer "Twenthe" grondig gerestaureerd; de korenmolen is nog steeds in gebruik. De Haaksberger Watermolen behoort tot een der schilderachtigste plekjes van Twente. Hoe aardig is het gedicht van den Haaksbergenaar H. Berghege, dat aldus aanvangt:

Nog heurt mien oor dat stöarig zoezen,
Nog zut mien ooge 't draeiend rad,
Waor 't wit van schoem kwam oaver broezen
Het röstloos water, 't frissche nat ....

Afbeelding: De Haaksberger watermolen

De Buurserbeek stroomt verder door de dichte bosschen van het Lankheet en het Assink, waar een zeer rijk vogel- en insecten leven heerscht. Met bloemen omzoomd bereikt de beek den straatweg naar Neede en overschrijdt daarna de Geldersche grens. Onder Salland zullen wij haar opnieuw ontmoeten als Schipbeek. Hoe troosteloos ziet bij Rietmole onder Neede de stroom er uit; hier wordt haar loop gebonden door kale dijken. De normalisatie heeft daar sinds lang haar beslag gekregen ....

Langs den Needschen weg keeren wij naar Haaksbergen terug. Het vroeger zoo armelijke dorp is door de textielindustrie tot meerderen bloei gekomen. De groote oude R.K. kerk is ook hier geheel van Bentheimer Zandsteen opgetrokken.

Onze weg voert naar Hengelo, langs een oud buiten, waar telken jare nog het vogelschieten wordt beoefend. Langs Stepelo en het dorpje Beckum, waar eens een kasteel stond, dat bekend is geworden door den marteldood voor de "nije leere" van twee adellijke jonkvrouwen die het bewoonden (1544), bereiken we Hengelo.

Wij trekken door Twente en Salland (1935): Naar het land der kasteelen

Naar het land der kasteelen

Hengelo, Delden, Borne, Goor en Diepenheim.
Hengelo, het centrum van Twente, is het uitgangspunt voor een tocht naar het land der kasteelen. Hengelo, een flinke, opkomende stad, trekt evenals Enschede de aandacht door zijn fraaien woningbouw. Het Tuindorp 't Lansink bezit zelfs een vermaardheid, welke tot over onze grenzen uitgaat. Hengelo, het centrum van het spoorwegverkeer in Twente, heeft een bloeiend cultureel leven, waarvan het groote Concertgebouw getuigenis aflegt. De plaats is bekend om de vermaarde machinefabrieken van Stork. Ook andere groote firma's als Dikkers, Heemaf en Hazemeyer zijn hier gevestigd, terwijl de textielfabrieken evenmin ontbreken. De haven van het Twente-Rijnkanaal brengt nieuw vertier in de plaats, welke oorspronkelijk een dorp was; nooit heeft Hengelo stedelijke rechten bezeten.

De omstreken van Hengelo zijn rijk aan natuurschoon. Wij noemden U reeds het dorpje Beckum, dat tot de gemeente Hengelo behoort. Prachtig is het ook in de buurtschap Oele, waar een groote watermolen wordt gevonden, welke nog geheel intact is. Jammer is het, dat alles hier bedorven wordt door het fabriekswater, dat van Enschede komt. Hoewel de gemeente Enschede aan de Westzijde der stad een speciale zuiveringsinstallatie heeft gebouwd, gelukt het niet het water voldoende te reinigen. Bij rechterlijk vonnis is Enschede verplicht voor elken dag, waarop vervuild water wordt geloodst, een schadevergoeding van f 50 aan den heer van Twickel te betalen. Een bezienswaardigheid van Oele is de dikke boom, welke 8 Meter in den omtrek meet.
Mooie landelijke weggetjes leiden van Oele naar Delden, het oude stadje met zijn monumentale Nederl. Herv. kerk. Delden is beroemd in den lande om zijn schitterende omstreken. Wanneer men den grooten weg van Hengelo volgt, ziet men even voor Delden aan zijn rechterhand de oprijlaan naar het kasteel Twickel, vroeger de residentie van de Drosten van Twente. Het kasteel, dat een forschen indruk maakt, is nog grootendeels in middeleeuwschen toestand behouden gebleven. De eenige toegang leidt over een ophaalbrug.

Afbeelding: Het kasteel van Twickel

Het park rondom het trotsche kasteel, dat eigendom is van Baron van Heeckeren tot Wassenaar, kan bezichtigd worden, evenals de oranjerie en de wildbaan (Woensdags en Zaterdags). De trots van Twickel is het geweldige bosch, dat zich ten Westen en Noorden van het kasteel uitstrekt. Hier vindt men een der grootste en fraaiste bosschen van geheel Nederland (4000 H.A.). In elk geval heeft Twickel het meest uitgestrekte eikenbosch in den lande. Maar ook andere boomen: de statige beuken, de immer groene dennen en allerlei heesters treft men in dit woud aan, dat hier en daar wel eens een weinig parkachtig aandoet, een gevolg van de zeer groote zorg, welke aan dit grootsche bosch wordt besteed. Het is de beroemde Duitsche parkarchitect E. Petzold geweest, die in de vorige eeuw een verwilderd bosch in een lustoord heeft herschapen. Op een granietblok, te zijner nagedachtenis opgericht, leest men, dat de bijl de ijzeren teekenstift in de natuur is.
Twickel is een der paarlen van Twente. Welk een wijding gaat er uit van dit bosch met zijn recht oprijzende beuken- en eikenstammen. Hoe vredig stroomt de Twickelervaart - aan den weg naar Hengelo ligt de voormalige schippersherberg "Carelshaven", thans een bekend hotel - door de bosschen. Twickel is vooral schoon in den herfst met zijn velerlei tinten. Dan schalt ook nog een enkele maal de jachthoorn door de bosschen en rijdt de bonte ruiterstoet uit. Verzuim vooral niet een bezoek te brengen aan de omgeving van de boschwachterswoning, een klein museum van opgezet wild en zeldzame vogels. Sprookjesachtig ligt het huis temidden van het stille woud. Hier wordt het verhaal levend van Roodkapje, diep, diep in het groote bosch ....

Afbeelding: Diep, diep in het groote bosch

Gaat men verder in Noordelijke richting, dan komt men in de mooie buurtschap Azelo, waar weer een van die typische kleine watermolens worden gevonden, welke aan het Twentsche land zulk een apart cachet geven. Ten Noord-Westen van Delden ligt het Elbertsbosch, met veel ongerepte natuur; het is jammer, dat de cycloon van 1926 hier zooveel heeft bedorven.
Naar alle kanten gaan van Delden de fietspaden uit. Schitterend zijn vooral de wegen naar Enter en Almelo, welke door streken voeren, welke den natuurminnaar steeds weer tot verrukking zullen brengen. Ja, die rijwielpaden verleenen een groote aantrekkelijkheid aan een tocht door het Twentsche land. Delden bezit een keurige jeugdherberg "'t Iemenschoer" (Bijenkorf), een vroegere villa aan den Hengeloscheweg. Ook een natuurvriendenhuis (aan het fietspad naar Almelo) is niet zoo ver van hier verwijderd.

Een goede verharde weg, welke door een prachtig gebied loopt, leidt naar het groote dorp Borne, dat voor het grootste deel zijn bestaan in de textielindustrie vindt. De omgeving van Borne, waartoe ook de buurtschappen Zenderen, Herthme en Bornerbroek, behooren is zeer rijk aan landschapsschoon. Een bezienswaardigheid van de plaats is de eeuwenoude Ned. Herv. kerk met klokken van de gebr. Hemony. Deze origineele tweebeukige dorpskerk is een unicum in Nederland. Bij een restauratie werden belangwekkende muurschilderingen ontdekt. Bij Borne liggen bekende steenfabrieken, waarvoor de dikke leemlaag van deze omgeving de grondstoffen levert.

Van de omgeving noemen wij nog: de vroegere Havezathe 't Weleveld, Zenderen met groote kloosters der Karmelieten en Karmelitessen met een gymnasium en retraitehuis, Herthme met zijn liefelijke omgeving en het boschrijke Bornerbroek.

Van hier brengen mooie wegen den tourist naar Delden terug. Het oude stadje wordt geheel omgeven door de gemeente Ambt-Delden, welke zich vooral in Westelijke en Zuidelijke richting ver uitstrekt. Hier is men in de streek, welke de Twentsche Binnenlanden wordt genoemd.

Afbeelding: In de Twentsche binnenlanden

Hoewel uitgestrekte terreinen voor de cultuur in gereedheid zijn gebracht, is er toch nog veel overgebleven, dat den trekker boeit. Hier is men weer in een gebied, waar veel herinnert aan het verleden, waar nog voorvaderlijke gewoonten in eere worden gehouden. In deze omgeving wordt het houtskoolbranden nog steeds beoefend. Men vindt nog meilers in de buurtschappen Wiene en Hengevelde. In laatstgenoemde plaats woont de eenige houtskoolbrander, die in Twente is overgebleven: de thans 68-jarige Dieks Wegdam. Hij beoefent het houtskoolbranden, dat gedachten opwekt aan de sprookjes uit de kinderjaren, nog op dezelfde wijze als een paar eeuwen geleden. Een meiler is een koepelvormige houthoop, welke met zoden en aarde wordt overdekt. In de hoop is een opening gelaten, welke als schoorsteen dienst doet. Den laatsten tijd is er weinig vraag naar houtskool, zoodat maar zelden een meiler wordt ontstoken. De kolenbrander doet het werk voor de boeren, die het hout leveren. Hij is gewoon in loondienst. Dieks Wegdam ontvangt voor een hoop f15 plus de kost en een half pond tabak. Bij voorkeur wordt elzen- en berkenhout gebruikt.

Wild houtgewas wordt in deze streek, waar hier en daar nog mooie wilde heidelandschappen zijn, veel aangetroffen. Het oefent een groote aantrekkingskracht uit. Anders zou dit gebied een eenigszins eentonig karakter dragen, hetgeen hier en daar trouwens ook het geval is. De Twentsche Binnenlanden hebben erg te lijden gehad van de cycloon van 1926; vele boerderijen moesten geheel of gedeeltelijk worden vernieuwd.

Van de buurtschappen der gemeente Ambt-Delden noemen wij Wiene, Benteloo en Hengevelde. Een enkel "los hoes" wordt in deze streek nog gevonden. Bij het open haardvuur worden de oude herinneringen opgehaald van Huttenkloas, die met zijn vrouw Aorne en zijn jongens in een hutje op de hei bij Hengevelde woonde en alles roofde wat hij maar machtig kon worden. Hij lokte verschillende menschen in zijn huis, die allen spoorloos verdwenen. In 1774 vermoordde hij een koopman uit Hannover, die van de Najaarsmarkt te Goor terugkeerde. Toen kwam de overheid op het spoor der misdaden. Huttenklaos, zijn vrouw en zijn zoon Jannus werden gegrepen en naar de toenmalige hoofdstad van Twente Oldenzaal overgebracht, waar Huttenkloas en Jannus levend werden geradbraakt, terwijl Aorne haar leven aan de galg eindigde. Wij vermelden deze griezelige geschiedenis omdat men er overal in Twente nog steeds van hoort verhalen. In het stadhuis te Oldenzaal wijst men nog den stoel van Huttenkloas aan, waaraan hij werd vastgebonden voor hij op 13 September 1775 zijn leven op den Galgenbult aan den weg naar Denekamp eindigde.


Door Ambt-Delden, ongeveer evenwijdig met de spoorlijn Zutphen-Hengelo loopt het Twente-Rijnkanaal. Groot was voor den aanleg de vrees, dat het kanaal veel oorspronkelijk natuurschoon zou vernielen en het landschap ernstig zou ontsieren. Die vrees is niet bewaarheid geworden. Wij zijn het volkomen eens met den hoofddirecteur van den Rijkswaterstaat, dr. ir. L. R. Wentholt, onder wiens leiding de aanleg plaats vond, dat het kanaal eerder het landschap heeft verfraaid. Op den monumentendag van 1935 hoorden wij een lezing van dr. Wentholt, die daarin uiteenzette hoeveel moeite is gedaan om het landschap niet te bederven. Welk een vooruitgang! Vroeger legde men kanalen en spoorwegen aan zonder met de aesthetische eischen rekening te houden. De bruggen, welke in verschillende, zeer bij de omgeving passende kleuren zijn uitgevoerd (zachtgroen en wit), geven een bijzonder cachet aan het kanaal. Ook aan beplantingen is veel aandacht geschonken. De kanaaldijken zijn zoo laag mogelijk gehouden, teneinde ook den liefhebbers van watersport gelegenheid te geven van de mooie, steeds wisselende omgeving langs den waterweg: bosschen, bouwland en groene weiden, te genieten.

Wij naderen nu het stadje Goor, dat zich ook wel eens het “Twentsche Haagje" noemt, teneinde daarmede duidelijk te demonstreeren, dat het niets met zijn naam uitstaande heeft, welke trouwens moerasland beteekent. Het langgestrekte stadje, dat veel textielnijverheid heeft, is bekend om zijn weefschool, welke indertijd den stoot heeft gegeven tot de ontwikkeling van de Twentsche katoennijverheid. Op de oude begraafplaats bevindt zich de grafkelder van Thomas Ainsworth, die de grondlegger van de textielindustrie in Twente is geweest. Ainsworth was een zoon van een Engelschen fabrikant, die op een studiereis in 1832 toevalligerwijs in hotel "De Zon" te Hengelo een ontmoeting had met Willem de Clercq, den secretaris van de Nederlandsche Handelmaatschappij, die den stand moest opnemen van de Twentsche huisnijverheid, zulks in verband met het niet meer beschikbaar zijn van de Belgische textielindustrie als gevolg van den opstand. Ainsworth moet toen de beroemde woorden hebben gesproken: "Geef mij een snelspoel en een Twentschen jongen en ik zal u callicot's leveren, zooveel als ge wilt." Het gevolg was, dat te Goor onder leiding van Ainsworth een weefschool werd opgericht, waar velen uit geheel Twente tot bekwame vaklieden werden gevormd. Op den huize Eversberg te Nijverdal overleed Ainsworth op 46-jarigen leeftijd. De stad Goor bood toen als hulde aan zijn nagedachtenis een grafkelder aan, waarop later een monument werd gesticht met het opschrift in drie talen:

"Aan een nuttig man, Thomas Ainsworth,
Het dankbare Overijsel".

Afbeelding: Het grafmonument van Thomas Ainsworth

We zijn nu midden in het land der kasteelen, waarvan er in deze omgeving een zevental wordt gevonden. Het fraaiste is wel het Weldam aan den weg naar Diepenheim. Het bezit statige lanen en rijke bosschen, Het kasteel, dat dateert uit de tweede helft der 17e eeuw, maakt een zeer verzorgden indruk. De aandacht trekt de tuin, welke is aangelegd naar den stijl Le Notre.
Niet ver van hier ligt het kasteel het Wegdam, de laatste bezitting, welke het eertijds zoo vermaarde geslacht der Van Coeverdens was overgebleven. Het oude verlaten gebouw spreekt van een grootsch verleden.
Aan den weg naar Delden trekt het kasteel Heeckeren, het oude huis te Goor, de aandacht. Het is thans als nonnenschool in gebruik.
Aan den Rijksweg naar Markelo vindt men een breede laan, welke voert naar de plek, waar eens het huis Stoevelaar stond, het meest geduchte kasteel in den omtrek, waarvan de gracht nog wordt aangetroffen.

Een rijk begroeide weg leidt naar Diepenheim met zijn kasteelen, zijn mooie omgeving met groote esschen, omzoomd door akkermaalshout. De glorie van Diepenheim is het kasteel "Het Nijenhuis" van Graaf Schimmelpenninck. Rijk aan natuurschoon is deze groote bezitting. De Molenbeek slingert er zich doorheen, bosschen met velerlei boomen verrukken het oog. Gaat men door de kronkelende paadjes dan ontdekt men een rijk planten- en dierenleven. Veel herinneringen worden hier bewaard aan den Napoleontischen tijd toen Raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck "Het Nijenhuis" bewoonde. Zijn typisch reiswagentje is onlangs door de familie aan het Rijksmuseum "Twenthe" te Enschede geschonken.
Aan de Molenbeek ligt de pittoreske oude Watermolen van Diepenheim, welke in 1912 door graaf L. H. Schimmelpenninck van Nijenhuis aan de gemeente werd afgestaan, alsmede een onderhoudsfonds van f 4000. Deze typische koren-watermolen zal dus voor het nageslacht bewaard blijven.
Nog drie kasteelen liggen binnen de grenzen van de gemeente Diepenheim. Aan de Westzijde van het plaatsje trekt het "Huis te Diepen" van den heer J. W. J. baron de Vos van Steenwijk de aandacht met het Sterrebosch en aardige waterpartijen. Aan de Zuidzijde, aan de oevers der kronkelende Regge, ligt de Huize Warmelo. Het oude kasteel speelt een rol in het bekende boek van L. E. "Onder de Republiek". Wat verder van de kom verwijderd is "het Westerflier” van R. Graaf Schimmelpenninck. Hier ontmoeten we een oude kennis, de Buurserbeek, thans de Schipbeek geheeten. Door het werk van menschenhanden heeft het grillige stroompje, dat onder Haaksbergen door zulk een schat van natuurschoon werd omringd, veel van zijn schoonheid verloren. Maar toch, ook hier is het mooi bij het adellijk huis, dat verscholen ligt tusschen hoog opgaand geboomte.
Rijk is de natuur rond Diepenheim, een welvarend dorp, dat eenmaal stedelijke rechten bezat. Het was de kleinste der Twentsche steden en nog altijd leven de rechten van voorheen in den naam "het stedeke" voort.

We wenden onze schreden naar het Zuid-Oosten naar de buurtschap Markvelde, welke tot de gemeente Diepenheim behoort en gerekend kan worden tot de “Twentsche binnenlanden". Ten Oosten van Markvelde liggen nog prachtige woeste gronden, heidevelden met Jeneverbessen en witte berkenstammetjes.
Diepenheim en omgeving zijn te belangwekkend voor den natuurminnaar om vergeten te worden. Rijk is hier het met beken doorsneden landschap gestoffeerd door plantengroei, welke op sommige plaatsen ongekend rijke vormen aanneemt. Hier is men met recht in het land der kasteelen. Wanneer men dwaalt langs het statige Warmelo, droomt men van de tijden van weleer, van de geschiedenis, welke zich heeft afgespeeld in het verhaal van L. E. "De kinderen van Warmelo" ....


Wij trekken door Twente en Salland (1935): Naar het land van de heuvels en de blauwende einders

Naar het land van de heuvels en de blauwende einders

Het heuvelland van Overijsel! Wie er eenmaal kennis mee heeft gemaakt zal steeds weer terugdenken aan de dagen, toen hij toefde in deze liefdelijke streek. Op de kammen der heuvelen heeft men een verrassend uitzicht op een wijde omgeving. Overal ziet men de dorpen liggen, verscholen onder het groen. Welk een machtige taal spreken de donkere dennebosschen, de heidevelden en de holle, afloopende wegen, aan het eind waarvan de verten blauwen .... De geologen vertellen, dat de heuvelreeks, welke dwars door Twente loopt, haar ontstaan te danken heeft aan het landijs, dat van het Oosten kwam aandrijven. Diepe ravijnen snijden zich hier en daar door het heuvelland, dat met zijn bosschen, zijn heide met opslag van dennen, een sfeer van rust en schoonheid ademt. Men komt onweerstaanbaar onder den invloed van de machtige taal, welke hier de natuur tot den nietigen mensch spreekt. Het heuvelland van Twente en Salland bevat een schat van schoonheid, welke nog tè weinig aan de landgenooten bekend is. Hoevelen, die het Schwarzwald en de Harz op hun duimpje kennen, weten iets van de haast mystieke pracht van de "Overijselsche bergen", welke in menig opzicht de vergelijking met de genoemde toeristencentra kunnen doorstaan, al zijn de heuvels hier heel wat minder hoog.
De mensch is bezig geweest om deze natuur te "verfraaien". In Holten, op een der mooiste punten van het heuvelland, kruipen de landhuizen reeds ver den berg op, maar gelukkig heeft het provinciaal bestuur, dat zeer veel hart heeft voor het natuurschoon, hier bijtijds ingegrepen. De autowegen tusschen Nijverdal-Hellendoorn en Holten hebben inderdaad de wondere pracht der Overijselsche heuvels voor een grooter publiek ontsloten. Maar toch .... men krijgt een wrang gevoel op plekken, waar vroeger alleen de wandelaar en een enkele, zeer volhardende fietser kon komen, de claxons te hooren en de benzinedampen op te snuiven. Maar het moet gezegd worden, dat de wegen met kennis van zaken zijn aangelegd en dat al het mogelijke is gedaan om het schenden van natuurschoon zooveel mogelijk te voorkomen. Vandaar, dat deze autowegen, welke toch ook hun goede zijde hebben, niet zoo storend werken.


Goor is het uitgangspunt van onzen tocht door het land der heuvels. Achter Goor stijgt de weg naar Markelo, om zich over den Herikerberg te werken. Opzij ziet men rulle zandwegen, die zich in een wazig blauw verliezen. Ter rechterzijde van den weg rijst de belvedère op, vanwaar men een uitzicht heeft over bijkans geheel Twente en Salland. Wild en ruig is de Herikerberg; helaas hebben vandalen hier veel vernield, waardoor de eigenaar zich genoodzaakt heeft gezien om de vroeger geheel vrije wandeling te verbieden. Een bijzonderheid van den Herikerberg vormen de leemkuilen, waarvan sommige een diepte van pl.m. 20 meter bereiken. Die oude leemkraters, waaruit vroeger het materiaal voor de aan den weg naar Goor gelegen steenfabrieken werd gedolven, zijn de moeite waard, zoowel voor den geoloog als voor den botanicus. Een wilde flora wordt hier aangetroffen, overal groeien braamstruiken, in de steile wanden nestelen de oeverzwaluwen. Duidelijk zijn in deze leemkuilen de bodemprofielen te herkennen; ook hier golfde vroeger de zee, hetgeen blijkt uit de talrijke haaientanden, die men gevonden heeft in de leemlagen. Daalt men verder den heuvel af, dan komt men in de vriendelijke buurtschap Herike.
Wij keeren echter terug naar den grooten weg en slaan thans links af, waar het Twente-Rijnkanaal door de eertijds haast ondoordringbare moerassen van het Stokkumer Vlier snijdt, een waar paradijs voor watervogels; zelfs de roerdomp houdt daar verblijf. En dan naar Markelo, het aardigste, welvarendste Twentsche dorp, dat we kennen, met een zeer vriendelijke bevolking. Hoewel de Markeloërs goed met hun tijd meegaan, zijn hier nog tal van aardige oude gewoonten bewaard. Markelo is het dorp van de Twentsche boerendansers, die een speciale vereeniging hebben opgericht en overal hun oude volksdansen ten beste geven bij de muziek van de "spöllieden", de harmonicaspelers.

Afbeelding: Markelosche boerendansers

Rond Markelo, waar eeuwen geleden de Saksers hun gouwvergaderingen hielden en de eerste Christenzendelingen in Twente predikten, rijzen de heuvels. De weg naar het op 3 kwartier afstand van het dorp gelegen station slingert zich over den prachtigen Stokkumer esch. De jongelingschap van de uitgestrekte buurtschap Stokkum was vroeger in den wijden omtrek gevreesd. Op alle kermissen in de omgeving verschenen de Stokkumers om te slaan en te snijden naar oude traditie. Enkele tientallen jaren geleden kon men vele Stokkumers zien met groote litteekens, waarop ze niet weinig trotsch waren. Aan die liefhebberij is door krachtig optreden der politie gelukkig een eind gekomen.
Op den avond van den eersten Paaschdag levert de omgeving van Markelo een bijzonderen aanblik op: op alle heuvels worden de Paaschvuren ontstoken. Nergens in Twente komt dit oude gebruik zóó tot zijn recht.
De Markelosche berg ligt vlak ten Zuiden van de kom van het dorp. Van zijn top geniet men wellicht het mooiste uitzicht in de omgeving; vooral de blik op het nabije Markelo en op de wijde korenvelden is van een zeldzame bekoring. Rijk is hier het plantenleven; in den zomer bloeien overal de bloemen in groote verscheidenheid. Van den Markeloschen berg, ook wel Koelenberg geheeten, voeren prachtige paadjes Westelijk naar den Dingselerberg en den Kattenberg. Hier stuiten we op de Schipbeek met haar met bloemen bezette boorden. Vooral in de omgeving van de Roosdomsche brug is het landschap idyllisch; daar komt men in het mooie Markelerbroek. Ten Oosten van Markelo liggen, ook in de onmiddellijke nabijheid van de dorpskom, twee andere heuvels: de Hulpe en de Hemmel. Romantisch zijn overal de holle ruige wegen, veelal loopend tusschen donkere dennenbosschen. Afwisselend en uiterst liefelijk is overal het landschap.

Afbeelding: Bij Markelo in den oogsttijd

In Noordelijke richting verlaten we Markelo, in welker prachtige omgeving men dagenlang kan ronddolen. De grintweg naar de buurtschap Elsen brengt ons naar een der mooiste deelen van de uitgestrekte gemeente. Bij de herberg "De Kemper" gaat men linksaf naar den merkwaardigen Friezenberg, een plek, waaromheen vroeger een geheimzinnig waas zweefde. De top, welke den vorm heeft van een afgeknotten kegel, is met dennen begroeid; vele sagen zijn aan dezen typischen heuvel verbonden, die een paar jaar geleden door den heer G. J. van Heek jr. te Enschede aan de Vereeniging "Het Overijsselsch Landschap" ten geschenke werd gegeven. Een uitgestrekt heideveld ligt aan den voet van dezen "berg", waar vele voorwerpen uit overoude tijden werden opgedolven. Een heel Germanenkerkhof werd hier blootgelegd.
Vlak bij is de waterrijke buurtschap Elzen met beken en broeklanden. Een binnenweg loopt van hier naar Enter het dorp der klompenmakers. Overal ziet men hun werkplaatsen; voor vele huizen staat wilgenhout opgetast. De stroompjes bij Enter, waren vroeger bevaarbaar, waardoor het dorp eertijds de standplaats van vele schippers was. Het dorp, dat tot de gemeente Wierden behoort, maakt een verzorgden indruk. Aardig is de omgeving van de oude Ned. Herv. Kerk.

Afbeelding: Enter, het afwerken van de klompen

Terug in Elzen volgen we zoolang den grintweg naar Markelo, tot we een rijwielpad ontwaren, dat ongeveer in Noordelijke richting loopt. Dat pad voert midden door de bosschen en heuvels ten Zuiden van Rijssen, door het bekende Hollandsche "Schwarzwald", zooals men eens in een onzalig oogenblik dit schoone plekje vaderlandschen bodem heeft gedoopt. Misschien herinneren de prachtige dennebosschen sommigen inderdaad aan het Zwarte Woud, maar het is jammer, dat men dit gebied op die wijze voor een soort tweedehandsch toeristenstreek gaat verslijten. Dit bosch- en heuvelland heeft een eigen schoonheid van groote waarde. Wijd open liggen er de heidevelden, bemoste paadjes slingeren er zich door de bosschen. De gele brem, de zonnedauw, de wolfsklauwen andere planten groeien hier welig; eenig in geheel Twente is de driedistel. Het zeer mooi in het landschap passende hotel Rijsserberg biedt vanaf zijn terras een grootsch vergezicht.

En dan het breede pad bergaf, naar Rijssen. Korenvelden op de hellingen boeien het oog. Aardig is de entrée in het hoogst merkwaardige stadje, dat tot de weinige plaatsen in Nederland behoort, die nog een geheel bijzonder karakter dragen. Een ieder, die in Rijssen komt, zal onmiddellijk getroffen worden door de typische sfeer. Tal van vrouwen en meisjes ziet men hier in ouderwetsche kleederdracht met het zwarte jak en de witte schort. Verschillende straten leveren een ongewonen aanblik op; boerenhuizen rijen zich daar aaneen, woningen van het echte oud-Saksische type met het "achtereinde" naar de straatzijde. Zeer merkwaardig is vooral het Haareind, waar overdag een echt boerenbedrijf heerscht. Vele landbouwers, die hun gronden buitenaf hebben liggen, wonen in een van die oude boerenhuizen in het stadje. Nog niet zoo lang geleden - misschien komt het zelfs nu nog voor - zagen we in Rijssen voor ettelijke woningen mesthoopen, waarop kippen en andere dieren rondscharrelden.

Afbeelding: Rijssen, Bouwstraat

Een wandeling door Rijssen's straten moet men niet overslaan. Een bijzonderen aanblik leveren de stadspompen op, die vermoedelijk spoedig door een waterleiding zullen worden vervangen. Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad voor die waterleiding er kwam; het is een heele kleine-stadsgeschiedenis op zich zelf. De oude molens aan verschillende kanten van het plaatsje trekken de aandacht. Voor hoe lang nog? Misschien is er al een van zijn luister, zijn wieken beroofd, wanneer dit boekje verschijnt. Vooral de pelmolen naar den kant van Wierden moet worden genoemd.
Het is haast vanzelfsprekend, dat in Rijssen vele oude gebruiken nog voortleven. Heel typisch is de z.g. Stadsbleek, waar op den waschdag - des Dinsdags - de wasch door vrouwen uit alle deelen van het stadje wordt behandeld in het water van een hier ontspringende bron. Een merkwaardigen blik levert die stadsbleek op, wanneer de wasch van vele ingezetenen er te drogen wordt gelegd. Om diefstal gedurende den nacht te voorkomen, is een speciaal gebouwtje voor den nachtwacht op de Stadsbleek opgericht. Een dergelijke gemeenschappelijke bleek vindt men ook in Diepenheim.
Een andere bijzonderheid van Rijssen is de stadsweide "de Mors", welke zich achter het station uitstrekt. Daar weiden des zomers honderden koeien van de ingezetenen. Vele Rijssenaars, ook al zijn ze geen landbouwer meer, houden er nog een koe op na. Vooral op den lentedag, wanneer het vee voor het eerst naar de weide gaat, heerscht er op "de Mors" een groote drukte. Voor de ingezetenen van den ouden stempel is het dan een ware feestdag.
Aan alle zijden van Rijssen is het een mooi land voor den trekker. Ten Noorden ligt de boschrijke buurtschap Zuna. Eenigszins ten Oosten daarvan het schilderachtige Notter met vele rustieke huizen. Aardig is het bij het oude veer aan de Regge, bij de adellijke behuizing Oosterhof en de plek, van het voormalige sterke kasteel "de Grimberg", waaraan allerlei overleveringen zijn verbonden. Temidden van het mooie bosch ligt nog de oude gracht.
Vele andere mooie plekjes, zooals de Esch en het Rijssensene Veen zouden we nog kunnen noemen.

We verlaten Rijssen langs den grooten weg naar Nijverdal. Even buiten het stadje gaan we linksaf en volgen een weg, waarlangs een breede sloot loopt. Veel bekoorlijks biedt het landschap vooreerst niet; alleen de nabijheid van de Sallandsche heuvels verleent er een apart cachet aan. Wij volgen echter deze route, omdat wij daardoor op de mooiste wijze in het gebied van den prachtigen Holterberg komen.

Afbeelding: Holterberg

De vele paddestoelen, welke de A.N.W.B. hier plaatste, wijzen den weg vanzelf, die langzaam oploopt. Ongemerkt komen we weer in het land van de heuvels, in een gebied, dat tot het allermooiste behoort, dat de "bergen" van Salland en Twente bieden. Wijd en schoon is hier de heide met dennenopslag; rulle zandwegen geven aan het geheel een bijzonder aspect. Dicht vlijen zich de dennebosschen tegen de heuvels aan; steeds weer afwisseling van heide en bosch. Prachtig is het hier, wanneer de heide bloeit en de bijen zoemend vliegen van bloem tot bloem. Wanneer men dan terneerzit in de heide onder de schaduw van een boom en zijn blik ver in het ronde laat gaan, zal men erkennen, dat dit land schoon, O zoo schoon is. De autowegen, die we reeds noemden, ontsluiten dit wonderland voor velen. Vooral op den kam der heuvelrij komt men onder den indruk van de groote schoonheid; wijd gaat de blik naar het Westen, waar het vlakke Salland zich uitstrekt tot aan den gezichtseinder.

Diep loopen de ravijnen door dit grootsche gebied, waar de dennen zoo prikkelend geuren en den moeden stadsmensch nieuwe levenskracht geven. Prachtige steensoorten boeien hier den geoloog, oude mystieke volksverhalen spreken tot de verbeelding. Een bijzonder punt is het ravijn het "Niemendal". Verdroomd ligt tusschen de bosschen het "kolkje".

Afbeelding: ‘t Kolkje

Voor kampeerruimte is in Holten ruimschoots gezorgd; er zijn zelfs speciale kampeergebouwen ingericht. Holten ligt pittoresk aan de Zuidzijde van den "Berg"; welke in een theehuis met belvedère en een "los hoes" nog speciale attracties bezit. Voor natuurminnaars is de veel minder bekende Zuurberg ten Zuiden van Holten haast nog mooier dan de "berg", daar er slechts weinig toeristen komen. Hier frappeeren vooral de aardige, in het groen verscholen boerderijtjes aan den voet van den heuvel.

Een mooie weg loopt van Holten naar Raalte door de buurtschappen Neerdorp en Eespelo. Verder naar den kant van Deventer ligt Dijkerhoek, dat meer een specifiek Sallandsch karakter draagt met veel groene weiden, waarin het mooie rood-bonte IJselvee graast.

De merkwaardige Helhuizerweg leidt langs de Westzijde van den Holterberg en Neerdorp naar het rustige dorpje Haarle in de gemeente Hellendoorn. In de Helling van den berg boort zich het typische ravijn "de diepe Hel". Mooi is het op den Haarlerberg met zijn uitgestrekte, zeer wildrijke bosschen.

En dan komen we in Nijverdal, de industrieplaats in een prachtige omgeving. Het dorp heeft zijn opkomst te danken aan Thomas Ainsworth, die hier de textielnijverheid vestigde en die in het thans gerestaureerde kasteel "De Eversberg" overleed. Even verrukkelijk als de omgeving van Holten is die van Nijverdal. Ga naar den 83 Meter hoogen Koningsbelt, naar het Endmeer, het Stort en andere plaatsen; we zouden slechts in herhaling vallen door steeds weer te vertellen van heuvels, heide, dennebosschen en blauwende horizonten. Zoo is het overal op en langs de heuvelrij van Overijsel. In den Nijverdalschen Berg is zelfs goud gegraven, waarmede in 1902 een maatschappij begon. Goud werd er wel gevonden, maar het werk was zoo kostbaar, dat het niet loonend bleek. Nijverdal heeft een kampeergebouw, mooie kampeerterreinen en niet te vergeten een schitterende, nieuwe jeugdherberg "Doevenbree".

Afbeelding: Bij Hellendoorn

We vervolgen de heuvelreeks in Noordelijke richting; van de toppen der "bergen" leiden berken- en dennenlaantjes naar omlaag waar tusschen de boomen het mooie dorpje Hellendoorn schemert. Ten Westen van de heuvels slingert zich het riviertje de Regge door het land, dat door de kanalisatie veel van zijn vroegere schoonheid heeft verloren.

In Hellendoorn, waar de oude dorpskerk in zijn toren een klok bevat van den beroemden klokkengieter Gerard van Wou, werd het eerste Volkssanatorium in Nederland gesticht in een verrukkelijke omgeving. De prikkelende reine boschlucht heeft velen de verloren levenskrachten hergeven. Uitgestrekte bosschen van loofhout en dennen strekken zich rondom het sanatorium uit.

Haast ontelbaar zijn de steeds rijzende en dalende wandelwegen in dit land van zeldzame schoonheid. Hellendoorn is een ideaal oord voor kampeerders, die hier vele geschikte terreinen kunnen vinden. Een heel mooi plekje ten Noorden van Hellendoorn is 't Hancate, waar een ophaalbrug in den weg naar Ommen over het Overijselsche kanaal voert. Vlakbij wordt de Regge door het kanaal geleid. Een schaapskooi trekt de aandacht; nog kan men hier den herder met zijn wolvee zien ronddolen. Noordwaarts rijst de Lemelerberg op, waar het heuvelland van Twente en Salland zijn bekroning vindt in een top met een machtig vergezicht ....


Wij trekken door Twente en Salland (1935): Almelo en het veenland

Almelo en het veenland

De breede weg, welke van Nijverdal naar Wierden loopt, is niet rijk aan afwisseling. Laat men zijn blik in Noordelijke richting gaan, dan ziet men een uitgestrekte vlakte: het veenland van Overijsel. Meen niet, dat het gebied, waarvan 't oude rijmpje zegt

Geluckig is het landt
Waer 't kint sijn moer verbrandt,

de belangstelling van den trekker niet waard is. Integendeel, het veenland heeft zijn eigen, wondere bekoring. De gemeente Den Ham, waartoe het gebied der venen ten deele behoort, is ook rijk aan heuvelachtige heidevelden, bosschen en rijke akkers. Het rustige dorpje zelf, is ver verwijderd van de spoorlijn en is eerst door de komst van de autobus uit zijn afzondering verlost. Bij het Overijselsche kanaal, waarlangs een goed fietspad loopt, bloeit een rijk plantenleven. Orchideeën, zonnedauw, vetblad, parnassia e.a. groeien hier in bonte verscheidenheid. Tyipsch doen hier en daar de schaapskooien aan.


Verrukkelijk is de weg van den Ham naar Ommen, dwars door de zeer wildrijke bosschen van het landgoed Eerde. De bochtige weg naar Wierden leidt door hooge heide, door een grootendeels nog woest, slechts hier en daar ontgonnen land. Bij Daarle blinkt de massieve witte toren van de Overijselsche Waterleidingmaatschappij, welke sinds enkele jaren een wijd gebied van goed drinkwater voorziet. Wij passeeren het Hooge Hexel en komen dan in Wierden, een nijver Twentsch dorp. De gemeente Wierden, welke vele goed onderhouden rijwielpaden bezit, telt verschillende buurtschappen, waarvan we nog het boschrijke Rectum en IJpelo noemen, beide naar den kant van Enter gelegen, welk dorp ook tot Wierden behoort.
Grootsch is het landschap rond Wierden niet. Maar het is liefelijk in hooge mate. Vele mooie oude boerderijen, waar hier en daar het spinnewiel nog in eere wordt gehouden, rulle, blinkende zandwegen, mooie bosschen en heidevelden kan men overal in deze uitgestrekte gemeente aantreffen.

Afbeelding: Aan ‘t spinnewiel

Van Wierden naar Almelo is het slechts enkele kilometers. Almelo, centrum voor een wijde omgeving, wedijvert met Hengelo om de tweede plaats onder de Twentsche steden. Het is een levendige stad van omstreeks 35.000 inwoners met veel handel en industrie. Evenals in de andere steden van Twente zijn de woonwijken hier ruim en fraai van aanleg. Merkwaardig is de wijze waarop de stad als 't ware in hoefijzervorm om het oude huis van Almelo is gebouwd, waaraan de plaats haar ontstaan te danken heeft. Eeuwenlang beheerschte het kasteel de wijde moerasrijke omgeving. Van het hartje der stad is men met enkele stappen verplaatst in het mooie gebied, dat tot het Huis te Almelo behoort. Prachtig is of liever was de statige Gravenallee, de jachtlaan van het slot. De gevreesde iepenziekte heeft hier geweldige verwoestingen aangericht onder de hooge boomenrijen. Maar een deel van de schitterende laan, welke op sommige punten haast met de Middachter Allee kan wedijveren, is gelukkig behouden gebleven. Langs de landelijke uitspanning "Het Jagertje", midden in het bosch, voert de laan naar de Pook aan het kanaal Almelo-Nordhorn. Het bosch is overal van een indrukwekkende pracht.
Een aardig plekje is de Haven te Almelo, waaromheen de pakhuizen der kooplieden liggen. Steeds heerscht hier een bonte bedrijvigheid. Behalve het kasteel bezit de belangrijke stad geen bijzondere bouwwerken. De Rechtbank kan daaronder zeker niet gerekend worden!

Afbeelding: Het kanaal Almelo-Nordhorn

Van Almelo gaan we langs het groote klooster "De goede herder" naar het veenland.

Wild en woest en ledig
Was het ruwe veen,
Slechts de heide vlocht er
Kransen over heen,
Boog zich over d' oever
Van den bruinen plas,
En verborg de diepte
Van het zwart moeras.

Zoo was het vroeger. Maar op sommige plekken is ook thans dit gedicht nog waar. Vlak en haast boomloos is de weg naar het welvarende Vriezenveen, waar zich vermoedelijk het eerst kolonisten uit West-Friesland hebben gevestigd. Later kwamen de eigenlijke Friezen naar hier. Schilderachtig is het langgestrekte dorp, met aan weerszijden de vaak eigenaardig gegroepeerde boerenhuizen. Vooral in den bloeitijd is het hier wondermooi, want haast bij elk huis zijn vele vruchtboomen, wilgen en elzen geplant. Vriezenveen lijkt dan op een sprookjesdorp. De antieke huizen, waarvan er vele door den geweldigen brand van 1905, welke 200 woningen in de asch legde, zijn vernield, vindt men nog in hoofdzaak aan het Oosteind.
Verschillende buurtschappen behooren tot de gemeente Vriezenveen. In Noord-Oostelijke richting gaat de weg naar de Pollen, Bruine Haar en Kloosterhaar. Dat is nog het echte veenland, waar de hoogst primitieve woningen der veenarbeiders nog worden aangetroffen. Wijd is hier het land; in de eenzaamheid liggen de donkere, haast dreigende veenplassen. Zeer merkwaardig is Sibculo, waar in het begin der 15e eeuw, midden in de toen ondoordringbare wildernis, een klooster werd gesticht. Eenige jaren geleden heeft thans wijlen de heer Ludwig van Heek uit Enschede hier omvangrijke opgravingen laten verrichten; verschillende vondsten zijn ter plaatse in een klein museum bijeengebracht. De aandacht trekt vanaf den weg de zandsteenen put, welke ook werd blootgelegd.
De gemeente Vriezenveen, waar thans een belangrijke tricotagefabriek is gevestigd, bezat van oudsher een levendigen linnenhandel. Vooral met Rusland werden talrijke handelsbetrekkingen onderhouden. Toen in 1813 de kozakken hier kwamen, werden ze tot hun grenzelooze verbazing in het Russisch begroet.

Verder Noordwaarts liggen de groote veenkolonie Vroomshoop (gemeente Den Ham) en Kloosterdijk. Vlak is het land, maar het wijde veengebied, waarin de groote plassen den wolkenhemel weerkaatsen, oefent overal een eigenaardige aantrekkingskracht uit op den trekker ....

Wij trekken door Twente en Salland (1935): Het land van de Vecht

Het land van de Vecht

Van Vroomshoop Noordwaarts leidt de weg naar Mariënberg, welk plaatsje wordt gevormd door een station en enkele verspreide huizen. Hier vlakbij ontmoeten wij de Overijselsche Vecht, welke ten deele is gekanaliseerd en door stuwen bedwongen. Die kanalisatie is oorzaak, dat verschillende bochtige armen werden afgesneden. Die oude Vechtarmen hebben zich in den loop der jaren vervormd tot ware schatkamers der natuur; rijk en wild is daar de plantengroei. Ondanks de kanalisatie blijft de Vecht een sieraad voor dit gebied, dat op sommige punten tot de mooiste streken van heel ons land kan worden gerekend. Vooral rondom Ommen is het wondermooi. De Vecht, welke zeer geschikt is voor watertoerisme, is buitengewoon vischrijk. Het hengelaarsgilde van half Overijsel gaat in den vischtijd, vooral op Zondagmorgen, Vechtwaarts. Het is jammer, dat het water van de aardappelmeelfabrieken in de veenkolonies, die op de Vecht loozen, jaarlijks duizenden visschen vernietigt.


Volgen we de Vecht stroomopwaarts, dan komen we in Heemse, Hardenberg en Gramsbergen. In Heemse is een mooie jeugdherberg 't Weidehuis. Indrukwekkend is dit deel van de Vechtstreek niet, maar toch, we hebben er veel gevonden, dat ons bekoorde. De flora in de buurt van Hardenberg is van beteekenis: plantenliefhebbers kunnen hier uren lang rondzwerven in een voor hen zeer belangwekkend gebied. Van de vele planten in deze buurt noemen wij: de hemelsleutel, de roode pimpernel, de langbladige eereprijs, de heideanjer. de roode oogentroost en het knopkruid. Opvallend zijn vooral de fraaie kleuren van den hemelsleutel.

Hardenberg is een oud, bedrijvig stadje, het centrum voor een vrij groot gebied; het zeer mooie zwembad noemen wij hier in het bijzonder. De kortste weg naar het reeds in Drente gelegen Coevorden, de toegangspoort voor het Noorden, bekend uit de historie, voert langs het kanaal over het rustige Gramsbergen. Belangwekkender is echter de langere route over Collendoorn, Ane en Holthone, door een gebied waar de slangenwortel en de veenbes groeien.

Ane is bekend door den slag, welke daar in 1227 de Drentenaren bisschop Otto leverden, die met tal van Stichtsche en Hollandsche edelen sneuvelde. Over Heemse gaat de groote weg naar Ommen. Maar haast nog mooier is de tocht via Mariënberg door het boschrijke Junne. De heide, welke zich vroeger langs den grooten weg uitstrekte, is zoo goed als geheel verdwenen. Overal is het land ontgonnen; slechts hier en daar is een stukje van de oude schoonheid bewaard gebleven. Allerwegen ziet men echter nog de steenanjer; ook de merkwaardige parasolzwam is hier niet verdwenen.

Het rustige Ommen, dat alleen op marktdagen groote bedrijvigheid kent, ligt mooi aan de Vecht, temidden van een gebied, dat de zeer bijzondere opmerkzaamheid van den trekker verdient. Talrijk zijn de idyllische plekjes in deze omgeving. Kijk eens naar die oude boerenhuizen met rieten daken, waarbij op sommige plaatsen nog van die echte, ouderwetsche schaapskooien worden gevonden, herinneringen aan den tijd van de onafzienbare heidevlakten, die reeds lang in cultuurgrond zijn herschapen. Ten Oosten van Ommen liggen Beerse en Junne, De dichte bosschen worden afgewisseld door de blinkend-witte zandstuifvlakten. Aan de oevers van de Vecht is het een ideaal land voor de kampeerders.

Afbeelding: Zandverstuivingen bij Ommen

En dan: naar Eerde, het grootsche, verrukkelijke landgoed, een der mooiste plekjes, welke wij kennen. Eerde heeft in de geheele wereld bekendheid gekregen door het Sterkamp, dat hier werd gevestigd. Het rechts van den weg naar Den Ham gelegen kasteel, dat door een dubbele gracht wordt omgeven, werd in 1715 gebouwd door Johan Werner van Pallandt. Ver rondom het huis strekken zich de geweldige bosschen uit, waar de wildstand buitengewoon rijk is. Geen wonder, want baron Van Pallandt wenscht niet, dat op zijn bezittingen wordt gejaagd; alleen voor de konijnen, die tot het schadelijk wild behooren, is een uitzondering gemaakt. Wij zijn meermalen in den zeer vroegen ochtend op een tocht naar de vischrijke wateren van de Vecht over den weg van den Ham gekomen, die midden tusschen de bosschen van Eerde doorvoert. Steeds zagen we aan weerszijden heele kudde reeën, de wildsoort, welke hier het sterkst vertegenwoordigd is. Maar ook tal van andere dieren kan men op een tocht door het bosch ontmoeten. Zelfs Reintje de Vos en de das zijn hier bekende verschijningen. En dan de vele vogelsoorten, waaronder de fazant een der eerste plaatsen inneemt.

De bosschen van Eerde worden aan de Westzijde begrensd door de Regge, het dartele, kronkelende riviertje van weleer. Thans wordt het stroompje bekneld door dijken; de waterstaatdeskundigen hebben hier hun werk verricht, zooals trouwens overal in het stroomgebied van de Regge, waartoe het grootste deel van Twente behoort. We nemen graag aan, dat het werk noodig was. Maar toch: het is jammer, dat hier zooveel schoon verloren ging. Gelukkig komt er onder de menschen van Waterstaat een andere strooming. Men beseft meer en meer de waarde van het behoud van natuurschoon, ook uit een economisch oogpunt. Want vreemdelingenverkeer is een belangrijke bron van inkomsten. Wanneer al het schoone wordt vernield, heeft het geen doel meer te prediken, dat men binnenslands zijn vacantie moet doorbrengen. Die veranderde houding stemt tot verheugenis. Wij wezen er reeds op bij de Buurserbeek en bij den aan leg van het Twente-Rijnkanaal. Het is een groote verdienste van ir. Wentholt, onder wiens leiding dat kanaal tot stand kwam, dat hij zoo'n open oog heeft voor het landschapsschoon.
Vroeger was de Regge bij Eerde, waar ze tusschen den Besthemerberg en den Lemelerberg doorstroomt, van een zeldzame pracht. Vooral bij Hoogen Oever, thans een afgesneden rivierarm, was het wondermooi. Of liever: het is 't daar nog, want hier heeft zich een weelderige plantengroei ontwikkeld. Gelukkig is bij de Regge zelf de natuur reeds eenigszins als heelmeesteres opgetreden, daar de rijke begroeiing veel van de leelijke dijken wegneemt. En tenslotte is de omgeving er zoo fraai, dat men er gaarne vertoeft.
Aan de andere zijde van den weg, waar zich een belangrijk deel van de bezittingen van Eerde met het Sterkamp uitstrekt, klimt een boschpad den 44 Meter hoogen Besthemerberg op, vanwaar men een schitterend uitzicht heeft op Ommen; vooral de roggevelden aan den voet van den berg hebben ons steeds geboeid. Het Sterkamp maakt de omgeving er eigenlijk niet mooier op, want de prikkeldraadafscheiding is buitengewoon storend.
Bij Besthem met zijn oude boerderijen liggen temidden van de dennebosschen eenige meertjes, waarop de waterplanten drijven en de watervogels geschikte plekjes vinden om te broeden.

Een groote bezienswaardigheid van Ommen is het landgoed "Het Laar", waar enkele jaren geleden de woudreuzen genummerd stonden om aan den meestbiedende te worden verkocht. Dit mooie riddergoed, dat zich uitstrekt tusschen Regge en Vecht en reeds van voor 1200 moet dateeren, zou vermoedelijk aan houtkoopers ten offer zijn gevallen, indien de gemeenteraad van Ommen niet een wijs besluit had genomen, nl. om de verwaarloosde bosschen en het reeds ten deele vervallen huis aan te koopen. Door dit besluit heeft de vroedschap van Ommen geheel natuurminnend Nederland aan zich verplicht. Het oude stadje aan de Vecht bleef een zijner grootste bezienswaardigheden behouden. Hoewel het complex slechts pl.m. 56 H.A. groot is, onderscheidt het zich door een groote afwisseling: hoog opgaand hout, kreupelhout, waardoor zich vele paadjes slingeren, prachtige vijvertjes temidden van het eeuwen oude bosch, een stukje hei, hier en daar een weide, kortom een dorado voor allen, die rust en schoonheid zoeken in de natuur.
Vlak bij Ommen ligt ook het buitencentrum van de Nederlandsche Padvinders Vereeniging "Ada's Hoeve". Zuidwaarts voert de weg over Lemele naar Hellendoorn. Aan onze rechterhand rijst de 80 Meter hooge Lemelerberg op, welke heuvel een imposanten aanblik oplevert. Volgens de legende ontstond de Lemelerberg aldus: Een geweldige reus kwam uit het Noorden, met een zak vol zand op zijn nek. Over de Vecht struikelde hij, waardoor een hoop zand uit de zak gutste: dat werd de Besthemerberg. Over de Regge struikelde hij ten tweede male. Bijna viel hij en zoo kwam een groote hoeveelheid zand uit zijn zak: De Lemelerberg. Dat verdroot hem zoo, dat hij al voortgaande de rest van het zand maar uitschudde. Daaraan heeft het Overijselsche heuvelland zijn ontstaan te danken.

Afbeelding: Lemelerberg

De schoonheid van den Lemelerberg schetsten wij U reeds in den aanvang van dit boekje. Prachtige weggetjes leiden door rogge- en heidevelden, waar overal de brem groeit, naar den hoogsten top, vanwaar men een uitzicht heeft over bijkans geheel Overijsel. Een steen staat op het hoogste punt; een leeuw is op een andere plaats opgericht ter herinnering aan 1813. De omgeving is hier het "park 1813" genoemd.

Wanneer men de Vecht verder stroomafwaarts volgt, bereikt men het landgoed Vilsteren met vele verrukkelijke wandelingen. Verderop onder Dalfsen ligt de machtige oude burcht, het kasteel Rechteren, een groote bezienswaardigheid van dit gebied. Overal langs de Vecht groeien de langbladige eereprijs en steenanjer. Op verschillende plaatsen vindt men de kruisdistel, de kattedoorn en de Britsche alant.
Het kasteel, dat vroeger de geheele streek beheerschte, heeft een machtigen, vier verdiepingen hoogen toren. Het interieur is vrijwel geheel in tact gebleven.
Dalfsen is een rustig plaatsje, heel mooi gelegen aan de oevers van de Vecht. Vele geschikte kampeerterreinen zijn hier en in Oud-Leusen beschikbaar. Ook in deze omgeving is de natuur van bijzondere schoonheid.
Zuidwaarts leiden de wegen naar het landelijke Heino en het flinke dorp Raalte, het middelpunt van een der uitgestrektste gemeenten der provincie. Het land is hier niet zoo heuvelachtig meer, hoewel Raalte toch ook een "berg" bezit, nl. den Luttenberg. Weide, akkers en dennebosschen wisselen zich in de gemeente Raalte af, waartoe ook de kerkdorpen Heeten, Nieuw Heeten, Luttenberg en Broekland behooren. Vele mooie buitengoederen trekken in Raalte de aandacht, zooals Schoonheeten en het Reelaer.

Wij trekken door Twente en Salland (1935): In de IJselstreek

In de IJselstreek

Door JAC. VAN DAM.

Hier, in het IJseldal, is het vagebondeeren een lieve lust. Wij streken vanavond neer niet ver van het dorp Gorssel, een typisch Geldersche boschgemeente tusschen Zutphen en Deventer. Wij bouwen onze tent op een open plek in een mooi dennenbosch, bij den straatweg naar Zutphen, in de buurtschap Eefde waar vele groote en kleine landhuizen staan. Hoog en goudgeel staat de rogge op de akkers, die ons bosch omringen, met hier en daar een klein doorkijkje over weiden.

Afbeelding: Aan den IJssel. Tegenover ‘t veer van Gorssel

De man, die stroo ging koopen en op drinkwater uit was, komt opgetogen weerom. Zijn kennismaking met dorpelingen, die noch schuw, noch achterdochtig zijn en, zooals hij beweert, de vriendelijkheid zelve, hield schoone beloften in. 't Klopt, want buurlui-kampeerders hebben het ook al over de gemoedelijkheid van deze aan vreemdelingen gewende Gelderschen, die tegelijk een merkwaardige folklore-reputatie bezitten, vroolijk verworven op binnen- en buitenlandsche reizen ter demonstratie van plattelands-volksdansen, uitgevoerd door een groep jolige Gorsselsche boeren. Dat past hier allemaal wonderwel in de sfeer van de streek met een bevolking, die van landbouw en veeteelt leeft en die het geheele jaar door met vreemdelingen verkeert: pensiongasten, verblijvend in villa's en flinke, groote hotels. Onze kamp-buren verhalen van hier doorgebrachte week-ends, zoo huiselijk, alsof dit kamp een volkstuintje is, waar het ordelijk toegaat, maar toch de afgepaste gewoonten van het eigen thuis het bosch zijn ingestuurd.
Denzelfden avond al gingen we baden in den IJsel. Daarvoor moesten we een eindweegs het Noorden in, langs den straatweg naar Deventer, de dorpskom door, tot aan den Houtwal, een los- en laadplaats aan de rivier. Een welverzorgde bad-inrichting, niet te groot en heelemaal niet te duur, wachtte ons daar. Met klatervroolijke baadsters en zwemmers, die na de plaspartijen met ons gingen naar de oude boerenherberg aan de rivier, waar men goede thee en geurige koffie opdiende. Wij genoten in een rozengaarde van het uitzicht over schilderachtige rivierbochten, waarin langzaam zware, diepgeladen tjalken vergleden en nijdig-scherp motorbooten puften. Hier is het ook de vaste pleisterplaats van waterkampeerders, die komen in ranke kano's of sierlijke zeiljachten. Zij slaan hun tenten op tegen de zandige oevers der rivier, achter wuivend riet en akkermaalshout. Hengelaars onder hen zitten er wijsgeerig op hun dobber te staren en willen niet gestoord zijn bij hun jacht op dikke voorns en bleien.
Den anderen dag op boerenvisite, zien we, hoe welvarend deze bevolking is en hoe zij alles in de puntjes begeert te hebben. Op een dagtrip werden we dat nog meer gewaar. Wij zagen eerst, dicht bij ons kamp in Eefde, de geweldige sluiswerken van het Twentekanaal, dat hier in den IJsel uitmondt.

Afbeelding: De sluis van het Twente-Rijnkanaal te Eefde (Gorssel) bij den IJsel

Even verder stroomafwaarts aan de rivier ligt de stichting Nederlandsch Mettray, een opvoedingsgesticht voor jongens. Wij gingen naar het Noorden langs den Rijksstraatweg
en even vóór de dorpskom volgden we een handwijzer naar het slot "Nijenbeek". We konden er heen varen, na een wandeling over sappige weiden, over de rivier. Het slot staat op het gebied van Voorst en mag worden bezichtigd. Het is een roofnest geweest van Karel van Gelre, die er de voorbij komende schippers en kooplieden placht uit te schudden en te berooven. Even verder stroomafwaarts ligt het fraaie landgoed “de Poll" met ook hier schitterende parken en diepdonkere bosschen. Met daartusschen alweer twee zwembaden tegelijk, op den weg naar het dorp Voorst. Het lijkt wel, alsof deze dorpers hier half op het land en half in het water leven!
In Gorssel terug, bij het dorp, mochten we ons vermeien in een heerlijk schoon park, "het Amelte", met dichte dennenbosschen, lanen van oud loofhout en zonnige weiden, omzoomd door berken, wier zilverige stammen in scherp contrast afstaken tegen het diepe donker van de dennen er achter.
Wij gingen over den breeden Stationsweg naar het landgoed 't Joppe, door breede lanen van forsche beuken. En .... heerlijkheid voor jonge trekkers, daar stond, aan den weg naar Bathmen langs de "Drie Kieviten": een in het hout verscholen boerenbehuizing met café, de jeugdherberg "de Kleine Haar". Het is een mooi houten gebouw in Noorschen stijl. Er komen jaarlijks duizenden gasten. Wij hebben hier vele sportieve ruiters gezien, die van de landelijke rijvereenigingen op hun dikke, welgedane rossinanten en de welverzorgde paarden van een manege bij Gorssel.
Van "de Kleine Haar" trokken we, over rulle zandwegen met diepe karresporen, langs de buurtschap Harfsen, naar het vriendelijk gelegen dorp Almen, deel van Gorssel, waar Staring's "Hoofdige boer" is geboren en de gemeente Deventer een vorstelijk ingericht sanatorium bezit, het "P. W. Janssen Ziekenhuis", te midden van koele beukenbosschen. Men heeft ons hier een wondermooien weg gewezen, over een wijd heideland en door het duister van dichte bosschen, over 't Joppe, naar de kleine buurtschap Epse, wederom een deel van het groote Gorssel. Overal staan daar groote en kleine boerderijen tusschen de duizenden bunders met goudgeel graan bezet bouwland.

Hoe talrijk zijn onze tochten geworden, van het vroolijke Gorssel uit ondernomen. Wij reden op een mooien, warmen zomermorgen naar Borculo, teneinde een bezoek te brengen aan het boerenmuseum "de Lebbenbrugge", waarin al het goede oude van het Geldersche boerenleven met kennis van zaken wordt bewaard.

Afbeelding: Boerderij bij Bathmen

Op een anderen dag begaven we ons Overijsel in, aan den kant van 't kleine Bathmen. Van de jeugdherberg “de Kleine Haar" af is dat een wandeling van een uur en de weg voert langs een fraai kasteel, “huize Dorth", met een paradijsachtig park er bij, toegankelijk na het
halen van een toegangskaart. Bathmen zelf ligt alweer in de bosschen als verscholen, aan de pas genormaliseerde Schipbeek, waaraan de dorpers de gasten graag laten kampeeren, omdat vreemdelingenbezoek voordeelig is en vertier brengt. Men kan ook hier alweer zwemmen in mooi, frisch beekwater, overhuifd, door oud loofhout.

Van Bathmen af, over den Rijksstraatweg Deventer- Almelo, lokken in het Oosten de hellingen van den Holterberg en naar het Westen ligt het wijde Salland voor ons, waarin de beken uit het Geldersche en Overijselsche land hun water storten, dat wordt afgevoerd op den IJsel. Die straatweg naar Deventer gaat dwars door heerlijkheden van den eersten rang. Hier ligt het geweldig groote landgoed "de Bannink", waar de jachtopziener Wassink ons gratis een wandelkaart uitreikt op de conditie, dat wij hem zullen helpen, de natuur te beschermen. Er zijn rijk van allerlei veldgedierte voorziene wildbanen, met weiden, grauw van de konijnen en waar fazanten pronken in het zonlicht. Hier is ook nog heide. Wij zijn er heen gegaan om de stemmige kleuren van de erica te genieten, als ze bloesem draagt. De imkers hebben er de bijen heen gebracht in korven en kasten, dikke hommels klemmen er zich met hun volle gewicht vast aan de dicht met geurige bloemen bezette heidestruikjes, om zoo hun deel te krijgen van den zoeten, schier onuitputtelijken voorraad, die zoo geurt, dat zelfs het groote levende harsreukwerk van de dennen tijdelijk in de minderheid komt te verkeeren. Tegen den avond is hier de heideweelde misschien wel het best te genieten en dan, voor de vroege wandelaars, in den morgen, als de zon er door is, want er behoort zonnebrand bij voor overdag, nagebleven warmte voor den avond tot tegen den nacht daar een parelgrijzen nevel trekt over de terreinglooiingen. Wij hebben er ons neergezet, zoo maar te midden van de bloeiende struiken, bij een aanplant van jonge dennen, die nog nauwelijks uitsteken boven de bodemruigte. De avond is hier overheerlijk. Terwijl de gouden zonneschijf wegzinkt aan den IJselkant van het landschap, voelt men aan den lijve het einde van den langen zomerdag. Het oog vindt geen steun meer aan vaste omtrekken, die snel vervagen en die het eerst verdwijnen in de boschgangen, waar alleen de berkenstammen het licht nog vasthouden, totdat ook daar de nacht komt en de kleine mensch wegvlucht. Wij hooren nog lang, in onze tent, naar de verre geluiden, die van den straatweg komen en van de niet zoo veraf gelegen stad, Deventer. Wij zwaaiden voorloopig om de stad heen. Deventer is mooi en goed en alles uit den omtrek trekt er heen, om te markten en te winkelen, maar kampeerders zoeken liever de ruimte van het land. Daarom trokken we van Colmschate uit langs niet al te breede wegen Diepenveen verder in, waar kampeerders zich helaas niet mogen nestelen, doch dat hindert trekkers niet, die wel buiten de grenzen van Diepenveen hun tenten kunnen opslaan en inmiddels genieten van den Diepenveenschen overdadigen boschrijkdom, nog nauwelijks door de inwoners In exploitatie gebracht. Het niet druk bevaren Overijselsch Kanaal, dat van Deventer een tak heeft naar Lemelerveld, ligt prachtig in het ruige land. Er zijn grappige vlotbruggetjes in, waarop onze auto een raren wip maakt. In het oeverriet kwinkeleeren vogels en boven het water dansen juffers op bruidsvlucht. Volgt men het kanaal, dan komt men in Raalte terecht, tusschen bosschen en landerijen door, waar vroeger veel ijzeroer is gegraven.


Verderop Diepenveen in naar den Westkant loopen zooveel wegen, dat er een terreinkaart bij noodig is, om er uit wijs te worden, waarheen we het eerst en het best de landgoederen zullen vinden, die hier den wandelaar wachten. Een van de mooiste is "de Kranekamp", eigenlijk gesloten voor publieke wandeling, tenzij men den eigenaar of den jachtopziener weet te bewegen, den prachtigen aanleg te laten kijken. Ons is dat gelukt en het oponthoud werd rijkelijk beloond door het uitzicht over roerlooze vijvers, boschpartijen, die als reusachtige coulissen staan op een geweldig groot tooneel en langs de Soestwetering, die, van den Holterberg komend, hier romantische plekjes schept. Dichtbij kleppen, devoot, de kloosterklokken van "Sion", een abdij der Trappisten.
Even verder is, langs den Averloschenweg, een ander landgoed, "de Hoek", zóó door een publieken weg doorsneden, dat men er naar hartelust kan dwalen langs en over de schoonste natuurtafereelen. Het is hier een mooi voorbeeld van goede ontginning zonder natuurschennis. Vroeger ontoegankelijk bosch met moerassen is nu zoo gecultiveerd, dat mooie boomgroepen bleven staan en daartusschen open plekken uitzicht geven op andere bosschen. Hier staat hout van eeuwen, aan wegen, die niet door het groote verkeer zijn aangeraakt. Uit de bosschen komt de fijne geur van paddestoelen ons tegen. De bodem is bedekt met gevallen blad van beuken en eiken en overal staat prachtig boschopslag in allerlei kleuren. Reeën kruisen onzen weg in den vroegen morgen. Ander wild is veel brutaler en nadert onbeschroomd den passeerenden wandelaar.

Diepenveen is zoo houtrijk als bijna geen andere gemeente in deze omgeving. Wij komen in de dorpskom, die ons weinig aantrekt en daarna bij het fraaie, groote landgoed "Rande", waar spoedig bij den boschbaas of den jachtopziener een wandelkaart is verkregen. Ook hier weer de heerlijkste waterpartijen en zware lanen, waarvan er een uitkomt op den Rijksstraatweg naar Zwolle waarlangs we de overschoone IJselstreek ver kunnen overzien en waar onze blik lang blijft rusten op het diepe groen der uiterwaarden.
Naar Olst toe trekt ons onweerstaanbaar het oude kasteel "de Haere" met zijn dichte bosschen en glooiende begroeide terrassen, waarvan de ondergrond bedekt is met bruin beukenblad, dat in de zon schittert als oud goud.

Afbeelding: Kasteel “de Haere” te Olst

Olst zelf is een genoeglijk dorp met fabrieken van worsten en andere conserven. Het is er, als in Gorssel, alles buitengewoon welvarend en het uiterlijk der huizen getuigt daarvan mede. Wij hebben alweer hier de voor kampeerders direct aangewezen plaats opgezocht, aan den IJselkant, met het uitzicht over den breeden stroom. Ook hier is een zwembad, dat den moeden vreemdeling graag ontvangt ter verkwikking. In het middaguur maken we, langs den IJseldijk Noordwaarts, een tochtje naar Wijhe, een ander lJseldorp, waar, evenals in Olst, veel wordt gedaan aan fruitkweekerij en de boomgaarden prachtig zijn verzorgd. Wij hadden het buitenkansje, gedaan te krijgen, dat we op het kasteel "de Gelder", van baron De Vos van Steenwijk, met inachtneming van gepaste bescheidenheid mochten wandelen, ook in een heerlijken fruittuin, die zoowaar zelfs vijgen voortbrengt.
De weg naar Olst terug kozen we langs binnenpaden, smal voor wagenverkeer, doch voldoende bij voorzichtig gebruik. Die wegen daar hebben duizend bochten om kapitale boerenplaatsen heen. Van Olst uit gaat een fraaie binnenweg langs het kasteel "Hoenlo" en langs het buiten "Wijnbergen" naar Deventer. Vergeet daar niet, te vragen naar het buiten "de Hei", van den heer Dikkers, te Diepenveen, die ook al weer den wandelaar, die zich weet te gedragen, graag zijn gang laat gaan. Daar wachtten ons bij een bezoek de heerlijkste tafereelen, die de IJselstreek in het beboschte land kan bieden, met overschoone onderplantingen onder het zware hout en een boerderij te midden van golvend graan.

Afbeelding: Het buitengoed “de Hei” te Diepenveen

Diepenveen heeft trouwens, aan den Raalter kant en in de richting van het tot Olst behoorend dorpje Wesepe, nog veel meer aantrekkelijks. Boschpaden slingeren hier in het landschap. Geen stadsrumoer verstoort er de stilte van het buitenleven, dat den toerist opneemt en omvangt.

dinsdag 7 augustus 2012

Wij trekken door Twente en Salland (1935): Deventer en Naschrift.

Deventer

Hoe dikwijls heb ik toeristen door Deventer geleid! Daarvoor bestaat een ongeschreven programma, dat vrij gevolgd kan worden al naar den aard van de bezoekers. Houden die van bouwkunst, dan leid ik hen naar de St. Lebuïnus- of Groote Kerk, de Krypt, die daarin is, naar de fraaie Bergkerk en langs de groote patriciërshuizen met de zeer mooie antieke gevels. Daaraan is Deventer zoo rijk in de binnenstad, dat je er niet mee verlegen behoeft te zitten. Natuurlijk ken ik ongeveer de geschiedenis van de meeste der gebouwen uit mijn hoofd en ik draai verhalen af over het mooie gebouw, dat tegenwoordig als politiebureau dient en over het Muntentorentje, over de Waag en over het huis "de Drie Haringen".

Afbeelding: Het huis “de Drie Haringen” te Deventer

En over nog veel meer. Zijn de bezoekers wetenschappelijk aangelegd, dan wijs ik hen op de Athenaeum-bibliotheek en op den rijken inhoud van het Museum "de Waag". Natuurvrienden worden geleid door de schitterend aangelegde plantsoenen der stad, tuinachitectuur van Leonard A. Springer en naar den IJsel, waar de natuur in elk jaargetij, maar 's zomers in elk geval, nieuwe wonderen te voorschijn toovert. Of ik ga met hen de IJselbrug over naar de parken en landgoederen van Twello. En 's avonds naar buiten: een kopje thee in Epse, met een wandeling op het landgoed "het Hassink", of een uitje naar Diepenveen of Twello, met een wandeling over "het Schol", het "Buddezand" en de Groote en Kleine "Noordijk".
De bezoekers van Deventer brengen graag een tijd aan de rivier door op den zomeravond. Daar is het lekker koel en de rivier drijft vol kano's met kleurig gekleede sportlui. Aan den linker-lJseloever is het verrukkelijk wandelen in het park de Worp. En, als ik op een Vrijdag gasten krijg, gaan die strijk en zet met mij mee naar de markt, waar altijd leven en vertier te over is, ook op den Zaterdagavond, want dan houdt men hier opnieuw een markt.

Afbeelding: Naar de Markt te Deventer

Even nog een altijd weer belangwekkende merkwaardigheid van Deventer. Ik bedoel de Schipbrug over den IJsel. Het heeft er iets van, dat die brug er den langsten tijd geweest zal zijn, omdat ze zal worden vervangen door een vaste oververbinding, welke beter in staat is, het drukke verkeer te verwerken. Die Schipbrug is anders eeuwenlang ook de trots van de stad geweest, al wordt ze nu verguisd. En een mooi decoratief stuk is ze zeker, met haar drijvende schepen en zware draagbalken.

Wat me steeds opnieuw opvalt, bij het geleiden van vreemdelingen, is, dat zij het hier gezellig vinden. Dat komt, omdat de Deventernaren er zelf gemakkelijk toe meewerken. Dat is de landsaard, dezelfde, die ons in de Gelderschen zoo kan treffen. Zij geven zich gemakkelijk aan wie van ver komt en stellen er prijs op, dat de vreemden hun hulp aanvaarden. En dat is toch voor den tourist goud waard!

Naschrift.

Onze tocht door Twente en Salland is ten einde. Wij hebben getracht een beeld te geven van de groote schoonheden, welke dit deel van ons land den bezoeker bieden. Het is ons streven geweest naast den rijkdom der natuur tevens te wijzen op het typische karakter, dat zoovele plaatsen kenmerkt. Met nadruk herinneren wij nogmaals aan de buitengewone verscheidenheid van dit gebied, waardoor allen, die deze streek niet kennen, getroffen worden. Wij hebben u gevoerd door de bosschen en de zandverstuivingen langs de Dinkel, naar het romantische Noorden van Twente, naar de schitterende omstreken van Oldenzaal en Enschede, de verrukkelijke Buurserbeek, het land der kasteelen met Twlckel, naar het land van de heuvels en de blauwende einders, het veenland en de onvolprezen Vechtstreek. Onze collega Jac. van Dam, redacteur van het Deventer Dagblad, wien wij zeer veel dank verschuldigd zijn voor zijn medewerking, beschreef tenslotte de pracht van het IJselland.

Door dit geheele gebied loopen de wandelwegen van den A.N.W.B., die de mooiste plekjes aandoen.
Aan allen, die ons terzijde stonden bij de totstandkoming van dit boekje, onzen hartelijken dank. Vooral aan de directeuren van de Verkeersbureaux te Almelo en Enschede, die ons vele van hun mooie cliché's afstonden. Moge dit boekje er toe bijdragen, dat velen zich gedrongen zullen voelen kennis te maken met het schoone Twente en Salland.

Enschede, winter 1935.


G. KRÄMER.