zaterdag 26 december 2009

Wandelgids voor Dalfsen, Rechteren, Vilsteren, Het Laar en Ommen: Naar Vilsteren

NAAR VILSTEREN


Chromotopografische kaart des Rijks 1:25.000 (ca. 1903) – klik erop voor vergroting

Dalfsen- Vilsteren, 14 minuten sporens, eerst de bebouwde buurtschappen Milligen en Rechteren (Halte), dan door een wereld van hei en dennen, doch steeds een streek vol afwisseling: golvende korenvelden, met bosch omboord; het trotsche kasteel Rechteren; de grauwe Lemelerberg, met lichte strepen dooraderd; de donkere Vilsterensche bosschen. Station Vilsteren: treurig eenzaam! En toch bevindt ge u in de onmiddellijke nabijheid van een der bekoorlijkste plekjes uit Nederland. Ge stapt uit den trein en zijt 12 minuten van het centrum van zeer veel natuurschoon, de uitspanning van Mej. de Wed. Klomp.



Volg, om dat centrum te bereiken, niet den pas aangelegden, zonnigen stationsweg, maar ga rechtuit, een vonder over, en ge geniet dadelijk de schaduw van beuk en eik, van berk en larix, malsche weiden rechts, de spoorlijn op een afstand links. Pauseer hier even bij die bank, ge staat voor ‘de zeven kijkjes’, anders gezegd ‘de zeven Alleetjes’, welke, op een enkele uitzondering na, diep het bosch indringen als zoovele berceaux, door krachtige, veeljarige zuilen geschraagd. Ginds ver, die lachende plek voor de middelste laan, die wegduikende vensters, het is de villa van den Heer van Vilsteren. (Zie s.v.p. de kaart). Neemt ge kijkje No. 3 - van den stationskant af gerekend - het brengt u, onder forsche beuken door, slechts nu en dan door een guitig eekertje begluurd, dicht bij de kerk op den stationsweg. Ruim te halverwege leidt een pad rechts naar den vijver, de bleekgelegenheid voor de Vilsterensche boerinnen, soms voor een deel gevuld - de vijver n.l. - met niet-wichtige botertonnetjes.
Kiest ge laan No. 7, de verlengde stationslaan, ge raakt, na een drietal ommezwaaien - rechts, direct weer rechts, daarna links - in den Doolhof, een mathematisch kunstig aangelegde wirwar van kronkelpaden, met beuken telgen omlijnd. Waren deze en het kreupelhout op de perken wat dichter, weliger en looverrijker, ge zoudt over een afstand van 5 minuten misschien twee uur of nog meer noodig hebben, nu legt ge hem wellicht in een half uur af. Wat een genot hier om te dolen! Zich in de buurt van den reusachtigen denneboom - een vista, het middelpunt - op een bank neer te zetten, of liever, het zachte dons aan zijn voet te drukken! De vogels kwinkeleeren ... gelach en gejoel uit de verte .... een schuwe haas, een dartel konijn tippelt door de droge bladeren .... het geklikklak van een boerenwagen op een zandweg...de heldere klank van het klokje op de heerenhuizinge ..., ge vergeet Vilsteren ... vergeet u zelf ... ge droomt .... Niet lang: een zingend clubje nadert, gij slingert voort, links-rechts, achteruit-vooruit, de doolhof ten einde.
En daar, wat een dennen - opwaarts gedrongen door plaats-gierige beuken en eiken - een gezicht hoog! Ge staat voor het Eiland achter den tuin, bezet met naaldhout, breed en fleurig, van allerlei kleur en tint, zich spiegelend in het vloeibaar zilver der gracht.
Het slingerpad Westwaarts op, dwars dien zandweg over: het Gravenpark. Minder druk bezocht en daarom juist een aantrekkelijk oord voor verliefde paartjes! Arm in arm, vertrouwelijk koutend, koozend ... Stoor ze niet: in dezen grootschen ‘tempel van ongekorven hout’ bouwen ze aan den tempel van hun toekomstig geluk! ... Het gekir der minnende tortels, het gefluit van moeder-ree, die haar onervaren jong bedreigd meent, - het ontgaat hun oor ... Stoor ze niet!
Het hooge dennebosch uit, kunt ge terug langs een ander pad, of ook langs den Zwolschen weg, een lommerrijke laan. Slaat ge deze laan Westwaarts in, zoo bevindt ge u binnen weinige minuten onder den huize Hessum met zijn bekoorlijke dreven en verrassende punten.
De wandeling, hier beschreven, kan gerekt worden tot 2 á 3 uur, ook ingekrompen tot een uur.
De fraaie kerk en pastorie - een geschenk van de familie Cremers - alsmede de schilderachtige villa met haar trotsche poort, vallen vanzelf in het oog, als ge de uitspanning opzoekt, om in den net aangelegden tuin met tal van koepels en zitjes, de een of andere verversching te gebruiken.
Zijt ge wat verfrischt en uitgerust, dan naar de Gernerbelten. Daartoe vóór de kerk langs, bij de eerste boerderij links den stationsweg een honderd pas op: een vonder wijst u een pad onder hoog geboomte. Een paar minuten verder geeft een heuveltje - de viersprong - door een lage heg omringd, een aardig uitzicht. En nu, maar voort, het Oosten in, op - neer! Een gezellig terrein voor een turner met gladde schoenzolen. Bijna aan de grens van dit gebied hebt ge een heuvel met bank. Bestijg dien, ge zit daar feitelijk in het lommer, en toch, wat een prachtig effect maakt daar ginds die wieglende halmenzee !



Sagen van Witvrouwen, Kabouters, van allerlei bovennatuurlijke wezens, ze leven voort in de Graafschap Zutfen, in Twente, in eenzame, boschrijke, heuvelachtige streken: het is, of het klagend suizen der dwergdennen, het pijnlijk kraken van het droge mos, het geheimzinnig bladgeruisch van het lage kreupelhout, het grillig rijzen en dalen van den ‘unheimischen’ bodem, ‘den volksgeest tot een dichter maakt, bij wien geen van Isrels Zieners haalt’. Adres aan de Gernerbelten.
‘Witvrouwe, wit,
Hier is wat an ’t spit’.
Met deze woorden plaatste de bouwknecht weleer 's avonds een schotel heerlijke spekpannekoeken, door de boerin na vespertijd met alle zorg gebakken, aan 't eind in de laatst geploegde vore van een pas begonnen akker. En ziet: den volgenden morgen - de schotel geledigd, de gansche akker geploegd, bezaaid, geëgd. Een rijke oogst kroonde in het aangewezen seizoen de mildheid des bouwheers.
Een nieuwe ploegdrijver wilde niets van die fratsemakerij weten. Hij zou tusschen elf en tweeën bij helder maanlicht, op boer Toon's vurigen kolhengst gezeten, een blank haarspit in de kuilwoning werpen. Geen wolkje aan de lucht. Gilbert rijdt fluitende de bosschen in ... Schimmel snuift ... ‘Vort, kol!’ ... Een trap ...
‘Witvrouwe, wit. . . .
Griep, griep, een spit:
Stek mi dat, stek mi dit,
Stek mi maor an dit spit!’
Meteen slingert hij het voorwerp in den kuil. Schimmel steigert ... zwenkt ... galoppeert ... De wind huilt ... de hagel klettert ... Een akelige gestalte ... holle, woeste oogen, loshangende haren ... hoonlachend hem op de hielen ... Hij, doodsbenauwd op den hals van het dier ... Daar ... hu ... in dolle vaart tegen de ‘bansdeur’ ... open ... gered ... ‘Pang!’ ... Een krachtige, korte donderslag! Schimmel zonder staart op de deel, het spit vast in de deur! ... Gilbert ademt weer, hij is gered. Zijn spotziekte genezen! -
Lang, zeer lang geleden, in den tijd van Alven, Harpijen en Saters, ging Berend, een pootige kerel van 25 jaar, het hof maken aan Doore, het eenig kind van den eenigen boer op het Achterveld, ‘carspel’ Vilsteren, aan deze zijde van den Lemelerberg, tegenwoordig ‘de Bauer’ geheeten. Gelijk bij vele hoeven uit den ouden tijd, stond voor het huis een zeer primitieve bakoven, aan drie zijden omringd door een hoefijzer van hazelaars en seringen. Als Meimaand de laatste zoo heerlijk geuren deed, de nachtegaal zoo smeltend zong, werd het den stoeren Berend zoo week om het harte, zoo week, ja hij wist zelf niet, hoe week! Hij wist wel, dat Doore, zoodra Vilsteren of Ommen elf klepte, - een, twee, drie zijn armen en het hoefijzer ontvluchtte. Met lood aan de beenen sukkelde hij dan de heide door naar zijn eenzaam huisje in de buurtschap Wijthmen, waar hij met zijn hoogbejaarde moeder een eigen keuterijtje bewoonde, - evenals Doore met haar grijzen vader aan den voet van den berg. - Vijf ‘Meien’ had hij al ‘gevreejen’, met ‘Aldreiligen’ zes volle jaren, en waar was 't eind nog wel? Pats! een ‘empenbulte’, daar lag hij languit in 't veld. Waren moeder Teune en vader Toone maar twintig jaar jonger, dan wist hij 't wel: Toone naar Teune en - Berend naar Doore of omgekeerd. Maar nu! - Pats, alweer zoo’n ding! - Een oude boom wil niet verplant worden. Waar was 't eind? ... Die klok van elf bedierf hem wat een genot! Een kermis, een bruiloft, een spinmaal ... in de volle pret, half tien, tien uur ... Doore stapte op ... en hij natuurlijk ook: ze moest klokke elf thuis wezen.
Eens kwamen ze onder hun beiden van Ommen. Al keuvelend verdwaalden ze in de Giethmensche bosschen. Hoe ze ook zochten en liepen, her- en derwaarts, ze konden de vlakte niet bereiken. Elf uur! Doore zweeg, en zuchtte, en beefde als een blad. Wat Berend ook deed, hij kon geen woorden van haar krijgen. Twaalf uur! Ha, het open veld! ‘Bö-öh’ Welk een geluid. Zie, ginds: ‘een ding langs de locht, met 'n gleujenden steert!’ - ... ’Kajan - Kajan - Kajan!’ gilt Doore, uit haast dichtgeschroefde keel. ‘Ka-kaj...’ Ze rukt zich de ‘bonette’ van het hoofd en valt in onmacht ... Kieviten, in hun nachtrust gestoord, zwerven krijschend rond. De maan breekt door de wolken. Aan de helling van den Lemelerberg ! 0 wonder, een bron opent zich; het frissche nat koelt hare polsen, hare slapen, hare lippen ... Een lange zucht: Doore ontwaakt ... Berend heeft den moed niet, iets te vragen. Eerst zwijgend, dan keuvelend, alsof er niets is voorgevallen, wandelen ze voort en bereiken, zonder verdere stoornis, de hoeve.
't Is 14 dagen later. Berend en Doore staan, oudergewoonte, weer recht kneuterig in het hoefijzer. Geen woord wordt gerept van de ongeluksreis. Elf uur! ... Hij blijft alleen. Door nieuwsgierigheid gedreven, verwijdert hij zich ditmaal niet; hij gluurt om den hoek van den bakoven. Er zijn toch geen kapers op de kust? Hij zoekt een end hout ... Hij wacht en wacht ... Alles blijft donker ... Eindelijk - een flauw lichtje op den haard, in de hand van een witte vrouwengestalte: Doore, met loshangende haren! Twaalf uur! ‘Bö-ö!’ Weer dat geluid. De deur gaat open. Zal hij op den loop gaan? Neen, het stuk hout ... Doore staat voor hem! Hij laat den knuppel vallen. Hij voelt geen grond meer ... ‘Bö-ö-ö!’ ‘Met riên?!’ klinkt het half vragend, half gebiedend. ‘Achter mi!’ ... Een ding in de gedaante van een jarig kalf, doch met zeer langen staart en vurige tong! ... ’Er op!’ Neet umme kieken, geen woord zeggen, anders bun i ongelukkig en ikke net zoo good’. Daar gaat het heen, omhoog ... hooger ... nog hooger ... over bosschen en bergen, over huizen en torens! Het wordt Berend groen en geel voor de oogen. Hu, een lichte streep beneden, een breed water ... Er over! ‘Da's 'n spronk van 'n jaorigen osse !’ roept Berend met een zucht van lichting ... En hij ligt - een zak naast zich - aan den oever van een groote, bruisende rivier, ‘de Rien’, in de buurt van Keulen ... Een lichtende streep langs den hemel wijst hem het spoor zijner gezellin, en lang nog weergalmt de ruimte, klagend-verwijtend, ‘Kajan! Kajan ! Kajan!’ ... Het schemert ... Gelukkig, hij is ongedeerd. Hij staat op, bekijkt, betast den zak en bemerkt in een der hoeken een boekje, zooals hem straks blijkt, zeven blaadjes perkament, keurig beschreven met allerlei formules en spreuken, welke zich zelf ontcijferen en verklaren. Dat boekje is zijn redder, zijn gids, zijn talisman op zijne terugreis. Het verschaft hem op commando spijs en drank, onderdak en rust. Toen hij eindelijk - van zijn Keulsche reis - op de hoeve tusschen Vilsteren en den Lemelerberg terugkwam, stond ze ledig. Te Wijthmen vond hij zijn oude moeder dood en begraven. Een groote uil nestelde in den schoorsteen.
Veertien dagen later ... het hoefijzer bleef ledig: Doore kwam nimmer terug. Berend - van toen af Heksen-Berend - doolde rond van huis tot huis ... ‘Kajan ! Kajan! Kajan!’ Waar hij 's nachts zijn jammerklacht deed hooren, stonden den volgenden morgen de hoefijzers in 't zand afgedrukt, ja, men delft ze, tegenwoordig nog, in die streken soms diep onder den grond op. En - de zwaarste straf - hij moest jaarlijks één wezen, hetzij mensch of dier of boom, van zijn bestaan berooven. –


Wandelkaart bij de gids - klik erop voor vergroting

Steekt ge, de Gernerbelten ten einde, dwars den grintweg naar Ommen over en volgt ge den cirkelboog om Siegers Esch, binnen een kwartier bevindt ge u in een dennebosch, insgelijks vol hoogten en laagten. Kies dat klimmende pad. Daar staat ‘de hooge bank’, vanwaar ge een verrukkelijk uitzicht hebt: de Vecht met haar groene boorden aan uw voet, daar achter de buurtschap Varssen, in de verte de bosschen van het Laar en den Ommer toren. Voortgaande, staat ge weldra voor de vermaarde Heremitage of Kluizenaarswoning: een hutje, met wanden van twijg en leem, met stroo en riet gedekt. Het open voorportaal, met een paar primitieve rustbanken, is door een schot van heide en boomschors gescheiden van het achterste gedeelte, keuken en slaapvertrek tevens. Een tafel van een boomtronk met schors, een kribbe van doorelkander gestoken stokken en gevuld met mos en droog gras, een plankje er naast met het ‘momento mori’, een kruis - ziedaar het gansche ameublement. In den voorgevel een hart, waarop ‘Humiltatum Deüs non despiciës, Ps. 151 :8’ (God veracht de lagen van afkomst niet) en daar boven weer een kruis. Vóór het gebouwtje daalt ge langs trappen - in een laagte af: de tuin! Jammer, dat de wilde appelboomen, de hazelaars, krentestruiken, etc. daaruit verdwenén zijn. Eenige passen Zuidoost, in de richting van de evengenoemde hooge bank, wijst, in een diepte, een kruis u het graf van den bewoner der hut. "Of ze een bewoner gehad heeft?" Naar men wil, staat ze daar als een herinnering aan het verblijf van een geestelijke uit Ommen, die, tijdens de Spaansche troebelen, in 't begin der 17e eeuw hier eenigen tijd als balling zou rondgezworven hebben. - Hoe het zij, het hutje biedt een aangename verpoozing. Het voert u terug naar die lang vervlogen eeuwen toen stille vroomheid, ver van de woelige wereld, zich spenende van alle weelde en gemakken, bij kruiden, vruchten en water, vrede zocht en vond in de overpeinzing van het hoog-heilige.



Ge vervolgt het pad langs de Heremitage. Van dat heuveltje daar nog even een kijkje op Siegers Esch, en dan, dwars over den breeden zandweg, welke van 't gehucht Vilsteren naar de Vecht voert, dat lommerrijk slingerpaadje op, smal, doch zeer gezellig. Het brengt u bij den Witten Koepel een priëel, waaruit ge, over veelkleurig getinte bouwakkers heen, een blik werpt op de groene bosschen, de bonte daken der nette boerderijen, den statigen korenmolen. Vriendelijk lonkt de villa tusschen het hooge geboomte door, welks twijgen van tijd tot tijd eerbiedig ter zijde wijken, als coquetteerde de huizinge met het lachend groen om zich heen. Al maar verder. Rechts, aan den buitenkant, een heuveltje met omgang en bank: een vergezicht, eenig schoon, op de buurtschap Oudleusen.
Voortgaand tusschen jonge eikentelgen, - bouwland links, een doode arm van de verlegde Vecht rechts, - tot ge op een ‘vaarweg’ komt, kunt ge zeggen, zoodra u deze, vlak bij den molen, op den grintweg brengt: ‘Ik ben Vilsteren rond geweest, doch heb nog lang alles niet gezien’. De hoofdwegen, de mooiste punten - op de kaart aangegeven - zijn u gewezen, de zij- en bijpaden volgen vanzelf, wanneer ge n.l. tijd en lust hebt.
Eén punt zouden wij haast vergeten. De tuin achter de villa, zoo rijk aan in- en uitheemsche bloemen en gewassen, en even keurig aangelegd en verzorgd als het gansche landgoed, de tuin is op aanvrage ook te zien. Verzuim dat vooral niet: de hovenier woont dichtbij.
Nog iets. Wilt ge, na een ferme wandeling, bij de Wed. Klomp den inwendigen mensch versterken, maak dan eens kennis met de ‘Vilsterensche Flensjes’, 't is een kostje, hoor!
Slot. Hoe sommige wandelaars het van zich kunnen verkrijgen met potlood of mes hun namen te krabben op koepels en boomen, of sporen van hun bezoek achterlaten in geknakte heesters of anderszins? De eigenaar van Vilsteren heeft er wel eens sterk over gedacht de wandelingen te sluiten, wat verbazend jammer zou zijn! Want nog eens: Vilsteren is een uitgezocht plekje! Banken, koepels, heesters zijn dus aan de zorg van het publiek aanbevolen! Wie zijn naam daar ter plaatse wereldkundig wil maken, hij vindt hiertoe gelegenheid in het Vreemdelingenboek, gedeponeerd in de uitspanning.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen