dinsdag 15 december 2009

Gids van Enschede en Omgeving - De omgeving: Lonneker, Glanerbrug

Enschede wordt ingesloten door de Gemeente Lonneker met een zeer verspreide bevolking, 7440 zielen op 14114 HA. Kerkelijk behoort een groot deel van Lonneker tot Enschede, een groot deel tot de omliggende gemeenten. Slechts in de buurtschap Lonneker heeft men eene Roomsch Catholieke, in de buurtschap Usselo eene Nederduitsch Hervormde kerk en aan den Gronauschen weg, vlak bij de Glane, een R.C. kloosterkerkje. De uitgestrektheid dezer Gemeente maakt een groot aantal scholen noodig; er zijn dan ook 10 openbare en 1 R.C. bijzondere lagere school.


Wandelkaart 1889 - klik erop voor vergroting.

Elke buurtschap van de Gemeente Lonneker is een bezoek overwaard. De buurtschap Lonneker zelve biedt de grootste afwisseling in hoogten en laagten. In de Buitens het Pot, het Welna, het Stokhorst, het Bouwhuis, het Amelink en de Welle biedt het aan weerszijden van den met boomen afgezetten Mac-Adamweg schoone punten aan, die vele bezoekers lokken. Vooral het Amelink is eenig om zijn schoonen aanleg en prachtig zeldzaam geboomte; meer dan eens hoorden wij een vreemdeling (voor de villa staande) in bewondering uitroepen: "ik heb vele schoone liefelijke plekjes bezocht, maar zelden liefelijker, met grooter afwisseling van hout dan dit!". En evenals het Amelink den bezoeker treft door zijn schoon, verrast hem de Welle door den hoog gelegen vijver, welke voortdurend gevoed wordt door eene welle (bron), waaraan het Buiten zijn naam ontleent. (De wandelaar verzuime niet zich te plaatsen op den weg aan de noord-zijde van den vijver).
Een paar honderd meter noord-oostelijk van de Welle, rechts van den ouden Oldenzaalschen weg (die achter de Welle heen liep) vindt men een stuk bouwland, dat omgeven is door ‘toegelande’ grachten. Bekend onder den naam van Ripperda is dit de plek waar in de 17e eeuw het jachtslot Vogelensanck stond van de heeren van Ripperda van het hof te Boekelo. Men heeft hier een prachtig vergezicht over het Lossersche Veld op Gildehaus en Bentheim. Wie bij helder weder Ripperda bezoekt, verzuime niet den in de nabijheid staanden korenmolen te beklimmen om er van de schoone vergezichten te genieten.
Het plateau, waarop men zich hier bevindt, strekt zich ver uit naar het oosten en biedt op verschillende punten zeer schoone vergezichten aan, waarvan er eenige op de kaart zijn aangegeven. De wandeling van Ripperda langs Polman (het hoogste punt van dit plateau; men vertelt den bezoeker gaarne, dat de pot boven het vuur even hoog hangt als de klokken in den toren van Enschede), langs den Hoogen Boekel met zijne fraaie houtpartijen naar de eerste spoorbrug is bij droog weder zeer loonend tengevolge van zijne groote afwisseling.
In het eigenlijke centrum van de buurtschap vindt men de Roomsch-Catholieke Jacobi-kerk met het opschrift in den gevel:

VJCtJMa grata patrJ, ChrJstUs, Vere Jpse saCerDos.
haCCe sUb aeDe saCra nUMen VeneratUr arator.
ChrJste DeUs VJLJ LatJtans sUb JMagJne serVJ
tUrpJa perfUso sangUJne faCta pJas.
hetwelk beteekent :
'Slachtoffer, welgevallig aan den Vader, Christus, waarlijk de priester zelf!
Onder dit heilige dak vereert de landbouwer de Godheid.
Christus, God, verborgen onder het geringe uiterlijk van een dienstknecht,
Gij verzoent de zonden door Uw vergoten bloed'.

Het jaartal 1820 in den eersten regel van dit opschrift wijst op de voltooiing van den bouw, het jaartal 1820 in den tweeden regel op de wijding en het in gebruik nemen van dit Godshuis, terwijl het jaartal 1845 in de laatste twee regels, die slechts één zin vormen, duidt op de vergrooting en verfraaiing, welke het in dit jaar onderging. Tot in 1820 werd op zon- en feestdagen kerkedienst verricht in een boeren¬huis op het tegenwoordige Buiten het Bouwhuis. Zijne Majesteit, Koning Willem I, schonk in 1819 f8000 als bijdrage voor het bouwen der kerk.
In de nabijheid der kerk vindt men het station, het stations-koffiehuis en de uitspanningen Savonye en Warmes , welke laatste door een telefoon-geleiding met de stad in verbinding staat.
Meestal eindigt de wandelaar hier zijn tocht en toch is een bezoek aan den verder gelegen schoonen Roelvink-Esch en vooral aan den Lonnekerberg zeer aan te bevelen. De binnenweg naar den berg (vlak achter het Tolhuis heen, na ruim een honderd meter het voetpad rechts inslaan, het dennenboschje door, over en langs het spoor, en daarna bijna recht door, een weinig links) is bij droog weder om de vele afwisseling aan te raden. Onder de talrijke sagen welke door de omwonende lieden gedurende de winteravonden aangaande de ‘Witte Wiven’ van den Lonneker berg verhaald worden, vermelden wij slechts de volgende welke betrekking heeft op het ontstaan van het Zwennebultje, een heuvel, dien wij links van den weg laten liggen: ‘In Lonneker zoude eene kapel worden gebouwd op gewijde aarde. Om deze te verkrijgen nam Zwenne, eene der Witte Wiven, eene schop vol aarde uit het Leutinkveld in Driene en droeg deze naar de bestemde plaats. Onderweg viel echter een kluitje van de schop en dit kluitje is het tegenwoordige Zwennebultje’.

De prachtige vergezichten op Oldenzaal van den Hoogen Munnik (zie bij Espelo) en van verscheidene andere punten (vooral van den noordelijken zoom van het bosch) uit maken het bezoek aan den Lonnekerberg zeer loonend.
Rechts van den Mac-Adamweg op Oldenzaal heeft men in den Lagen Munnik (het Witte huesken) eene gelegenheid tot uitspanning. Op twee minuten afstands oostelijk van hier ligt, half in een kuil verzonken, een groote steen (granietblok) van ongeveer dezelfde afmetingen als de bekende heidensche offersteen bij de kerk te Oldenzaal (in 1888 was het bovenvlak ruim 3 M bij 2 M); de tegenwoordige eigenaar laat echter dit zwerfblok, dezen stommen getuige uit vóórhistorische tijden, stuk hakken en te gelde maken. De bodem in deze omgeving was zoo rijk aan granietblokken, dat bovengenoemde Mac-Adamweg bijna uitsluitend daarvan gelegd is.
Vóór wij deze buurtschap verlaten iets met betrekking tot zijne industrie. Achter het Buiten het Amelink heeft men in de onmiddellijke nabijheid van den spoorweg de stoomververij, kalanderij, enz. van de firma Blijdenstein en Co., aan de andere zijde van den spoorweg, schuin tegenover het station de tichelarij van Gerritsen. Ook aan den Oldenzaalschen kunstweg en wel tegenover het Pot treft men een drietal steenbakkerijen aan, waarvan de zoogenaamde Lonneker Steenbakkerij bijna geheel volgens het systeem van Hoffmann (Hoffmann’s Ringofen) is ingericht; in deze, evenals in de beide er bijgelegen en volgens andere systemen gebouwde steenbakkerijen, worden de steenen machinaal gevormd.
De oudste dezer steenfabrieken is die van E. Schreurs, die in het jaar van den Munsterschen vrede of in het daarop volgende jaar werd aangelegd. Wij lezen dienaangaande, dat den 20 November 1648 door Anna Elisabeth, Vorstin tot Anholt, Gravin tot Bentheim , enz., Houtrichteres der groote boer¬marke, met goedkeuring der belanghebbenden, aan Johan Schouwink en vrouw werd toegestaan om eene tichelarij aan te leggen en klei te graven bij den Puttenkamp en den Elshofskotten. - In 1826 ging deze tichelarij door erfenis over in handen van J. Kristen en in 1871 op dezelfde wijze in die van den tegenwoordigen eigenaar. Het terrein tusschen den steenoven en den kunstweg gelegen, was gedurende eeuwen de plaats, waar de Enschedesche jeugd zich op Paaschzondag met eiertikken en anderszins vermaakte en is nog onder den naam van Kristen's Tichelwerk algemeen bekend. In vroegere tijden had op dien dag eene processie plaats, die van de stad uit over den Gronauschen weg, den Helleweg, (langs het thans gesloopte huis de Püse), het Zwarte gat (thans de le spoorbrug), den Heiligenweg (thans den Veenweg), langs het Woldrinkhof naar het Tichel¬werk ging, waar tenten, kramen, enz., waren opgeslagen en men den dag verder onder kermisvreugde sleet. Toen deze processies ophielden, bleef het kermishouden en het eiertik¬ken voortduren, totdat in 1875 beide naar het Volkspark werden overgebracht; het eiertikken behoort reeds bijna tot het verleden. Keeren wij echter thans tot het heden terug.


Ofschoon de buurtschap Lonneker het meeste natuurschoon aanbiedt, trekt toch de Oldenzaalsche weg minder wandelaars dan de Gronausche. Twee oorzaken hiervan liggen voor de hand: vooreerst de uitspanningen Dolphia (met kindertuin) op 20 minuten en de Glanerbrug, op 3/4 uur gaans van de stad; ten tweede de uitstekende toestand van den Mac-Adamweg, die bovendien van 't Slotzicht tot aan de Glane, eene prachtige eikenlaan vormt. Aan de noordzijde van den weg bezitten vele ingezetenen van Enschede zoogenaamde "buitens" waar zij de heldere zomermiddagen doorbrengen.
Even voorbij den Tol heeft men het Kantoor voor in- en uitgaande rechten, en iets verder, dicht bij de Glane, het Klooster der Redemptoristen, dat in 1886 door Duitsche monniken werd gesticht. Aan de oostzijde van het klooster heeft men het kleine nette kloosterkerkje aan St. Jozef gewijd.
Tien minuten noord-oostelijk van hier vindt men op Duitschen bodem de overblijfselen van het klooster Glane, dat tot in 1811 daar heeft bestaan. Eene breede gracht omgeeft nog een gedeelte van het gebouw, terwijl een groot deel gesloopt is, waarvan de materialen o. a. gebruikt zijn bij het bouwen van de bekende uitspanning "de Glanerbrug". Wan¬neer dit klooster werd gebouwd is ons niet bekend; wellicht was het in de 12e eeuw een kasteel, althans worden in dien tijd meermalen Heeren van Glane genoemd (zie bijv. bij Hölterhof), later was het een paterklooster en in 1665 was het of werd het een nonnenklooster. Wij vinden dienaangaande het volgende. ‘In 1662 vertrok de Pastoor H. ter Hoente uit Oldenzaal naar Almelo, om, als overste der Nonnen, in het klooster aldaar verblijf te houden. Van daar vertrok hij echter reeds weder in 1665 met de gemelde Nonnen naar het klooster Glane (ruim 2 uur ten ZO. van Oldenzaal gelegen)’. Ook in 1673 komt het als Nonnenklooster voor. In 1811 werd het door Napoleon I opgeheven. Het ontleende zijn naam aan de beek de Glane. Deze ontspringt in het Aamsveen, eenige minuten oostelijk van de Knalhütte, dicht bij het erve Oorthuis. Na tal van kronkelingen loopt zij langs en door het erve Schipholt, neemt daarna de grootere, geheel tot Duitschland behoorende, Floerbeek op en vormt van hier tot aan het erve Schildkamp de grensscheiding tusschen ons land en Duitschland , waarna zij zich 10 minuten verder in den Dinkel stort. De oevers der Glane zijn, bijna van haar oorsprong af, houtrijk en daardoor op verscheidene punten zeer schoon.

In het genoemde Aamsveen, dat gedeeltelijk tot Nederland, gedeeltelijk tot Duitschland behoort, werd reeds vóór eeuwen turf gestoken, zooals blijkt uit eene oorkonde van 1321, waarin wordt medegedeeld, dat in de parochie van Enschede twich (twijg) gesneden en torf gegraven werd en dit als eene belangrijke opbrengst voor den Bisschop van Utrecht wordt opgegeven. Vóór den aanleg van kunst en spoorwegen werd dan ook in Enschede de turf bijna uitsluitend van hier betrokken. De vele dikke, half vergane boomen (kienhout), welke men er opdelft en die meest allen met de kruin naar het zuid-oosten liggen, wijzen er op, dat hier in vóór-historische tijden een zwaar bosch stond, dat door een noord¬weste-storm werd geveld. Wie hier het turfsteken of het turfbaggeren op de zoogenaarnde turfstraten (zijnde ronde, met steenen en klei geplaveide, meestal hooger gelegen plaatsen) of ook het veenbranden wil gaan zien, kieze bij voorkeur den weg over het erve Kromhof langs Reef. Even voorbij Reef ziet men dan in het veld aan de rechterzijde van den weg eenige op eene rij geplante elzenstruiken , die tot een ‘kamp’ schijnen te behooren. Bij deze vindt men evenwel geen bebouwden maar veldgrond, waaraan men echter gemakkelijk ziet, dat hij eertijds bebouwd was en uit zes stukken bouwland bestond, die door het braakliggen tot heidegrond zijn teruggekeerd. Dit plekje gronds wordt de Huttenpeters-kamp genoemd; men verhaalt er van het volgende: In de eerste helft der vorige eeuw kwam hier een man, Peter genaamd, uit het naburig Munsterland, maakte van het voorhanden zijnde hout eene hut, dekte deze, om zich zooveel mogelijk tegen wind en weer te beschutten, met stroo, en vestigde er zich met zijne vrouw Triene en zijn eenigen zoon. De markegenooten verzetteden zich hiertegen, doch zij hadden de macht niet om hem te verdrijven, zoodat Peter voortging, eene put groef (deze is nog aanwezig) en den grond ontgon. De toen regeerende koning van Pruisen, Friedrich Wilhelm I (1713-1740), had eene groote voorliefde voor lange soldaten, en Peter verkocht hem zijn zoon, die 7 voet lang was, tegen 100 gulden den voet, waarom men toen zeide, dat Huttenpeter voor zijn vul (veulen) meer gekregen had, dan een groote boer voor zijn beste paard. Nu nog noemen de boeren in die streek een bijzonder groot veulen een ‘hutten peters vul’. Na den dood van Peter haalden de markegenooten de hut omver en droegen zij er zorg voor, dat niemand, ook de erfgenamen van den overledene niet, er zich weder vestigde, ten gevolge waarvan de grond langzamerhand tot zijn vorigen natuur¬staat terugkeerde. Triene koos daarop eene kuil tot woning; uit medelijden echter werd zij na eenige maanden op het erve ‘de Prèker’ in den kost besteed.

Eenige minuten verderop stond eertijds de Hölterhof, een kasteel, dat waarschijnlijk door de Heeren van Holte werd gebouwd. Reeds in 1186 komen Wilhelm van Holte, Arnold van Glane en Rudolf van Steinfurt, als getuigen voor, waarbij wordt medegedeeld, dat de Heer van Holte vermaagschapt was aan de Heeren van Loon van het Loonshof te Enschede. Evenzoo worden in 1240 Herman van Loon, Wigbold van Holte en Hendrik, graaf van Dalen, Heer van Diepenheim, en in 1296 Ridder Theodoric van Holthe, Reinold van Borclo, en and. als getuigen vermeld. Waarschijnlijk was ook Gerarda van Holte, die in 1531 met Johan van Haersolte tot de Leemcule huwde, uit dit adellijk geslacht. De laatste Heer van Holte oefende het beroep van roofridder uit en bracht door plundering en brandstichting dikwijls groote ellende over deze streken. Na de inneming van Grol in October 1597 zond Prins Maurits troepen af om hem daarvoor te straffen; deze versloegen hem, namen stormerderhand den Hölterhof in, verbrandden het kasteel en de bijgebouwen en voerden de gevangen genomen bewoners mede, die zij voor Prins Maurits brachten, welke inmiddels voor Enschede was aangekomen en na de overgave der stad zijne legertenten rechts van den Hengeloschen weg achter het Wageler had opgeslagen. De Prins liet al de gevangenen, waaronder den Heer van Holte, op den Galgenmörsch ophangen en hunne lijken in den Bottenkamp ter aarde bestellen. Het veld, waarop de Hölterhof gestaan had, gaf Maurits aan de stad Enschede ten geschenke als eene vergoeding voor het¬geen zij van den Heer van Holte te verduren had gehad. Sedert werd dit veld het Allemansveld genoemd. Zeer schoon is dit bezongen door wijlen onzen stadgenoot, den oudstrijder Jacob ter Meulen, in de volgende dichtregelen:

E'Wonnen was ook Meurs en doo
Trok Maurits over den Rhiene
Naor 't machtig starke Grolle too;
Daor maakte He meenge miene.

Tot onder zienen starken wal
Ook lööt He Schansen bouwen
En bracht döör mengen knal en val
Den Spanjoard in benouwen.

Doch vöör zich Grol noch gaf geheel
Most 't Goorsche 't Vendel strieken,
En 't Bredevoordsche stark kasteel
Most kort nao Grolle wieken.

Nou was er in den Achterhook
Vöör Hem niks meer te vëëgen;
Doo ging He ook op Twenthe los,
Al was 't langs slechte wègen.

Daor was n' en heer van Hölterhof,
Dee hadde ne heele bende,
Dee maakte het plundren al te grof
En bracht niks as ellende.

Vöör oet vöör zienen zwaoren tros
Stuurt Maurits dappere knechten,
Dee mosten op den streuper los
En eerlijk met Hem vechten.

Doch eerlijk vecht 't Janhagel nich,
Verscheiden zach men tommelen ,
De anderen overgaven zich,
Den Hopman moste bommelen,

En doo nouw Maurits kwam ter stee,
Waor 't slachtveld was e houlen,
En de trompetters blaozen dee,
Kwammen oet de stad de oulen.

Dee vreugen vöör er Enschedee
Pardon en meddelieden
En Maurits stemde met er mêe:
Dat gaf en groot verblieden.

Dat is gebeurd waor de Knäpse steet,
Dat Toeten nog mach heeten;
Dee 't Wageler en 't Ballast weet
Zal 't Slachtman ook wal weten.

Den Galgenmörsch dee ken ie jo,
Doar Hölterhof most bommelen,
En de Knoedhöfte noar 't Slachtman too
Dee kön ie ligt opschommelen.

Den Bottenkamp , daor is het graf
Van allen dee er bleven;
En 't Allemansveld stön Maurits af
Vöör wat ze van roovers leeden.

Van hier gung He op Oldenzel, enz.

[De Knäpse en de Toeten, waarvan hier sprake is, zijn twee boerenerven, rechts van den straatweg van Enschede naar Hengelo achter het Wageler. De weg van 't Wageler naar den Kotten loopt langs het erve Slachtman. Staat men voor den Kotten met het gezicht naar de stad, dan heeft men aan zijne rechterhand de Ballast. Gaat men van den Kotten over den Kottendiek naar de stad, dan vindt men aan den rechterkant den Galgenmörsch: op het bleekveld voor het huis heeft de galg gestaan. De Kroedhöfte ligt aan het einde van de Renbaan onder het dennenboschje, terwijl de hooge rug, waarover men den spoorweg naar Oldenzaal legt, westelijk van de touwslagerij van Berendsen, de Bottenkamp wordt genoemd.]
Na het slechten van den Hölterhof bleef volgens de overlevering de molen nog lang bestaan; thans wijst men nog slechts de plaats aan, waar hij stond, daar omliggende bewoners zelfs de zandsteenblokken , die als fondamenten gediend hadden, hebben opgegraven en weggevoerd. De grachten van het kasteel, hoewel ‘toegeland’ en bijna droog, zijn nog duidelijk te herkennen, zoowel als de put, thans in de wan¬deling de wolfskuil genoemd. Ook de voren, die vroeger de stukken bouwland scheidden, zijn in de heide nog aan te wijzen.

Gaat men van den Hölterhof oostwaarts over het bruggetje over de Glane, dan heeft men aan zijne linkerhand, het huisje dat voor eenige jaren nog bewoond werd door de beide familiën ‘den Droad’ en ‘het Schaop’ en dat algemeen bekend is door zijne primitieve inrichting. Verderop, even over de grenzen, vindt men een kolk, die den naam draagt van het ‘Grondelooze meer’, waarvan de sage verhaalt, dat toen eens een jager zich verstoutte op St. Stephanus (den tweeden Kerstdag) in den omtrek van het meer te gaan jagen, hij tot straf hiervoor werd veroordeeld het Grondelooze meer met een vingerhoed leeg te scheppen. Dat het daarom aan dezen kolk spookt en dat verschillende personen den jager met zijn arbeid bezig hebben gezien, spreekt van zelf. [Waar de ‘Heidenweg’, waarvan wij vaak hoorden spreken, liep en wat hij is, konden wij niet uitvisschen. Waarschijnlijk namen de Heidens of Zigeuners in de 13e eeuwen later bij hunne zwerftochten hier in 't land naar Deventer (waar men zelfs Heidenhuizen had om ze te herbergen) en elders hun weg langs den Heidenweg.]
Nu en dan schijnt eene pestziekte, de zwarte dood genoemd, hier voor 't veen vreeselijk te hebben huisgehouden zoodat de huizen op de erven leeg stonden en de geheele streek uitgestorven scheen. Verschillende herinneringen aan deze rampen leven nog in den mond van het volk. Zoo verhaalt men, dat het erve Holzik na zulk eene pestziekte zoolang onbewoond was, dat een populier door den schoorsteen boven het dak was uitgegroeid, toen nieuwe bewoners het huis in bezit namen. De nieuwe bewoners van het erve Lutje Holzik vonden in de bedstede, die van het erve Schouwink in de Eekmaat in de paardenkrib een nest met jonge wolven. Wanneer dit gebeurde, weten wij niet: na 1350, toen half Europa door de zwarte pest werd geteisterd, of na een der pestjaren 1467 of 1483, of wel na 1624, toen een bededag werd uitgeschreven tot bezwering van den zwarten dood! Men vertelde ons, dat deze in den vorm van een wolkje in de woningen drong, die hij bezocht. Eens zag een boer dat wolkje in een gat van den ‘stiepel’ van de ‘’n hiendeure’ (Hinterthüre) zijner goed gesloten woning vliegen. Fluks greep hij een bijl en sloeg daarmede eene pen in het gat, zoodat de zwarte dood gevangen zat. Daar zit hij nog, zoodat hij zich sedert niet weder heeft kunnen vertoonen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen