zaterdag 26 december 2009

Wandelgids voor Dalfsen, Rechteren, Vilsteren, Het Laar en Ommen: Naar Ommen

NAAR OMMEN


Chromotopografische kaart des Rijks 1:25.000 (ca. 1903) – klik erop voor vergroting

Vilsteren-Ommen: 7 minuten, zegt het spoorboekje. Heide en dennen - hier en daar, leve de kunstmest! ontgonnen wildernis - den zachtkens groeienden Lemeler bergrug, de kronkelende Regge met groen en bouwland aan hare boorden: wederom een terrein vol afwisseling. Het station Ommen, een kwartiertje ten Zuiden van het stadje, is ietwat royaler ingericht, dan dat te Dalfsen: het heeft een wachtkamerke 2e klasse! Onmiddellijk bij het station annonceert A.T. Klomp zijn pension Het Laar, - totnogtoe tevens uitspanning. Tien minuten wandelens - den weg links - en ge staat op de hooge, marmeren stoep der trotsche villa. Al heeft de gulzige bijl des houthakkers in de laatste jaren meedoogenloos hare slagen uitgedeeld, hier een lommerrijke laan geveld, ginds een schilderachtig kijkje tint en toon ontroofd, Het Laar is en blijft een bekoorlijk plekje, een plekje, waar de stedeling des zomers, in een echt dolce far niënte, eenige weken de beslommeringen en drukten des levens kan ontwijken.



Het Laar, tot voor weinige jaren een bezitting van de familie Sandbergen, komt niet voor onder de oude havezaten van Overijsel. Door koop overgegaan aan de Heeren Stork & Co. te Almeloo, is het door den Heer Klomp als pension geheel naaar de eischen des tijds ingericht. Een milde tuin geeft van groenten en fruit, wat een kundig tuinman het seizoen onttooveren mag. De naaste environs, vooral aan den Westkant, bieden gezellige uitstapjes aan hem, die niet van groote tochten houdt. Nu eens tusschen welig kreupelhout, het eldorado der nachtegalen, dan onder hoog opgaand geboomte, schieten de wandelpaden voort. Door niemand bespied, dan door een schichtige merel of een wipstaartenden ekster, strekt men zijne leden uit op ‘t zachte gras, het mollig mos: men is hier alleen, alleen met moeder natuur !
De gracht Westwaarts eindigt in een soort gedenknaald, eene herinnering aan den voorlaatsten bewoner, den Graaf van Rechteren tot Appeltern: een gezichtspunt uit de biljartzaal van het pension v.v. In de onmiddellijke nabijheid van die naald, verheft zich de ‘Dikke Den’, een logge colossus in zijn soort, door twee volwassen personen niet te omvademen. De bank onder deze reusachtige paraplu gunt een verrassenden blik op den vijver en de landen aan den Reggeoever. Van hier leidt een pad rechts naar den Zwolschen grintweg - Ada's hoeve, en een links naar – ‘een heerlijk dennenwoud’, zegt de bezoeker van verleden jaar. Helaas, van de spoorlijn doorsneden, vertoont het thans zijn naakten, golvenden bodem: het is, in rijksdaalders omgezet, verdwenen in de beurs der eigenaars! Oostwaarts van dit berooide terrein strekt zich, ten Zuiden van de spoorlijn, - gelijk bijgaande kaart aangeeft - nog een aanzienlijke oppervlakte bosch uit: eveneens dennen, heuvelachtig, als heel de Reggeoevers langs. De Wolfskuil hier, De hongerige Wolf - een overoude, vermaarde pleisterplaats aan den Hardenbergschen weg; wie uit den omtrek kende in de tweede helft der 19e eeuw Minemeuje van den Hongerigen Wolf niet? - het Wolfsboschje in de buurtschap Beerze en meer dergelijke namen, brengen ons in herinnering, dat het Oosten van Nederland weleer ook behoorde tot het operatie-gebied van den onguren held uit de Roodkapje-fabel. En geen wonder, wanneer men in aanmerking neemt, dat een eekhoortje toen op zijn gemak van Ommen naar Zwolle kuierde, zonder grond te raken.
Volgens de overlevering, zou in het Wolfsboschje - een kleine twee uur van Ommen - het volgende drama zijn afgespeeld. Everhard van Eerde, ‘jong, welgemaakt en schoon, dapper als eens ridders zoon’, reed op zijn vurigen klepper uit - van niemand vergezeld - om zijn bruid af te halen, Luitegard, dochter van Coevordens burgtheer, een meisje, ‘der armen troost, lief en aardig, met goudblond haar en slanke leest, een kloeken ridder waardig’. De maagd met vaste hand haar dartelen schimmel bedwingend, wordt op eerbiedigen afstand door een twaalftal gewapende mannen gevolgd. Nora schijnt het verlangen harer meesteres te raden. Zij verandert haar draf in vliegenden galop en is weldra met haar kostbaren schat het gevolg uit het gezicht. Geen nood, de heerbaan is breed, zij kent den weg en Everhard komt. Daar gaat het den hoek om. Wat? ... Een klaagtoon, zoo luid? Daar in het struikgewas ?... Nog een? ... Halt! Luitegard wipt uit den zadel, bindt Nora aan een boom en vindt? ... Jochem, haar vaders weggeloopen slaaf, verwond en uitgeput! Zij laaft en zalft; verbindt hem met haar sluier in een spanne tijds, helpt hem op haar schimmel ... Nora hinnikt, ... De wolf schiet uit het hout, met opengesperden muil, ... Grijpt Luitegard als zijn prooi? ... Neen, hij stort ter aard, den kop gekliefd van Everhardus' staal.
Veel veel later, achter in de 17e eeuw, zegt de overlevering, op oudejaarsavond, bij bittere koude, stapte een boerenmeid uit Lemele rechtuit rechtaan over den berg naar Dalfsen om bij ‘haar volk te teufelen’. - (Een oud gebruik om op den laatsten avond des jaars den buik op de leest te zetten, hetzij aan oliebol of pannekoek, pudding met ‘lang-nat’ of iets dergelijks. Zelfs de minst bedeelde heeft zijn ‘teufeltjespot’ en verwisselt op die manier welvoorzien, het oude met het nieuwe.) - Neeltje kwam echter niet thuis. Den volgenden dag werd zij gevonden, verscheurd door een wolf. Vandaar de Wolfskuil en in de buurt de Neeltjesplas.
We lezen over dat wolvenbezoek nog het volgende in een oude kroniek. ‘ln het jaar 1232 werd Friesland door een ontzettende menigte wolven geplaagd, die aldaar op gruwelijke wijze huishielden, wijl zij niet alleen een groot getal schapen verslonden, maar ook in de dorpen de menschen aanvielen en zelfs de lijken uit de graven haalden. Toen nu de Friezen een algemeene wolvenjacht op het touw zetten, waardoor deze wilde dieren genoodzaakt werden het land te ruimen, kwamen er heele legers van die onwelkome gasten in Overijsel en maakten het er niet beter dan in Friesland, weshalve zij ook hier op dezelfde wijze naar verdiensten behandeld, d.i. doodgeslagen of verdreven werden’.
Dezelfde schrijver deelt ook nog mede: ‘het jaar 1230 was drukkend voor de bewoners der Noordelijke gewesten van ons vaderland, uithoofde der geweldige overstrooming in het midden der maand Februari. Bijna geheel Friesland - de drie Noordelijke provinciën - stond tot een aanmerkelijke hoogte onder water en men denkt, dat vele der aanzienlijke zandhoogten in Overijsel als overgeblevene gedenkteekenen dezer verschrikkelijke watersnood moeten aangezien worden’.


Wandelkaart behorende bij de gids - klik erop voor vergroting

Van den Wolfskuil bereikt men in weinige minuten het stations-koffiehuis. Wie een wandeling aandurft - en wij kunnen ze ten zeerste recommandeeren, een wandeling à la Claudius Civilis en Brinio, bijwijlen door struik en bosch, door dennen, dwergen en reuzen, nu en dan zonder weg of steg, volge den grintweg, ten Zuiden van de spoorlijn, tot even voorbij de boterfabriek, waar men links op ettelijke minuten afstands den Besthmenerberg ontwaart. Hier den grintweg af, den zandweg op, den berg bestegen! Zie achterstaand schetsje. Welk een verrassing, eenig schoon! Zuidwaarts een groet aan zijn machtiger Confrater, den Lemelerberg. Aan zijn voet de boerenhoeven, weiden en akkers, loof- en naaldhout. Aan de andere zijde, ginds verder, dennen en nog eens dennen, welke zich eindelijk verliezen in een witte vlakte, de Besthmener zandverstuivingen. Bij wind vooral levert die golvende zandmassa – van wat naderbij gezien - een aardig gezicht. Waag er nog een half uurtje aan. Zijt ge bang voor dwalen, doe als een andere Klein Duimpje: knik nu en dan een takje, of neen, geen bosschen-schennis, maak af en toe een teeken op den grond.
Een toerist neme op zijne tochten in de buurt van Ommen geen nota van de talrijke bordjes met het ‘verboden toegang’: ze gelden ook hier slechts voor ridders van de Dolende Baklamp, leden van den bond het Gefopte Haasje etc.

Een wandeling van een stevig uur, (af en toe wat zonnig): Stations-koffiehuis, Hellendoornschen weg tot aan de Reggebrug (Nieuwbrug), bij de school links af, langs den rechteroever van de rivier. Pauseer hier een wijle in den Eerder Hoogen Koepel en geniet het heerlijk panorama, dat zich voor uw oog ontrolt. Vlak vóór u het dal der Regge, het rivierke, dat hier den Besthmenerberg van den Lemelerberg scheidt, 't welk als een zilveren ader het smaragd ontschiet; links het veeltintig, zachtglooiend looverdak van Eerdes geboomte; rechts de daken en gevels van de boerderijen der buurtschap Archem, opduikend uit het groen, den blauw-schemerenden Lemelerbergrug tot achtergond. Zoek niet in den vreemde, wat eigen erf u biedt!
Onmiddellijk naast den koepel volgt ge, - links af, door een haspel - den Hammer grintweg, die u op het punt van uitgang terugbrengt.
Wilt ge de wandeling nog wat verder uitstrekken, of doet ge aan fietsen, dan de Reggebrug over en den Lemelerberg bezocht. Het hoogste gedeelte ligt anderhalf uur van Ommen, lang geen Keulsche reis. Bestijg de kruin van Overijsels reus van de Oostzijde; van den Noordkant gaat het moeilijker.
De Lemelerberg!
‘Heuvel acht de faam
Bij vriend of vreemd te klein een naam,
Voor heerscher over meer verschiet,
Dan eigen erf den landzaat biedt!‘

Welk een uitzicht! Naar het Westen over het sterk floreerende Dalmsholte dank zij het Almeloosche kanaal -; naar het Oosten en Noorden over daken, akkers, weiden, hoog en laag geboomte van het Reggedal. - In de sprookjes van Grimm lezen we van een reus, die wat aarde in de slip van zijn mantel droeg. Bij het overstappen van de Vecht ontviel hem de Besthmenerberg, van de Regge de Lemelerberg en vervolgens de Luttenberg. Het restje, niet meer dragenswaard, schudde hij uit langs Hellendoorn en verderop.


Chromotopografische kaart des Rijks 1:25.000 (ca. 1903) – klik erop voor vergroting

Wanneer we de wetenschap het woord geven, zegt zij ons, dat de Reggeheuvels, gelegen in ‘t gebied van het Gemengd Diluvium - ten Zuiden van de Vecht en ten Noorden van den Rijn - vermaagschapt zijn aan den gletscherbodem van mama Scandinavia - niet van ‘Adamswege’, maar sedert de ijsperiode - zoowel als aan het stroomgebied van ‘Vader Rijn’, ja, dat ze bloed in de aderen hebben van tante Middellandsche zee!
Doch laten we ons niet verder verdiepen in deze familie-relaties. De berg, een uur gaans in de richting Noord-Zuid, bestaat uit drie samenhangende deelen: de Brokkenberg, het laagste en smalste deel, beginnend even voorbij de Nieuwbrug, de Archemerberg, het hoogste, breedste en steilste deel en de Lemelerberg, afdalend in een laagte, waardoor het kanaal Zwolle-Almelo is gegraven. De hoogste top, de Nevelpol, ruim 80 Meter hoog, diende tot signaal van verschillende opmetingen. Bij helder weer ziet ge van daar met het bloote oog de torens van Zwolle, Deventer, Zutfen, Almeloo, enz.; met een goeden kijker aan de ééne zijde de schepen op de Zuiderzee, aan de andere de vensters in het kasteel Bentheim en rondom u in alle richtingen een honderdtal torenspitsen. (Zie achterstaand schetsje). De oppervlakte is van diepe zandgroeven doorsneden, ontstaan door stortregens en wolkbreuken.
Aan de Westelijke helling, ongeveer 20 Meter beneden de kruin, vindt men drie bronnen, welke 's winters nooit bevriezen. De hoogstgelegene, de Fontein, dichtbij en Noordwest van den Nevelpol, is de minst belangrijke; de Blikkerfontein, een half kwartier Zuidwest van genoemden top, in de nabijheid van den grooten steen, levert meer water, terwijl de Lemeler Springbron, midden tegen den Zuidelijken bouw-esch van de buurtschap, het mildst vloeit. Men ziet kleine plasjes water, 't welk uit den grond opwelt, zich in zilveren adertjes, tusschen de bruine heide door, naar beneden kronkelt, om zich daar, aan den voet van den berg, in het zand te verliezen en zoo haar eigen bestaan te onderhouden.
De berg, over 't geheel met heide begroeid, hier en daar aan de helling een dennenbosch, aan de Oostelijke vooral bouwland, heeft een bovenkorst van gewone plantaarde, nu meer, dan minder dik; daaronder ligt een grintbedding, welke in den regel rust op wit zand, met verschillende steenen vermengd, soms ook op leemlagen, ondoordringbaar voor water. De industrie, welke in deze laatste grondsoort haar voedsel zocht, heeft zich niet in een voorspoedigen groei mogen verheugen. Zijn afkomst getrouw, levert hij volop materiaal voor het macadamiseeren der wegen in de buurt.
Bijzonder merkwaardig is de zoo even genoemde groote steen aan de Westelijke helling van den Archemerberg, circa acht minuten Zuidwest van den Nevelpol, bij de Blikker Fontein; de groote steen, welke in het grijs verleden den eenvondigen plattelander toefluisterde:
‘Hoe zoudt gij u verwondren,
Als gij me zaagt van ondren!
Maar 0, wat ben ik blij:
Ik lig op de andre zij!’

Een troep nieuwsgierige boeren toog op zekeren dag met schop en hefboom aan - den arbeid. Maar, daar klonk het van beneden:
‘Al zou de wereld ook vergaan,
Deze steen zal blijven staan!’
En de colossus bleef liggen, hij ligt er nog en zal voorloopig nog wel blijven liggen. Geologen van later datum, een uitstekend punt rots vermoedende, hebben een ondergraving beproefd en bevonden, dat zijn grootste dikte 7 M., zijn grootste lengte bijna 8 M. bedroeg. Hij ligt in de richting West-Oost, met het breedste eind naar het Westen en steekt circa één M. boven de bodemoppervlakte uit. De verweerde buitenkorst is aschgrauw met zwarte vlekken, het inwendige is geelachtig en bestaat uit verharde klei met zand. Scheikundige onderzoekingen aan de Universiteit te Leiden hebben aangetoond, dat het gevaarte betrekkelijk veel lood en koper, een weinig ijzer en tin, iets zilver, doch geen goud bevat, - jammer voor de operateurs uit den jongsten tijd!

Ook het kasteel Eerde bewoond door Baron van Pallandt, twintig minuten rechts van den boven genoemden hoogen koepel dus ruim drie kwartier van Ommen, aan den Hammer grintweg, is een bezoek overwaard. Al wijst de ontvolkte, vervallen rentmeesterswoning op andere tijden, andere zeden, al dagteekent het slot zelf uit het begin der 18e eeuw, het geheel maakt den indruk van veel ouderen datum.
Het landgoed Eerde - oorspronkelijk Irthe - vormde in de 13e eeuw een ‘vrije, heilige hoeve’ van de abdij te Essen. Een vrije hoeve, ook wel opperhof of stamhof geheeten, van Saksischen oorsprong, herbergde een aanzienlijke. Zij was omringd door de woninkjes der hofhoorigen of halfvrijen, onafscheidelijk verbonden aan de hoeve, en de krotten der eigenhoorigen of slaven, wier leven zelfs berustte in de hand van hun heer. Toen de adellijke Saks, door Christen-vroomheid gedreven, zijne bezitting onder de hoede stelde van een geestelijke inrichting, werd zij dus een vrije, heilige hoeve, en wel van de abdij te Essen, een klooster van adellijke nonnen. De kasteelen Archem en Olst verkeerden in dezelfde conditie. De abdisse genoot vaste opbrengsten in geld en landbouwproducten (tienden), de nalatenschap van kramers ‘met hangende riemen of roer’, en der kooplieden ‘die karren dreven of tenten opsloegen’. De Utrechtsche bisschoppen, vasten voet in Overijsel verkregen hebbende, trachtten ook de drie Essensche stamhoven aan hun gezag te onderwerpen, ondanks de banbullen van den Paus. Door dezen gerugsteund, stoorde zich b.v.b. de roofzuchtige Evert van Essen in het minst niet aan den Bisschop. In 1379 brandschatten de benden van dezen Heer van Eerde o.a. het stadje Ommen. Die stoutmoedigheid is hem echter slecht bekomen. In het volgende jaar sloeg bisschop Florens van Wevelikhoven, geholpen door de steden Deventer en Zwolle, benevens door de Heeren van Egmond, Arkel en IJselstein, het beleg om het slot. In hedendaagsch Nederlandsch overgezet, lezen we daaromtrent in een oude kroniek: ‘De Bisschop deed oprichten een groote blijde, die wel dertienhonderd pond wegens wegwierp, en groote steenbussen, waarmee men dagelijks schoot. Men stormde met al, wat men werpen of schieten kon, doch het deerde de houten huizinge niet: de steenen stuitten er tegen af, of 't ballen geweest waren; stijlen en balken toch waren zoo dik als molenstanders en stonden dicht op elkaar. Het steenwerk echter bezweek’. Evert van Essen had n.l. zijn kasteel door verbazend zwaar balkwerk bijna onneembaar gemaakt. Na de overgave bij verdrag werd het in brand gestoken en die brand duurde een volle maand. Volgens een ander geschiedschrijver zouden bij deze gelegenheid door de belegeraars zelfs steenen van twee duizend pond geworpen zijn. Evert van Essen verzoende zich ten slotte met den Bisschop en herbouwde zijn kasteel.
Een kleine uitweiding. Blijden of engienen, (woorden, uit 't latijn verbasterd), vernuftig uitgedachte werktuigen, balken, met touwwerk zoo gespannen, dat zij, opeens losgelaten, zware voorwerpen ver weg slingerden, ze werden vervaardigd te Deventer en vooral te Zwolle, waar men u heden nog de Blijmarkt wijst. Bij de oude Romeinen heetten zij, die ze vervaardigden en in den krijg ook bedienden, engeniosi, ons ingenieur.
Het geslacht Van Essen resideerde op Eerde tot het begin der r6e eeuw, toen het landgoed overging aan de Twickelo's, en wel als leengoed, onderhoorig aan de Staten van Overijsel. In 1521 trof het huis een nieuwe ramp: Zwolle had den bisschop van Utrecht de gehoorzaamheid opgezegd, en zich onder de hoede gesteld van Karel van Egmond, hertog van Gelderland. De Sallandsche edelen, door den Bisschop aangeschreven, hielden een vergadering aan de Nieuwe brug. Door Geldersche benden overvallen, werden de saamgekomenen gevankelijk naar Zwolle gevoerd, en het slot Eerde den volgenden dag door inwoners dier stad in brand gestoken.
In 1588 bracht de erfdochter Adriana van Twickelo het landgoed in het geslacht
Renesse, dat het langer dan een eeuw bleef bezitten. In 1706 huwde Baron van Pallandt, Luitenant-Generaal der Republiek, met freule Van Baer, wier moeder de erfdochter van Renesse was. Sedert dien tijd behoort Eerde aan de Van Pallandt’s. De nieuwe eigenaar was de stichter van het tegenwoordige kasteel (1715), dat uitmunt door een regelmatigen bouwtrant. Een millioen steenen werden 's winters over de Regge aangevoerd. (Deze rivier staat n.l. door een kanaal in verbinding met de buitengracht.) Het huis heeft aan de achterzijde uitzicht op de groenlanden in 't Reggedal; vóór, zoowel als aan beide zijden, verheffen zich breede lanen van hooge beuken, welke uitloop en in fraaie eiken- en dennebosschen. Tegenover het slot, aan den Oostkant van den Hammerweg, in het zoogenaamde Wildebosch, bevindt zich de grafkelder van de familie. De leenroerigheid van het landgoed aan de Staten van Overijsel verdween met de omwenteling van 1794, evenals de onderhoorigheid aan de abdij te Essen had opgehouden bij het ontstaan der leenroerigheid.

Ommen zelf is een stil, kalm, goedig plattelands-stadje, met een kantonrechter, die de leerplichtwet-overtredingen op Zaterdag behandelt, (zeer verstándig!) en een bruggebaas, die je, evenals zijn collega te Dalfsen, mede-aansprakelijk stelt voor de slijtage van het voorwerp van zijn zorg. De wekelijksche veemarkten, thans ook eier- en boterhandel, brengen nog al wat vertier en welvaart, doch de mid-zomersche, driedaagsche ‘bizzing’ - weleer een Moscovische mis in miniatuur - is slechts een schaduw van ‘t geen ze eertijds was.
De plaats heeft twee flinke logementen: De Zon, vóór de Vechtbrug, en Garrits, in de stad. Het geraamte en veel van het inwendige der R.C. Kerk staan hier vrij wat rustiger, dan voorheen op het bedreigde Schokland.
Vergeleken met zijn heden, heeft Ommen een grootsch verleden. Immers er was een tijd, dat men sprak van ‘het stedeke Zwolle bij Ommen!’ - Ommen, in die dagen de oogappel der Utrechtsche bisschoppen.
Reeds in 1248 door bisschop Otto van Holland tot stad verheven, en kort daarna door Frederik van Wevelikhoven met wallen omringd en door vestingwerken versterkt, heeft de gunstelinge dier beide kerkvorsten in de komende eeuwen treurige ervaringen opgedaan van de waarheid, dat de gunst van ‘hooge Oomes’ blootstelt aan de afgunst van andere ‘Oomzeggers’.
In 1330 werd de stad in de asch gelegd en ontmanteld door de troepen van de eigenaren der Kasteelen Rechteren en Voorst. In dat jaar n.l. had de zwakke bisschop Jan III, die zelfs niet in staat was Zwolle van de vuurproef te vrijwaren, een plan ontworpen tot indijking van het Mastenbroek, waartegen de edelen, die de daarin gelegen weilanden met vee besloegen, zich krachtig verzetten. Ommen, natuurlijk op de hand van den Bisschop, moest daarvoor zwaar boeten.
Over het ongewenschte bezoek van Evert van Essen in 1379 en het wraakgericht, voltrokken aan Eerde, spraken we reeds. Nadat bisschop Florens van Wevelikhoven ook Evert's medestanders, o.a. de Heeren van Laar (bij Coevorden) en Gerner, gevoelig had gestraft, werd Ommen door hem opnieuw belangrijk versterkt. Hij zij hier herdacht als de weldoener dezer streken: zijn ingetogen, werkzaam leven was voor een aanzienlijk deel gewijd aan de belangen van den derden stand. Hij bevestigde bovendien de stichting van het beroemde klooster te Windesheim - waarvoor de brave Geert Groote de fondsen had aangewezen - regelde de zaken in den polder Mastenbroek, verbeterde de sloten te Vollenhove en Hardenberg. In laatsgenoemd stadje werd hij door een zware ziekte aangegrepen. Vrienden en magen waakten aan zijne sponde, en velen hunner hoopten op een milde handgift. Hij wees de vleiers af met de woorden: ‘Uwe bewezen diensten heb ik rijkelijk betaald, en wat ik u heb toegedacht, hebt ge reeds ontvangen. Wat mij St. Maarten te leen gaf, moet ik St. Maarten verantwoorden. Doe hen uitgeleide’, gelastte hij den slotvoogd, ‘en laat ze niet weer binnen’. Den volgenden dag overleed de Bisschop.
In 1516, tijdens de strooptochten van ‘De Zwarte Hoop’, een bende Gelderschen onder aanvoering van een drietal Baronnen, werd Ommen door een hevigen brand geteisterd.
In 1622, toen reeds de vestingwerken van het stadje waren geslecht, verschansten de Spanjaarden zich te vergeefs in de kerk tegen de in aantocht zijnde Staatsche troepen. Kort daarna werd een groot gedeelte der plaats, benevens de kerk, door brand vernield.
Aan de vroegere vestingwerken herinnert nog steeds de zoogenaamde Burgtgraven met den hoogen en lagen Oord, aan den buitenkant, een grasvlakte, stadsland, van oudsher het domein der Ommer geiten.
Ommerschans, anderhalf uur ten Noorden van Ommen, tijdens den vrijheidskrijg aangelegd om de strooptochten der Spanjaarden tegen te gaan, werd in 1824 door de Maatschappij van Weldadigheid aangekocht ter verpleging van ouden van dagen, vondelingen en verlatenen, - tegen geringe vergoeding van kerkelijke of armbesturen. In 1859 nam het rijk de inrichting over en veranderde ze in een strafkolonie voor bedelaars, landloopers, dronkaards en soortgelijken. In 1891 is de kolonie opgeheven, de gebouwen en landerijen zijn successievelijk in publieke veiling gebracht. Het terrein, waarop Veldzicht is verrezen, (een opvoedingsgesticht, liever: tijdelijke bergplaats van verwaarloosde knapen), benevens eenige stallen, (denk aan de schitterende najaarsmanoeuvres in de buurt van Ommen), heeft het rijk aan zich gehouden. - Een bezoek aan dit oord, weleer slechts barre hei, en thans ‘bedwongen woestenij, gedrenkt door 't zweet van 't tuig der maatschappij’, is zeer interessant.
En hiermede meenen we onze taak als ‘gids voor het baanvak van den Noord-Ooster’ afgewerkt te hebben. Voor we echter afscheid nemen, willen we nog even gewagen van de zienersgave, waarmede in de laatste helft van de negentiende jaarhonderd o.m. een inwoner der buurtschap Emmen, gem. Dalfsen, bleek bedeeld.
Een eenvoudig, braaf, geacht, niet leugenachtig manneke, Johannes Haverkamp, in de wandeling Stremmeler Jansien genoemd, diende, veertig jaar geleden, als boerenknecht
op het erve ... Nu ja, de naam doet er niet toe. Het is veertig jaar geleden, er was geen sprake van een Noord-Ooster, en ons knechtje had ook nooit een spoor gezien. Ontdaan valt hij op zekeren avond thuis op een stoel. ‘Een lank dink met twee gleujende oogen ... vuurvonken d'r uut ... st-st-st ... hè-hè-hè ... tuf-tuf-tuf ... deur dat land, deur dee weide, deur dat bosch ...’. Als hij weken later met zijn boer te Zwolle komt en beiden eens naar 't station kuieren, roept Jansien, op een vertrekkenden trein wijzend: ‘Daor hei 'm nou! Krek zoo'n dink hek 'ezeen ... Den kump over den Brunink!’
De eerste uitbaking van den Noord-Ooster. Jansien hield maar vol: ‘hee kump'r neet hen, te kort an den diek!’ De tweede. Jansien verzekerde: ‘te dichte an de grinte, hee mot 't Noorden in!’ De derde! De Noord-Ooster loopt, waar het manneke hem voor 40 jaar gezien heeft, doch zijn ‘tuffen’ heeft hij niet mogen beleven.
En nu, basta! Wij wenschen de streek, welke in het ebben der eeuwen zoo dikwijls bloedde onder de striemen van ruwheid, wreedheid en hebzucht, de streek, die, na lang zwoegen en tobben, uit haar isolement is verlost en opgenomen in het wereldverkeer, we wenschen haar een schoone toekomst, den zegen van welvaart en vooruitgang.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen