dinsdag 15 december 2009

Gids van Enschede en Omgeving - De omgeving: Broekheurne, Usselo, Boekelo, Beckum


Wandelkaart 1889 - klik erop voor vergroting.

Verlaten wij nu deze in vele opzichten merkwaardige en aan sagen rijke veenstreek en richten wij ons naar het zuidwesten dan komen wij in het minst bekende gedeelte der gemeente Lonneker, in de boer- of buurtschap Broekheurne, waarin wij verscheidene schoone, houtrijke boeren-erven aantreffen. Rechts van den weg, even voor het aan de overzijde gelegen schoone erve Stroink, dat vroeger aan de stad Enschede behoorde en na den brand van 20 Mei 1750 verkocht werd, ligt een klein erve, dat den zonderlingen naam de Posse draagt. In het begin van de vorige eeuw had hier het voorspannen of het verwisselen plaats van de paarden van den postwagen op Vreden, waartoe steeds twee paarden op dit erve moesten beschikbaar zijn. [Ook het plaatsje Postjan in Twekkelo aan den postweg over Bekkum naar Goor dankt aan dezelfde omstandigheid zijn naam]. Tien minuten westelijk van hier vindt men een zeer primitieve tichelarij. Acht minuten zuidelijk van het erve Stroink ligt het Hof te Koesveld; of dit, zooals zijn naam schijnt aan te duiden, geschiedkundig merkwaardig is, kunnen wij niet uitmaken. Wat historische bijzonderheden aangaat is Broekheurne al zeer misdeeld; men zou zelfs met geen mogelijkheid de grenzen van deze buurtschap kunnen aan¬wijzen. Men spreekt zelfs thans nog wel eens van Esch-Broekheurne, dat tot de Eschmarke en met deze tot omstreeks het jaar 1815 tot de stad Enschede, en van Usseler-Broekheurne, dat tot de Marke Usselo behoorde, en alleen tusschen deze marken was de grens scherp afgebakend.
Eén merkwaardig punt, dat aan vroegere tijden herinnert, kunnen we in deze buurtschap aanwijzen en wel het erve Wüstink, eene boerenwoning, die op ongeveer een kwartier uur gaans ten zuiden van de school is gelegen. De van klei opgetrokken muren, looden ruitjes en het eigenaardig inwendig voorkomen van dit huis leeren ons hoe het meerendeel der kleinere boerenwoningen in vorige eeuwen was ingericht.
Aan de beschouwing van dit eeuwen-oude erve knoopen wij de volgende opmerking vast:
1. alle boerenhuizen in deze streken liggen met ‘de niendeur’ naar den weg gekeerd; speciaal in Broekheurne heeft men daarbij getracht den voorgevel naar het zuiden te plaatsen;
2. bij bijna alle oude en zeer vele nieuwe boerenwoningen vindt men - op den deurpost van de niendeur het teeken g (een zandlooper?) geschilderd, zelfs dan wanneer de deur overigens niet geverfd is. Op de vraag, door ons dikwijls gesteld, waarom zulks geschiedde, ontvingen wij nimmer een voldoend antwoord.

Keeren wij nu tot onze algemeene beschrijving terug. Slechts weinige minuten noordelijk van het Wüstink ligt het schoone erve Brünink, bekend door zijn fraai hout. Gewoonlijk neemt men van hier zijn weg naar de buurtschap Usselo over het fraaie buitengoed den Helmer met zijn sierlijken koepel, van waar men een goed onderhouden kolengruisweg heeft naar den Haaksbergschen Mac-Adam weg, die in 1855 werd aangelegd en Usselo in twee deelen ver¬deeld, waarvan het noordelijke de Geerdinkzijde, het zuidelijke naar bovengenoemd buiten de Helmer- of de Helmigzijde heet.

Usselo (voorheen Oslo) komt reeds vroeg voor; o.a. vindt men in 1188 het huis Lambertink in Oslo en eenige jaren later het erve Joostink in Oslo vermeld. Het eerste is het tegenwoordige erve Lammerink in Usselo; het laatste is waarschijnlijk het tegenwoordige erve Josink aan den weg naar Twekkelo.
Usselo kan gerust met de overige buurtschappen van Lonneker in natuurschoon wedijveren. Komt men van Enschede uit over den Haaksbergschen kunstweg op den hoogen Usseler Esch, dan wordt men verrast door de schoone vergezichten, die men naar alle zijden heeft. Achter zich op het buiten 't Mors, welks aardig landhuisje lief afsteekt tegen het groen van de er achter staande zware eikeboomen, links en rechts over prachtige, bebouwde akkers op houtrijke boerenerven, en schuin voor zich op de eigenlijke kom van de buurtschap, met haar (in 1844 gebouwd) kerkje, pastorie en boerenwoningen, wier daken duidelijk tusschen de eike- en donkere sparreboomen uitkomen. Zet men zijn weg voor, dan heeft men in weinige minuten de kom bereikt, waar men in de twee herbergen, Egbrink en Hannink, gelegenheid vindt om uit te rusten. Bij Hannink is een telefoonstation, zoodat men daar met de stad kan telefoneeren. De wandeling van hier naar de halte Usselo, hetzij men zijn weg neemt over den Esch, langs den Vlierbosch, hetzij men tusschen de boerenerven door langs den Esch gaat, is zeer aan te bevelen. Bij genoemden Vlierbosch, die een honderd meter van den Mac-Adam weg op de samenkomst van drie Eschwegen ligt, had Prins Maurits in 1597 zijn hoofdkwartier opgeslagen, toen hij Enschede liet opeischen. Zijne legertenten strekten zich toen uit tot voorbij het erve Josink.
Van het Usseler kerkje loopt eene nog jeugdige dennenlaan naar de nieuwe stille begraafplaats met haar net hek. Vervolgt men van hier zijn weg langs de heg van het kerkhof, dan komt men over een kerkpad in 10 minuten aan het Teesinksbosch in Boekelo. Zoowel de fraaie houtpartijen als de vele liefelijke plekjes, die men er vooral langs de sterk kronkelende Veldbeek aantreft, maken dit bosch tot een der schoonste van geheel Lonneker, en hoewel het ook van uit het station Boekelo over een goeden weg (langs de school) in een paar minuten is te bereiken, wordt het door wandelaars te weinig bezocht.

Genoemd station is thans het centrum van verkeer van de buurtschap Boekelo geworden. Schuin tegenover hetzelve ziet men de in 1888 gebouwde stoombleekerij van de Heeren van Heek en Co met haar fraaien gevel, die voor de bewo¬ners dezer buurt een nieuw middel van bestaan heeft geopend. Dicht bij deze fabriek heeft men eene vloeiweide van den Heer G. J. van Heek. Wie echter de inrichting der vloeiweiden wil bestudeeren, ga liever voorbij de uitspanning de Kwinkeler, over verschillende meestal met boomen beplante wegen naar diens, een half uur noordelijker gelegen ruim 31 HA groote vloeiweiden, die tusschen de Rutbeek en de Twekkeler beek liggen en bijna onmiddellijk aan het Hof te Boekelo grenzen.
In de geschiedenis van Overijsel en in 't bijzonder in die van Twente treft men zeer vaak den naam Boekelo aan. De Heeren ‘tot Boekelo’ woonden op genoemd Hof. In de 16e eeuw was het eene bezitting van de Heeren Ripperda van Hengelo een aloud adellijk geslacht uit de Groninger Ommelanden afkomstig. Unica Ripperda, die in 1598 drost van Haaksbergen en van 1612-1623 drost van Twente was, was Heer tot Boeculoo en Hengelo. Zijn zoon Willem van Ripperda was een der gevolmachtigden bij de vredesonder¬handelingen te Munster van 1644-1648, die den 30 Januari 1648 met den vrede eindigden, waarbij Nederland als loon voor zijn tachtigjarigen worstelstrijd met Spanje door Europa als onafhankelijk gemeenebest werd erkend.
Later kwam het Hof te Boekelo in bezit van de familie van Mahony; een lid dezer familie sneuvelde in den slag van Malplaquet (in 1709) en volgens de overlevering zouden zijne beide windhonden, die hem in den krijg verzeld hadden, na zijn dood naar Boekelo zijn teruggeloopen. Van 1722-1750 was Generaal-luitenant C.J. Baron de Mahony tot Boekelo, als Goedsheer, lid van den Kerkeraad te Enschede; door erfenis werd deze ook eigenaar van de havezathe Hachmeule onder Delden. Ook vinden wij van 1750-1769 J.A. van Mahony tot Boekelo en Hengelo als lid van genoemden Kerkeraad vermeld.
In 1817 stond het Huis te Boekelo nog. Het was een ruim gebouw, met grachten omgeven, met een voorplein en twee ronde torens. Van binnen kwamen de vertrekken uit op eene groote vestibule. Eene prachtige eikenlaan en een groote vijver wijzen nog de plaats aan der vroegere havezathe, die onder het rechtsgebied (dingspil) van Enschede behoorde.

Een klein half uur ten zuidwesten van het Hof te Boekelo stond vroeger het adellijk kasteel te Bekkum, op de plaats waar thans het met hooge eikeboomen omgeven boerenerf Altena ligt. Van den bouw en van de slooping van het kas¬teel valt niets met zekerheid te zeggen; wat de bewoners betreft, vonden wij vermeld, dat in 1544 Maria van Beckum, de zuster, en Ursela van Werdum, de echtgenoote van Jan van Beckum, gevangen werden genomen, in een (nog aanwezigen) kelder van het kasteel Twickel werden opgesloten en daarna even buiten Delden , aan den straatweg naar Goor den 13 November om den geloove (zij waren doopsgezind) werden verbrand. In het volksliedje, dat in die dagen veel werd gezongen, heet het:

De jongste is eerst genomen,
Juffrouw Mary, na mijn verstant ,
Om hare suster te ontvromen
Hebben zij haer eerst verbrant.

De ander vraagden sij met practijken,
Ursel was sij genaemt,
Oft sij niet woude afwijcken,
Haar suster was gebrant, geblaemt.

Waarop Ursela antwoordde:

Soudt ghij mij van de waerheyt drijven
Om desen tijtlijcken doot
Neen bij Christum wil ick vroom blijven,
Mijn hulper in al der noot.

De omstandigheid dat de Drost van Twente, Gosen van Raesfelt van Rutenberg onder Dalfsen, schoonzoon van Jan de Rijke, Heer van Twikkel, de naaste bloedverwant en erfgenaam van de beide zusters was, geeft aanleiding tot het vermoeden, dat hier meer de hebzucht van den bloedverwant dan de geloofsijver van den Drost in 't spel was.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen