dinsdag 15 december 2009

Gids van Enschede en Omgeving: Enschede

Enschede is gelegen tegen de helling eener hoogte, die haar toppunt bereikt omstreeks de tweede spoorbrug en naar het westen sterk afdaalt. Het verschil in hoogte tusschen den grond ten westen en dien ten oosten van Enschede is aanmerkelijk. Men bedenke slechts, dat b.v. bij het Volkspark de spoorweg van Hengelo naar Gronau op eenen hoogen dijk ligt en bij de tweede spoorbrug daarentegen diep door den grond gegraven is. De genoemde hoogte maakt deel uit van de rij van hoogten, die eene natuurlijke waterscheiding vormen tusschen den Dinkel en de Regge.
Bij en om Enschede zag men vroeger slechts uitgestrekte bosschen en heidevelden. Tegenwoordig neemt de bebouwde grond voortdurend in omvang toe. Oostelijk van de stad, aan weerszijden van den Mac-Adamweg naar Gronau, strekt zich de heuvelachtige, schoone Enscheder Esch uit, waaraan de stad haren naam ontleent. Het hoogste punt van dezen esch ligt ongeveer 56 el boven den zeespiegel; Enschede zelf 43 el boven A.P. of ruim 50 el boven het vlak van de haven te Almelo, dat 5 uur van Enschede verwijderd is. Op de kaart zijn de hoogten in ellen aangegeven.
Van groote bosschen zijn de omstreken van Enschede thans schaars voorzien, evenals van water; want hoewel op de naburige hoogten en op de Lonnekerbergen vele watertjes ontspringen, nadert geen dezer op korten afstand de stad. Het gemis aan voldoend drinkwater had alreede een commissie in 't leven geroepen om plannen te beramen voor den aanleg eener drinkwaterleiding en reeds nu zijn van stadswege op eenige plaatsen boringen gedaan om bronnen te vinden voor zulk eene waterleiding, tot den aanleg waarvan besloten is in de raadsvergadering van 23 Oct. '89, en die zeer zeker voor Enschede van groot nut zal zijn.
Uit een hygiënisch oogpunt beschouwd is Enschede met zijne omstreken niet ongezond te noemen. De vrij zandige bodem neemt gaarne het regenwater op en belet aldus het ontstaan van eenen moerasachtigen grond. Tengevolge van den brand zijn de meeste woningen vernieuwd en is Enschede ruim gebouwd, zoodat de dampkring gemakkelijk zuiver wordt gehouden.
Door bovengenoemde eigenschappen van bodem en atmosfeer is men hier veilig voor koortsen, die vele plaatsen in ons land ongezond maken, en komen epidemieën weinig voor. Bovendien waakt sedert meer dan 20 jaren eene gezondheidscommissie tegen alles, wat met de hygiène in strijd kon zijn.
De omstandigheid, dat Enschede vrij hoog gelegen is, maakt haar wel toegankelijk voor onze beruchte hooge winden, maar ondanks dit is voor de meeste zieken een verblijf in onze streken in vele gevallen weldadig.

Wandelt men van Hengelo naar Enschede, dan passeert men bij de algemeene begraafplaats de grens tusschen de Gemeenten Enschede en Lonneker. Een eind verder, even voorbij een 30-tal arbeiderswoningen, de lange huizen genoemd, vindt men rechts van den weg een deftig, solied Heerenhuis, omstreeks 1833 gebouwd, het Schuttersveld, zoo geheeten naar het vogelschieten, dat in eene bij het huis gelegen weide plaats had. Na den locaalspoorweg te zijn gepasseerd, treft men aan den linkerkant het eenvoudige Gemeentehuis van Lonneker aan, en aan den rechterkant de sinds tijden bekende herberg het Fortuin met zijne hooge linden, van waaruit rechts de weg naar Bekkum liep. Bij de hier schuin tegenover gelegen stoomspinnerij werd de brand in 1862 gestuit. De eigenlijke stad begon vóór de vergrooting van 1 Januari 1884 bij het begin van de Kortesteeg , de oude weg naar Deurningen. Over de spoorbaan komt men in de breede Hengelosche straat, die op de Stroomarkt eindigt. Aan het einde hiervan, even voor het begin van de Walstraat (vroeger steeds Lappediek genoemd) en van de Achterstraat, passeerde men voor den brand de stadsgracht en kwam men door de Veldpoort de eigenlijke stad binnen. Deze poort werd gebouwd in 1737 en bestond nog tijdens den brand. Op deze plaats begint dus de Langestraat, die naar de Markt voert. Dit nu zoo ruime ten deele met boomen beplante plein, werd vóór 1862 gedeeltelijk ingenomen door eene pastorie en den daarbij behoorenden tuin, die onmiddellijk aan de noordzijde van de Groote kerk grensde, zoodat de Haverstraat tot aan den noord-westhoek van de markt doorliep.

De groote kerk is een oud eenvoudig gebouw, dat even als de toren van blauwachtig grauwe Gildehauser steen is opgetrokken. Deze kerk is echter niet de eerste geweest, die Enschede bezat. Reeds in 1053 moet er hier een kerk zijn geweest, want toen werd eene fundatie gesticht ten behoeve van de St. Jacobus en St. Stevens vicariën en in 1078 eene ten behoeve van O.L.V. vicarie, welke vicariën later (in 1603) nog worden aangetroffen.
De tegenwoordige kerk met den toren is gebouwd omstreeks 1100 te oordeelen naar het jaartal 1097, dat nog in het jaar 1855 op eene der steunbeeren van de oude sacristie (consistoriekamer) te vinden was en naar den stijl, waarin het gebouw en de toren zijn opgetrokken. Dit is namelijk de Romaansche of Byzantijnsche stijl, die duidelijk is terug te vinden in den hoofdingang onder den toren en in den noordermuur der kerk. Aan dien noordermuur toch, waarvan het onderste gedeelte tot boven aan de ramen het oudste is en meer vooruit springt, bemerkt men het allereerste beginsel van puntboog. Men ziet daar namelijk eene halve toegemetselde of blinde deur, die even breed als hoog is geweest. Het platte weinig uitspringend architravenwerk om die deur is samengesteld uit rondbogen en uit puntbogen, die nog zeer weinig van den rondboog afwijken, want de afstanden tusschen deze bogen is bijna overal dezelfde. In genoemden muur en ook in den oostelijken muur der kerk vindt men meer toegemet¬selde ramen en deuren, die deels van rondbogen, deels van puntbogen zijn voorzien, terwijl men boven aan den toren in het tweede vak van af den rand een nu toegemetseld zoogenaamd Romaansch dubbel venster aantreft, dat echter niet meer met rondbogen, maar reeds met puntbogen voorzien is en vroeger zeer eenvoudig en kantig was. Al deze ramen en deuren dagteekenen uit het begin der 12de eeuw. De zuidermuur der kerk werd in het jaar 1453 verplaatst om het gebouw ruimer te maken, waardoor de toren ook nu niet meer midden voor het kerkgebouw staat. Een steen met het inschrift: Anno domini MCCCCLIII, welke in genoemden muur is ingemetseld, herinnert aan deze gebeurtenis. Tegen dezen muur bevindt zich een zonnewijzer, waarvan de schaduwstreep, behalve den middelbaren tijd, ook den datum aanwijst. Deze zonnewijzer is in het jaar 1836 vervaardigd door den heer C. ter Kuile (die door den heer G. van Sandwijk in zijne ‘Nederlandsche uitvindingen’ de uitvinder wordt genoemd van het weven van brandspuitslangen zonder naad. Genoemde heer ter Kuile bezat ook een eigen vervaardigd planetarium). In 1842 werd de kerk door inwendige vertimmering belangrijk verbeterd en verruimd. Het gebouwtje, dat in 1862 nog tegen den noordkant van den toren stond, was de in 1645 gebouwde school, die later tot plaats voor het uitreiken van levensmiddelen aan behoeftigen diende en den 31 Juli 1857 tot stadsteekenschool werd ingericht.
Behalve het hier genoemde is het uitwendige van den toren en de groote kerk nog merkwaardig wegens de menigte in de steenen gegrifte merken en de vele kogelgaten. De eerste zijn niet anders dan steenhouwersmerken, zooals elke groeve te Gildehaus en Bentheim er een bezat, terwijl de laatste zeer waarschijnlijk afkomstig zijn uit de oorlogen van 1665 en 1672, waarin de Bisschoppen van Munster de stad Enschede ingenomen en geplunderd hebben. De spits van den toren was in vroegere jaren veel hooger dan ze voor den brand was, doch in 1703 of 1704 is ze door een vreeselijken storm afgewaaid en in de richting van de Haverstraat gevallen. Na 1829 is op het kerkhof, dat onmiddellijk aan de kerk lag, niet meer begraven, want wij vinden vermeld, dat toen een lijkkoets werd aangeschaft om de lijken naar de nieuwe begraafplaatsen te brengen.
Oorspronkelijk was de kerk aan St. Jacobus gewijd; in 1598 ging zij aan de Protestanten over. In 1750 had zij veel te lijden van een brand, die, in eene bakkerij aan de Eschpoort ontstaan en door een pakhuis van olie en brandewijn gevoed, Enschede teisterde. Den 28 Januari 1855 werd het vernieuwde orgel ingewijd.
Vóór den geweldigen brand van 7 Mei 1862, die de kerk en een gedeelte van den toren in puin legde, was van het kerkgewelf alleen nog oorspronkelijk het vierkante vak boven het schip naast aan den toren. Het was eene zeer eenvoudig bolronde koepel, die in de vier hoeken waarschijnlijk van ribben was voorzien welke te niet liepen. Dit stuk was boven in de inhoeken wat hooger met gietwerk aangevuld dan de latere gewelven. Bij dit gietwerk werden stukken gesmolten lood gevonden, die waarschijnlijk van den brand van 1750 af¬komstig waren. Van de vele graven, in de kerk aanwezig, waarvan de grafsteenen alle verdwenen of omgekeerd zijn, vermelden we alleen het graf van een der heeren van Mahony van Boekelo, die er in 1784 werd begraven, bij welke gelegenheid de freules de rouwmantels aan de kerk hebben cadeau gegeven. Een ander geschenk aan de kerk is dat van den eersten hervormden predikant Pibo Ovitius. Het bestond in 2 avond¬maalsbekers van zilver, elk met de inscriptie op den bodem
Pibo Ovitius Die I Dener in Enschede 1598.
Van de twee andere zilveren avondmaalsbekers is de eene zonder inscriptie en de andere een geschenk van de gemeente Enschede in het jaar 1819. Het zilveren doopbekken werd in 1830 en een zilveren bord in 1835 geschonken door Mej. Gezina Ledeboer , terwijl de heer G. Ziegeler in 1835 eveneens een zilveren bord aan de kerk ten geschenke gaf. Een nog heden in den tuin der pastorie aan de Oldenzaalsche straat te vinden overoud doopvont is mede uit de Groote kerk afkomstig.

Oostelijk van de Groote kerk stond de oude Burcht van Enschede. Aan de noordzijde van de markt heeft men het gebouw der Volksbibliotheek, die kort na den brand werd opgericht en door het vele gebruik, dat er van gemaakt wordt, bewijst hoe goed zij aan haar doel beantwoordt. Naast dit gebouw staat dat der Roomsch Catholieke (St. Lambertus) school voor jongens, die in het jaar 1875 door den Heer L.A.J. Nieuwenhuis werd gesticht. Verder treft men op de groote markt nog aan de Roomsch Catholieke kerk met welker bouw in 1840 werd aangevangen en die den 1 September 1842 het eerst voor den eeredienst werd gebezigd. In 1862 werd ook deze kerk geheel vernield, doch kort na den brand reeds weder opgebouwd. Het is eene fraaie in gothischen stijl opgetrokken kruiskerk. Aan de noordzijde bevindt zich in den gevel het beeld van den patroon der kerk, St. Jacobus. Dit beeld was voor den brand boven in den voorgevel der kerk geplaatst. Hier vindt men thans boven den ingang een steen met het inschrift:
"Sub patrocinio Sancti Apostoli Jacobi Majoris Deo", dat beteekent : "Onder de bescherming van den heiligen apostel Jacobus, den oudere, aan God gewijd". De letters uit dit opschrift, die in het romeinsche cijferschrift beteekenis hebben, vormen te zamen het jaartal 1863, het jaar van den herbouw der kerk. Het inwendige, de fraai beschilderde glazen en een goed orgel maken een bezoek in het gebouw wel de moeite waard.
Naast de R.C. kerk staat het R.C. Ziekenhuis, dat den 1 September 1889 als zoodanig werd ingericht en waar Franciscaner zusters als ziekenverpleegsters optreden.
Vervolgt men zijnen weg door de Langestraat dan treft men op de kromming dezer straat het raadhuis der gemeente aan. Het stadhuis van Enschede werd gebouwd in het jaar 1652. Kort vóór den brand van 1862 was het smaakvol gerestaureerd; men vond er destijds de beeltenissen van Jan en Herman van Lochem. Beide deze schilderstukken zijn verbrand, doch een portret van Jan van Lochem is onlangs door den raad aangekocht en versiert thans de raadzaal. Boven den ingang van het gebouw was vóór de restauratie in den gevel een steen ingemetseld, waarop het wapen der gemeente prijkte. Na den brand werd die steen niet weer in den gevel van het nieuwe gebouw geplaatst; hij wordt nog op het raadhuis bewaard.
Links van den ingang stond vroeger eene pomp boven welke tot in het laatst van 1700 nog de zoogenaamde schandsteenen hingen. Omtrent deze steenen vinden we in eene oorkonde, waarbij Johan van Diest, de 45ste bisschop van Utrecht, in het jaar 1325, des zondags na St. Luciendag, aan Enschede stadsgerechtigheid gaf, het volgende vermeld: ‘Voert ware ein wyf, die vecht, ende woerde se bedraqhen, se sal hare bote qhelden als hiir voerscreven staet, of se sal de stene draqhen van der eenre siden van de poerten totter anderre side, nader Scepenen qoetdunken’. Twistzieke vrouwen moesten dus tot straf, beladen met deze steenen, van de eene stadspoort naar de andere loopen, zoolang het den heeren schepenen goeddacht.
Het rijke archief van Enschede, dat zich in het stadhuis bevond, is een prooi der vlammen geworden, hoewel men het onder in den toren der Groote kerk had geborgen, toen de brand in omvang begon toe te nemen; een geruimen tijd heeft het daar onder de gebarsten, uit den toren neergevallen, klok liggen voortgloeien. Met het archief is ook het grootste deel van Enschede's verleden verloren gegaan.
Het nieuwe raadhuis is een sierlijk gebouwen staat juist op de kromming der Langestraat. Boven in den gevel bevindt zich een steen, waarop de woorden: ‘Leqibus Justitiaeque’ (aan de wetten en het recht) en boven den ingang prijkt het wapen der gemeente. Het is een schild van zilver, beladen met drie dwarsbalken, waar overheen een St. Andrieskruis, vormende te zamen een slaghekken, alles van rood: Het schild, gedekt met een gouden kroon, wordt ter wederzijde vastgehouden door een klimmenden leeuw. Bij de keuze van dit wapen tusschen de jaren 1647 en 1639 influenceerde de veronderstelling, dat de naam Enschede was afgeleid van het woord eindscheide. Men meende namelijk, dat Enschede aldus genoemd was, omdat de stad lag op de grens van Munster en Overijsel, hoewel Enschede pas in 1248 aan Overijsel is gekomen en vóór dien tijd, toen de stad reeds lang haar tegenwoordigen naam droeg, met geheel Twente tot de gouw Westfalen behoorde. Wellicht had de tijdgeest ook invloed op gemelde keuze.
Van het wapen, dat Enschede vóór 1647 bezat, bestaat een zegel, dat gedeeltelijk beschadigd gevonden is, hangende aan eene acte op perkament van Burgemeesters, schepenen en raad der stad van 1538 en daarin genoemd: ‘Stadt Sigel’. Dit wapen stelt voor den heiligen Jacobus, den patroon der kerk en der parochie van Enschede, houdende in de rechterhand de kerk en in de linker een staf. Het randschrift luidt: s (sigillum) oppidi Enschede (zegel der stad Enschede). Dit zelfde zegel komt ook voor op stukken uit 1477, 1488, 1495, 1498, 1538, 1588, 1599 en 1644.
Op het raadhuis zetelt het kantongerecht en sedert 1 November 1884 bevindt zich in den toren het centraalkantoor der Enschedesche telefoonmaatschappij die reeds 150 verbindingen telt.
Tegenover het stadhuis ligt een klein pleintje, nog heden genoemd het Loonshofje. Het heeft dien naam ontvangen van het adellijke slot, dat aan dit pleintje stond en bewoond werd door de Heeren Van Loon of Van Loen. Dit geslacht van Loen schijnt een zijtak te zijn van dat der oudste Heeren van Enschede, zoodat daardoor de nabijheid der beide adellijke huizen verklaard kan worden. In 1186 komen de Heeren Van Loen van Enschede als vermaagschapt voor aan den Heer van Holte op Hölterhof en in 1233 en in 1240 wordt weder Herman van Loon genoemd. Uit een authentiek stuk van 1731 blijkt dat het Loonshof toen nog genoemd werd ‘Huis wheere de Loonshof’. Veel meer is van dit slot niet bekend, zeker heeft de naam ‘Achter het Hofje’ betrekking op dit hof van Loon. Nog heden ten dage behoort de familie de Loen d'Enschede in België tot den adelstand en woont te Gent Baron de Loen d'Enschede.

Oostelijk van het Loonshofje op de plaats waar nu de tweede openbare school staat, stond gedurende twee eeuwen een klein Roomsch Catholiek bedehuisje.
De Langestraat eindigt op de plaats waar men door de vroegere Eschpoort en over de brug over de stadsgracht de stad verliet. Deze poort stond even voorbij het begin van de tegenwoordige Haverstraat en bestond bij den brand nog slechts uit 2 zijstukken, waarop het jaartal 1806. De achter de Eschpoort gelegen brug was versierd met 4 zerken palen, welke zich thans nog bevinden voor ‘Mon refuge’ aan den Gronauschen Mac-Adamweg. In de onmiddellijke nabijheid van. de plaats, waar de Eschpoort stond, vereenigen zich de wegen naar Altstädte, Gronau en Oldenzaal. (In de eerstgenoemde straat wijst een in een huismuur gemetselde steen de plaats aan, waar de brand in 1862 ontstond).
Bti dit kruispunt stond sedert langen tijd het hôtel ‘de Klomp’ voor welks binnenplaats thans nog de poort te zien is, die vroeger het in 1821 gesloopte schoone Huis te Hengelo versierde. Een huis ofwat verder staan twee schoone linden, die genoeg bewijzen, dat de brand niet verder zijne verwoestingen naar dezen kant uitstrekte.
Op de zooeven genoemde Oldenzaalsche straat, die gewoonlijk de Hondenkolk genoemd wordt, naar een brandkolk , welken men bij het hôtel Amelink vond, loopt de Heurne uit, waar nog na den brand eene merkwaardige tuinpoort stond, die gevormd werd door 2 walvischkaken. Deze zijn zeer waarschtjnlijk in den omtrek van Enschede uit den grond gegraven, evenals de walvischrib te Oldenzaal (welke in 1597 uit den Lonnekerberg zou zijn opgedolven) en andere bewijsstukken van de aanwezigheid eener zee in deze streken in voorhistorische tijden.
Iets verder dan het begin van de Heurne treft men in de Oldenzaalsche straat het Weeshuis aan, dat in 1847 uit vrijwillige bijdragen werd gebouwd. Van uit deze straat loopen verderop twee wegen links: de Duivelskeuken (thans in Van Lochemsstraat herdoopt) en de Parallelweg, die haar ontstaan aan den spoorweg te danken heeft. Deze Parallelweg voert naar de Hengelosche straat, welke straat bovendien met de Oldenzaalsche nog is verbonden door de Molenstraat, die gedeeltelijk Jodenkerkhof heet. De Molenstraat (vroeger Molensteeg) is aldus genoemd naar den korenmolen, die op de plaats van het tegenwoordige Expeditiekantoor stond. Deze noordmolen met de later te noemen zuidmolen waren tot in 1858 stadsmolens , die in dat jaar echter door de stad werden verkocht. Aan deze straat treft men vooreerst het Oude Mannen- en Vrouwenhuis aan, dat reeds kort na den brand werd gesticht, en verder schuin hier tegenover het gebouw der Enschedesche melkinrichting. Deze werd opgericht in het jaar 1884 en voorziet Enschede's ingezetenen van goede melk, die, om ze onschadelijk voor de gezondheid te doen zijn, voortdurend onderzocht wordt. Langs het gebouw der melkinrichting loopt een steegje, dat zich verderop in tweeën verdeelt, waarvan het eene naar het Larinkssticht, het andere naar de Fabriekschool voert. Het Larinkssticht is eene schenking van wijlen den heer G. Larink (1868) en dient uitsluitend voor school, waar door geestelijke zusters onderwijs wordt gegeven.
De Fabrieksschool werd gesticht in 1872 en stelt zich ten doel om de kinderen, die de lagere school hebben afgeloopen en de fabrieken bezoeken, door geregeld onderwijs het geleerde te doen onderhouden en uit te breiden. Het doelmatige en nette gebouw staat met zijn front gekeerd naar den Noorderhagen. Deze straat komt iets verder uit op de meergenoemde Stroomarkt, waaraan het hôtel de Graaff staat. Gaat men van hier den Zuiderhagen op, dan heeft men zeer spoedig aan de rechterhand het doelmatige Post- en Telegraafkantoor, sedert 1 April 1886 in dit gebouw vereenigd. Verderop vindt men naast de weverij van de heeren Gerh. Jannink & Zonen en schuin tegenover de 3de Openbare school het Passantenhuis, dat tot 1 Januari 1889 tot Kantonnale Gevangenis diende. Hiertegenover passeerde men vroeger over de Windbrug de gracht. Met het Knibbelbrugje, dat de Noorderhagen met de Achterstraat verbond en de beide poorten, waren dit de eenige plaatsen, waar men de stadsgracht kon passeeren.
Naast het Passantenhuis heeft men het uitgestrekte plein, dat door de Gasfabriek wordt ingenomen. Door de heeren Lion Mezrits en K. en H.L. Enthoven Lz. opgericht, werd deze fabriek 1 Maart 1859 geopend en ging zij 11 Juli 1866 over in handen van de firma L.J. Enthoven en Co., die haar 1 Januari 1881 aan de gemeente overdeed. Hoezeer het verbruik van gas hier toeneemt blijkt uit de beide volgende opgaven: in 1880 werd aan particulieren 170132 M3 gas geleverd, en in 1888 498380 M3, dus bijna driemaal zooveel. Schuins achter het terrein der gasfabriek ligt dat der Nederlandsche school voor Nijverheid en Handel.

Verlaat men de stad door de Haaksbergsche straat, dan bemerkt men dit schoolgebouw spoedig, wanneer men de plaats gepasseerd is, waar op den Molenbelt tot in 1879 eene windkorenmolen, de zuidmolen , stond. Genoemde school is een zeer schoon gebouw in oud-Hollandschen stijl opgetrokken en staat op de plaats, waar de vroegere Twentsche Industrie- en Handelschool stond. Terecht is Enschede trotsch op deze inrichting, die, eenig in haar soort, in eene werkelijke behoefte voorziet. Hare weefschool, hare fraaie laboratoria voor natuur- en scheikunde, hare schoone teekenlokalen en hare verzamelingen van hulpmiddelen maken een bezoek overwaard. Eerst den 15 October 1887 (nadat van af 6 Sept. 1886 het onderwijs voor zooveel mogelijk in de tegenwoordige meisjesschool was gegeven) geopend, heeft het geheele gebouw nog den gloed van frischheid en nieuwheid, die een zeer aangenamen indruk maakt. De school bestaat uit drie afdeelingen. Afdeeling A (drie studiejaren) beoogt algemeene ontwikkeling aan te brengen bij hen, die voorbereiding wenschen tot een examen, waarvoor de vereischte kennis in de drie eerste jaren eener hoogere burgerschool van vijfjarigen cursus kan worden verkregen. Afdeeling B (1 studiejaar) heeft ten doel, opleiding van hen, die op kantoren, in han¬delsondernemingen of in administratieve betrekkingen wenschen geplaatst te worden, terwijl Afdeeling C (1 studiejaar) de opleiding beoogt van 1. fabrieksdirecteuren en fabrikanten voor alle takken der industrie; 2. van allen, die voor hun maatschappelijk bedrijf eene nauwkeurige kennis behoeven van geweven stoffen en hare wijze van bewerking, teneinde dit handelsartikel goed te kunnen beoordeelen en 3. van toekomstige industrieelen voor wie kennis van werktuigkunde, scheikunde en teekenen hoofdzaak is. Het kan niemand verwonderen, dat deze beide laatste afdeelingen, waar het onderwijs zoo bij uitstek practisch is, leerlingen trekken uit alle oorden van ons land.
Gedurende de wintermaanden worden van 1 October tot 1 April de lessen van de Ambachts-avondschool in de lokalen van dit gebouw gegeven. Deze Ambachts-avondschool, bij besluit van den gemeenteraad van 21 October 1886 opgericht, heeft ten doel toekomstige ambachtslieden degelijk voor te bereiden voor het vak hunner keuze, door in het algemeen hun oog en hand te oefenen, hun smaak te vormen, hun geest te beschaven en meer in het bijzonder hun die kennis en ontwikkeling bij te brengen, die voor den ambachtsman onmisbaar geacht wordt. Daarbij sluit zich het onderwijs, dat over zes jaren verdeeld is, in de laagste klasse aan bij het lager onderwijs. Dat ook deze inrichting, die thans reeds 60 leerlingen telt, in eene groote behoefte voorziet en een zegen is voor den toekomstigen ambachtsman, behoeft niet te worden gezegd. Aan den zuid-oosthoek der school vindt men het ruime, net ingerichte Gymnastieklokaal.
Van af den zooeven genoemden Haaksberger Mac.Adamweg heeft men een prachtig gezicht over de stadsweiden naar het algemeen bekende Volkspark. Van de stad leidt eene veelbelovende laan naar genoemd park, dat aan de inwoners van Enschede en Lonneker geschonken is door den Heer Hendrik Jan van Heek en ingewijd werd den 2 Mei 1874. De ruime restauratiezalen en de schoone wandelpaden lokken vele wandelaars hierheen. De omstandigheid, dat het Volkspark het geheele land door bekend en beroemd is, maakt onzes inziens eene verdere uitweiding er over onnoodig.
Is het park eene van de meest gezochte der kleine wandelingen, toch is een bezoek aan de vele Buitens en Buitentjes, die zich rondom Enschede bevinden, zeer aan te raden.

Langs den Gronauschen weg bereikt men in weinige minuten, even voorbij de Villa van den heer Blijdenstein, het Wooldrik; zuidelijk van de stad in de nabijheid van den Haaksbergschen weg vindt men het Korte, Cromhoffs bleek en Janninksbleek; aan den Hengeloschen straatweg zijn te vinden het Zwik, 't Wageler en Roessinghsbleek, terwijl iets bezijden laatstgenoemd Buiten den Kotten ligt. Al deze en de later te vermelden Buitens munten, het eene meer, het andere minder, uit door schoonen aanleg en prachtig geboomte en dragen bij tot het verfraaien van Enschede's omstreken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen