dinsdag 22 januari 2013

Geïllustreerde gids voor Twente (1912): In de dreven van Oldenzaal

In de dreven van Oldenzaal.

Om mijn gids zoo aantrekkelijk mogelijk te maken en het eentonige, dat het lezen van zoo menige gids kenmerkt, naar mijn vermogen weg te nemen, heb ik het begrip "afwisseling" van toepassing doen zijn. Dit is mede een reden, waarom ik u dit hoofdstuk in briefvorm voorleg.

Waarde bezoekers aan Oldenzaal en Omstreken,
Moge deze brief, waarin ik u een voorstelling van mijn geboortepIek zal trachten te geven en eenige wandelingen voor u zal beschrijven, zijn doel bereiken, n. l. u opwekken, een bezoek aan dit schoone landschap te brengen. U alles tot in kleinigheden te geven, laat de mij toegestane ruimte niet toe. Ik geef u hier en daar een kijkje en zal u op grond mijner ondervinding in dit gebied gewenschte raadgevingen en reisplannetjes verschaffen. Zijt ge niet ten volle bevredigd, wendt u dan met postzegel voor antwoord tot den heer Secretaris-Penningmeester der Vereeniging ter bevordering van het Vreemdelingenverkeer voor Oldenzaal en omstreken en ge zult zeker welwillend gehoor vinden.

Oldenzaal is een zeer oude stad! Het werd voor ruim 13 eeuwen gesticht op de zuidwestelijke helling van den Tankenberg. Omstreeks 750 werd hier door Marcellius en zijn volgelingen het christendom gepredikt. Eenigen tijd daarna gebeurde dit door Plechelmus, die in Schotland geboren was. Wat later werd door een zekere Baldericus van Cleve de thans nog bestaande, doch herbouwde R. K. kerk gesticht. Deze was eerst toegewijd aan den H. Sylvester en later aan den H. Plechelmus. In 1492 werd de kerk grootendeels door een brand, die de geheele stad in asch legde, verwoest. Omstreeks 1525 werd ze weer opgebouwd. Het oudere gedeelte is van het nieuwere zeer duidelijk te onderscheiden. Oldenzaal is een oude vesting! Vooral gedurende den 80-jarigen oorlog moest het hevige belegeringen doorstaan. Nu eens was de stad in handen der Staatschen. dan weer in die der Spanjaarden. Van de laatste belegering zijn zichtbare sporen overgebleven. Wanneer men rondom de groote kerk alhier zijn schreden richt, vindt men aan den oostkant van den toren en aan de zuidzijde van het koor eenige kanonskogels in den buitenmuur. In 1626 evenwel werden de vestingwerken op last van de Staten geslecht.

Oldenzaal heeft gedurende zijn bestaan dus heel wat moeten doorstaan. Thans kunnen de bewoners rustig aan den arbeid zijn: de industrie en landbouw zijn er de hoofdbronnen van bestaan. De katoenfabrieken vinden over de geheele wereld afzet. Door de spoorlijn Almelo-Salzbergen is de stad rechtstreeks met de hoofdplaatsen van ons land en van Duitschland vcrbonden. De stad ligt in een zeer gezonde streek; haar boschrijke omgeving met talrijke dennenbosschen, die tot zelfs uren in den omtrek aangetroffen worden, oefent een heilzame en aangename invloed op de gezondheid der inwoners uit.

Afbeelding: De Groote Steen op de Markt te Oldenzaal

Wanneer we de stad Noordoostwaarts uitgaan, komen we na eenige minuten op een punt, waar de groote, prachtige rijweg zich splitst. Links gaat de straatweg naar Denekarnp, rechts voert een prachtige grintweg ons naar de Lutte en verder naar Gildehaus en Bentheim. We nemen de laatste, doch slaan al spoedig even af, om even een bezoek te brengen aan de Buitensocieteit, die aan den zoom van de z.g.n. allée ligt. Van hieruit vooral heeft men de schoonste gelegenheid, om zijn wandelingen door de Lutte te maken. De aardig aangelegde tuin biedt hier op aangename wijze gelegenheid om te rusten.
Na ons bezoek, dat niet te lang moet duren, want tijd is geld, gaan we terug naar de Bentheimerstraat en wandelen die op, om een bezoek te gaan brengen aan 't Hotel-Pension "Het Zwaantje". De weg er heen is prachtig mooi. Hij gaat - nu eens stijgend, dan weer dalend - door fraaie bosschen. Een beschrijving er van zou niet natuurgetrouw kunnen zijn, zoo mooi is alles hier. Slechts een persoonlijk bezoek zou u een goede voorstelling kunnen geven. Het reusachtig gebouw, dat geheel naar de eischen des tijds gebouwd is, ligt in een ruime, schaduwrijke tuin aan den weg en is het middelpunt der schoone wandelwegen door de prachtige dennebosschen, die het aan bijna alle zijden omgeven. Vooral het heuvelachtig landschap ten Noorden van den weg is onovertroffen mooi en is voor hen, die eenige weken rustig wenschen door te brengen in een gezonde omgeving, ten zeerste aan te bevelen. Om welke reden ge ook komt, neem uw intrek in het hotel-pension ,,'t Zwaantje". De eigenaar laat niets onbeproefd, om het den bezoekers zoo aangenaam mogelijk te maken.

Na deze inleiding zal ik u eenige aanbevelenswaardige wandelingen aan de hand doen. Trouwens: waar ge ook gaat dwalen in deze omgeving, overal treffen u de verrukkelijkste tafreeltjes. Laten we de reeds genoemde Allée voorbij de Buitensocieteit inwandelen en na een daling van den weg de z.g.n. Wittewijvensteeg inslaan. Weldra hebben we de Tankenberg bereikt, die langs een steenen trapje te beklimmen is en dan prachtige gezichten oplevert op Denekamp, Ootmarsum, Almelo, Nordhorn, enz. Op den berg is een aardige koepel gebouwd. Als we hier volop genoten hebben, keeren we naar de AIlée terug en wandelen die verder door met het doel, de Belvedère te bezoeken. De beklimming hiervan loont eveneens de moeite; de panorama's die men er heeft, zijn niet mooi genoeg te beschrijven. Vooral aan de Noordzijde is het vergezicht prachtig. Men kijkt tusschen 't bosschage door in een dal en heeft daar de golvende bouwlanden met op den achtergrond 't plaatsje Denekamp voor zich liggen. Na deze genietingen keeren we naar de Allée terug en wandelen die verder in tot het Ophuis. Hier slaan we rechts af en gaan voorbij de erve Reuver naar 't Zwaantje, om er van onze wandeling, die ongeveer 2 uur geduurd heeft, uit te rusten onder 't genot van een glaasje kwast of limonade voor de dames en een glas bier met een sigaar voor de heeren.

Afbeelding: Kapel bij de R.K. Kerk te De Lutte

De vorige zomer had ik een neef voor eenige dagen te logeeren. Natuurlijk waren wij den geheelen dag op pad, nu eens met de fiets, dan weer te voet. Den eersten dag maakten we de boven beschreven wandeling. Den tweeden dag namen we onze fietsen en gingen met ons beiden den Bentheimer weg over, reden voorbij 't Zwaantje en sloegen even voorbij de uitspanning van de Scheper rechts af. We lieten de school links liggen en reden tot het kerkje. Hier stapten we af en maakten kennis met de aardige wandelpaden en schoone kapelletjes, die het gebouwtje omgeven. Mijn neef was verrukt, evenals den vorigen dag en toen we naar den Bentheimer weg terug fietsten, om bij de tol rechts af te slaan, zei hij: "Bij ons in Holland is 't wel mooi, maar natuurschoon, zooals ik 't hier aanschouw, overtreft mijn geboortepIek verre".
We fietsten op de Duitsche grens aan; nu eens moest er flink gepeddeld worden, dan weer konden we freewielen. Prachtig mooi ook was 't vergezicht, dat we na eenige minuten genoten. Daar lag het kasteel "Bentheim" op den rijk met bosch begroeiden heuveltop voor ons en deed ons denken aan de burchten der roofridders aan den Rijn. Toen we na onzen fietstocht in huis waren, waren we beide voldaan. De schoone aanblik, die ik reeds ettelijke malen genoten had, had ook mij weer in vervoering gebracht.

Afbeelding: Gezicht op de Dinkel

Den derden dag brachten mijn neef en ik een bezoek aan het Lutterzand. Welk een indruk dit stukje natuurschoon op hem maakte, mag blijken uit de volgende regelen, die ik aanhaal uit een brief, welke hij mij na zijn reis schreef: "Als liefhebber van primitief natuurschoon zal ik het tochtje naar 't Lutterzand nooit vergeten. Hoe ondenkbaar mooi loopt de Dinkel er kronkelend door, nu eens langs groene weilanden en begroeide beemden, dan weer tusschen met dennen begroeide zandheuvels door. Ik vind het daar een aangename verscheidenheid van natuurtafreelen".
Is het noodig, dat ik er meer van zeg? 'k Geloof: neen! Den laatsten dag voor zijn vertrek maakten neef en ik een fietstocht naar Denekamp. We reden niet te laat af, omdat we tegen den middag weer thuis wilden zijn. 't Was dan ook nog stil, toen we vertrokken. We fietsten de stad noordelijk uit. Reeds terstond werden we genoodzaakt, ons eenigszins in te spannen, want toen we de spoorlijn van Oldenzaal naar Denekamp overstaken, ging de straat omhoog. 't Ging niet gemakkelijk, maar toen we boven waren, werd onze moeite rijkelijk beloond. We stapten even af, om 't landschap goed op te nemen. We bevonden ons op een hoog punt, waar 't vrije uitzicht niet door bosch belemmerd werd. Naar 't Westen zagen we in de verte kenteekenen van Hengelo, Borne, Almelo en Delden. Meer naar voren trok het dorpje Rossum onze aandacht; wat verder vroeg het dorp Ootmarsum even ons oog. Naar rechts ging een vrij goede fietsweg, die ons naar den Tankenberg kon voeren. We stapten weer op en genoten voortdurend van het ons begeleidend heuvellandschap. Op zeker punt zagen we rechts op een rijk begroeiden top een koepel. 't Was de koepel op den Tankenberg. Toen we ongeveer half-weg Denekamp waren, sloeg rechts een vrij goede weg af, die, zooals de handwijzer aanwees ons langs de steenbakkerij naar Ophuis en dus naar bekend terrein kon brengen. (Zie eenige blz. hiervoor.)
Na rijzen en dalen kwamen we ten slotte op de laatste hoogte In den weg. Wat een prachtig vergezicht naar alle kanten! Oostelijk van den weg zagen we in de laagte twee steenhakkerijen. Hier en daar merkten we een boerenwoning, die zóó in 't groen verscholen was, dat dikwijls alleen de blauwe rook die in de lucht opsteeg, de staanplaats aanwees. Voorts vertoonde het landschap zich als met bosch begroeide heuvelruggen, die afgewisseld werden met golvende aardappel- en korenvelden. Naar 't Noordoosten was de toren van Denekamp zichtbaar tusschen het Borchtbosch en 't Sterrebosch door een aardig gezicht! In 't Westen en Zuidwesten waren de rookpluimen der fabrieksschoorsteenen kenteekenen van de groote Twentsche nijverheid. Toen we naar Oldenzaal keken, zagen we den stomp afgeknotten toren mijner woonplaats als op korten afstand.
We stapten weer op en waren weldra in 't stadje Denekamp, waar we enkele der vele landhuizen en kasteelen een kort bezoek brachten. Het Huis te Breklenkamp was een bezoek overwaard. Ook het havezaat "Singraven", te midden van hoog opgaande eiken in een bocht van den Dinkel gelegen, loonde onze moeite. Jammer genoeg ontbrak het ons aan tijd, om ook nog het Everlo te VoIthe, de ruïne van het kasteel te Lage, het klooster te Frenswegen en de Huneborg in het Volther broek te bezichtigen. Allen toch zijn het ontegenzeggelijk waard.

Afbeelding: Gezicht bij Singraven

Voor we den terugtocht aanvaardden, bezochten we nog het Museum voor Natuurlijke Historie "Natura docet", dat in 1910 werd opgericht aan de Museumstraat. Het kwam tot stand door vrijwillige giften, die uit alle oorden des lands, maar vooral ook uit Twente toevloeiden. Het bevat een rijke verzameling voortbrengselen uit het dieren- en plantenleven uit Twente, ons geheele land, uit 't buitenland en vooral ook uit Oost-Indië.
De zinspreuk "De natuur onderwijst" geeft zeker duidelijk genoeg te kennen, dat de instelling tot doel heeft, door aan, schouwing rijkdom en schoonheid der natuur aan 't komende geslacht te onderwijzen en daardoor op te wekken tot liefde en bescherming. Wie het museum tegen de vastgestelde, lage entrée bezoekt, steunt meteen de instelling, omdat het batig saldo gebruikt wordt, om de verzamelingen uit te breiden. Voldaan kwamen we 's middags beiden weer thuis en 't smakelijk toebereide eten viel er heerlijk in. Met hartelijke groete neem ik thans afscheid.
OLDENZALER.

Afbeelding: Dinkelgezicht

Denekamp.

Aangezien het bezienswaardige van dit stadje voor een deel reeds besproken werd in de laatste fietstocht van 't vorige hoofdstuk, kan ik kort zijn. Denekamp biedt zijn bezoekers in zijn omgeving in een betrekkelijk klein bestek verrukkelijke waterpartijen en vergezichten aan. Verder geeft het uitgestrekte heidevelden en houtrijke bosschen te aanschouwen met daartusschen goed onderhouden weilanden en prachtige graanvelden.
Het geraas van fabrieken, die de lucht met rook en roetdeelen bezwangeren, treft men in Denekamp niet aan. De zuivere lucht sterkt de zenuwen der rustenden, wekt hun eetlust op en staalt hun spieren. De zandige bodem heeft dit voordeel dat de wegen na regenachtige dagen spoedig weer droog zijn. Ik kan ieder dan ook aanraden in Denekamp's omgeving te gaan wandelen en genieten.
Ik zou u willen voorstellen, op een der vele, prachtige zomermorgens uw morgenrust wat te bekorten, en met me de heide op te gaan; "vroeg op en dan naar buiten" zij dan ons parool.
"Een grijze nevel hangt boven de bruine heide. De bloemen houden hare bladeren nog toegevouwen, en schijnen als bezielde wezens te sluimeren, tot de zon haar gulden stralen op het aardrijk vallen laat. De oosterkim wordt lichter. Het mistgordijn zweeft naar boven, hecht zich aan de toppen der boomen, om welhaast te verdwijnen in de oneindigheid omhoog. Stil is de aarde als wachtende. De lichtpoort in het oosten krijgt een roode tint. De leeuwerik schudt de waterdroppels van zijn vederenkleed en stijgt omhoog, hooger dan de boomen des wouds. Een zonnestraal treft zijn oog en in blijde tonen juicht en jubelt zijn zilverstem de bron van licht en leven tegen. Gelukkige vogel, die de zon eerder ziet dan wij!".
Aldus moet Consciense het heidelandschap hebben gezien. Welnu, zoo kunt gij het bij Denekamp aanschouwen. De eene vogel na den andere ontwaakt en zingt, fluit of
tiereliert, En in het jubelkoor mengt zich ook de veldkrekel met zijn gesjilp ; de bijen, die over de ontluikende bloemen zweven, gonzen zacht. De heideplassen schitteren in den zonneschijn en weerspiegelen in verrassende tinten de weelderige oeverflora. Door het groen der dennebosschen komen rookwolken der verscholen woningen opstijgen. De dauwdruppelen schitteren in velerlei kleuren aan grassprietjes en spinnewebben. Roode en paarse bloemen van dop- en struikheide wisselen af met geurige orchideeën en de frissche zonnedauw. Voorwaar de heide maakt een bekoorIijken, grootschen indruk. Hier kan men ver van 't gewoel der arbeidende wereld, ver van de zorgen des levens, rust genieten.
Wie zoo'n heide bezoeken wil, moet zich naar Denekamp begeven; aan de zuidoostzijde van het plaatsje wordt hij bevredigd. Daar staan de jonge sparren en eiken in regelmatige afwisseling naast elkaar. Daar getuigen hooge heide en gagelstruiken van de vruchtbaarheid der oevers van de groote heiplassen in de lage, moerassige gedeelten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen