maandag 20 februari 2012

In het hartje van het Overijselsche Binnenland (1916): Een nieuw toeristenland

Nu de nieuwe 200 K. M. lange derde bondswandelweg de weinig betreden paden zoekt van het zoo rijk-afwisselende Overijselsche landschap, in het aloude SaIIand en de gouw Twente, nu in het komende zomerseizoen heel dit heerlijke oord zijn karakteristieke schoonheid zal geven aan ieder, die den thans gelukkig weer populairen wandelstaf ter hand neemt, meenen we goed te doen dit deeltje der Uit-en-Thuisserie te wijden aan het onbekende Twentsche binnenland. Dit boekje zal u brengen in een bosch- en heuvelrijke, welvarende landstreek, die zelfs van naam nog maar bij slechts weinigen bekend is en toch als rustig vacantieverblijf verdient te staan in de rij der eerste vacantieoorden binnen onze grenzen.



Voor mij, die heerlijke herinneringen bezit aan dagen doorgebracht in het vorstelijke Twickel, die de tuinen met hun architectonische overgangsvormen tusschen kasteel en natuur, en het park met zijn verspreide boomgroepen - den meesterhand eerend van Petzold - beter mocht leeren waardeeren, dan de meeste gasten van Carelshaven … voor mij heeft Overijsel altijd iets weten te behouden van de verrassende bekoring, die van het landschap uitging, toen ik - nu reeds vele jaren geleden - voor het eerst kennis maakte met den rijkdom der flora langs de weelderige heggen van Deldens wei- en akkerlanden.

En later heb ik dagenlang rondgezworven in een ander deel van de uitgestrekte provincie met als eindpunt den hoogen Tankenberg, het gastvrije boschhuis ’t Zwaantje en het nooit volprezen Lutter stuifzand.

Maar Overijsel kennen ... neen, dat doe ik niet. Hoe dikwijls niet heeft mijn vriend Bernink me gevraagd toch naar Denekamp te komen, het dorpje in den Noord-Oost-hoek van het Oversticht, waarvan ik in de Levende Natuur wonderverhalen gelezen had over de rijke fauna en flora. Denekamp met zijn museum voor natuurvrienden "Natura Docet" en de heerlijkheid Singraven, een landgoed met wel 35 boerderijen, met den bekenden watermolen aan den Dinkel, uitgestrekte bosschen en heidevelden, vol botanische en mycologische zeldzaamheden, Singraven eindelijk, dat ten volste den naam van Heerlijkheid mag dragen.
Dalfsen en Rechteren, Ommen en Hellendoorn en niet het minst de geologisch zoo merkwaardige oorden langs de Vecht, die als zandstuivingsgebieden in de buurt van
Mariënberg in het landschap als een grootsch element optreden, ze trekken mij, ook al mogen ze misschen reeds grootendeels in cultuur genomen zijn, nog steeds naar het land van Vecht en Regge.
Doch niet minder is voor mij aan Twente verbonden het beeld van de breed-uitgebouwde rietgedekte hoeve, die in heel ons land niet zoo eerwaardig is als juist in de oude streken van Overijsel, de hoeve, welke als Neder-Saksisch hallehuis in hare geografische verbreiding en haar constructieve eenheidsbouw problemen ter oplossing voorlegt, welke niet alleen door aardrijkskundigen belangwekkend gevonden worden, maar waarvan ook de historici en vooral de folkloristen de wetenschappelijke beteekenis inzien, zooals tal van studies getuigen.
Immers het hallehuis met zijn talrijke bijgebouwen, met zijn eigen eeuwen-heugenden naam, met zware eiken en hooge peppels, die schaduw brengen op het omtuinde of met een eekenwal omgeven voorplein, is in zijn uit legendarische tijden stammende gelijkvormigheid een monument geworden van het land der patriarchale lösse huize ...
het symbool van Twente.
Nu de derde wandelweg van den A. N. W. B. van Zwolle over Ommen naar Holten en Delden geprojecteerd wordt, zullen honderden in Overijsel gaan wandelen. Gewis zal deze provincie menige verrassing bieden, want ze heeft door hare langdurige Achterhoeksche afgeslotenheid veel van het eigene behouden in landschap en dorpsaanleg, in woningbouw, zeden en gewoonten der eenvoudige bewoners, het is in één woord op vele plaatsen nog een echt landelijk land gebleven, waar men in den ruimsten zin van het begrip "buiten" kan zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen