maandag 20 februari 2012

In het hartje van het Overijselsche Binnenland (1916): Klanken uit Markelo's verleden

Al mag het binnenland van Twente ook thans een oord zijn, waar de geruchten der buitenwereld slechts flauwtjes doordringen en waar landschap en bevolking ons die rustige vriendelijkheid schenken, welke slechts eigen kan zijn aan een jarenlang vredig bestaan, de oude kronieken weten toch heel wat sombere krijgsgebeurtenissen mede te deelen, die zich in en om Markelo moeten hebben afgespeeld.
Door zijn ligging aan de grens van het groote Westfaalsche Saksengebied hadden hier in de eerste eeuwen der geschiedenis voortdurend gevechten plaats tusschen Saksers en Franken en bloedig is er gestreden om het bezit van den Markeloschen berg, een der belangrijkste strategische punten van heel dit grensgewest.
De talrijke graven (tumuli) hebben een schat van voorwerpen aan het daglicht gebracht, betrekking hebbend op de vroegste bewoners dezer streken. Hier ook hielden de Saksers hun marktgericht, hier werden de gemeenschappelijke belangen ter sprake gebracht. En later, toen het Christendom voor deze streken het eerste verkondigd werd door Lebuïnus en andere als Heiligen vereerde predikers, was het wederom de Markelosche berg, die de vromen en bekeerden te samen zag onder het gehoor der verkondigers van het Christendom. Zoo bleef de belangrijkheid van dezen ruigen heuvel de geheele middeleeuwen door gehandhaafd, hetgeen in vele geschreven bronnen bevestiging vindt. Een daarvan, de Landbrief voor Twente van Bisschop Johan van Vernenburg uit 1365 vermeldt, dat de huldiging van de bisschoppen in Twente geschiedde op dezen berg. Maar laten we liever deze regelen hier zelf inlasschen :
"Item, wanneer een nye Biscop komt in dat stichte van Utrecht, so is he sculdich to ridinc to Markeberghe, dat wi ghedaen hebben, daer sal hem man ende dienstman en dat lant van Twenthe hulden, daer is he sculdig malke (ieder) to beleenen hoer gued zonder oern scaden".
Maar de Markelosche Berg weet ook vroolijke geschiedenissen te verhalen. lederen Paaschavond zag hij de jeugd op zijn top verzameld rond het groote Paaschvuur. O, men wist niets van de heidensche beteekenis dezer vuren, men had nooit gehoord van de reinigings- en vruchtbaarheidsbeteekenis van die lentevuren, maar de Markelosche jeugd trok in den namiddag van het Paaschfeest met den wagen heel het dorp rond. De Markelosche huisvrouwen hadden al lang van te voren hun oud gerei bewaard, omdat, als men geen brandstof kon leveren, de beurs getrokken moest worden. Want, als het Paaschvuur lied weerklonk in den geest van:

Heb ie ook 'en olde mande
Die wie tot Paeschen brande?
Heb ie ook 'en bossen riet?
Oare hebben wie veur 't Paaschvuur niet

... dan wist ieder, dat er stroo op den wagen en geld in den buidel der zangers moest komen. Van het geld werd een teerton gekocht, want een goed Twentsch Paaschvuur zonder teerton was niet mogelijk en van het stroo en de oude manden werd de brandstapel rondom de baak opgebouwd. En als dan tegen schemertijd de gekleurde paascheieren in ongelooflijk groot aantal genuttigd waren, trok heel het dorp naar den Markeloschen berg, werd het Paaschvuur en de teerton ontstoken en zag men ver in den ronde overal als vreugdeuitingen voor het teruggekeerde lentetij de Paaschvuren opvlammen der dichtbije en verre dorpen. Dan zal het er een drukte van belang zijn geweest en de jeugd zal er wel haar liedekens van de Mei gezongen hebben en er zal wel een groote rondedans zijn gehouden "van linksum, van rechtsum en keer oe weer um" maar dat zijn al klanken uit het Twentsche verleden.



In de middeleeuwen stroomden hier van alle kanten de geloovigen samen om de hulp en de genade af te smeeken van het wonderbeeld der Moedermaagd Maria, dat reeds zeer vroeg op den heuvel Helpe of Hulpe stond opgericht.
In het jaar 1601 wordt aan den pastoor Johannus Hardenack opgelegd zich in de eerstvolgende synode te laten examineeren, waarbij vooral als een aanklacht gold, dat te Markelo nog een afgodendienst beleden werd, waarbij brandende kaarsen in het heilige bloedhuisken van de Hulpe geofferd zouden worden. En een zekere etymoloog, die blijkbaar tegen een gevaarlijke naamsafleiding niet opzag, beweerde zelfs boudweg, dat Markelo ongetwijfeld nog in zijn naam de beteekenis voortdraagt van de middeleeuwsche bedevaartplaats, daar deze een aanwijzing zou zijn voor de overtalrijke mirakelen, welke de Hulpe zou aanschouwd hebben.
In 970 toen Baldericus, laatste graaf van het oude Twente, stad en gebied van Oldenzaal aan den bisschop van Utrecht schonk, verzetten de naaste opvolgers in het graafschap zich met alle macht tegen dezen maatregel en een hunner wierp zich op als de Graaf van Goor, omstreeks 980. Een ander stichtte in 1014 het slot te Saesfeld, dat eerst In 1817 werd afgebroken. Op het Huis Diepenheim werd door den Gelderschen graaf den kastelein aangesteld en op het huis de Stoevelaar onder Elsen heerschten de Coeverdens heeren van Drenthe. Ziet hier een verbrokkeling van het eens zoo groote Twente in tal van kleine bezittingen, wier heeren in voortdurenden strijd waren, tot schrik en verderf van de arme onschuldige bevolking. Herhaaldelijk lezen we dan ook van "gebarnde" dorpen, van vrouwen, die door de ruwe lansknechten "gemolestierd" werden, van inwoners, die werden "gesnoerd". Soms was de overwinning aan de zijde der bisschoppelijke troepen zooals in 1248, toen Goor door hen werd veroverd, soms ook leden ze geweldige nederlagen als in de slag bij Ane.
Om eenig denkbeeld te geven van hetgeen deze streek ook later nog door de inlegering van eigen en vreemd krijgsvolk geleden heeft, lasch ik hier enkele bijzonderheden in over de bijdragen van Twentsche plaatsen in het onderhoud der garnizoenen, dateerend van December 1585. Het stedeke Delden "dat verbrant is" 22 gulden, het stedeke Goor "dat verbrant is" 22 gulden, het gericht Kedingen "daervan is verwuestet" Notter, Peckedam, Iperloe, Elsen, Hereke en de Markelo ergo Memorie. Hierbij werd aangeteekend: "Van dese naebeschreven carspelen, gehoeren de onder Kedingen, sal noch wat getoegen connen werden, als Stockum, 't Carspel van Goor, Enter ende Wyrden, stedeken Rijssen is seer gefouleert, ergo ter maent fl. 16.13".



Wie op boeiende wijze eens wat wil vernemen van vroegere tijden, leze de historische novelle van W. van Wijngaarden, waarvan de hoofdscene op den Friezenberg speelt. "De Vloek op de Heide", verhaalt ons van de dolende jonkvrouw Machteld van 't Heeckeren onder Goor, van den heer van 's Gravenstorp en den trouwen dienaar Sijnen, die hier in deze streken van hoeve tot hoeve trok met zijn grauwtje. Ook treedt daarin op Rudolf van Coeverden. De Coeverdens hadden hun kasteel in de buurtschap Herike waar we nog heden aan deze heeren herinnerd worden door den naam van Stoevelaars-esch. Het kasteel zelf, dat in 1844 werd afgebroken, had muren zoo dik, dat men in de vensterbanken op gewone keukenstoelen met zijn tweeën ruimte genoeg had om thee te gebruiken.
Het dorpskerkje, waarvan afbeeldingen voorkomen in het zeer lezenswaardig boekje van den heer H. A. Warmelink over een geschiedkundige beschrijving van het dorp Markelo, is maar een eenvoudig gebouw, dat duidelijk laat zien hoe de toren van een veel ouderen datum dagteekent dan het vorig-eeuwsche bedehuis. En de geschiedenis bevestigt dit, want in 1840 werd de kerk afgebroken om spoedig met financieel en hulp van Z. M. den Koning weer te worden opgebouwd, zoodat de dienst op 29 Augustus 1841 reeds weer hervat kon worden. Behalve een zeer oude doopvont van Bentheimer steen bevat deze kerk geen merkwaardigheden en dat ze een der oudste godshuizen van heel Twente is, kunnen we alleen aanvaarden door de bouwwijze van den zwaren toren. Deze is thans 28 Meter hoog, maar moet vóór 1731 35 Meter hoog geweest zijn. Door brand zou het houtwerk van het bovenste gedeelte geheef vernield zijn geworden waabij ook de klokken te loor zijn gegaan. Aan het haantje van dezen toren heeft zich nog een verhaal geknoopt uit den tijd van de doortrekkende troepen der geallieerden, na den slag van Waterloo. Een soldaat van een korps jagers en scherpschutters wilde zijn kunst den dorpelingen eens laten zien en zeide: "Ik zal den haan op den toren een log maken" Een pistoolschoot weerklonk en de soldaat had de weddenschap gewonnen.
Maar dit wekte de eerzucht op van een ander scherpschutter, die op het kunststukje van zijn kamerraad liet volgen:" En ik zal hem een oog maken" en eveneens de daad bij het woord voegde. En zoo heeft het Markelosche torenhaantje nog dienst gedaan tot ... 1892, toen hij van zijn verheven standplaats neerdaalde en in Deventer een verjongingskuur onderging, welke hem stralend van nieuw verguldsel weer hoog boven Markelo met alle winden laat meedraaien.
Te lang wellicht heb ik uw aandacht pogen vast te houden voor de locale geschiedenis van dit stille dorpje. Maar voor den waren wandelaar, die niet enkel een warme belangstelling voelt voor de machtige evolutie welke de in alle takken der productie toegepaste wetenschap ook hier in Twente tot stand heeft gebracht, die niet alleen oog heeft voor de economische gevolgen veroorzaakt door het snel- en locaalverkeer, zal een retrospectieve blik in het landschap - nu weldra ontsloten voor de wandeltoeristen - niet dan welkom zijn geweest, omdat dikwijls zoo juist in de locale feiten een overzichtelijk en helderder van kleur de geschiedenls te lezen is in de eeuwen die voorbijgingen en die toch de basis hebben gevormd voor onze hedendaagsche beschavingstoestand. Ik heb - overtuigd, dat de geschiedenis van een volk niet alleen is te zoeken in de door Clio's stift opgeteekende data zijner roemruchte veldslagen en zeegevechten maar beschouwd moet worden in voortdurenden inningen samenhang met zIJn ook in een eenzaam gewest tot uiting komend godsdienstig, geestelijk en maatschappelijk leven - toestanden en feiten 1inTwente belicht gevonden, die vroeger bij een oppervlakkig bezoek me ontsnapt waren.
Zoo zullen we op onze zwerftochten in de buurt van Markelo er ook toe komen de oude boerenwoningen wat nader te bezien, omdat deze wel de meest sobere verschijningen waren op bouwkunstig gebied, producten van locale noodzakelijkheden, die zich zelfstandig wisten te ontwikkelen tot een zeker karakteristiek "type", zonder daarbij zich te storen aan de “stijlen" die in de hoogere bouwkunst der steden opgang maakten. Als eens onze oogen open gaan voor de beteekenis van de Twentsche hoeve in het landschap, zullen we telkens weer verrast worden door de schilderachtigheid van huis en erf, in de schaduw van eiken en populieren en dit doet Twente vóór alles zijn "het land der hoeven".
"Ken. uw land en volk" ..... daarmede is de geestelijke strooming voor jong Nederland in kunst- en natuurstudie, in geschiedenis- en verkeersproblemen, van een toeristisch standpunt gezien, geschetst.
Leer het binnenland van Twente bij Markelo kennen, het is de taak, tot welke dit eenvoudige boekje - gebracht in handen van vele wandelaars - het zijne wil bijdragen en dat den lezer hoopt te brengen in het hartje van het land der Nedersaksische hoeven ... in Markelo en omgeving.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen