woensdag 28 december 2011

Geïllustreerde gids Noordwesthoek (1912): Vollenhove

VOLLENH0VE.

We kunnen deze plaats, wanneer men van geen fiets of rijtuig gebruik maakt, niet wel anders bereiken. Tweemalen per dag rijdt dit voertuig van Zwartsluis in aansluiting met de van Zwolle komende stoombooten "Zwartewater" en "Telegraaf". Wanneer eenmaal de spoorweg Zwolle-B1okzijl zal gereed zijn - en 't staat er goed voor nu - zal ook Vollenhove uit haar betrekkelijk isolement worden verlost. De afstand van Zwartsluis is twee uur in N. W. richting. Het is gebouwd aan den oever van de Zuiderzee en telt 1675 inwoners. Het de plaats aan drie zijden omgevende Vollenhove komt reeds in de 10de eeuw voor in de geschiedrollen onder den naam van Fulnaho, later Volno, door Keizer Otto I aan de kerk van Utrecht geschonken. De bisschop Godfried van Rhenen stichtte er in 1165 een kasteel, op de plaats thans nog als ‘het Fort’ bekend en van dit vaste punt poogden latere bisschoppen immer hun gezag naar het noorden uit te breiden, wat hun nog al wel gelukte. Zoo verkregen zij in 1407 de heerlijkheid Kuinre en in ’t volgende jaar de kerspelen IJsselham, Paaslo en Oldemarkt, die vroeger tot het Friesche gebied behoorden.

Bisschop Jan van Arkel gaf aan V. in 1354 stadsrechten. Daar het bisschoppelijk gerechtshof hier werd gevestigd, bouwden verschillende edellieden hier en in den naasten omtrek hunne burchten, die met het bijbehoorend land ‘havezathen’ genoemd werden. Zoo had men hier de Haere, Cannevelt, Marxveld, Nijerwal, Oldhuis, Rhemershuizen, Westerholt; op eenigen afstand Toutenburg, Bentheim en de Oldenhof. Niet ten onrechte noemt men deze streek dan ook ‘het land der havezathen’. Enkele namen dezer huizen leven tot op heden voort, doch de meeste der vroeger zoo hechte gebouwen zijn verdwenen. Het slot Oldhuis of Oldehuis, dat meermalen den Bisschoppen van Utrecht tot een verblijf strekte, is in 1854 door het Domein voor afbraak verkocht. Slechts de slotgracht bij de haven is nog aanwezig. Op de boschrijke buitenplaats Old-Ruitenborgh, even buiten de stad, kan men op een met dicht hout begroeid eilandje de overblijfselen vinden van twee ronde hoektorens; dat is alles wat er rest van het vermaarde kasteel Toutenburg.
‘Sic transit gloria mundis’, kan men hier wel uitroepen. De glorie is verdwenen : zelfs het houten bruggetje waarover men vroeger het eilandje bereikte, is den weg van alle hout gegaan, zoodat men een vaartuigje benutten moet om de plaats te bereiken. Toch wil men nog niet al het oude prijsgeven aan den vernielenden tand des tijds. Op aansporing van den bekenden Rijksadviseur voor het behoud en de restauratie van oude historische gebouwen, vooral ook kerken, den heer F.A. Hoefer te Hattem, is men thans bezig met het antieke kerkje in de buurt van Oldruitenborgh van de sporen der vergankelijkheid te herstellen. De bestaande zoldering wordt afgebroken zoodat het eikenhouten boogvormige plafond, dat reeds van den jare 1200 dateert, te voorschijn komt.



Het voornaamste kerkgebouw is de Margaretha- of Bovenkerk, op korten afstand van de zee. Van de talrijke geslachtswapens op de grafstenen der oude familiën, die hier hun laatste rustplaats vonden, is niet veel meer over. De meesten zijn in de Franschen tijd, zoo vijandig tegenover al het adellijke, vernield of beschadigd, doch een goede genius heeft gewaakt over den steen der familie Sloet, zoo gezien in Vollenhove, die een plaats gekregen heeft in den muur der kerk, waar hij nu den bezoekers de gebeeldhouwde en beschilderde wapenschilden van het oude geslacht vertoont. In deze kerk is in 1540 begraven de bekende krijgsoverste Georg Schenk, die bij Genemuiden gewond werd.Behalve de beide genoemde kerken is ook het Raadhuis een bezienswaardig gebouw met zijn antieken gevel en zijn toren, staande op het Kerkplein. Gelijkvloers is het huis een herberg, naar den kant der zee uitgebouwd, waar men een schoon vergezicht heeft op de zee, en tot aan Blokzijl. De bestrating laat wel wat te wenschen over, doch wanneer eenmaal de spoorweg meer leven en vertier zal aanbrengen, zal hierin wel voorzien worden.

Vollenhove bestaat hoofdzakelijk van de visscherij; haar vloot bestaat uit een honderdtal schokkers, waarmede de koene visscherlui de bot en ansjovis uit de Zuiderzee halen. Grooter schepen dan deze schokkers kunnen in de zeer ondiepe haven, die er met de jaren niet beter op wordt, geen plaats vinden. Ook de veeteelt is hier niet onbelangrijk.

Na nog vermeld te hebben dat Vollenhove de geboorteplaats is van den rechtsgeleerde A.J. Cuperus, en dat men er in het hotel Seidel zeer goed logeeren kan, willen we nog iets mededeelen over het Ambt-Vollenhove. Dit bestaat uit de gehuchten Barsbeek, Heetveld, Sint Jansklooster, Groot Leeuwte, Lifte of Klein Leeuwte, de Dune of den Duin, Kuinderdijk en Baarlo. Deze buurtschappen leggen zich met goed gevolg op de veeteelt toe. Het kanton Vollenhove was vroeger vermaard om de z.g.n. blokzijler of blauwe katten, die nergens elders gevonden worden, maar gewichtiger was het om het klooster van de 3e Orde van Sint Franciscus op Sint Janscamp gesticht door den blinden frater Johannes van Ommen in 1338. Na zijn dood in 1420 werd hij opgevolgd door Johannes Rees, die aan de broederschap een eigen kerkhof en vele privilegiën wist te bezorgen. Op hem volgden als geestelijke leidsman Christiaan de Zeeuw, Albert Griet en br. Thomas van Albergen, die het bestuur over de stoffelijke goederen der stichting, die vrome beschermers allengskens deden toenemen, geheel in handen der priesters wist te brengen. Hij drong bij zijne kloosterlingen streng aan op zelfverloochening en betrachting van goede werken en vond, na het klooster 38 jaar bestuurd te hebben, een rustplaats in het koor der kerk voor het altaar (1475). Een latere bestuurder, Hendrik van Stralen, deed schoone kloostergebouwen verrijzen. Na zijn dood in 1501 trad Hendrik Schimmelpenninck uit Zutphen aan het hoofd der Stichting, die het aan zijne vele deugden en vrome werken te danken had, dat hij tot Generaal-Minister der Orde werd benoemd. Hij overleed 26 april 1526 en werd opgevold door Gerrit van Epe, die den 9en Januari 1546 het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.
De priesters uit het Sint Jansklooster waren zeer gezocht als biechtvaders, bijzonder in de vrouwenkloosters dierzelfde orde; ook zijn zij vermaard als vervaardigers van afschriften (op perkament) van missalen en solters (psalmboeken).
Mede in de nabijheid van Vollenhove was het vrouwenklooster Clarenbergh gelegen, dat in nauwe betrekking stond tot het klooster van St. Janskamp.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen