woensdag 28 december 2011

Geïllustreerde gids Noordwesthoek (1912): het eiland Urk

Die in Kampen vertoeven, moeten niet verzuimen een uitstapje te maken

NAAR 'T EILAND URK,

een oasis in de waterwoestijn ; met de "Minister Havelaar" van de N. V. voorheen Gebr. de Groot, die op Enkhuizen vaart, kan men reeds te 6 ure 's morgens er heen, is er te 8 ure, en kan 's middags te half drie weer naar Kampen terug met dezelfde boot.

Sinds een tweetal jaren geeft dezelfde maatschappij des zomers dagelijks, behalve 's Zondags, met de stoomboot "Baron Rengers", gelegenheid tot een pleizierreisje naar 't eiland, vertrek van Kampen te tien ure, terug aldaar nam. 3.30. Van die gelegenheid wordt druk gebruik gemaakt, ook uit nabij gelegen plaatsen, van waaruit soms ook wel gezelschappen, vergezeld van een muziekkorps, per eigene gelegenheid het eiland bezoeken en door een muzikalen rondgang niet weinig vertier aanbrengen op het anders zoo stille eiland. 't Is misschien wel aan het meer en meer toenemend bezoek te danken dat de plaats zich, in den goeden zin des woords, begint te moderniseeren. Een krachtig bewijs daarvoor vindt men wel o.m in het feit dat op Zaterdag 9 Januari dezes jaars het eerste nommer verschenen is van de "Urker Courant, weekblad voor het eiland Urk". Volgens de aankondiging der Redactie zal het blad op politiek en godsdienstig gebied de richting volgen welke de bevolking van het eiland, met zeer weinig uitzonderingen, aanhangt, n.l. de orthodoxe richting. Door de beide predikanten van het eiland (een Hervormden en een Gereformeerden) zal stichtelijke lectuur gegeven worden, terwijl als hoofdartikelen zullen verschijnen beschouwingen en mededeelingen over maatschappelijke en plaatselijke belangen. Ook zal een plaatsje worden ingeruimd aan artikelen over opvoeding en onderwijs, over gezondheidsleer en, niet te vergeten, visscherijbelangen. Het is te verwachten dat inzonderheid de laatstgenoemde rubriek, wanneer die goed verzorgd wordt, der courant ook lezers buiten het eiland zal verschaffen, want over de visscherij op de Zuiderzee heerschen onder de belanghebbenden nog al uiteenloopende meeningen.
Een tweede bewijs van vooruitgang vinden we in het in Januari 1912 genomen besluit van den Urker gemeenteraad (voorzitter de heer burgemeester Gravestein) om het dorp geheel te rioleeren, wat eene uitgaaf zal eischen, volgens de begrooting, van f 30.000, waartoe het Rijk eene subsidie van f 10.000 verleent. Ja, de tijden der afzondering beginnen te verdwijnen, dank zij inzonderheid de snelle toeneming der middelen van vervoer.



De tocht van Kampen door den Ketel naar de Zuiderzee duurt een half uur, maar is volstrekt niet vervelend, aangezien de oevers veel groen, riet, vee en bouwhoeven te zien geven, behalve op 't laatste gedeelte, waarin wij tusschen de ver in zee uitloopende pieren of dammen varen. Korten tijd na het verlaten van de Ketel, zien wij aan onze rechterhand een smalle strook grond boven het water uitsteken. Dat is het eiIand Schokland, waarop de drie buurten Ens of Zuiderbuurt, Middenbuurt en Emmeloord, met haven, duidelijk kunnen worden onderscheiden. Eene bevolking heeft Schokland niet meer; dit was vroeger wel het geval. In 1840 nog bedroeg het aantal bewoners 695, die leefden van de vischvangst en eene calicotweverij. Er waren toen zelfs nog twee kerken op het eiland, eene Hervormde en een R. Katholieke. Maar aangezien de Hooge Regeering vreesde dat Schokland, hetwelk veel had te lijden van hooge watervloeden en zelf geene natuurlijke middelen bezat om het leven van den mensch te onderhouden en te veraangenamen, hoe langer hoe meer voor bewoning ongeschikt zou worden, achtte Zij het raadzaam het eiland door de bevolking te doen verlaten; de meesten zetten zich toen neer in de bij Kampen gelegen buurtschap Brunnepe ; anderen verkozen Vollenhove tot woonplaats, waar zij hun bedrijf het best konden voortzetten (omstreeks 1858). Thans houden nog slechts een drietal gezinnen op Schokland verblijf, waarvan de mannen belast zijn met het bedienen van den lichttoren en het onderhoud der zeeweringen, waartoe ook nog wel arbeiders van uit Kampen of Urk gebezigd worden. Waarschijnlijk was het in oude tijden met Urk verbonden en als zoodanig één met de tegenwoordige provincie Overijssel. Schokland behoort nog tot deze provincie, maar Urk behoort tot Noord-Holland.

Anno 996 schonk Keizer Otto I, bijgenaamd de Groote, de helft van het eiland Urk aan het klooster Sint Pantaleon te Keulen. Later kwam het door een gift van Graaf Ulichman van Hameland aan het klooster te Elten en nog weer later verkregen het de Graven of Heeren van Kuinre. Herman van Kuinre, de 0ude, verkocht in 1407 zijn heerlijkheid aan den Bisschop van Utrecht, maar Urk en Emmeloord kwamen aan zijn zoon Herman, de Jonge, die in 1415 aan deze streken eenige bijzondere rechten verleende. Later werden de Heeren van Voorst eigenaren, doch bleven dit niet, daar wij vermeld vinden dat zekere Johan van de Werve de heerlijkheid in 1660 aan de stad Amsterdam overdeed, uit wier bezit het eiland Urk overging aan de provincie Noord-Holland.
Waar thans het z.g.n. Val van Urk is, stroomde vroeger de breede rivier FIevo, die, door watervloeden verbreed, eindelijk tot Zuiderzee vergroot werd. De groote catastrophe, waardoor de scheiding van het platteland plaats vond, dagteekent van het midden der 13de eeuw. Naar luid van vertrouwbare berichten moeten op den bodem der zee tusschen Urk en het vasteland meermalen boomen en palen, ja zelfs overblijfselen van kerken en andere gebouwen zijn gevonden, die gestaan zullen hebben op een plaats, Nagele geheeten, welke o. a. genoemd wordt in een brief van Paus Innocentius IV, en dateerende van het jaar 1245. In het jaar 1772 vischte men op die plek o. a. een kerkkandelaar op en zelfs later nog heeft men op den bodem der zee eene dubbele rij ondereinden van boomstammen ontdekt.

Intusschen hebben wij, al varende, Urk in het gezicht gekregen. Het ligt daar in het water als een opgeworpen ronde hoop gronds, welks hoogste punt 8 à 9 meters boven den zeespiegel uitsteekt, bedekt met kleine huizen, een tweetal kerken, een school, een vuurtoren en eenige boomen. Een kalere strook in zee uitstekend, is de algemeene weide voor het vee; op het hooge gedeelte zijn pl.m. 20 putten van zoetwater. De indruk is, hoe dichter wij het eiland naderen, bepaald préttig aandoende, vooral wanneer de zon het eiland beschijnt.
Eindelijk bereiken wij de haven. En welk eene! Ter rechterzijde van de invaart is een ruime vIuchthaven, vierkant, voor ligplaats bij stormweder, waarin wel 600 schepen kunnen geborgen worden.
Oude en jonge bewoners van het eiland zijn bij aankomst van de boot aan de aanlegplaats, hetzij om bij het lossen en laden behulpzaam te zijn of zich als pakjesdrager of gids aan de afstappende reizigers aan te bieden, hetzij bloot uit nieuwsgierigheid. Moet of wilt ge er langer vertoeven, vraag dan maar naar het hotel en café Hoekstra, daar kunt ge best een onderkomen vinden, dat u niet teleurstelt. En van daar uit kunt ge de plaats nader gaan bezien. Zij is verdeeld in Boven-, Binnen-, Achter- en Havenbuurt. De laatste is aan de Zuidzijde van het eiland. Bestrate wegen zijn er niet, dus moet ge U een weinig stof op schoeisel en kleeding laten welgevallen, maar de frissche wind, die U van rondom tegenwaait, vergoedt dat en maakt de warmte dragelijk. De kleine 2700 bewoners van het eiland zijn allen Protestant; omstreeks drie vierden er van behooren tot de Gereformeerde Kerk.
Hun ruim kerkgebouw is in 1867 vergroot, gelijk een steen in den muur van het nieuw bijgebouwde gedeelte vermeldt. Boven de deur in dit door steenen beeren gesteund en eenigszins smaller deel van het hoofdgebouw leest men: "De Heere is onze Banier". En die spreuk drukt de meening van alle Urkers uit, want zij zijn een geloovig geslacht. Hoe zouden ze anders zoo kalm en vertrouwend in hunne afzondering met blijmoedigheid kunnen leven, als de storm de wateren rondom hun stuksken grond opzweept, of als des winters het ijs in de zee hen voor korter of langer tijd van het vasteland isoleert, al zijn ze ook thans door de telefoon en de telegraaf niet geheel van de buitenwereld afgesloten. Komt hun geloof hun ook niet te stade wanneer zij op het woelig en zoo menigmaal onbetrouwbaar element hun visschersberoep uitoefenen, de ansjovis en den haring verschalkende in het zilte nat? Meer dan 250 scheepjes gaan op die vangst uit, en wanneer men die nietige vaartuigen ziet, komt men tot de conclusie dat het wel stoute zeevaarders moeten zijn die daarmede Zuider- en Noordzee durven gaan bevaren. Dat zijn ze dan ook: het Friesche bloed, durvend en onvervaard, zit er in : het is op de fiere gelaatstrekken en aan de gespierde lichamen wel te herkennen. Vermenging met ander bloed komt zelden voor: zij houden graag het ras zuiver. En evenals op andere zeeplaatsen wijkt hun kleeding niet af van wat groot- en overgrootouders droegen. Waarom ook? De wijde broek bij de mannen is doelmatig voor hen gebleken en de kleeding der vrouwen is zeker schoon te achten. Het haar dragen de vrouwen op eigenaardige wijze over het voorhoofd: en zij mogen zóó wel gezien worden met hare fijne, ja soms edele gelaatstrekken. In 't algemeen lijkt haar kleeding wel wat op die der Zeeuwsche vrouwen. De muts of "hulle" draagt in den regel een strook van fijne, meermalen zelfs Brabantsche kant, waardoor het zilveren oorijzer heen schittert; dit oorijzer eindigt aan weerszijden in een zilveren knop, terwijl het aan de zijden gesteund wordt door een gouden speld, waarmede de hul tevens strak over het ijzer gespannen wordt. Een streng kralen om den blanken hals, van achteren door een gouden slot saamgehouden, voltooit haar sieraad.

De Urker visscher is op eenige plaatsen rond de Zuiderzee een bekende figuur met zijn wijde broek, met groote zilveren knoopen of ook wel muntstukken, zichtbaar gedragen en de zilveren gespen op de schoenen. Hij is baardeloos, uit beginsel; een snor of ringbaard zal men tevergeefs onder hen zoeken. De "pet met het kwastje" begint als hoofddeksel uit de mode te raken en wordt vervangen door een karpoes, van lamshuid of schapenleer vervaardigd.

"Maar", zoo hoor ik u vragen, "is er nu behalve de menschen, ook nog het een of ander bezienswaardigs op Urk?" En ik antwoord: Welzeker ! Primo de vuurtoren; als ge gelegenheid kunt vinden er eens bovenop te gaan, zal u het uitzicht kostelijk bevallen over het wijde watervlak; op den vuurtoren kunt ge dan tevens het mistsignaal bezichtigen, al wensch ik u geen weder toe bij uw bezoek, dat het noodzakelijk zou maken, dat toestel ook te mogen hooren. Ten tweede kunt ge een bezoek brengen aan de oude maar nog sterke Nederl. Hervormde kerk, in welks schip een oud oorlogsgaljoen is opgehangen van welks herkomst men u evenwel niets met zekerheid weet mede te deelen. Ten derde is er een groote Gereformeerde kerk. De Gereformeerde gemeente dagteekent van 17 Juli 1836: den 18en Juli van het vorig jaar (1911) is haar 75-jarig bestaan feestelijk herdacht, onder leiding van haar tegenwoordigen leeraar Ds. G. H. A. van der Vegte, met eene feestrede van prof. Dr. H. Bouwman van Kampen. Ten vierde een flinke, openbare school met zoo goed als christelijk onderwijs: van bepaald neutraal onderwijs is men er niet gediend. Ten vijfde het Gemeentehuis met een schilderachtig raadzaaltje waarin de belangen van Urk's bevolking worden besproken en overwogen en waar een photo te zien is van zes Urker visschers, die in 1873 (op 17 December) 12 man van de Hamburgsche stoomboot Urania, op het rif van Norderney vastgeraakt, bij vliegend stormweer van een gewissen dood redden en deswegens door den Keizer van Duitschland rijkelijk beloond werden, terwijl eene commissie met den Prins van Oranje aan het hoofd hun een loffelijk getuigschrift uitreikte en de zes kloeke redders door de photografie aan de vergetelheid ontrukte. Een van deze zes, Evert Bakker genaamd, had het genoegen aan den prins der Nederlanden, die zooveel belang stelt in het reddingswezen, bij zijn bezoek aan Urk, op Zaterdag vóór Pinksteren van het vorig jaar, te worden voorgesteld.

Ten zesde kunt ge nog gaan zien het Urker huis van Hendrik Kramer; de van Alphen-stichting, werkinrichting voor oude visschers, die er netten breien en het gebouw van de Werkverschaffing, waar men vischkorven en manden, die zoo goed op Urk kunnen gebruikt worden, vervaardigt.

Verzuim ook niet als er gelegenheid voor is, den automatischen Vischafslag te gaan bijwonen; enkel door een knopje of schelletje doet ge uw bod, dat terstond op de plaat wordt aangewezen. Wat dunkt u: zouden de luttele uren, die ge op het eiland blijven moet, u lang vallen? Ik beantwoord bij voorbaat die vraag voor u ontkennend.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen