donderdag 12 november 2009

Om en in Tubbergen (3)

We reden tijdig denzelfden weg uit, waarlangs we daags te voren uit Tubbergen teruggekeerd waren. Nu veroorloofde ik mij mijn medereiziger, nadat we den Harbrinkhoek en 't erve Heineman voorbij waren en voordat we den Zuidesch optreden, eenige oogenblikken te doen uitstappen om met mij eenige bunders dennenbosch met loofhout in oogenschouw te nemen, door de Heide¬maatschappij voor mij met de osseploeg omgewerkt en aangelegd. Deze gronden, in 1892 nog geheel heide, waren met andere dichter bij het erve gelegen woeste gronden, sedert ook ontgonnen, bij de markeverdeeling toebedeeld aan den eigenaar van "den Schultenhof", in 1887 geveild, dat eeuwen in handen van den erfmarkenrichter van Eschede en diens opvolgers geweest was.
Op dit erve, in het "losse hoes", de open boerenwoning, waarin huisgezin, vee en pluimgedierte in één rechthoekig vertrek eendrachtig plachten samen te huizen, werd oudtijds de hölting der Tubbergermarke gehouden.
Tusschen den Schultenhof en den straatweg naar Albergen ligt de Monnikenbraak, waar de kloosterbroeders van Albergen hunne "iemekörve" plachten uit te zetten, waar de "witte wieve" spookten en in welker nabijheid voor eenige jaren belangrijke overblijfselen der oudheid opgegraven zijn, in de werken der " Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch regt en geschiedenis" beschreven en afgebeeld.
Na een kort oponthoud reden we verder den esch op, genietende van het prachtig vergezicht naar alle kanten, met den slanken toren der kerk te Vasse en het daar achter liggend heuveltje met eenige schrale berken vlak voor ons, door ons later te bezoeken. Den esch afrijdende, naderen we het dorp, rijden dat door en langs den Eeshof en de bijzondere protestantsche begraafplaats, den weg op naar Langeveen, eene uit de Drieschichtige marke ontstane buurtschap met eigen parochiekerk, in 1851 ingewijd.



Maar bij de Geestersche windmolens aan den grindweg slaan we af en rijden den zandweg in langs het erve Booijink, uit welks tienden Werenolt van Wulflare in 1336 zes schepel rogge gaf voor de hostiën en den wijn in de kapel van Tubbergen, en langs de buurtschapsschool naar den Verremeulenhoek, op de in 1878 herziene stafkaart "Veenmolenhoek" genoemd. In dezen hoek, waar de Molenbeek doorheen kronkelt, zal eens de hof te Geesteren gelegen hebben, in 1268 door Hendrik heer van Almelo van den ridder Nicolaas van Geesteren aangekocht, later het Eylardshuis geheeten, waar de pastoor Leurs van Vriezenveen kerk hield en ging wonen omstreeks 1717.
Vandaar rijden we tot de parochiekerk van Geesteren : uit het Eylardshuis ging de pastoor, die Leurs opvolgde, met zijne parochianen over naar een meer midden in Geesteren op het erve Mensink gelegen schapeschot of schuur met zware balken, dat hij in 1746 tot kerkschuur ¬men mocht toen nog geen kerken hebben - liet inrichten, en die later na de mildere bepalingen omtrent vrijheid van godsdienstoefening, verbouwd werd tot de tegenwoordige kerk, waarin zich nu een orgel bevindt door een Geester¬schen jongen, den orgelmaker Elberink, vervaardigd. Hier geven we den knecht opdracht om alleen terug te rijden op Tubbergen aan en ons nabij het erve Mulstege onder den Eeshof op te wachten, terwijl wij over smalle voetpaden door roggelanden heen op 't dorp aanwandelen, met Tubbergen in 't gezicht, dat van deze zijde gezien prachtig ligt.

Weer in 't rijtuig gestapt, hebben we voor den Eeshof nog een kijkje op het dorp en volgen den grindweg, die naar de Hannoversche grenzen gelegd is, met het doel Vasse en Mander te bezoeken. Een heel eind nog voor het grenskantoor, slaan we in de Vasserheide rechts af een zandweg in, die ons tot nabij de straks gemelde kerk te Vasse voert, en verlaten het rijtuig, na er wat proviand uit genomen te hebben, om het eenige uren later elders terug te vinden. We wandelen eerst het heuveltje achter de kerk op, Kapelaansbergje ook Tutenberg geheeten, waar we ons neerleggen om iets te gebruiken.
En wie zou nu hier kunnen komen en niet gaarne wat hooren van wijlen den oud-pastoor der Lutte Geerdink, die hier in December 1803 op het Geerdinkserve geboren is. Het is om dit erf, dat dr. Schaepman in "een duizendjarig rijk" zijne verbeelding laat spelen, als hij, na Wittekinds nederlaag een vrijen Sakser herwaarts laat vluchten om een anderen levensstaat te zoeken en eeuwig zijn vrijheid en zijn haat te bewaren.

Maar toen in Vasse 's palen
Zijn eigen hof herrees,
Toen weer zijn schouwe rookte
En de eik zijn erve wees,
Toen boog de stoere Sakser
Het ongebogen hoofd

en liet zich kerstenen. Van dezen bleven de nazaten "met ongekrenkte trouwe aan d'eigen grond gehecht" hier wonen, als eigen-geërfden hun "eigen erf bewarend".
Onder deze nazaten - het geslacht is in mannelijke linie op den pastoor van dien naam te Vianen na uitgestorven - behoorde dan pastoor Geerdink voornoemd, een man, die deze streek, hare eigenaardige taaluitdrukkingen en gewoonten, vooral hare oude geschiedenis lief had en van wien het in voormeld gedicht heet:

Stil werkzaam, nimmer rustend
Van hoogen ernst bezield,
Verzaam'lend wat de moker
Der tijden heeft vernield,
Herbouwend wat verdwenen,
Begraven scheen in 't stof,
Opdat weer zou herleven
Der Roomsche kerke lof.

En ofschoon dit laatste wel wat al te veel op den voorgrond treedt in de "Bijdragen tot de geschiedenis van het archidiaconaat en aartspriesterschap Twenthe", uit zijne nagelaten papieren bijeengebracht, heeft zijn arbeid toch een rijke bron van gegevens geleverd voor dien beoefenaar van Twenthe's geschiedenis, die ze met oordeel des onderscheids weet te gebruiken.

Nu wandelen we op de buurtschap Mander aan, langs mooie beuken en eiken komen we in de nabijheid van den eersten papiermolen (stafkaart- en oude benaming) waar we nu een cichoreimolen aantreffen. Als in een ravijn verscholen ligt er het huis met nevengebouwen, mooien vijver en met bloemen bezet weiland: de schitterend witte sterremuur en het zachte blauw van het viooltje verhoogen het landschapsschoon, dat we blijven genieten, als we langs een smal voetpad achter de gebouwen om andermaal bij de Mosbeek komen, die van zelf naar den tweeden ex-papiermolen, nu meelmolen, leidt. De gezichten op dit deel van den weg, vooral op de hoogten achter "Papier-Meijer" zijn mee van de mooisten die Twenthe te kijken geeft. Den zandweg rechts houdende, komen we tusschen rogge-akkers en weilanden door in de nabijheid van het tichelwerk: hier vóór links afslaande, komen we door een hollen weg en over den Hezinger esch ten slotte in het pad, dat door de bosschen heen naar het Hazelbekke (in Nutter, even over de grenzen der gemeente Tubbergen) leidt. Prachtig hout is hier te zien. Dennen, sparren, beuken, gele en bruine, lariksen wisselen elkander af: de watermolen in de nabijheid van den vijver, waarin het water zich verzamelt, maakt deze plek tot een recht lekker rustpunt. In deze buurt en wel bij een vierden, vroegeren wateroliemolen, kan men het in deze streek weinig voorkomend springzaad (wilde balsamine) plukken.
Wij wandelen nu langs den Ruisberg over een veldweg op Luttikhuis aan, gelegen aan den zandweg van Tubbergen naar Ootmarsum, en gaan langs de grafheuvels door het Haarlesche veld op den tolboom aan den voet van den Hezenberg aan, waar we het rijtuig besteld hebben en liggende onder het hout het restant van onzen proviand verorberen, besproeid met een glaasje wijn, dat na de lange en vermoeiende wandeling ons weer opfleurt.



Lassi requievimus ambo, zegt de oude dichter; maar toch had de rust ons niet zoo te pakken, of ik kon hier wat van oude toestanden vertellen, in verband met de pas verschenen "Oudheidkundige Aanteekeningen" van kolonel Ort en een opstel van den heer Molhuysen (Zie: Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren, 1844).
We zijn hier toch zeer in de nabijheid van het Jaagopperveld, op de stafkaart Oppertsveld geheeten, dat even over de grenzen van Tubbergen in de buurtschap Agelo ligt en voor een oude Romeinsche legerplaats gehouden wordt. Vroegere ontgravingen der grafheuvels daar ter plaatse hebben aan dit volk doen denken: de straks gepasseerde grafheuvels nabij de Schans, waarin geen urnen gevonden zijn, worden voor eene begraafplaats van Germanen aangezien. Ik stel mij omtrent deze vraag geen partij, maar wel omtrent de landeweren, in het Jaagopperveld nog zichtbaar en deel uitmakende van die aarden wallen, die door verschillende Twentsche marken heen uitloopen op den Hunenborg in Volthe en mij voorkomen overblijfsels te zijn van een oud defensiestelsel.
Weer in 't rijtuig gestapt, rijden we door den prachtigen Reutumschen esch en krijgen het kerkje van Reutum, dat met Haarle eene parochie vormt, in 't oog. De kerk in 1818 gebouwd van de zware baksteenen van het gesloopte kasteel te Saasveld werd in 1819 ingewijd en van uit Ootmarsum bediend: eerst in 1832 kreeg deze welvarende buurtschap haren eigen pastoor. En zoo naderen we spoedig weer Fleringen, waar ons paard voorbij den Viersprong als van nature stil gaat staan bij Olde Mensink en ons er aan herinnert, dat men hier even uitstapt.

Mr. R. E. HATTINK.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen