vrijdag 20 november 2009

In het hartje van Twente (1)

In 1910 verscheen In het hartje van Twente in het geïllustreerd weekblad Eigen Haard. De auteur Jeronimo de Vries was doopsgezind predikant te Haarlem en collega van Jacobus Craandijk. De Vries heeft net als Craandijk veel gepubliceerd over vele onderwerpen: over letterkunde, kunst en cultuur, geschiedenis etc. Ook een groot aantal van zijn preken zijn gebundeld uitgegeven. Bovendien was hij van 1886 tot 1913 redacteur van Eigen Haard en leverde hij zelf een groot aantal artikelen voor dit tijdschrift, die ook zeer verschillend van onderwerp waren, maar waar ook een groot aantal ‘reportages’ toe behoorden. In het hartje van Twente is een voorbeeld van zo’n verslag van een wandeling die hij maakte, in dit geval in de omgeving van Twickel. Hij geeft overigens geen gedetailleerde beschrijving van wat hij ziet, maar dwaalt nogal eens af met gedragen volzinnen over de prachtige natuur, die nogal algemeen van aard zijn en weinig informatie geven over de omgeving van Twickel.



Hieronder de ongewijzigde weergave van een artikel dat werd gepubliceerd in Eigen Haard 1910, pag. 552-557, 567-571



Uit het Westen komend, den IJssel en de Vecht overstekend - belandt gij in het oude land der Tubantiërs, het huidige Twente, dat als een zwelling van onze Oostergrens zich in Duitschland indringt en afrondt, en ook zelf eenigszins naar Duitschland zweemt. Het is een vlak land tusschen een rij heuvels aan de ééne en aan de andere zijde. Het is grint en zand of taaie kleigrond met heide en dennenhout en bosch en wei. Tusschen de lage weiden heft zich de hooge, uitgestrekte esch, waar het blonde koren groeit, en overal is het land gedrenkt van het water in zijn beken en stroompjes. Zijn bekoring is zijn vrije natuur, zijn onverbroken, eenvoudige, weinig gecultiveerde landelijkheid. Fabrieksplaatsen, als Borne en Hengelo, liggen met hare hooge schoorsteenen aan breede straatwegen met hoog geboomte en als gedoken en verzonken in het frissche groen. Van Delden naar Borne leidt een weg, die eerst een Middachter allée schijnt en verder tusschen hoog naaldhout of jonge, grijsgroene dennen loopt, met rechts en links de vrijheid van zandsporen en bosch- en heidepaden. Hier en daar een Twentsche hoeve onder eerwaardig geboomte.

Het land draagt met die onverbroken landelijkheid nog altijd de teekenen van zijn stil en verborgen verleden. Hier bouwden geen troetelkinderen van de O.I. Compagnie, geen Amsterdamsche regenten lusthuizen en koepels. Hier waren geen machtige patricische familiën, om er een andere Vechtstreek of een andere Duinstreek met tuinen in buitenverblijven te beplanten. Alleen was er het oude hooge huis, als dat van Twickel bij Delden, of de oude havezate, achter zijn wal en brug, met zijn ruischenden watermolen, zijn oprijlaan, zijn boerderijen en zijn patriarchalen eenvoud rondom. Het land zonder verkeerswegen en kanalen bleef lang een achterhoek, ver weg van onze havens en koopmansbeurzen, groote academies en schildersateliers. Het bleef vreemd aan het groote maatschappelijke leven en aan de steedsche beschaving. Het was een wereldje op zich zelf, dat zijn eigen leven leidde, zijn eigen lasten droeg van de Franschen, en toen het leven van industrie en handel er binnendrong en oude toestanden vernieuwde, teekende het er met zijn komst allerlei tegenstellingen tusschen het nieuwe, dat er zonder veel overgang werd gesticht, en het oude, dat er naast bleef bestaan. In zijne "Wandelingen" heeft Craandijk, die in het land niet alleen heeft gewandeld maar ook gewoond en verkeerd, een levendig beeld gegeven van die eigenaardige tegenstellingen. En nu er ook na zijn "Wandelingen" weer jaren verloopen zijn, zijn die tegenstellingen niet uitgewischt. Hier hoort gij, in Borne, in Hengelo, in Enschede de spin- en weefmachines onder hare hooge schoorsteenen, als bezeten, oorverdovend razen, hier vindt gij de nieuwste vindingen der industrie toegepast, de electriciteit in gebruik, hier snellen langs de oude beplante wegen de auto's al loeiend met een paar helsche oogen in een helsche atmosfeer van benzine in den avond bij u langs, hier verzamelen arbeiders- en werkgeversvereenigingen hare wederpartijdige krachten tegenover elkander, onder de nieuwste leuzen - en hier droomt een oude watermolen van de ruischende beek, schuilt aan het modderige zandspoor de oude, onveranderde Saksische hoeve onder haar hoog geboomte, kruipt stapvoets de huifkar met de boerenfamilie over den straatweg, houdt met de oude boerendracht een eigen Twentsche taal zich staande, neemt de werkman op het land of langs den weg eerbiedig zijn pet voor u af, houdt een gansch wereldje van oude gebruiken en zeden zich stand en weten oude menschen nog van hun vaders en moeders, dat, als er een reis naar Holland ondernomen werd, er in de kerk een voorbede werd verzocht voor het wel slagen van den avontuurlijken tocht.
Wie modelfabrieken wil zien, met al het modern bijbehooren van hygiëne, van fabrieksschool, ziekenfondsen, enz. enz. ga naar Hengelo en bewondere wat deze verre streek in dit opzicht oplevert; maar het seizoen lokt eerder uit tot het gadeslaan der andere tijde van de Twentsche tegenstelling, het gadeslaan dier landelijkheid, die hier zoo ongebroken in stand bleef.



Wie haar wil zien en een plaats zoekt, vanwaar hij haar met zekere vertrouwelijkheid kan tegemoet gaan en genieten, die late zijn anker vallen in het van ouds vermaarde logement "Carelshaven". Het ligt op een voldoenden afstand van Delden, om van alle stadslucht bevrijd te blijven. Trouwens de stadslucht van Delden riekt weinig steedsch. Aan de andere zijde van Carelshaven ligt het nijvere Hengelo, maar deze in 't groen gedoste schoorsteenwereld komt, zoo zij hier verschijnt, evenals gij, niet om zaken te doen, maar voor haar genoegen. Zij komt op mooie zomeravonden en op Zondagmiddagen met tal van rijtuigen, die ratelend binnenzwenken, met zware, blinkende auto's, die als logge beren-op-sokken zonder gerucht van wielen aanwaggelen, maar vooral komt zij met de fiets, het moderne rijpaard. Een sprongetje, waar nog de vaart in zit van het vlugge wiel - en hier is het gezelschap. Zulk een gewip op en af van witte blouses en grijze jasjes, zulk een geblink en geklink van nikkel, zulk een stralen van schuivende lichtstrepen in den avond over den weg ziet gij nergens. Maar het komt en gaat, en laat u achter en alleen met al datgene, wat gij zoekt en begeert. De nabijheid van het eenige Twickel met zijn adellijk huis en park stoort de landelijkheid niet. Het behoort er eerder bij. Trouwens, het heeft zijn eigen rechten hier, gij zijt hier overal, waar gij gaat, op 't gebied van Twickel. Het is hier alles, indien gij er naar vraagt, gelijk in 't sprookje, van den Graaf van Calebas : het huis, het park, de wildbaan, het jagershuis, de hei en de hoeve, boom en korenveld tot het logement van Carelshaven toe, waar wij ons anker laten vallen.

Alle bezoekers, alle gasten althans van Carelshaven weten, dat er van Carels haven even weinig te zien is, als van Carel zelven. De kolken, die achter het hôtel liggen, dienen voor den daar gedreven houthandel. De haven is er al sedert vele jaren niet meer. Zij lag aan die zijde van het hôtel, waar nu de wip en de schop zijn. Die plek is nog altijd wat lager gelegen dan het overige terrein en van de daar gelegen haven liep een vaart of kanaal recht tegenover het hôtel het bosch in. Men kan in de wei aldaar het spoor van de dichtgeplempte vaart nog herkennen aan het riet, dat er groeit. De weg liep over een hooge brug, waar nu het zoo veel bescheidener bruggetje in het groen verscholen ligt. Door het bosch van Twickel ging de vaart het Noorden in. Het was alles in 1775 het werk van Carel George van Wassenaar, die er grootsche plannen mee had. Hier zouden van Enschede, Hengelo, Delden en andere plaatsen de goederen worden aangevoerd, die de schippers tot uit Friesland toe zouden komen halen en vervoeren. Er zijn, die zich herinneren dat hier bij de hooge kade steenkolen lagen en voor de klompenmakers van Overijssel wilgenstammen en blokken, wachtend om verder vervoerd te worden. En inderdaad is er een tijd geweest, dat hier aan de loskade wimpels van scheepjes woeien, dat hier de karren van Enschede af- en aangingen, om goederen te laden en te lossen, dat hier in de schippersherberg van Carelshaven de schippers rondom het vuur van de gelagkamer hun pijpje rookten en huiselijk hun aardappeltjes zaten te schillen. Die bedrijvigheid heeft maar kort geduurd. De vaart door het Twickelerbosch vermodderde, de middelen van vervoer veranderden, andere kanalen werden gegraven, en gelijk met een wenk van hoogerhand het kanaal was ontstaan, zoo is het ook met een wenk verdwenen. De haven is gedempt, het kanaal tegenover den weg gedicht, de brug afgebroken, de kade geslecht, de schipperij naar elders verlegd, en waar haven en vaart en kade en wimpels waren, daar vliegt de jeugd op wip en schop omhoog, daar breidt de fraaie parkwei zich langs den straatweg uit, daar worden door den kleinzoon van het oude geslacht der Kluvers de steedsche gasten onder zijn warande verwelkomd. Het is een nieuwerwetsch hôtel en pension geworden, maar dat altijd iets van zijn eenvoud en gezelligheid heeft behouden, en zij ook de haven van Carelshaven verdwenen, in een goede haven aangeland is de gast, die hier zijn anker laat vallen.

Wat de streek aan landelijke genoegens oplevert, kunt gij van hier uit zonder veel moeite genieten. Reeds hier neder te zitten onder de hooge boomen, met name onder dien verweerden eik op het grasveld van het huis, is een genoegen. Voor u uit glanst één van de fraaie weiden van het Twickeler bosch met hare boomgroepen en diepe doorzichten, en indien die sta-in-den-weg van een stal er niet stond (een fraaie, min of meer monu¬mentale doorrit, maar die hier als een hatelijk scherm werkt) welk een uitzicht zoudt gij hier hebben op den vorstelijken aanleg. Doch het is toch gedeeltelijk zichtbaar en rechts en links strekt de groene straatweg zich uit en, kan het hier soms druk zijn, wanneer de komende en gaande man hier in valt of tal van voertuigen voorbij snellen, het kan hier ook zoo rustig zijn in de weldadige stilte, dat gij u thuis gevoelt en de boomen en het groen en het vergezicht u drenken met rust.
Gij zijt hier aan den zoom van het Twickeler bosch. In vroeger tijd ging men van Carelshaven uit het bosch in. Thans doet men het door links den straatweg te nemen. Gij bereikt dan al spoedig den grooten dennenweg, in 't midden van welken de jager woont; het is hier donker van de hooge zware denneboomen, een bosch rechts en links; het is niet een weg met geboomte beplant, maar een bosch, waarvan gij het einde niet ziet en waar de weg schijnt doorgebroken en gebaand.



Bij den jager hangen (griezelige auto-da-fe's) tal van vergaande roofvogels aan een bord gespijkerd. Achter de tralies van zijn kooi zit met nadenkenden blik, rechtop, onbewegelijk, een groote bruine uil, ziet u aan met zijn groote, strakke oogen en vraagt wat gij hier doet. Maar als de jongen, die hier de wacht houdt, een tak door de tralies steekt en de strakke, geheimzinnige gedaante sissend er op losschiet en er in bijt en er aan knauwt, is hij toch maar een arme gevangen vogel en niet meer.
Waar het lichter wordt op onze wandeling, waar karresporen rechts en links voeren, een esch met koren blinkt, een haag zich uitstrekt, daar ligt Groot Buuren, waarom het ons ditmaal te doen is. Daar ligt de hoeve aan 't eind van het grasveld in al haar vrede en voorname rust. Het kost geen moeite in het oude Saksische heiligdom binnen te dringen. De groote dubbele staldeuren zijn wijd genoeg en de vrouwen, die gij thuis vindt, ontvangen u gaarne, en laten u vrij, om naar hartelust rond te zien; de grens van huis en hof is hier zoo streng niet. Het huis is een groote vierkante ruimte, met de lange zijden rechts en links liggende. Het eerste wat gij ziet in de schemerende ruimte is het licht van de ramen in den achterwand; het is in de duisternis een fel licht, als op een schilderij van Rembrandt. Wat er meer is in deze ruimte, dan het lichtende raam en de tafel en de stoel, die er door worden verlicht, laat zich nog maar raden. Maar er is nog een ander licht, rood vlammend, laag in de duisternis van den vloer, het brandt, alsof hier op den grond een heilige dienst verricht werd, geheimzinnig, stil voort. De rook van de takkenbosschen stijgt dwarrelend op naar een vierkanten koker of trechter, die in de hoogte er boven hangt en uit onzichtbare sferen schijnt te dalen. Het is het dagelijksche vuur van het huis, dat in een kuil midden in den leemen vloer is aangelegd, en met een soort van slagboom, de "wendelroede", die aan den zijmuur is vastgehecht en van daar tot aan het midden van de ruimte reikt, wordt met een zwaai de ginds toebereide ketel met brij of water of beestenvoer boven het vuur gedraaid. Hier bij het gewijde vuur, primitieven huiselijken haard, waar de tafel en de stoelen staan, is het middenpunt en als de woonkamer van het gezin. Langzamerhand begint uw oog aan de schilderachtige duisternis te gewennen. Links in het licht van het raam hangen aan den wand achter glas en in mahoniehouten lijsten bewonderenswaardige merklappen, die wijze spreuken en teksten vereeuwigen, zegeteekenen van groot- of overgrootmoeders, en portretjes van zoons in hun soldatenpakje of schoondochters. Hier prijken de schatten der familie in de glazenkast, bijbel en gezangboek met zilveren slot, koppen en schotels en ander sieraad. Er tegenover op hun riggels staan de groote tinnen borden hoog tegen den donkeren wand; er onder een meubel, en naarmate gij verder en naar de groote vleugeldeuren teruggaat, wordt het aanzien grover, hier staat allerlei gereedschap tegen den wand, sluit een deurknop een bedstede af, komen in de duisternis een paar paardenkoppen te voorschijn uit een luik in den wand; aan de andere zijde kijken vier of vijf paar koeienoogen naar binnen en schuren struische koppen zich tegen de gladde pijlers van den donkeren stal onder het afhangend dak. Het is een zoogenaamd "los huis". Het is huis-, pronk-, slaapkamer, keuken, stal in één en dezelfde ruimte, van boven gedekt door planken en slieten, die dwars over de balken liggen met allerlei ruigte van stroo en hooi er tusschen, nederhangend in de groote ruimte. Dit alles is van hout, en al dit hout, door den tijd verweerd, door den rook gebruind, grijs en dof van het stof, glad van het gebruik, gesleten, gelapt, verkleurd, is in zijn eindelooze verscheidenheid en zijn gewemel van lijnen en tinten, met het scherp licht van zijn vensters, glijdend over de schemerende wanden, één van de schilderachtigste dingen, die gij zien kunt. Alles heeft, als in een schilderij, zijn uitgezochte plaats, alles vormt samen een groot droomerig geheel, alles zingt in één stemming een zacht lied van schaduwen en tonen, en herinnert u aan niets zoozeer, als aan een breed en tooverachtig aquarel van Bosboom.
Een oude gewoonte is het uitbouwen van hoekkamers aan weerszijden van de breede vleugeldeuren, en die is ook op Groot Buuren gevolgd. Hier werden de klompen gemaakt of werd het weeftouw gespannen. Die uitbouwsels geven aan den strengen gevel als een levendige afwisseling, zooals ook de kippen doen, die door het hoendergat in de groote deur uit en in loopen.



Rondom de hoeve is een kleine wereld van dingen die bij de hoeve behooren en bedrijvigheid leenen aan de groote stille rust. Hier staan de schuren voor het hout en de plaggen, voor de varkens en de ganzen en de wagens. Aan een andere zijde van den brink is de oude welput met de ronde steenen borstwering en de grijs verweerde wip, waarmee de emmer wordt neergelaten en opgehaald. Verderaf, achter zijn haag of tuin, liggen de bloemen de moestuin met de ouderwetsche bloemen. Ginds de mesthoop en de gierput met de kostbare bruine stroompjes, en het oude verweerde hek, waar de greppels den brink scheiden van den weg en van het land, overblijfsels misschien van de oude gracht of wal. Alles samen: de overgebleven en door de overlevering van geslachten en geslachten bewaarde prototype van het latere hooge heerenhuis of slot met zijn binnenhof en gracht.
Is het wel gelegen, dan is niets schooner dan zulk een onder zijn hoog geboomte rustend oud boerenhuis. Het banale is er ten eenenmale van uitgesloten. Gij kunt het nemen, zooals het is; het stemt altijd, het is als de natuur, waarin het ligt, door zijn eenvoud en zijn waarheid schoon. Het is alles van zelf geworden, zooals het is, en staat en drijft zooals het geworden is. De bewoners willen wel eens - wie zal er zich over verwonderen? wat anders. Men bewoont zijn huis en hoeve niet voor het genoegen van schilders en artisten. Maar voor ons heeft het boerenhuis een wonderlijke bekoring, vooral zooals het daar achter het zandspoor en klaphek tusschen de boomen doorgluurt. Breed ligt het daar met zijn schuren en daken. De kippen loopen op den brink rond; kinderen gaan door de wijde deuren in en uit. Een boerenknecht loopt het erf over, een hooi- of mestvork op den rug. De boomgaard rijpt, een koe loeit. Achter den greppel blinkt de esch met het gouden graan. "Vredenhof" zegt gij bij u zelven. Een hond blaft en een vrouw en een kind staan buiten en zien u aan, gelijk gij het hen doet. Als zij binnen gaan, schijnen zij alle menschelijk leven met zich te nemen, en lijkt het een droom!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen