vrijdag 20 november 2009

In het hartje van Twente (2)



Nevens de boerenhoeven treffen hier den wandelaar de schoone, de gansch eenige boomen. De Twickelsche goederen zijn nooit te koop geweest. De nood heeft er nimmer naar de bijl gegrepen. De groote boomen, die hier gekapt zijn, zijn gevallen om den schoonen parkaanleg open te krijgen, die vóór het kasteel en langs den weg van Delden naar Carelshaven zijne telkens wisselende boomgroepen en grasvelden vertoont. Toen de Duitsche tuinbouwkundige Petzolt, die dit grootsche park heeft aangelegd, er zijne plannen verwezenlijkte, moest iedere boom als het ware den heer van Twickel worden afgebedeld. Verder is in den omtrek niet gerooid. De boomen groeien hier tot reuzen aan elke plaats, ongestoord. Gij vindt ze niet alleen breedgeschaard in plechtige lanen; zij staan niet vooral in dichte wouden, als in hun eigen tempels; maar overal en aan alle ongewijde plaatsen, altemaal ontzagwekkende, eerbied inboezemende eiken. Zij staan, alsof zij geen koningen waren, gemeenzaam aan den rand van een greppel, twee drie bijeen. Zij groeien ongemoeid gelaten, waar zij groeien willen, een viertal bij den ingang van een boerenerf, twee of drie bij een korenveld als een overdaad en weelde. Zij hebben overal, met vrede gelaten, hun wil gehad met den grond en de lucht. Bij de Averinksbrug tusschen Delden en Carelshaven (zie blz. 555), staan zeven groote, zware eiken naast elkander, stam aan stam, de takken dooreengekronkeld, met één hooge ontzaglijke kruin, een rij kerkpilaren, donker, gekorven en gegroefd, binnen een lengte van niet meer dan 36 schreden. De nu verweerde eikenboom op 't grasveld voor Carelshaven meet meer dan vier meter in omvang en de zware arm, dien hij over het gras en de tafeljes en de stoeltjes uitstrekt, is op zich zelf een zware boom. Alles forsch, knoestig, eeuwenoud eikenhout, met geweldige, bijna pijnlijke wrongen omhoog geworsteld, maar zegepralend, hecht, in zijn krachtigen ouderdom.



Drie - de heilige eiken - aan de noordzijde van Delden - zijn beroemd geworden en lokken de wandelaars. Zij staan aan den uitersten zoom van een boerenerf, - een erf vol geboomte, waar een provinciestad een Haarlemmerhout aan zou hebben. Een vier of vijftal, die gij langs het wagenspoor gaande voorbij komt, zijn meer dan hun weerga. Hoe heerlijk en met welk een kracht en majesteit strekken zij de machtige, sterke armen recht voor zich uit over het pad en het korenveld! Ook deze boomen staan dicht nevens elkaar in het gelid en zien, man aan man, als wachters over de wijde velden heen. "Als eiken zullen wij staan", luidt het in het jongenskoor van een kindercantate van Benoît. Als eiken staan zij, vast in den grindgrond, alsof er iets van het harde, steenachtige van den bodem in hun hout gevaren en de gegroefde stam uit graniet gehouwen ware. Als eiken zullen wij staan, klinkt het rondom hen, en hier staan zij als levende beelden van vastheid en trouw. Maar de roem en de eere en de heiligendienst is nu eenmaal ten deel gevallen aan het naaste drietal, dat als een drievuldigheid van boomen is opgewassen. Zij zijn één en zij zijn drie. Zij zijn één groote breede stam, die zich dicht bij den grond verdeelt in drie armen, of zij zijn drie boomen, wier stammen aan den wortel tot een geweldige wortelknoest zijn zamen gegroeid. Dit zijn - het meervoud heeft den zege behaald – de "heilige eiken". Dit zijn de heiligen der bedevaart, waar de wandelaars van den omtrek komen en een soort van devotie plegen. Zijn zij zoo geheeten en hebben zij dien roem omdat zij aan een kerkelijk symbool herinneren of omdat, zooals het heet, hier hagepreeken zijn gehouden? Misschien zijn het Deldensche Wodanseiken, de broeders van die van Wolfheze, en zullen eenmaal Saksische mannen hier geofferd hebben op en bij zulk een steen, als er aan de andere zijde van de esch, aan de groote laan van Twickel, een staat opgericht.



Het is een reusachtige keisteen, die in 1845 uit het naburige Azelo vervoerd is en, gelijk hij u in zijn opschrift zelf vertelt, door 12 paarden getrokken werd. Het kan de deksteen zijn van een oude offertafel, en hij past hier en zou passen bij de heilige eiken. Een heilige eik met zijn offertafel was het, dien Willebrord op Wacheren velde, en was die andere, die Bonifacius bij Goslar versloeg. In de heilige eikenbosschen van Mamre verscheen de Heer aan den aartsvader. Zij hebben allen in de overlevering en ook in onze eigene oogen, telkens wanneer wij ze zien, iets, dat ontzag inboezemt, zooals zij daar staan zoo groot en ernstig, een gaarde voor goden. Bij de linde klinkt de vedel op de dorpsbrink. Gelieven zitten er neder onder de geurende bloesems en rusten van den dans en, als zij oud geworden zijn, zullen zij nog zitten op de oude bank onder het teeder, weemoedig groen, dat met de menschenkinderen juicht en weent. Wijd en beschermend, vertrouwelijk breidt de beuk zijn lange dalende takken over ons uit. Het is de boom van den hof, waaronder de kinderen spelen en de moeder de wieg sleept buiten het huis en nederzit in de koele schaduw. Maar de eik is de heilige boom en boven zijn eerwaardigen stam en in het gewelf zijner bladeren ruischen oude Noordsche bardenzangen. Als ik aan de boomen, de beuken en de eiken denk, komt mij onwillekeurig een nu al oud boekje in de gedachten; even leerzaam als dichterlijk, even gezond als hartelijk. Wordt het nog gelezen? In ’t vrije Veld luidt zijn naar thijm en versch hooi riekende titel, Door een Landmeisje de landelijke verklaring van zijn herkomst. Het is van 1866 en de schrijfster heeft onder den pseudonym van Geertruida Carelsen zich ook anderen roem verworven, dan dien van dit gevoelvolle en verstandige boekje geschreven te hebben. Maar het blijft haar eerste overwinning en haar blijvende roem. Welk een kijk had zij op de natuur, welk een vriendschap had zij gesloten met het veld en het bosch en den tuin en de bloemen.



In het 18de hoofdstuk spreekt zij over de eiken, die gewijde boomen voor onze vaderen waren en wier bladeren in kransen gewonden de kinderen zich om den hoed slaan. En als zij u dan heeft laten opmerken den korten bochtigen groei zijner levendige takken, de recht naar den top oprijzende zuil van zijn stam, de kurkachtige bovenlaag van zijn bast, die al die grove en teekenachtige barsten maakt, de gansche kolonies van zwammen en fijne mossen op de zware takken, zijn trage bladvorming en zijne krachtige, nerfrijke bladeren, die wij als kinderen zoo mooi konden uitkloppen, zijn bescheiden en onnaspeurlijken bloei en zijn aardige, sierlijke eikels, dan gaat zij voort en teekent hem: "Neem de omgeving onzer eiken eens op. Het zou mij niet verwonderen, indien hij een groot deel van zijn prestige te danken had aan die omgeving en aan den trots, waarmede hij zijn waardigheid als boschboom weet te handhaven. Let slechts op, hoe teergevoelig hij is op dit punt. Hij weigert uit de hoogte alle postjes, die deze waardigheid zouden kunnen benadeelen. Hij daalt nooit af tot straatboom, zooals de iepen; hij laat zijn kroon niet langs de voorgevels van huizen tegen latjes leiden, zooals die goede linden; hij leent zich niet tot middenstuk van tuintjes, zooals de anders mede nog al statige kastanje zich nu en dan, in zijn jeugd, laat welgevallen, hij laat geen heggen van zich vlechten, zooals beuken; hij laat zich niet gebruiken om, op ’t eerste 't beste erf, een gordijn te weven voor hokken, bergplaatsen, onoogelijke muren. . . . De eik groeit alleen buiten, in of aan den zoom van bosschen: in elk geval altijd in 't vrije veld. Daar groeit hij op zooals zijn natuur het meebrengt, soms grillig, knoestig, zeer onregelmatig: maar dan juist volstrekt niet minder schoon. De menschen kunnen hem neder vellen . .. Doch hij laat niet met zich spelen, sollen, snoeien, daarvoor is een eik te edel. Wie hem wil zien, zijn lommer wil genieten, die moet maar komen waar hij thuis hoort, buiten. Met eiken omgaan is van zelf boschlucht inademen". Tot dusver de mee gevoelende schrijfster. Wij voegen er bij: Wie hem zien wil, die moet maar naar Delden komen, en zien hoe de zware eiken in den omtrek staan aan den zoom van dicht schaduwrijk geboomte, dáár, waar de hooge akkers het landschap blinkend en zonnig voortzetten. Wij loopen tusschen de halmen door, die over de smalle paden heen hangen. Hoe geurig is het gouden graan en hoe zacht wuift het in den warmen wind.



Wij keeren ons om, en nu zien wij over de gouden zee heen. De oude zware eiken op den achtergrond staan, als een schitterende muur van levend, lachend, spelend groen. Zij lachen, de groote boomen, gelukkig in hun majesteit.

De stille boomen wachten trotsch en sterk
De trage komst der eeuwen, wachten zwijgend.

Aldus zingt de dichter René Adriaensen. Maar het koren wordt gemaaid, de akker staat leeg, de dagen korten, de natuur wordt streng. Dan komt de wind, dan de strijd, dan het geweld van het weer in de zwaaiende takken. Hoe zij toornen, de oude geweldige wachters!

Maar straks zal over 't woud de stormkreet brallen,
Vernieling langs de bladergolven gaan.
En woest gekraak zal door de luchten slaan.
Dan zal in 't bloedig bruine avond vallen
Het luide toornen van de boomen schallen.



Nu, als wij over den esch terugkeeren langs den zandweg en het wagenspoor met de korenbloemen aan den kant, en uit de zon in het donker van de boomen terugkeeren, zooals wij van de open markt de donkere ruimte van een kathedraal zouden binnengaan, nu ruischen de eiken met het verkwikkend koele geluid van een frisschen waterval. Maar als wij goed en wel thuis zitten, en wij bij het eerste wintervuur in November den wind zullen hooren rammelen met onze vensters, laat ons dan eens aan deze plek terugdenken, hoe ze wel wezen mag, wanneer de grauwe najaarswolken door den hemel jagen, wanneer de wilde Wodansjacht door de toppen giert, de geweldige armen beven, de oude gegroefde stam aan de pezen zijner wortels rukt, de storm zijne takken slaat en dorscht en, alles beeft en trilt en met de knoestige armen slaat. Dan buldert de wind tegen den boom, die hem in den weg staat, en de aangevallen boom tegen den wind, als twee oude Noorsche helden, dan zal het stenen en kraken aan de stille esch, dan zullen de doode takken woest over den akker geslingerd worden en in het rond het ‘luide toornen van de boomen schallen’.
En ook nu, als wij onder den koelen boog zijner bladeren doorgaan en naar den bouw en de wrongen zijner armen opzien, krijgen wij het besef van wat het wezen zal, als hij toornt tegen den wind en de wind tegen hem, en zij samen het lied aatnheffen van den winter.
Maar hetzelfde Twickeler domein, dat u deze stoere woudboomen in hun natuurstaat vertoont, kan u laten zien wat de kunst vermag, wanneer op breede schaal de kunst ze voegt en paart en schikt. Ik zeg: op groote schaal, want zoo ik hier van den Twickeler parkaanleg ga spreken, dan denke men zich iets, dat in zijn aanleg even grootsch is, als het geboomte, dat er was. Zooals elders in gazons heesters worden geplant, zoo heeft de hand van den Heer Petzolt hier groote boomen genomen en ze bij groepen, als reuzenheesters, hier en daar in het grasveld laten staan, waar de rood bonte koeien grazen. Het is als een park of tuin, door een vergrootglas gezien. Het zijn reuzenperken, die hoog in de lucht, breed en tot aan den voet vol en groen, gansche afstanden tusschen en achter zich vrij laten en, terwijl gij voortgaat, telkens als verschuivende groene coulissen nieuwe doorzichten openen naar weer verdere groepen. Hier in het koele frissche gras zitten veilig en rustig gansche kolonies van hazen rond te kijken, en zoo het gerucht, dat gij maakt, ze bereikt, wippen zij bij tientallen met hun witte dansende staartjes weg, die blinken in de zon en ver weg in het gras verdwijnen. De kunst van lusthoven aan te leggen, zoo heet het op het monument van Petzolt (1885 -1890) is als een landschap te schilderen in de natuur zelve. "Bijl en spade zijn hare ijzeren penseelen."
Het is grootsch werk als van een landschapschilder in corpore vivo; maar de schilders, die hier komen met hun ezel en palet, verblijden zich, dat er voor hen hier zoo veel is overgebleven in de heerlijke vrije natuur - en wij doen het met hen.
Er gaat toch niets, niets, boven dat argelooze en eenvoudige daarheen groeien, dat alleen wat zon en regen van boven vraagt, dat zich niet om de menschen bekommert, maar zonder omzien opwast, en alleen de hooge "heilige" wet verbeidt der natuur. . .

Zie ook: Nederlandsche lustverblijven, deel II: Twickel, door K. Sluyterman in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift 1906.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen