donderdag 12 november 2009

Om en in Tubbergen (2)

Eschede, de Eeshof, ligt ten noorden van en even buiten de kom van het dorp: in die richting opstappende gaan we langs het gemeentehuis, de tot dit doel verbouwde school mijner kinderjaren. Dit was de door iedereen bezochte dorpsschool, waar aan jongens en meisjes door elkaar gewoon openbaar lager onderwijs gegeven werd, waar Herman Schaepman, evenals ik, naar Prinsen's methode geleerd heeft op de vraag: "waar graaft de landman het land mee om?" in koor te antwoorden: "met de spa... aa. . .a." Hij gewaagt in het interview (Elsevier’s Maandschrift 1896, p. 357 vlg.) nog van den zeer goeden ondermeester, die talen kende, aan wien wij veel verplicht zijn, maar ik weet van een vroegere periode zonder ondermeester te vertellen, toen een eenvoudige, hoogbejaarde man geheel alleen stond voor alle klassen in een school met leemen vloer en gebrekkige luchtverversching, waar schoolverzuim meer regel was dan schoolbezoek en de tucht nog door een zwiepend twijgje gehandhaafd werd. 't Was nog onder de onderwijsregeling, die toeliet, dat op een gemengde school een gemengd gebed gedaan werd; en ofschoon de schooljeugd voor het overgroote gedeelte uit Roomsche en voor een handjevol uit Protestantsche en Israëlitische kinderen bestond, had niemand er eenig gemoedsbezwaar tegen, dat een Protestantsche meester hier een gebed las. En wanneer om 12 uur de dorpsklok "middag" luidde, kon men op school den uitroep hooren: "meister, het lòdt ; za'k di'j 't biddebeukken kriegen?" en de daad bij het woord voegende, haalde een der grootere jongens het gebedeboekje uit de kast, drukte dit het schoolhoofd in de hand, wiens onderwijs abrupt eindigde en die nu een gebed voorlas, waarop alle kinderen amen zeiden en de school leeg liep. Voor ons, die
door het schoolverzuim der massa slechts bij horten en stooten klassikaal onderwijs kregen, was er geen andere uitweg om voldoend onderwijs te genieten, dan dat onze ouders ons door bovenbedoelden "ondermeester" buiten de schooltijden om privaat onderwijs lieten geven in de vakken der lagere school en bovendien in geschiedenis, Fransch en Duitsch. En ik kan mij begrijpen, hoe reeds toen het begrip is ontstaan, later tot overtuiging gerijpt, dat aan het schoolverzuim - hoe dan ook - een einde behoorde gemaakt te worden, eene overtuiging, die dr. Schaepman, als afgevaardigde ter Tweede Kamer voor zijn geboortestreek, deed stemmen voor de leerplicht-wet.
Eene persoonlijke herinnering uit onzen gemeenschappelijken schooltijd is een litteeken boven op mijn linkerhand van een messteek, op het pleintje voor de school - èene niet-overdekte speelplaats - mij vóór schooltijd toegebracht, waarvan het bloed geen kwaad bloed zette en waarvan de meester zelfs niets gewaar werd.



Onmiddellijk hierbij lag de oude, aan St. Pancratius gewijde, parochiekerk. Deze kerk is vóór vijf jaar afgebroken: ze was ten deele, van den toren tot het koor, ofschoon door verbouwing misvormd, nog de oude in 1336 genoemde kapel, die, nadat de bijbouw van het koor en de bouw van den toren voltooid waren, in 1575 tot parochiekerk verheven was met Schildthuisz als eersten pastoor.
De toren, tot opbouw waarvan in 1502 zekere ten Goorkotte en vrouw testamentair beschikt hadden, is uit Bentheimer steen opgetrokken en was tot 1840 nog eenige meters hooger: eene instorting van het bovenste gedeelte heeft de spits doen vervangen door een torentje, waarvan de stijl niet past bij het zestiende-eeuwsche steengewrocht : het ingangsportaal van dezen toren, die krachtens de staatsregeling van 1798 geacht wordt aan de burgerlijke gemeente te behooren, ligt aan de nauwe in 1642 aangelegde dorpsstraat, maar verdient om zijn stijlvolle bewerking de aandacht des voorbijgangers. Van de torenstoep had de afkondiging der Grondwet van 1848 plaats, na klokgelui, voorgelezen door Schaepman's vader, den burgemeester van Tubbergen, geparanymfeerd door diens vader, den oud-burgemeester van Haaksbergen.
De Pancratiuskerk ging na het intrekken van het accoord van Rozendaal (1632) aan de Hervormden over, die ze, behalve in de dagen der Munstersche overheersching (1672-74), tot einde 1809 gebruikten. Toen ging ze krachtens besluit van koning Lodewijk weer aan de Roomschen over, die ze in Januari 1810 op plechtige wijze in bezit namen, nadat alle meubilair, o. a. orgel en preekstoel, er uit verwijderd was. De tand des tijds had de daarin liggende grafzerk van den in 1610 overleden eersten pastoor, hier boven genoemd, gespaard: bij de afbraak der kerk is deze zerk vernield; toch had men wel een weinig meer eerbied mogen hebben voor de nagedachtenis van een der weinige pastoors in Twenthe, die tijdens de reformatie trouw bleven aan hunne kerk ten einde toe.
Aan den toren is ook nu de nieuwe kerk aangebouwd, die in 14de eeuwsch-gothieken stijl opgetrok¬ken op hoogst onbevallige wijze door een overdekten loop gang verbonden is met het eenvoudige pastoorshuis. De nieuwe kerk werd in den zomer van 1897 ingewijd, bij welke gelegenheid dr. Schaepman de feestrede uitsprak naar aanleiding van de woorden: "Uwe jeugd zal als die van den adelaar worden vernieuwd".



Een paar passen verder staat het eenvoudig kerkje der hervormde gemeente, dat we even binnen gaan om den preekstoel te bezien. Deze preekstoel, in Bentheimer steen uitgehouwen, geeft het uitwendige der oude Pancratiuskerk nauwkeurig terug: hij is vermoedelijk uit den tijd van den eersten pastoor en dan ook de kansel, waarin de tweede pastoor, ten Ham, zijn draai nam, die als pastoor door den deken Rovenius in 1612 getole¬reerd werd tot er beter in voorzien kon worden, gehuwd was en door de calvinistische classis als weinig betrouwbaar behandeld werd. Zijne weduwe bewoonde de weeme nog, toen de eerst beroepen predikant Daniël Bokelman er in 1634 zijn intrek in wilde nemen. Van diens opvolgers hebben er twee te samen meer dan een eeuw de kleine hervormde gemeente bediend en van uit voormelden preekstoel hunne predikatiën gehouden, beiden totdat ze emeritus verklaard werden, Wolterus Dull van 1699-1747 in de oude kerspelskerk en mijn vader van 1841-1896 in het nieuwe kerkje, dat na het verlaten der groote kerk gebouwd en op 3 Maart 1811 ingewijd is.



Den preekstoel bezichtigd hebbende, gingen we langs de Hervormde pastorie op den Eeshof aan: - geen prachtig houtgewas, geen oud kasteel herinnert er aan, dat de heeren van Eschede bijna vier eeuwen lang heeren van den "Hof te Tubbergen" waren: het tegenwoordig gebouw is, wat de benedenverdieping aangaat, uit de vorige eeuw en wat den bovenbouw betreft, uit de tweede helft dezer eeuw: toen de photographische afbeelding genomen werd in 1891, werd het heerenhuis door een vrachtrijder als huisbewaarder bewoond. De aanzienlijke bezittingen onder den Eeshof behoorende zijn bij publieke veiling in veler handen gekomen; het huis met naaste aanhoorigheid, eerst ingericht voor een Roomsche stichting voor verwaarloosde jongens, is voor een paar jaar aan den heer Paehlig, kapitein der mariniers, verkocht.
Dat de oude havezathe niet hier, maar in de nabijheid der kerk op het Rot, moet gezocht worden, meen ik uit het vroeger aangehaald dagboek van Albergen's prior te mogen opmaken, maar met of zonder oude herinneringen, heeft het tegenwoordige huis eene bekendheid in het land gekregen, omdat op 2 Maart 1844 daarin het levenslicht zag Herman Johan Aloysius Marie Schaepman, zoon van den Tubberger burgemeester Theodoor Eduard Johannes Schaepman, vroeger als zoodanig te Hellendoorn, en van Vrouwe Johanna Francisca la Chapelle. In dit gezin werd de reeds gememoreerde "neef van den Drentschen assessor" gastvrij ontvangen en maakte hij kennis met een merkwaardige verzameling van dag-, nacht- en schemeringvlinders met hunne rupsen, eieren en poppen door des burgemeesters inwonenden vader met veel moeite verzameld en later gegeven aan het Britsch-Museum.



Onder het mededeelen van allerlei herinneringen uit den tijd, dat de Schaepman's aan de andere zijde van het dorp op Veldwijk woonden, en uit den gemeenschappelijken schooltijd, wandelden we de nog tot den Eeshof behoorende goederen rond en ik vergat niet te memoreeren dat, toen de dichter in zijn jeugd een vers gemaakt had op de Kermis, men het hoofd over hem schudde en van hem getuigde "datte nig good wies was."
't Werd nu tijd om uit te rusten, en na ons in 't Zweershuis bij Sanne-meuije wat versterkt te hebben, reden we naar Almelo terug, waar mijn reisgezel in den "Gouden Leeuw," maar niet meer onder bestuur van het Leeuwenweeuwtje afstapte, om den volgenden dag nog een paar buurtschappen te bezoeken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen