donderdag 30 januari 2014

Wandelingen door Nederland - Overijssel (1928): Goor - Enter - Rijssen

Den volgenden morgen was het ... stralend mooi weer. Men gevoelde zich buiten als in eene kamer welke, na langdurig gemorrel aan de kachel die eerst niet branden wilde, eindelijk doorwarmd is. Na eene al te geweldige regenperiode was de Zomer toch doorgekomen. Hoe heerlijk lag Delden dien ochtend in de zon! Men heeft niets te veel gezegd, het punt is eenig in Twenthe; hier waren dan ook vrij wat gasten, zoodat ik mij bijna met de badkamer van 't hotel had moeten vergenoegen.

Voor iemand die den eersten keer dezen kant uit komt, zou de richting-keuze nu moeielijk kunnen zijn. Het doel van vandaag is Rijssen, de rechtstreeksche verbinding een prachtig zandpad met veel schaduwen dus verkieslijk; maar 't schijnt ongepast niet over Goor te gaan. Want Goor is eene plaats, die voor de opkomst van Twenthe van groot gewicht is geweest. Veel vroeger al had de stad beteekenis; bij eene vlugge wandeling door de enkele lange straten zou men 't nu niet zeggen, gezien ook het kale gemeentehuisje en niet meer dan éen oud huis waaraan wat bijzonders is, de kosterswoning met bloemslingers en druiventrossen in kleur, en het jaartal 1696, - de gevel is overigens bedorven. Alleen de grafkapel van 't Weldam, in de tamelijk verknoeide kerk, met de zerken van "Catrina van Vorst... frow vä Unico Ripperda" (overl. 5 Aug. 1606) en "Johan Ripperda tom Weldam" (overleden 15 April 1591) getuigt waardig van 't verleden. Maar de katoen-, tevens nettenfabrieken Arntzenius Jannink & Co., kortweg "Jannink", herinneren aan andere daden dan die dezer heeren en van de rumoerige graven van Goor: 't was hier en op drie andere punten in de buurt dat de Nederlandsche Handelmaatschappij in 1833 eene weefschool oprichtte om de verbeterde weefmethode in Twenthe ingang te doen vinden, waarvoor zij Thomas Ainsworth, den Engelschen deskundige, daarheen zond. Van heinde en verre kwamen de wevers naar Goor om in de nieuwe methode onderricht te ontvangen. Zouden we niet even naar 't oude kerkhof gaan en zijn gedenkteeken bezoeken? Iemand, die den dank van Overijssel verdiende, gelijk daarop vermeld staat, is wel een gang waard. Geboren te Bolton-Le-Moors (Lancashire), zegt de steen, den 22 December 1795, overleed hij op den Huize Eversberg bij Nijverdal, den 13 February 1841. Nadat nl. de weefscholen drie jaren bestaan en voldoende uitwerking gehad hadden, werden ze opgeheven - Arntzenius nam den inventaris over - doch spoedig daarna, ook onder Ainsworth's leiding en op last van dezelfde Maatschappij, werd eene nieuwe onder Hellendoorn gesticht, in de buurt van den Eversberg, om de snel oplevende machinale textielnijverheid verder tot steun en voorlichting te zijn. Zoo vestigde Ainsworth zich in 't nijvere dal. - Eenige wapenschildjes, bovenaan 't monument, zijn met 3 strijdbijlen (2, 1) beladen.

Er is nog een andere reden, waarom men over Goor zou gaan. Niet om de plek te zoeken waar, omstreeks 1770, de beruchte Huttenklaas op 't vinkentouw zat - wiens "stoel" de oudheidkamer te Oldenzaal als een soort kostbaar kleinood bewaart. Maar, de landstreek tusschen die stad en Delden is vol afwisseling: weiland, roggevelden, strooken dennenbosch en hei, hier en daar moerassig, volgen elkaar op langs den beschaduwden weg, op welks bermen de akkerscabiose bij massa's groeit. Boerderijen liggen vaak te midden van veel boomen, dicht op 't huis staand; mooie steenen huizen. Een steenen schuur: éen groote tusschen twee kleine poorten, met baksteenen rondboog waarvan aanzetten en sluitsteen uit den berg schijnen. Daarnaast het woonhuis, de
bovendrempel der ramen eveneens (schijnbaar) versterkt met drie stukken "bergsteen", daarboven een puntgevel van loodrechte planken, bovenop een kruisje. Naast het huis, een kookhok in denzelfden stijl. Vlak voor de voordeur, de ronde waterput met boom. En dan staat daar, bij de Hagmolenbeek, waar de overigens rechte weg een paar mooie bochten maakt, een oude herberg met antiek uithangbord: "In den Markenrichter van Weddehoen en Cottwich". (Namen van marken in de buurt.) Eene herinnering aan den tijd der marken, die niet ontgonnen werden omdat ze van allen waren en van niemand. In uw verbeelding ziet ge het oude Twenthe, met uitgestrekte heiden en bosschen waardoor slechte wegen, dorpen en stadjes als oasen, en ge bepeinst misschien deze vraag: Is gemeenschappelijk grondbezit het ideale einde dan wel het onbeholpen begin, en komt er na elk communisme altijd weer eene markeverdeeling? - En ten slotte, niets aantrekkelijker dan eene wandeling over de beboschte heuvelen van Goor naar Rijssen.

Doch wie die streken reeds heeft bezocht kan, zonder iemand of iets onrecht te doen, over Enter gaan. Ik haakte dus mijn rugzak weer vast en stapte nogmaals de stad door, langs 't deftige raadhuis, - wel wat groot voor "stad" alleen maar niet voor "stad" en "ambt" samen - waar de burgemeester 't op dat oogenblik drukker had dan anders, met de behandeling van omstreeks 100, grootendeels uit Ambt-Delden ingekomen, verzoeken om schadevergoeding wegens stormschade. 'k Zou spoedig zelf iets van de ramp zien. Even voorbij een molen verlaat ik den verharden weg, linksaf, en ga weer op zand. De bodem is hier hoog, er groeien aardappelen en de rogge staat schoof bij schoof. Een lange laan begint, beuken en eiken, spoedig tusschen hooge dennen. En daaraan ligt het Elbertsbosch, geheel ondersteboven. Men wil eerst niet weten dat er niets aan te doen is, dat al die boomen niet weer overeind gezet kunnen worden. Zij leven immers nog. Er is verwarring, nog geen sterven. Arme boomen! Even verder ben ik 't onheil al haast vergeten, want zoo mooi is het landschap, boomen
genoeg aan deze laan met de prachtige zijlanen; 't begint waarlijk arcadisch te worden in een schaduwstreep zonder einde. Naar ik hoopte; in de volgende bochten geeft hoog struikgewas nog beschutting, en dan komt een open stuk waarop de zonneschichten gloeiend neervallen. 't Land aan weerskanten is een beetje "goor". De wandelaar wenschte, dat de bramen langs den weg reeds wat rijper waren.

Ophaalbrug over de Regge en ‘Binnen-Gerrit’

Een bordje verkondigt hem, dat hij daar de gemeente Wierden betreden gaat. Een eikenboschje, dat meteen dient om eenige boerenwoningen te beschutten, verschaft hem 't rustige plekje van dezen dag. Het heidebed is zacht; tormentil en ander kruid erdoorheen kruipend, in plaats van dien schraalhans 't zwartkoorn, duiden op beteren grond, geen wonder want tien minuten verder stroomt de Regge. De oude ophaalbrug is vastgespijkerd, niet uit gemakzucht door den man van 't brugwachtershuis, den Binnen Gerrit! Er komt geen schip meer langs. Dus dient de Regge hier alleen nog de afwatering, en 't landschapsschoon. Om niet al te gauw 't land onder water te kunnen zetten, is zij tusschen twee kaden gevat. Wanneer ge, op de brug staand, stroomopwaarts ziet hebt ge een wel zeer karakteristiek stuk Overijssel voor u: stroomend water, groenland en verspreide populieren. Binnen-Gait zat te diep in zijn huisje verborgen voor een gesprek, misschien sliep hij. Aan 'n paar kleine jongens bij den put kan men niet veel vragen. Dat de familie van 't Cattelaer sliep, is heel zeker. Van dat oude goed, even over de brug, bestaat nog slechts een bouwhuis en de gracht. Het bouwhuis is stellig oud, want raamkozijnen en deuromlijstingen zijn van zandsteen. Nu, ik kon kloppen en morrelen aan luik en klink zooveel ik wilde, geen geluid. Toch waren ze binnen: voor de deur stonden klompen, daar lag een blauwe kiel, een schort, een strooien hoed op de steenen. De hond, heel lui en slaperig onder een kar in de wagenschuur, was voor een waakhond merkwaardig stil. Iedereen dacht: niets zeggen, zelfs niet blaffen, dan zijn we hem 't gauwste kwijt. 't Is immers ons
slaapuurtje; wandelaar, gij klopt te vroeg!

Boerderij van ‘t Cattelaer

Derhalve ging ik verder, en nu trof 't zoo, dat ze in de volgende boerderij net weer wakker waren. Eén lag nog languit in den moestuin, op 't gras; maar bij den put stonden een jonge boer en zijn jonger zusje, en spoedig stond ik daar ook. 't Kan soms gebeuren dat een mensch bij vreemden komt - en het is of men hem verwachtte. Zoo ging het hier. 'k Weet zelf niet meer hoe we begonnen, doch al heel gauw zat ik binnen en hoorden we elkander uit: de belangstelling was wederkeerig. Een schouw vol antieke tegels, een staartklok, een letterdoek in lijst bij gelegenheid van 't huwelijk der ouders door de vrouw gemerkt, het groene gordijntje voor de bedstede, een muurkast je met glazen deurtje, eene kast op verhooging, dat alles was gelijk 't in een ouderwetsche boerderij behoort. Naast deze kamer-keuken bevonden zich achter mekaar de volgende ruimten. Ter linkerzijde: een waschhok met karnton, waarvan echter de "pol" of stok, in 't midden van een ronde plank met ronde gaten bevestigd, eene lange rust genoot; de "kelder", éen trede lager slechts; en aan de deel, een aardappelenhok (vroeger weefkamer) en de koestal zónder grup, dus een "potstal" waar 's Winters 8 beesten op de plaggen stonden. Ter rechterzijde, eene slaapkamer met bedsteden en ledikant; en aan de deel, een rommelhok waarin de gesneden kleerenkist (een pracht!) en het vischtuig op eene plank erboven, een varkenshok en de paardenstal in tweeën met troggen van Bentheimersteen, een voor merrie en veulen samen. Achter tegen de schouw aan stond een groote haverkist op de deel, die met "balkensleter" was afgedekt en aan 't achtereind door een dubbele deur, de middenpaal waarvan hier "middeler" (elders "stipel") heet, gesloten werd. Boven deze middeler, welke evenals alle andere - ter bescherming tegen veeziekten - een diep ingesneden merk in zandloopervorrn, ongeveer op borsthoogte, draagt zit de sluitsteen in den poortboog, met initialen I S G H, een vierbladig bloempje en 't jaartal 1850. Op de hilde boven de koestal komt hooi, op de balkensleter rogge en hooi, boven de paardenstal later stroo van de machinaal gedorschte rogge. In de wagenschuur achter 't huis wordt ook hooi en stroo geborgen, daar zijn meer varkenshokken, waarboven turf, en een massa fuiken. Achter deze schuur ettelijke rogge-, haver- en hooimijten. Een kookhuisje opzij, waar in 'n wijden diepen ijzeren pot op een houtvuurtje slechte groene aardappelen voor de varkens gekookt worden. Daarachter bergplaats voor turf en boonendrogerijtje en een kippenhok.

Zoo was die boerderij - nu al niet meer, want ze zou dezen Winter verbouwd worden - en om iets meer ervan mee te nemen dan wat in de herinnering blijft mocht ik haar "kieken". Liefst in bedrijf. 't Leek eene filmvertooning, ieder speelde zijn rol en was er erg in: daar stond het meiske bij den put en schuurde melkbussen, daar kwamen de "jongens" van 't veld op den wagen ... Vader had fluks zijn twee paarden uit de wei gehaald en voor den mooisten wagen gespannen, in welks gekleurde “skimmeI" (plank boven de achteras) de initialen zijner ouders en een jaartal, 1873, gesneden waren. Zelf stond hij hen levendig te begroeten, voor zoover dat dezen zeer kalmen man lukken wou, terwijl zijn jongste over 't onderstuk van de deeldeur hing. Opdat ik gelegenheid had platen te wisselen, werd het rommelhok even tot donkere kamer ingericht. Vier man kwamen eraan te pas en hielden een zak, stijf tegen deur en drempel, tegen een gat in den muur, een gat in de zoldering; een lag bovenop om den dag tusschen dak en muur doorschijnend te verduisteren. Als we zoover zijn heb 'k van de boerin wat verdiend voor mijn "harde werken", d.w.z. een glas melk behalve de koffie. En onderwijl, tusschen allerlei praatjes door, vertelt de vader uit den tijd toen zij den Binnen-Gerrit bewoonden. Hij is er geboren. Vroeger was daar drukke scheepvaart, met scheepjes van 16-20 ton, waarvan zij 't bruggeld genoten. Ook eene aanlegplaats. Goederen: turf, houtskool, timmerhout; veel eikenhout uit de bosschen ging naar Friesland. Het huis moet, nog langer geleden, een berucht smokkelkroegje zijn geweest. Wie bij Gerrit binnen kwam zonder door de kommiezen, die vóor de brug lagen, gepakt te zijn was inderdaad "binnen". In Enter woonden toen 30-40 schippers. Met hun ganzenfokkerij voor de Londensche markt is het daar ook gedaan.

En de zoons vertellen van hun eigen leventje, nadat ik wat van 't mijne verteld heb. Hendrik houdt het wandelen voor 'n goed ding, ook stelt hij belang in historische bijzonderheden, welke hij tusschen de bedrijven door uit de krant opdiept. Wij loopen nog eens door huis en hof, en tegen de schuurdeur geleund staande vraag ik naar kinderspelen. Wat bijzonders van hier kennen ze niet. Het gooien naar centen op een op zijnen kant geplaatsten baksteen, "op butjen" geheeten, wordt weinig meer gedaan. Wel "op meetjen", 't geen evenmin speciaal Enterbroeksch is. Men trekt eene streep en een klein vierkantje er tegenaan, het huisje. Nu gooit men, van eenige meters ver, met centen naar de streep, enkele ronden, telkens een paar centen; wien 't gelukt in het huisje te gooien, die mag alle centen welke vorige spelers ernaast wierpen oprapen. Lukt dat niemand, dan zijn alle centen óver de streep voor hem die 't dichtst bij het huisje kwam. Met die ervóor mag hij "husselen", volgens afspraak: wat met munt of letter naar boven valt is voor hem. Hetgeen overblijft mag de na hem 't dichtst bij het huisje liggende speler ophusselen, enz. - En daarop moesten ze weer aan 't werk. 't Was een hartelijk afscheid, ik wist al alle namen, maar Hendrik aarzelde: ik weet niet hoe ik U noemen moet; en toen, met dat ik mijnen naam gezegd had, was 't in orde. "Nou, dag Jolles", en iedereen zei "dag Jolles", en de oude boer "tot weerziens, als 't wezen mag".

De laan uit en over eene brug, en 'k stap Enter binnen. Een lang dorp aan eenen straatweg Zuid-Noord, nogal antiek van bouwerij. Voor vele huizen ligt een hoop spaanders en stukken boomstam. Wat dat te beduiden heeft? Eindelijk zie ik een man buiten aan 't werk: klompen maken; daarvoor is 't dus dat de Canadeesche populieren van de Reggevallei zoo hoog opgroeien! Hun R.K. kerk, inwendig wit met goud, schijnt te hebben uitgediend; een nieuwe werd ernaast gebouwd. De grootere Protestantsche is erg leelijk, waaraan de linden en iepen rondom weinig verhelpen kunnen; men betwijfelt zelfs, of het boven den ingang in een lijstje geverfde jaartal 1709 wel echt is. De pastorie stond leeg. Opmerkenswaard zijn ook de uitgesneden kruisjes aan vele geveltoppen, met en zonder miskelk of maansikkeltjes: meer of minder christelijk. In Rijssen ziet men weer andere modellen.

Ik hield tot het laatst toe den zandweg, binnendoor. Zoo kwam ik achter den Oosterhof uit, een der havezathen bij Rijssen welker geschiedenis met die van de stad ten nauwste samenhangt, en waarvan de vorige bewoners, uit het geslacht van Ittersum, dan ook vele generaties lang in 't kerkbestuur hun vaste plaats, in de kerk hun bank met wapen en hunne graven hadden. De voorgevel, waarvan best meer goeds zou te maken zijn, valt niet mee. Eenige op een zijkant geschilderde blinde ramen brengen den tijd der vensterbelasting in herinnering. Het eenig overgebleven bouwhuis is, volgens opschrift, van 1652 en hernieuwd in 1737 (de “Voorloopige Lijst" geeft een anderen datum).

De stad binnenkomend, overkwam mij het grootste geluk van dezen dag. Vanwege de warmte had een tamelijk bejaarde heer zijn stoel op straat, en zijn kopje thee buiten tegen 't venster gezet. Ik sprak hem argeloos aan om te vragen "of die oude pomp (bij vroegere gelegenheid gezien en geteekend) er altijd nog was". Die was er nog. Daarop zei hij: Ik zie dat U zich ook voor oudheden interesseert ... vijf minuten later zaten wij sámen thee te drinken. En de handen, waarin ik gevallen was, hielden mij den geheelen volgenden dag vast en zouden mij een, twee weken daar vast hebben gehouden indien ik vrijheid had den duur mijner wandeltochten naar eigen zin te verlengen. Ik was ten huize van den plaatselijken oudheidkundige. Beste meester van W.! Gij en Uw Gids hadden nauwelijks tien minuten noodig om mij ervan te overtuigen, dat Rijssen het punt was dat ik op elken wandeltocht zoek, het groote rustpunt waar wat langer geluisterd en wat dieper ingedrongen kan worden, eene plek ook om in de gedachten te blijven als het hoogtepunt van den geheelen tocht. Er is te veel verschil tusschen de Zuiderzeelanden en het Oosten der provincie, dan dat deze stad mij eene soort samenvatting van gansch Overijssel zou kunnen zijn, maar van Twenthe, - zij mag dan op 't uiterste puntje daarvan liggen - is zij het stellig geworden.
Ik had dien dag al genoeg rondgeloopen, we zouden dus in 't late middaguur alleen de verbouwde kerk opnemen. Toen ik haar in 1924 bezichtigde, was men nog niet begonnen, sprak zelfs van bezwaren der Rijkscommissie; intusschen puilde de gemeente - 't was op een Zondagmorgen - aan alle kanten de kerk uit. Het "Laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten. Hebr. X : 25a" op een steen boven den hoofdingang was dáar niet te vergeefs gesproken. Er zouden honderden zitplaatsen bijkomen. Nu was het werk af en 'k moet zeggen, in aanmerking genomen al 't geknoei met cement tegen tufsteen enz. van vroeger, mag men tevreden zijn. Verschillende andere ongeoorloofdheden verdienden te verdwijnen, even zoo binnen, waar de witkalk ook op plaatsen was aangebracht, welke zoo'n streekje heelemaal niet noodig hadden.
De tufsteen in den Noordbeuk met het boogfries, en de Noordelijke koorsluiting, waarvan steunbeeren en tusschengelegen muren op groote zwerfblokken rusten, vormen 't oudste gedeelte; in Zuidbeuk en Zuidelijke koorsluiting overheerscht de baksteen en komt tuf slechts in banden voor, terwijl het nieuwe front van ná 1826 toen de toren is ingestort geheel van helrooden baksteen is opgetrokken. Die gevel doet het zeer goed. Ter weerszijden van den ingang zijn gebeeldhouwde bloemslingers aangebracht, bovenop den muur een houten fronton, waarboven 't houten torentje, van kleur rood en grijs, met omgang en korte ingebogen spits oprijst. Tusschen 't groen der kastanjes van het kerkplein komt alles aardig uit, alleen op afstand heeft het torentje geen effect: tot het stadssilhouet draagt het weinig bij. Op een der heuvels ten Zuiden van de stad staand, moet men het zóeken. Rijssen heeft trouwens geen mooi silhouet, vooral niet aan dien kant. Een páar fabrieken en fabrieksschoorsteenen bederven, wat misschien een heele massa, op haar manier dan altijd, weer goed zou maken. Het schoon van Rijssen, dat is meer In de stad te vinden, in verscheidene haast ongeschonden bochtige straatjes, de Wal- en de Bouwstraat met haar rijen Twentsche boerenhuizen, puntdak aan puntdak een en al ernst en waardigheid, dan aan den buitenkant - uitgezonderd de zijde van Holten met "Höfte" en "Haar"; en wat daar verder aan schoonheden te vinden is, dat ligt in de zeldzaam bekoorlijke omgeving,

Ned. Herv. Kerk en lappenmarkt

Het inwendige der kerk was dan veel ruimer geworden, al beweert men, dat het nu reeds weer te klein is. De eiken preekstoel, indertijd "opgeknapt", d.w.z. wit geverfd en met gouden blezen "versierd", is gelukkig in de oorspronkelijke gedaante hersteld. Een zandlooperhouder vond ik er niet aan wel een koperen bakje waarin - zei bij vorig bezoek de koster - "de doopouders de centen leggen," Een koperen doopbekkenhouder: mansarm en hand met verticale staaf waarop 't bekken in drie armen rust, is daar ook bevestigd, Het grafmonument, van marmer volgens de V. L. maar meer uitziend naar zandsteen, ter eere van de "Hoch Wel Geboren Vrouw Frederica van Ittersum Geboren tot Gerner Aö 1650 Weduwe van Willem Diderich van Schade Heer van Landegge obiit Aö 1729 Den 9 December" (de laatste drie woorden later bijgehakt), draagt in rood de "driedubbele ezel" van Ittersum en den helm in rood en goud met 3 roode vaantjes bovenop van Schade, en vele kwartierwapens, waaronder dat van "Vos v: Steenwijk v: Batinge"; het Batinge dat wij op onzen tocht door Drenthe 't vorig jaar bij Dwingeloo leerden kennen. De voorstelling op 't bovenstuk, doodskoppen en geraamten in beweging gekomen, tot leven gewekt - "en de beenderen naderden, elk been tot zijn been ... toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hunne voeten, een gansch zeer groot heir" (Ezechiël XXXVII) - onder 't bazuingeschal van een der hooger zwevende engelen, behoort m.i. niet op deze plaats waar men eerder eene opstanding uit de graven
zou verwachten. Wat de eigenlijke beteekenis van de aangehaalde bijbelplaats niet is, noch van deze afbeelding.

Wij namen afscheid met een "tot vanavond". Ik ging naar 't hotel en na me aldaar geïnstalleerd te hebben verdiepte ik mij in den "Gids". Het hotel ligt aan 't Schild, naast de kerk en tegenover 't raadhuis. Die overbuur heeft geen aangenaam gezicht, maar de kijkjes in twee, drie straten van welke een, de Haarstraat, loodrecht op de beide in elkaars verlengde gelegen andere staat, terwijl alle drie op het Schild uitkomen, zijn de moeite waard.
Dat Schild is en was het belangrijkste punt der stad, hier is veel gebeurd en gebeurt dagelijks nog allerlei, dat bezienswaardig is. En twee malen des Zondags trekken honderden kerkgangers er overheen. Dan ziet ge de vrouwen in zwart, soms donkerblauw of groen jak met schootje alleen aan de achterzijde, vóor een schortje, lange iets uitstaande rok, gladde kap met geplooide strook naar achteren over nek en schouders. 's Avonds wandelen daar de meisjes twee aan twee (of jongen en meisje), ook in 't zwart met tot een driehoek gevouwen zijden doekje rond den hals geknoopt, een punt naar achteren. En zooals ze loopen is 't reeds eigenaardig, tenminste voor een stadsmensch gewend aan het gewiegel der hedendaagsche jongedames: de statige Rijssensche schoonen houden 't bovenlijf kaarsrecht en zoo stil mogelijk in 't gaan, zij bewegen zoo te zeggen alleen de beenen.

't Spreekt vanzelf, dat mijn lectuur telkens onderbroken werd. Twee dezer onderbrekingen waren voor 't leven der stad veelzeggend. De eerste veroorzaakte een stroom menschen, komend uit de Spoorstraat en zich in verschillende richtingen over het Schild verspreidend. De jutefabriek van Ter Horst ging uit! Nu heeft iedereen wel eens eene fabriek zien uitgaan, 't geen hem op de een of andere wijze kan getroffen hebben, maar 't kan hem ter wereld niet zóo getroffen hebben als het dat in Rijssen doet. Ook niet elders in Twenthe. Ziet ge bijv. in Oldenzaal de arbeiders van H.P. Gelderman voor 't hek hunner fabriek staan wachten, dan valt het u niet in, in hen iets te zien dat hen onderscheidt van alle andere textielarbeiders. De arbeiders van Ter Horst hebben zooiets. Ziet hen vlug over 't Schild loopen, in rijen van vaak vier tot acht, de meisjes gearmd, in eene kleeding welke weinig heeft van wat men gewend is fabrieksarbeiders te zien dragen, in boersche kleeding zoodat men zich afvraagt, waar loopen deze landbouwers in grooten getale zoo vlug heen? - want dát zou immers eene bijzonderheid van boeren wezen, niet het groote getal maar het vlugge loopen. De tweede onderbreking gaf daarop iets als een antwoord. Uit dezelfde straat stapten, tegen schemerdonker, nu niet vlug en op rijen doch heel bedaard en zoetjes achter elkander aan, een massa koeien. Zij ook gingen over 't Schild en verdwenen in verschillende straten en straatjes. Sommige werden begeleid, andere schenen vrij te loopen en zelve haren stal te vinden. In vroeger dagen, vertelde mijn hotelhouder, kwamen de meesten uit eigen beweging huiswaarts, doch sinds de spoorweg in gebruik is waarover zij, van de Mors (de ± 180 H.A. groote gemeenteweide) komend, heen moeten vinden de eigenaren 't veiliger daarop eenig toezicht te houden. 't Kon eertijds ook gebeuren, dat zij eens niet op tijd waren, dan trok 't geheele gezin uit om haar te halen. Met die buitengewone zorg voor de beesten, welke hun welzijn bovenaan schijnt te stellen; want kwam het voor dat de kinderen 's avonds om tien uren nog niet in huis waren, dan lieten de ouders soms eenvoudig een achterdeurtje open en gingen naar bed ... Zoo begreep ik uit een en ander, en den volgenden dag, na eene wandeling door de stad met talrijke van de straat afgekeerde boerenwoningen waar de hooiwagen voor de deeldeur stond, nog beter dat vele Rijssenaren het beesten houden en den bouw niet geheel verzaakt hadden. Wel doen ze 't meer en meer: de dagen toen overdag 600 koeien de Mors bevolkten zijn voorbij. Het dagelijksche heen-en-weer, om begrijpelijke redenen, is een last en om de verdienste, van een of twee koeien trouwens gering, behoeft men 't nu de fabrieksloonen bevredigend zijn niet langer te doen. 'I Is echter de vraag of de gemeente, nu het weiden zooveel minder opbrengt, de groote onderhoudskosten aan het op peil houden van den ouden hei grond verbonden nog langer dragen wil en niet, althans aan een deel van het gunstig gelegen terrein, eene andere bestemming gaat geven.

De avond ging zeer genoeglijk om. Ik wil den Gids niet trachten na te maken door er veel van mee te deelen; dit is zeker (zonder het boekje onrecht te doen), het mooiste dat de meester weet staat er er niet in, dat kan hij alleen vertellen. 'k Bedoel niet sommige verhaaltjes, daar verzwegen behalve uit plaatsgebrek omdat hij zijn stadgenooten een warm hart toedraagt en niet zou willen, dat de onverschillige buitenwereld zich over hen vroolijk maakte. Och, grappige anecdotes bestaan er van stad en dorp, al zijn ze vaak typeerend, 't betreft toch slechts een kantje en raakt vaak niet het diepste en beste in die menschen. Maar ik bedoel dat ge hem hooren moet, waar noodig in 't eigen forsche dialect, om van bijzonderheden 't meest te kunnen genieten. Hoe leeft dan de geheele belangwekkende historie van 't Rijssensch verleden voor u op! Vooral daar waar hij, die zelf door vader en grootvader stevig in dat verleden staat, uit hunne nalatenschap rijk aan gebeurtenissen, verhalen en gedichten - op welke laatste punten de vader, naar 't mij bij helaas vluchtige kennismaking voorkwam, niet voor Meester Heuvel onderdeed - het leven zijner stad toelichtte. Wij die te dikwijls nog 't goede oude dat verdween betreuren, kunnen hier als elders, waar 't nog in sommige menschen blijkt te leven dankbaar erkennen, dat de geest van al dat mooie over ons en onze kinderen weer vaardig worden kán. Immers, het wanhopige "komt nooit weerom" van een tijdje geleden vindt vandaag al niet meer zoo gemakkelijk instemming. De volkskunde, niet voor niets propagandistisch, blijkt zelfs ten deele eene "technische wetenschap" te zullen worden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen