donderdag 30 januari 2014

Wandelingen door Nederland - Overijssel (1928): Rijssen

Tegenover het raadhuis zat ik den vorigen avond, voor de gelagkamer en aan de drukste zijde van het Schild; nu, dezen morgen, in de ouderwetsche achterkamer aan het stille kerkplein, met uitzicht op de kerk. Daar was het donker door 't dicht gebladerte der bijna de ramen rakende takken. Ook was er weer wat anders te zien. Vooral binnen. Een zware schouw in eenen hoek, met paarse tegels waarin twee groote figuren van telkens vier, een gegoten plaat over de geheele breedte, in 't midden hooger, waarop engelen en paardje , en middenop den boezem 't stadswapen: het beroemde rijsje. Koperen pan en schuimspaan, aan een spijker. Eenige meubels, commode, penanttafeltje, spiegel in vergulde lijst dragend zeis, hark, dorschvlegel, hoed, mand met appelen enz. Een porceleinkastje waarin drie goede borden, wat sierlijke wijnglazen. Verder een paar tinnen koffiekannen, tinnen borden op de schouw. Dit alles ware nog niet zoo bijzonder indien daar niet bijkwam, dat het meeste uit het kasteel de Grimberg afkomstig is, bij zijn afbraak ter belooning eener langdurige dienstverhouding gekregen, of ook gekocht. De Grimberg, vele eeuwen oude havezathe, waarvan meester v. W. gisterenavond eene zoo romantische geschiedenis vertelde, van dien Duitschen ambachtsman, bij den timmerman Peddemos te Vriezenveen in dienst, die, na allerlei wederwaardigheden in West-Indië rijk geworden, in 't land teruggekomen de havezathe, welke hij als arme knecht reeds begeerde te bezitten zoo vaak hij, naar Rijssen op karwei gaand, haar passeerde, kocht en, als op dat oogenblik eenige collator met volmacht van de andere havezathen, den zoon zijns vroegeren patroon tot het predikambt te Rijssen beriep.
Ook elders vindt men overblijfsels van dat Huis, zoo aan een kleine woning in de Bouwstraat: twee zandsteenen vleugelstukken en eene gevelbekroning met leeuwenkop, alles wit en geelbruin geverfd en niet mooi. Wij bekeken verscheidene gevels uit de 17e - begin 19e eeuw, een in de Walstraat van 1728, een trapgeveltje aan 't Smittenend (oude straatnaam, met andere niet lang geleden in eere hersteld) van 1664, het kappershuis aan 't Haareind met jaartal 1750, een halsgevel aan het Schild (waarop mijn hotelhouder, oneerbiedig, een der masten van zijne radio-installatie had geplaatst), een veel deftiger heerenhuis met Ionische pilasters, enz. In gezelschap van den meester die, doordat hij iedereen en iedereen hem van de banken zijner school af kende, overal vrijen toegang had, kwam ik ook hier en daar binnen; wanneer de menschen niet thuis waren trokken wij eenvoudig aan 't riempje van de bovendeur waarmede de klink werd opgelicht, en zoo was 't ook goed. 'n Aardig inkijkje, over de donkere deel door de ruitjes der keukendeur in de lichte keuken. Soms vonden we er kostbaar meubilair, kasten die in het deftige heerenhuis met de Ionische pilasters een goed figuur zouden maken, en een lange rij borden afwisselend Delftsch blauw en tin, een heerlijk gezicht. Aan verkoopen, begeerige lezer, wordt echter niet gedacht want het geld heeft men niet noodig, gelukkig niet, de stad zou er slechts bij verliezen. Toch waardeerden de eigenaren hun mooie dingen maar matig. Ergens toonde me de gastvrouw een glazen kastje vol kopjes en ander klein goed: niets aan, vond ze. ,,'k Zou er nog geen dubbeltje 't stuk voor geven." In dat huis hing ook een letterdoek, waarop behalve 't Abc de verspieders, komende van het land Kanaän met den geweldigen druiventros uit het dal Eskol (Numeri XIII, 23), gemerkt waren. Eene voorstelling welke onzen voorouder in hun land van melk en honig vloeijende zeer geliefd moet geweest zijn, want men vindt ze op honderd verschillende voorwerpen. Iedere aandachtige bezoeker van 't Muiderslot zal zich haar herinneren, van een groot geelkoperen bord in de keuken. Bij Katholieken zagen we weer andere, in den geest van hun geloof, zoo eene Maria O. Ontvangenis, met engeltjes en ankers in de hoeken. - Op sommige deuren, van winkels, viel op dat de bewoner - zeker ter onderscheiding van eenen naamgenoot, met het oog op de klanten - achter den eigen naam zijn bij de stadgenooten in gebruik zijnden "scheldnaam" had laten schilderen ...

Walstraat


En toen werd het langzamerhand tijd om bij een der kerkvoogden op bezoek te gaan. 'k Had nl. naar oude papieren gevraagd. Op 't raadhuis was niets meer, alles verbrand of lang geleden zoek geraakt; maar de Ned. Herv. kerk bezat een archiefje waarin wellicht wat zou te vinden wezen, dat niet of slechts ten deele beschreven was. Een enkele morgen ware niets voor een groot archief; voor een paar notulenboeken kon hij toereikend zijn, ik wilde althans probeeren.
De kerkvoogd bleek een vriendelijk man. De boeken lagen klaar, hij zette zich tegenover mij aan het tafeltje en gaf alle gevraagde inlichtingen, met groot geduld, twee uren lang. En om 't bezoek nog interessanter te maken dook hij af en toe in een kamertje achter dit, waaruit hij verscheidene merkwaardigheden te voorschijn haalde. Daar was eene tabaksdoos bij welke in Twenthe, in "het dankbare Overijssel". een reliek zou kunnen zijn nl. de tabaksdoos van Thomas Ainsworth. Een lid der familie Koedijk van hotel "De Kroon" - tegenover 't mijne ook aan het Schild en reeds drie eeuwen door haar bestuurd, vroeger posthuis - had haar van Ainsworth gekregen, ter belooning van zekere bewezen diensten, en later aan den kerkvoogd overgedaan. Een prachtig ding, parelmoeren boven- en onderplat en zilveren ingebogen tusschenkant. Op 't parelmoer waren sierlijke krullen, gestyleerde planten gegraveerd, op het deksel rondom een wapen, heel anders dan dat op 't grafmonument: een baar, in de beide kwartieren een gesteeld hart, het schild gedekt door eenen helm waarboven putje met opgehaalden emmer. Mogelijk dat van eenen eigenaar vóor Ainsworth.
Er waren drie boeken, het oudste begint met 1738. (Het voorafgaande: boek (1615-1737), zeer belangrijk, is tusschen andermans boeken buiten 't archief geraakt: er wordt naar gezocht.) In 1739 is predikant H. Immink; naam in die streek, ook bij Delden, welbekend. 1743: mededeeling over het witten van de kerk, dan reeds geschied en betaald. Juist kwam van Ernst van Ittersum eene gift binnen, groot f 25.-, voor dat doel. Zoodat men den predikant verzocht, het geld "maar ergens anders toe, dat noodigh is en syn opsigt op deze kerke heeft, te willen besteeden". " ... de kerkmstr Jan ter Horst geordoneert om de Galmgaaten aen den tooren onder de Luyfel wat grooter te laaten maaken op dat de klokken te beter konnen gehoort worden." - Op de vergaderingen van collatoren, kerkmrs en predikant vertegenwoordigen burgemeesteren de stad Rijssen, de kerkmrs de boerschappen. Telkens handelt men over koop of verkoop van "een sitstoel" ; bijv. omstreeks 1750 is verkocht "de halfscheyd of het onderste deel van een houte gestoelte of sittbank staande in deze kerk aan de Noordzyde van 't gestoelte van den Heer tot Eversbergh, voor de somma van 28 gulden." Volgt een mededeeling over eene leverantie vloersteenen in de Wheeme (= predikantswoning), en verscheidene over zoogen, uitgangen. Dit waren kleine pachten of andere geldelijke verplichtingen, rustende op stukken land, huizen enz. De predikant had daar eenig voordeel bij, waarom hij de lijst eens nazag en ontdekte, dat éen uitgang over 't hoofd was gezien, welke n.b. van 1625 af had bestaan. Wordt daarover opnieuw genoteerd, “dat gemelte Erve beswaart was met een uijtgang van 2 mudde Roghe sjaarlyck aan de pastorije van Rijssen." 's Mans inkomsten waren niet groot, zoodat oneenigheid tusschen het kerkbestuur en hem over zeker "emolument", hem toekomend, dat genoemd bestuur op eenen dag meende te mogen inhouden, dubbel onaangenaam was. Na vele deliberatieën, waarmede bladzijden gevuld zijn, worden de f 6 - 16 - voldaan.
Op de rekening en verantwoording, telken Jare door kerkmee ters gedaan paraisseert in 1801, onder 't hoofd aangeschafte benodigdheden "een spinnejager - 13 –“ Wijders, “ aan J.W. Koedijk tot verteering van de collatoren op het stadhuis van wegens de koude .f 1 - 2 -. Onder de inkomsten blijkt, dat het verhuren van de kerkeladder een kleinigheid opbracht. Veel had men trouwens niet noodig, er was een flink batig slot, zie op 1810: Inkomsten f 255 - 10 -, overschot 1809 f 118 - 3 - , waartegenover Uitgaven f 261 - 2 - 14, blijft over f 112 – 10 - 10. - Van 1807 af is G. van Wijngaarden, de schoolmeester en adjunct-maire die zoo goed Fransch sprak, custos en scriba; men ziet het aan de keurige hand. 't Schijnt, dat men voortaan tijdens de vergadering 't verslag opmaakte, door den scriba later in het boek overgeschreven; ook de onderteekening is van zijn hand met een "was get. “ Vroeger teekenden de heeren zelf in ’t notulenboek, van Heerdt (op den Eversberg ), van Ittersum, of een T of kruisje waarnaast "dit is het handt. van" enz.
Aan dezen gang van zaken en zaakjes komt in datzelfde jaar een plotseling einde. Een stoutmoedig, om niet te zeggen brutaal, verzoekschrift der R.K. door de Franschen overmoedig geworden minderheid brengt de gemoederen in opschudding. "Request van de kerkmannen der R.C. gemeente dezer stad, waar by zy aan Z. M. den koning van Holland, de kerspelskerk, het Pastorijhuis en kerkegoederen alhier reclameeren ... Is na deliberatie over deze gewigtige zaak besloten ... door den Heere Racer, aan den Heere Landdrost voorn: berigt te doen indienen, om ware het mogelijk, het daar henen te wenden, dat in het verzoek der R.C. gemeente, als strijdig tegen alle billijkheid, worde gedificulteerd". Gelukkig blijkt spoedig, dat de R.C. van hun eersten eisch afgezien hebben "doch hun aandeel van de kerkegoederen pretendeerden." Wederom zal men hierover "den Heer Racer te Oldenzaal consulteren." Deze stelt een request op dat voorzichtigheidshalve eerst naar den Landdrost gaat, door wien "en de andere Advokaten" men het heeft "doen examineeren". Opgemerkt wordt door die heeren, dat “alhoewel het stuk allen Lof verdiende, het zelve nogtans eenige uitdrukkingen omtrent Z. M. bevatte, die wat al te sterk waren, en het voorts al te uitgebreid was, tot het oogmerk, waar toe het moest dienen." Het kortere stuk volgt dan. De wijze raadsman, die zich eerst te zeer door het oude vuur, waarmede hij de Hattemsche patriotten te hulp snelde, heeft laten bezielen besteedde aan dit al zijn koele scherpzinnigheid. Zijne argumentatie, onder 1e 2e enz. in punten, luidt als volgt: "Dat zoo het al waar was dat eenige van die goederen afkomstig waren van R. C. voorouderen van over oude tijden, zoo als de Requestranten wilden, dan nog geenszins blijkbaar is, dat de tegenwoordige Requestranten van die R.C. voorouderen afkomstig zijn, neen, maar uit de Geschiedenis van dit Rijk is veel eer af te nemen dat van die R.C. voorouderen de tegenwoordige Hervormde Gemeente afkomstig is." Eene redeneering, welke die menschen van dézen tijd overdenken en ter harte mogen nemen, die telkens in krant of periodiek schrijven over "kerkgebouwen, welke aan de Roomschen moeten worden teruggegeven." Alsof kathedraal èn oude dorpskerk niet een erfstuk zijn óok van hun eigen voorvaderen, zoodat de Protestanten ten opzichte daarvan een even duren onderhoudsplicht hebben te vervullen!
Verder: dat "ook in de Staatsregeling van den eersten van Wijnmaand 1801. Art: 13 reeds uitdrukkelijk vastgesteld geweest is: "dat ieder Kerkgenootschap blijft onherroepelijk in het bezit van het gene met den aanvang dezer Eeuw door het zelve werd bezeten." Ten 3e weerlegt hij het bezwaar der tegenpartij, dat sommige R.K. tot den Protestantschen eeredienst moesten bijdragen, nl. door de "uitgangen". Racer toonde aan, dat dit eenvoudig "een bezwaar liggend op hunne goederen" was, dat zij ervan wisten toen zij die goederen kochten en 't dus niets vernederends of onaannemelijks inhield. Trouwen, wie er niet mede accoord ging kon den uitgang afkoopen. - De Protestanten waren bovendien verontwaardigd, omdat de R.C. eenige weken tevoren reeds een verzoekschrift om f 6000.- steun voor hunne kerk hadden ingediend, waarop ook door de regeering van Rijssen gunstig was beschikt. De actie der R.C. loopt op niets uit.
Ook in 1810 verkrijgt Ds. Cramer emeritaat. Volgens regeling door den koning ingesteld, moet hij een half jaar later zijne bediening neerleggen, hij dringt dus aan op beroeping van eenen nieuwen. Voor de kerkfondsen beteekende dit eene extra uitgave, want Ds. C. behield de rijksbijdrage groot f 200.- p. jaar tot zijnen dood; zoolang diende de gemeente haar uit eigen middelen aan den opvolger te geven. Over een drietal wordt gedelibereerd. De bezoldiging is nu f 650.-. No. 1, Ds. Verhagen Metman, vraagt of ze niet verhoogd kan worden, of men zijn personeele belasting, haardstedengeld en verhui skosten ook zou willen betalen, hierbij in aanmerking nemend, dat hij reeds in 9 maanden geen traktement ontving! No. 2, Ds. Colmschate, verzoekt om eene verhooging tot f 700.- No. 3 is Peddemos. Hij had reeds eenmaal in Rijssen gepreekt, tot groot genoegen van collatoren, en nu de collator Ludwig Eberhart Friedrich Nehrkorn, heer van den Grimberg, gewezen timmermansknecht bij des dominees vader, door omstandigheden alleen te beslissen heeft is P. Jr. na een tweede proefpreek van de overwinning zeker. En zij blijven hem graag mogen. Uit eene wat verder opgenomen briefwisseling tusschen P. en een collega te Uelsen, die hem vraagt daarheen over te komen, blijkt dat P. f 300.- verhooging heeft gekregen en ondanks den veel zwaarderen dienst toch liever te Rijssen blijft.

Hetgeen volgt is minder belangrijk of te nieuw om meegedeeld te kunnen worden. Vermeldenswaard nog dit, dat niet lang geleden eene zitplaats verkocht is, uit een nalatenschap of op andere wijze, voor f 835. - Veel geld wordt jaarlijks aan huur betaald; stoelen en banken doen van 30-100 gulden. - Onder de organisten trof ik een bekenden naam: in 1856 kwam hierheen als zoodanig Johannes Schoonderbeek, op f 200.- salaris. Hij was een oom van den grooten, helaas overleden, Johan te Naarden.

De Regge, met den rustenden oliemolen van Ter Horst

De middag werd aan eene wandeling rondom Rijssen besteed. Wij liepen 't Smittenend uit en kwamen langs de "oude" fabriek met kantoorgebouwen op den Wierdenschen straatweg, waaraan eenige buitens van fabrikanten liggen. Hier, op de brug over de Regge, genoot ik weer van 't Overijsselsch waterlandschap, op den achtergrond quasi verlevendigd door een ouden pelmolen, nu buiten dienst. Is het niet waar dat een "doode" molen het landschap op den duur geen goed doet? Wil men hem in stand houden, dan in bedrijf; de doode molen is een droevige figuur, of rijp voor 't Openluchtmuseum. - Vandaar zwierven wij door het bosch rond de plek, waar eens de Grimberg stond, nu een hooge weide binnen eene gracht, en bezochten twee boerderijtjes, min of meer "los hoes", al had men door 'n paar kasten dwars te plaatsen eene ruimte tot keuken afgeschoten. Hier zaten ze op de keitjes waarin initialen, aan den rand. Op eene plank stonden antieke brandewijnkommen, de borden echter waren leelijk nieuw. Ook bevonden de varkens zich niet langer met hen onder een dak; "dat stinkt te veel", zei de vrouw.

Daarop zijn we teruggegaan en hebben, zonder de stad te raken, achter den Oosterhof om en over den Schapendijk het heuvelland ten Zuiden bereikt. In wijden boog, langs de Israëlitische begraafplaats en de steenbakkerijen, kuierden wij naar den straatweg van Holten. Naar rechts keken we op den Esch, daar hebben de stadsbewoners hun rogge- en aardappelvelden, waar 't werk zoowat gedaan raakte; in September werd het er weer druk wanneer mannen en vrouwen, vooral vrouwen, aan 't rooien gaan. Op vele plaatsen ziet men dan de witte rook van 't in brand gestoken loof dwarrelend opstijgen. En naar links zagen we over een heuvelland met tallooze beboschte koppen en valleien, en voor ons uit, heel ver weg Noordwaarts gericht, den langgerekten heuvelrug naar Ommen. Al kunnen we 't minder waardeeren dat sommige Rijssenaren zoo weinig eigens zien in dit hun schoone land, dat zij het van verrukking met een Duitschen naam doopten, wij voelen gaarne den trots van dien anderen Twenthenaar mee, in den trein naar Enschede ontmoet, die, over Valkenburg sprekend waar hij eenige vacantiedagen had doorgebracht, Zuid-Limburg in vergelijking met zijn eigen "bergen" niets mooier vond, och wat, ,,'n luk gras, 'n luk boomen, 'n luk bergen ... " en daar tevergeefs gezocht had naar iets, dat bij zijn bosschen en weiden haalde.

Door de Haarstraat keerden wij terug. De meester was een beetje moe, al wilde hij 't nauwelijks bekennen, en ging naar huis; ik, met jongere beenen, liep nog door om 't Volkspark en het daarin gelegen groote Parkgebouw te bezichtigen. Daar is gewoonlijk druk bezoek in vrije uren, door de week nog meer dan 's Zondags. Men wandelt in den prachtigen tuin, verdienstelijk aangelegd met aardige zitjes rond de vischvijvers en bij de volière, of men zit in 't eigen gemeenschappelijk tehuis waarin lees- en conversatiezalen, een groote tooneelzaal met toebehooren enz., volgens jaartal in de windvaan van 1914, doch door den oorlog en zijnen nasleep eerst den 20en December 1919 geopend. Zijn de arbeider van Ter Horst er blij mee? Naar 't drukke bezoek, naar wat ik van enkelen hoorde en naar de merkwaardig vele tevreden gezichten in den "optocht" van gisterenavond te oordeelen, zeer zeker. Zou men niet meenen, welke theorieën men ook aanhangt, dat zoolang in den arbeid eene verhouding bestaat van werkgever tot werknemer als van "meerdere" tot "mindere" - en wie ter wereld zal eenen arbeid van gewicht verzinnen waarbij de leiding van zulke meerderen mag ontbreken? - het op den weg der leiders ligt zulke dingen te doen, en op den weg der geleiden ze dankbaar te aanvaarden?

Natuurlijk moest ik dien avond nog komen "kuieren". D.w.z. praten, of buurten zooals het elders heet. Helaas gaat het kuieren - misschien niet dat per telefoon, die tegenwoordig in Rijssen "kuierdraod" heet - de laatste jaren hard achteruit. Een oud Rijssenaar had het denzelfden dag nog tegen den meister gezegd: de kuieraovende zijn heelemaol oet. Zoo kwamen we op oude gebruiken en wat ervan over was. Heel gemakkelijk heeft het goede oude 't in Rijssen ook niet. Sinds de stadsblousjes werden ingevoerd is 't er met de burgerlijke genoegens in sommige opzichten niet beter op geworden. Doe daar eens wat aan. Het is makkelijk genoeg oude feestelijkheid als "uit den tijd" of om zekere vaak overdreven bezwaren af te schaffen, maar daarvoor iets in de plaats doen stellen dat beter is, dat is de kunst. Al gingen feesten eertijds met te veel rumoer en erger gepaard, er was ook aardigheid in; waar nu 't een met het ander verdwenen is, daar bestaat de verbetering soms alleen hierin, dat men zelf naar de winkels gaat om zijn geld te besteden en het gekochte, zonder eenigerlei omhaal van woorden of manieren, op de hoeken der straten verbruikt. Eenige dagen later in eene andere stad aangekomen, mocht ik uit de beste bron vernemen, hoe die bevolking juist tot op dat punt gezakt was, dat zij eigenlijk geen vermaken meer kende. Ze mág zoo weinig meer, en sedert zij zich in dien dwang van kerk of overheid schikte, wat zal er nog van haar uitgaan? Wie is daar die verzuimd heeft, wat het volk in zijn eenvoud uitdacht en op touw zette bijtijds te helpen veredelen? Nu spant weliswaar het tegenwoordig hoofd zich in, om althans de jeugd weer tot iets te krijgen, en niet zonder succes; maar 't kost moeite.
Wat er nog was, daarvan vertelde de meester. Van "töfelkesaovend", eene eetpartij met Oudejaar, waarvan 't stevige menu luidde: 1. een borrel om den eetlust op te wekken, 2. aardappelen met stokvisch en vleesch, 3. rijstebrei met bruine suiker, 4. chocolade uit den ketel... Het geestelijk jolijt is aan geen vaste regels gebonden. Dit is wel 't geval wanneer ze "de pipe haolen" gaan. Als iemand "ofekundigd" is, ziet men 's avoncls een 20-tal buurmeisjes door de straten trekken, eerst koopen ze een lange Goudsche pijp, versieren den steel met kunstbloemen, doen er tabak in en terwijl een van haar rookt zingen ze onder t loopen.

Wi goot de pipe haolen
Zoete lieve Gerritje
Wi kun 't ook wel betaolen
Zoete lieve meid.

Wi hoeft 'm niet te poffen
Wi goot nog niet op sloffen
enz.

Bij den bruidegom aangekomen, biedt men hem de pijp aan; op de bruiloft moet hij er uit rooken. Meteen wordt een huwelijksgeschenk, iets voor 't huishouden, gegeven. De bruigom trakteert daarop de meisjes in 't huis zijner bruid De pijp wordt later op ‘t linnengoed gelegd of voorin de kast bevestigd; breekt ze, dan is dat een slecht teeken. Ook de fabriek viert de bruiloft mee: het bruidje vindt hare schort met bloemen versierd, zoo haar weefgetouw; den bruigom houdt men op aardige manier wat voor den mal, bijv. in verband met zijnen bijnaam.

Na zoo’n dag is een menschengeest: vol. Het is of ge 't geheele stadsleven gefilmd hebt, in 't duister ziet ge een lange rij beelden van den afgeloopen dag en meent nu toch heel wat te omvatten. Totdat het tot u doordringt dat voor omvatten de tijd nóg te kort was. Wat weet en begrijpt ge al van deze menschen? Daar sta ik weer voor de moeielijkheid. 't Is veel gemakkelijker snel door te reizen. Doe vluchtige indrukken op en praat naderhand over "de bevolking" naar aanleiding van een uit den mond des hotelhouders, bij wien ge een glaasje gedronken hebt, opgevangen gezegde, een paar in den "Gids voor Twente" gelezen bijzonderheden, en meer toevalligs. Zet u eens hier en daar bij de menschen neer en luister wat langer. Wat is dán een dag, eene week? Hoevele dagen moest ik blijven om volledig inzicht te hebben in hun verkeer en in gewichtiger dingen als bijv. hunnen godsdienst? 'k Dacht aan mijn vrienden op Enterbroek: kwam ik in 't naburige Rijssen om te hooren, dat "die lui uit Enter" slim en gevat zijn op eene wijze, dat men er van "Entersvoel" praatte of gepraat had? Ligt het alle misschien in 't verleden, ook hun "vinnigheid" op de jenever waarmede zij eens door die van Twickel gevangen werden toen zij, de boeren rond 't Cattelaer, het graafwerk aan de Twickelsche vaart trachtten te verhinderen? Evenzoo vertellen andere "buitenlanders" kwaad van de Rijssenaren: hun godsdienstigheid, eeuwig theologiseeren, had niet veel om 't lijf. Bijbelvast waren ze, zóo vast, dat ze aan een paar plaatsen als gelascht zaten. Doch ik vraag mij af, zou men zich week aan week over een paar bijbelplaatsen druk maken? Zou men kerksch wezen over bijna niets en den last op zich nemen, 't weer in andere vormen te zijn - er bestaan daar drie afgescheiden gemeenten - om niets? En de gansche kerk in eene richting kunnen drijven zonder eigenlijke kracht? Toen viel mij een klein voorval in, van dezen middag. Wij slenterden door de Haarstraat op weg naar huis. Als gewoonlijk, met de belangstelling waaraan men den vreemdeling herkent, liep ik middenop den rijweg en keek links en rechts de gevels aan. Ergens bij een der oudste huizen stond een man die, mij zoo bezig ziende, ons iets toeriep en twee groote deeldeuren begon te openen. Voor den dag kwam: een balk met opschrift, waarnaar hij meende dat ik zocht: FERLAT DI NICHT OP ERSCHE DINGE DAT T1TLICK GOT FOSSWINT GERINGE WAT D IE MENSCHE WIESELICK DOT DE DAER SOC DAT
EFGI GOT ANNO 1656.
Kan de vreemdeling op éenen dag meer te weten komen dan dit: al het kwaad dat de ‘buitenlanders’ gesproken hebben, voor zoover het kwaad is dat de Rijssenaren doen, moet zijn gelijk eene deur voor een goede spreuk? Dit, lezer, is de verklaring van het zinnetje in mijn reisdagboek, - Voorloopige samenvatting: een goede spreuk achter een deur; kan verschrikkelijk klemmen, maar staat ook vaak wijd open.'

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen