woensdag 8 augustus 2012

Wij trekken door Twente en Salland (1935): In de IJselstreek

In de IJselstreek

Door JAC. VAN DAM.

Hier, in het IJseldal, is het vagebondeeren een lieve lust. Wij streken vanavond neer niet ver van het dorp Gorssel, een typisch Geldersche boschgemeente tusschen Zutphen en Deventer. Wij bouwen onze tent op een open plek in een mooi dennenbosch, bij den straatweg naar Zutphen, in de buurtschap Eefde waar vele groote en kleine landhuizen staan. Hoog en goudgeel staat de rogge op de akkers, die ons bosch omringen, met hier en daar een klein doorkijkje over weiden.

Afbeelding: Aan den IJssel. Tegenover ‘t veer van Gorssel

De man, die stroo ging koopen en op drinkwater uit was, komt opgetogen weerom. Zijn kennismaking met dorpelingen, die noch schuw, noch achterdochtig zijn en, zooals hij beweert, de vriendelijkheid zelve, hield schoone beloften in. 't Klopt, want buurlui-kampeerders hebben het ook al over de gemoedelijkheid van deze aan vreemdelingen gewende Gelderschen, die tegelijk een merkwaardige folklore-reputatie bezitten, vroolijk verworven op binnen- en buitenlandsche reizen ter demonstratie van plattelands-volksdansen, uitgevoerd door een groep jolige Gorsselsche boeren. Dat past hier allemaal wonderwel in de sfeer van de streek met een bevolking, die van landbouw en veeteelt leeft en die het geheele jaar door met vreemdelingen verkeert: pensiongasten, verblijvend in villa's en flinke, groote hotels. Onze kamp-buren verhalen van hier doorgebrachte week-ends, zoo huiselijk, alsof dit kamp een volkstuintje is, waar het ordelijk toegaat, maar toch de afgepaste gewoonten van het eigen thuis het bosch zijn ingestuurd.
Denzelfden avond al gingen we baden in den IJsel. Daarvoor moesten we een eindweegs het Noorden in, langs den straatweg naar Deventer, de dorpskom door, tot aan den Houtwal, een los- en laadplaats aan de rivier. Een welverzorgde bad-inrichting, niet te groot en heelemaal niet te duur, wachtte ons daar. Met klatervroolijke baadsters en zwemmers, die na de plaspartijen met ons gingen naar de oude boerenherberg aan de rivier, waar men goede thee en geurige koffie opdiende. Wij genoten in een rozengaarde van het uitzicht over schilderachtige rivierbochten, waarin langzaam zware, diepgeladen tjalken vergleden en nijdig-scherp motorbooten puften. Hier is het ook de vaste pleisterplaats van waterkampeerders, die komen in ranke kano's of sierlijke zeiljachten. Zij slaan hun tenten op tegen de zandige oevers der rivier, achter wuivend riet en akkermaalshout. Hengelaars onder hen zitten er wijsgeerig op hun dobber te staren en willen niet gestoord zijn bij hun jacht op dikke voorns en bleien.
Den anderen dag op boerenvisite, zien we, hoe welvarend deze bevolking is en hoe zij alles in de puntjes begeert te hebben. Op een dagtrip werden we dat nog meer gewaar. Wij zagen eerst, dicht bij ons kamp in Eefde, de geweldige sluiswerken van het Twentekanaal, dat hier in den IJsel uitmondt.

Afbeelding: De sluis van het Twente-Rijnkanaal te Eefde (Gorssel) bij den IJsel

Even verder stroomafwaarts aan de rivier ligt de stichting Nederlandsch Mettray, een opvoedingsgesticht voor jongens. Wij gingen naar het Noorden langs den Rijksstraatweg
en even vóór de dorpskom volgden we een handwijzer naar het slot "Nijenbeek". We konden er heen varen, na een wandeling over sappige weiden, over de rivier. Het slot staat op het gebied van Voorst en mag worden bezichtigd. Het is een roofnest geweest van Karel van Gelre, die er de voorbij komende schippers en kooplieden placht uit te schudden en te berooven. Even verder stroomafwaarts ligt het fraaie landgoed “de Poll" met ook hier schitterende parken en diepdonkere bosschen. Met daartusschen alweer twee zwembaden tegelijk, op den weg naar het dorp Voorst. Het lijkt wel, alsof deze dorpers hier half op het land en half in het water leven!
In Gorssel terug, bij het dorp, mochten we ons vermeien in een heerlijk schoon park, "het Amelte", met dichte dennenbosschen, lanen van oud loofhout en zonnige weiden, omzoomd door berken, wier zilverige stammen in scherp contrast afstaken tegen het diepe donker van de dennen er achter.
Wij gingen over den breeden Stationsweg naar het landgoed 't Joppe, door breede lanen van forsche beuken. En .... heerlijkheid voor jonge trekkers, daar stond, aan den weg naar Bathmen langs de "Drie Kieviten": een in het hout verscholen boerenbehuizing met café, de jeugdherberg "de Kleine Haar". Het is een mooi houten gebouw in Noorschen stijl. Er komen jaarlijks duizenden gasten. Wij hebben hier vele sportieve ruiters gezien, die van de landelijke rijvereenigingen op hun dikke, welgedane rossinanten en de welverzorgde paarden van een manege bij Gorssel.
Van "de Kleine Haar" trokken we, over rulle zandwegen met diepe karresporen, langs de buurtschap Harfsen, naar het vriendelijk gelegen dorp Almen, deel van Gorssel, waar Staring's "Hoofdige boer" is geboren en de gemeente Deventer een vorstelijk ingericht sanatorium bezit, het "P. W. Janssen Ziekenhuis", te midden van koele beukenbosschen. Men heeft ons hier een wondermooien weg gewezen, over een wijd heideland en door het duister van dichte bosschen, over 't Joppe, naar de kleine buurtschap Epse, wederom een deel van het groote Gorssel. Overal staan daar groote en kleine boerderijen tusschen de duizenden bunders met goudgeel graan bezet bouwland.

Hoe talrijk zijn onze tochten geworden, van het vroolijke Gorssel uit ondernomen. Wij reden op een mooien, warmen zomermorgen naar Borculo, teneinde een bezoek te brengen aan het boerenmuseum "de Lebbenbrugge", waarin al het goede oude van het Geldersche boerenleven met kennis van zaken wordt bewaard.

Afbeelding: Boerderij bij Bathmen

Op een anderen dag begaven we ons Overijsel in, aan den kant van 't kleine Bathmen. Van de jeugdherberg “de Kleine Haar" af is dat een wandeling van een uur en de weg voert langs een fraai kasteel, “huize Dorth", met een paradijsachtig park er bij, toegankelijk na het
halen van een toegangskaart. Bathmen zelf ligt alweer in de bosschen als verscholen, aan de pas genormaliseerde Schipbeek, waaraan de dorpers de gasten graag laten kampeeren, omdat vreemdelingenbezoek voordeelig is en vertier brengt. Men kan ook hier alweer zwemmen in mooi, frisch beekwater, overhuifd, door oud loofhout.

Van Bathmen af, over den Rijksstraatweg Deventer- Almelo, lokken in het Oosten de hellingen van den Holterberg en naar het Westen ligt het wijde Salland voor ons, waarin de beken uit het Geldersche en Overijselsche land hun water storten, dat wordt afgevoerd op den IJsel. Die straatweg naar Deventer gaat dwars door heerlijkheden van den eersten rang. Hier ligt het geweldig groote landgoed "de Bannink", waar de jachtopziener Wassink ons gratis een wandelkaart uitreikt op de conditie, dat wij hem zullen helpen, de natuur te beschermen. Er zijn rijk van allerlei veldgedierte voorziene wildbanen, met weiden, grauw van de konijnen en waar fazanten pronken in het zonlicht. Hier is ook nog heide. Wij zijn er heen gegaan om de stemmige kleuren van de erica te genieten, als ze bloesem draagt. De imkers hebben er de bijen heen gebracht in korven en kasten, dikke hommels klemmen er zich met hun volle gewicht vast aan de dicht met geurige bloemen bezette heidestruikjes, om zoo hun deel te krijgen van den zoeten, schier onuitputtelijken voorraad, die zoo geurt, dat zelfs het groote levende harsreukwerk van de dennen tijdelijk in de minderheid komt te verkeeren. Tegen den avond is hier de heideweelde misschien wel het best te genieten en dan, voor de vroege wandelaars, in den morgen, als de zon er door is, want er behoort zonnebrand bij voor overdag, nagebleven warmte voor den avond tot tegen den nacht daar een parelgrijzen nevel trekt over de terreinglooiingen. Wij hebben er ons neergezet, zoo maar te midden van de bloeiende struiken, bij een aanplant van jonge dennen, die nog nauwelijks uitsteken boven de bodemruigte. De avond is hier overheerlijk. Terwijl de gouden zonneschijf wegzinkt aan den IJselkant van het landschap, voelt men aan den lijve het einde van den langen zomerdag. Het oog vindt geen steun meer aan vaste omtrekken, die snel vervagen en die het eerst verdwijnen in de boschgangen, waar alleen de berkenstammen het licht nog vasthouden, totdat ook daar de nacht komt en de kleine mensch wegvlucht. Wij hooren nog lang, in onze tent, naar de verre geluiden, die van den straatweg komen en van de niet zoo veraf gelegen stad, Deventer. Wij zwaaiden voorloopig om de stad heen. Deventer is mooi en goed en alles uit den omtrek trekt er heen, om te markten en te winkelen, maar kampeerders zoeken liever de ruimte van het land. Daarom trokken we van Colmschate uit langs niet al te breede wegen Diepenveen verder in, waar kampeerders zich helaas niet mogen nestelen, doch dat hindert trekkers niet, die wel buiten de grenzen van Diepenveen hun tenten kunnen opslaan en inmiddels genieten van den Diepenveenschen overdadigen boschrijkdom, nog nauwelijks door de inwoners In exploitatie gebracht. Het niet druk bevaren Overijselsch Kanaal, dat van Deventer een tak heeft naar Lemelerveld, ligt prachtig in het ruige land. Er zijn grappige vlotbruggetjes in, waarop onze auto een raren wip maakt. In het oeverriet kwinkeleeren vogels en boven het water dansen juffers op bruidsvlucht. Volgt men het kanaal, dan komt men in Raalte terecht, tusschen bosschen en landerijen door, waar vroeger veel ijzeroer is gegraven.


Verderop Diepenveen in naar den Westkant loopen zooveel wegen, dat er een terreinkaart bij noodig is, om er uit wijs te worden, waarheen we het eerst en het best de landgoederen zullen vinden, die hier den wandelaar wachten. Een van de mooiste is "de Kranekamp", eigenlijk gesloten voor publieke wandeling, tenzij men den eigenaar of den jachtopziener weet te bewegen, den prachtigen aanleg te laten kijken. Ons is dat gelukt en het oponthoud werd rijkelijk beloond door het uitzicht over roerlooze vijvers, boschpartijen, die als reusachtige coulissen staan op een geweldig groot tooneel en langs de Soestwetering, die, van den Holterberg komend, hier romantische plekjes schept. Dichtbij kleppen, devoot, de kloosterklokken van "Sion", een abdij der Trappisten.
Even verder is, langs den Averloschenweg, een ander landgoed, "de Hoek", zóó door een publieken weg doorsneden, dat men er naar hartelust kan dwalen langs en over de schoonste natuurtafereelen. Het is hier een mooi voorbeeld van goede ontginning zonder natuurschennis. Vroeger ontoegankelijk bosch met moerassen is nu zoo gecultiveerd, dat mooie boomgroepen bleven staan en daartusschen open plekken uitzicht geven op andere bosschen. Hier staat hout van eeuwen, aan wegen, die niet door het groote verkeer zijn aangeraakt. Uit de bosschen komt de fijne geur van paddestoelen ons tegen. De bodem is bedekt met gevallen blad van beuken en eiken en overal staat prachtig boschopslag in allerlei kleuren. Reeën kruisen onzen weg in den vroegen morgen. Ander wild is veel brutaler en nadert onbeschroomd den passeerenden wandelaar.

Diepenveen is zoo houtrijk als bijna geen andere gemeente in deze omgeving. Wij komen in de dorpskom, die ons weinig aantrekt en daarna bij het fraaie, groote landgoed "Rande", waar spoedig bij den boschbaas of den jachtopziener een wandelkaart is verkregen. Ook hier weer de heerlijkste waterpartijen en zware lanen, waarvan er een uitkomt op den Rijksstraatweg naar Zwolle waarlangs we de overschoone IJselstreek ver kunnen overzien en waar onze blik lang blijft rusten op het diepe groen der uiterwaarden.
Naar Olst toe trekt ons onweerstaanbaar het oude kasteel "de Haere" met zijn dichte bosschen en glooiende begroeide terrassen, waarvan de ondergrond bedekt is met bruin beukenblad, dat in de zon schittert als oud goud.

Afbeelding: Kasteel “de Haere” te Olst

Olst zelf is een genoeglijk dorp met fabrieken van worsten en andere conserven. Het is er, als in Gorssel, alles buitengewoon welvarend en het uiterlijk der huizen getuigt daarvan mede. Wij hebben alweer hier de voor kampeerders direct aangewezen plaats opgezocht, aan den IJselkant, met het uitzicht over den breeden stroom. Ook hier is een zwembad, dat den moeden vreemdeling graag ontvangt ter verkwikking. In het middaguur maken we, langs den IJseldijk Noordwaarts, een tochtje naar Wijhe, een ander lJseldorp, waar, evenals in Olst, veel wordt gedaan aan fruitkweekerij en de boomgaarden prachtig zijn verzorgd. Wij hadden het buitenkansje, gedaan te krijgen, dat we op het kasteel "de Gelder", van baron De Vos van Steenwijk, met inachtneming van gepaste bescheidenheid mochten wandelen, ook in een heerlijken fruittuin, die zoowaar zelfs vijgen voortbrengt.
De weg naar Olst terug kozen we langs binnenpaden, smal voor wagenverkeer, doch voldoende bij voorzichtig gebruik. Die wegen daar hebben duizend bochten om kapitale boerenplaatsen heen. Van Olst uit gaat een fraaie binnenweg langs het kasteel "Hoenlo" en langs het buiten "Wijnbergen" naar Deventer. Vergeet daar niet, te vragen naar het buiten "de Hei", van den heer Dikkers, te Diepenveen, die ook al weer den wandelaar, die zich weet te gedragen, graag zijn gang laat gaan. Daar wachtten ons bij een bezoek de heerlijkste tafereelen, die de IJselstreek in het beboschte land kan bieden, met overschoone onderplantingen onder het zware hout en een boerderij te midden van golvend graan.

Afbeelding: Het buitengoed “de Hei” te Diepenveen

Diepenveen heeft trouwens, aan den Raalter kant en in de richting van het tot Olst behoorend dorpje Wesepe, nog veel meer aantrekkelijks. Boschpaden slingeren hier in het landschap. Geen stadsrumoer verstoort er de stilte van het buitenleven, dat den toerist opneemt en omvangt.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen