woensdag 8 augustus 2012

Wij trekken door Twente en Salland (1935): In het land der romantiek

In het land der romantiek

Ten Westen van Denekamp, in een golvend heuvellandschap, ligt het stedeke Ootmarsum. Het schijnt of de moderne tijd dit oude Twensche stadje onberoerd heeft gelaten. Welk een romantische sfeer hangt er in zijn nauwe straatjes, hoe houden de bewoners nog vast aan de oude tradities. De tijd ligt nog betrekkelijk kort achter ons, dat het postrijtuig van Denekamp er over de keien hobbelde en het vroolijk getoeter van den postiljon door de verweerde muren van de oude huizen werd weerkaatst. Eerst de autobus heeft Ootmarsum uit zijn isolement verlost. Het is mede te danken aan de afgelegen ligging, dat dit merkwaardige stadje zoozeer zijn oorspronkelijk karakter heeft behouden. Men kan er zich nog haast in de middeleeuwen wanen, wanneer men door de bochtige straatjes loopt. De kaart, welke in 1570 door Jacobus van Deventer werd vervaardigd kan zoowaar heden ten dage nog tot gids dienen: Ootmarsum is nog van dezelfde grootte als meer dan 3 eeuwen geleden.
Steeds is Ootmarsum bekneld gebleven in zijn vestingmuren. Nog zijn de oude wallen grootendeels intact, maar onlangs besloot de Gemeenteraad ze te slechten. Hopenlijk zal daardoor echter niets van het typische schoon dat herinnert aan honderden jaren her verloren gaan. Ootmarsum mag de trekker, hoezeer hij ook verlangen moge naar bosschen en heide, naar wijde vergezichten, niet vergeten. Alleen om de sfeer, welke er hangt, is Ootmarsum, een der meest karakteristieke oude landstadjes van Nederland, de bezichtiging waard. Hoe mooi komt het oude stadhuis op het Marktplein uit. Voor liefhebbers van historie bieden het interieur en vooral het archief, veel merkwaardigs. Oude, schilderachtige gevels zijn in de straatjes in de omgeving te bewonderen.
Men moet Ootmarsum zien op een Zondag, wanneer de kerk uitgaat. Dan kan men constateeren, dat de oude kleederdrachten in Nederland gelukkig nog niet geheel verdwenen zijn. Hoe typisch zijn de toef-hoedjes, die vele vrouwen hier dragen.

Ootmarsum. Men moet het stadje zien in den Paaschtijd. Dan wordt bewezen, dat de oude gebruiken zich tot heden ten dage op de meest krachtige wijze in stand hebben gehouden. In de plechtige sfeer van den morgen van Paasch-Zondag komen de mannen en jongens op de Markt bijeen en heffen daar de oude Paaschliederen aan, als "Christus is opgestanden". Zingende trekken zij door de smalle straatjes. Des middags komt het grootste deel der bevolking bijeen op de Paaschweide, even buiten de stad. Daar vormt zich een stoet, welke gewoonlijk meerdere honderden personen telt. Zingende trekt men Ootmarsum binnen. Zoodra men in het stadje is gekomen, geven allen elkaar de hand. Zoo gaat men zingende verder. Maar niet alleen door de straten, ook door verschillende woningen voert de weg. Ootmarsum telt nog vele typische oude boerenhuizen met groote voordeuren, gescheiden door een paal, welke men den "stiepel" noemt. Daar gaat de menschenslinger omheen. Soms komt de stoet aan den voorkant een woning binnen om die aan de achterzijde weer te verlaten. Tenslotte keert men op de markt terug, waarna het oude Paaschlied nog eens plechtig wordt aangeheven:

Halleluja, den blijden toon.
Wordt nu gezongen zoet en schoon.

Tenslotte heffen de ouders hun kinderen omhoog en daarmede is het eeuwenoude gebruik, dat men het vlöggelen noemt, afgeloopen. De oorsprong van dezen merkwaardigen rondgang moet naar alle waarschijnlijkheid in de oude Paaschprocessies worden gevonden.


Vlak bij Ootmarsum vindt men een der meest markante punten van Twente, de Kuiperberg, waar eenige jaren geleden de A.N.W.B. een oriënteertafel stichtte. Vanaf den straatweg naar Almelo is men in korten tijd op den top. Onderweg ziet men de steenen van de vroegere Joodsche begraafplaats, welke tegen de helling was aangelegd, uit het struikgewas en het onkruid steken.
Het is voor den echten natuurminnaar wel een bezwaar, dat hier zoo dikwijls een kermisachtige drukte heerscht, dat vlak bij een der prachtigste punten van Twente een consumptiekraam staat, maar toch moet hij zich daardoor niet laten weerhouden. Daarvoor is het vergezicht tè schoon. De laatste jaren was het uitzicht door boomen en planten min of meer "vergroeid", maar de V.V.V. heeft toegezegd, dat dit euvel voor den komenden zomer verholpen zal zijn.
De Kuiperberg. Welk een merkwaardige plek is het hier van den Nederlandschen bodem. Aan uw voet ligt het overoude stadje Ootmarsum; zijn roode daken contrasteeren fel met het helle groen. Twee torens verheffen zich boven de daken van het plaatsje, dat haast een miniatuur-stadje lijkt.
Welk een onmetelijk vergezicht boeit hier het oog. Steden en dorpen, kerktorens en fabrieksschoorsteenen verliezen zich in de wazige verte. Heel Twente kan men van hier overzien. Van groote pracht zijn in den midzomer de uitgestrekte korenvelden op de esschen aan den voet van den berg. De wind doet de aren buigen; in de verte blinken de tinnen van het machtige Bentheimer slot, dat spreekt van een grootsch verleden.

Afbeelding: Een Twentsche esch

Romantiek spreekt uit elke straat, uit elk gebouw van Ootmarsum. Maar niet minder romantisch is de heerlijke omgeving, die in vele opzichten het beloofde land voor den trekker is. Hier vindt men nog de onafzienbare heidevelden, hier kan men uren dwalen zonder een mensch te ontmoeten. Als in een echt bergland ontspringen hier de kristalheldere bronnen. Den scheper, thans een zeldzame figuur in de Nederlandsche samenleving, kan men hier ontmoeten met zijn kudde en z'n hond. Rondom Ootmarsum liggen uitgestrekte roggeesschen, waarvan de bodem bestaat uit een dunne laag diluvium, welke een kern van tertiaire vormingen, in hoofdzaak grijze leem overdekt. Die leembodem herinnert aan de zee, welke hier vroeger moet zijn geweest en die een zeer dikke kleilaag afzette, waarin schelpen, haaientanden e.d. zijn achtergelaten, welke nog geregeld worden aangetroffen. Overal in het Noorden van Twente, bij Ootmarsum, de Lutte en Denekamp vindt men een dergelijke bodemgesteldheid. De aannemer van de tramlijn Oldenzaal-Denekamp heeft dat leem een geweldige schadepost bezorgd. Hij dacht, dat een zich halverwege bevindende heuvel uit zand bestond, maar in werklijkheid bleek het vette klei te zijn; het kostte groote moeite door die kleimassa heen te komen. Duizenden guldens meer aan arbeidsloon moesten worden uitgegeven.
De vele prachtige esschen, welke Twente rijk is, zijn mede een bezienswaardigheid, een bijzonderheid voor den trekker door dit land. Die esschen zijn hooggelegen gronden, een soort platte heuvel, waarop vooral rogge zeer goed kan worden verbouwd.
Op onzen tocht door Twente zullen we meermalen die esschen ontmoeten; we zullen ze niet alle kunnen noemen, maar steeds zijn ze de moeite van een beschouwing waard. Welk een prachtigen aanblik leveren ze op, wanneer de wind de onafzienbare korenvelden doet golven. Welk een schilderachtig beeld toont de oogsttijd. Een der fraaiste esschen van Twente ligt ten Zuiden van Ootmarsum, bij de buurtschappen Groot- en Klein Agelo. Als op een schilderij liggen de oude boerenhoeven omgeven door prachtig geboomte aan den rand van den esch, waar elk jaar een oeroud gebruik in eere wordt gehouden, dat eenig is in de Nederlandsche folklore. Op een plek midden in dien esch, den Boaken genoemd, komen telken jare op den Maandag na het Pinksterfeest de boeren des middags bijeen om aan de armen van Ootmarsum roggebrood uit te deelen. De boeren, die hun enorme brooden aan een stok, welke er in is gestoken, op den schouder dragen, leveren een typischen aanblik op. Nadat gezamenlijk is gebeden neemt de uitdeeling een aanvang.
Deze uitdeeling van brood aan de armen, welk reeds meer dan 3 eeuwen heeft stand gehouden, geschiedt om de boeren van Agelo te vrijwaren voor vorst en hagelslag. Naar de landbouwers van Groot en Klein Agelo mededeelen, is sinds menschenheugenis hun koren niet door de vorst geteisterd.

Pittoreske mulle zandwegen slingeren zich in de omgeving van Ootmarsum door het land. Vooral in en om den Ageler Esch, waar de roggevelden prijken op de glooiingen van den Zonneberg, kan men van den aanblik ervan genieten. Maar het hoogtepunt van Ootmarsum's omgeving zal voor velen toch wel het woeste Hezinghe beteekenen. Om daar te komen gaat men den weg naar Vasse op tot de z.g. Hazelbekke, waar verscholen tusschen bladeren en varens een watermolentje ligt. Eeuwenoud is dit erf, waar breede lommerrijke lanen tot wandelen nooden. De oude molen heeft een heel ander cachet dan die van Singraven. Deze is van een heel wat bescheidener omvang, maar desondanks merkwaardig in hooge mate. Geen trekker zal aan de verleiding weerstand kunnen bieden even te toeven bij het bemoste rad van het molentje, dat zich aanvleit tegen een oude schuur. Ook een andere typische watermolen, de Mast, bevindt zich in deze omgeving.
We gaan nu Noordwaarts, verder door statige lanen. Onze weg steigt, want we beklimmen den Braamberg, waar zich plotseling een aardig uitzicht ontvouwt; links van ons duikt de toren van het dorpje Vasse op. Steeds schooner wordt het landschap. Langs een oude cichoreifabriek, over smalle bruggetjes, langs korenvelden, bereiken we tenslotte een heuvelachtig heideland; een der voor den trekker meest interessante gedeelten van Overijsel. Vooral op een mooien zomerdag is het heerlijk hier te toeven. Overal zoemen de velerlei insecten in de verte ziet men de schapen, welke door een herder met zijn hond worden geleid. Op de toppen der heuvels staat de wascholder, een soort cypres. Dat is Hezinghe! Hier vlak bij zijn de Springendalsche bronnen, waar het heldere water uit den grond opborrelt en zich een weg baant door de vele bloemen en planten, die hier op weelderige wijze groeien. Een wondere sfeer van romantiek gaat er uit van dit land, waar het kristallen water van de bron netjes zich vereenigt met de kabbelende beekjes. Woest en onherbergzaam is het land naar het Noorden, waar slechts een enkel klein boerderijtje aan den rand van de heide in het geboomte verscholen ligt. Men is daar reeds op Duitsch gebied, maar dit is geen groot bezwaar. Wij hebben tenminste op onze tochten in die buurt, al zorgden we er wel steeds voor geldige papieren bij ons te hebben, nog nooit eenigen hinder ondervonden. Als in een diep ravijn loopt hier een rulle zandweg langs den voet der ruig begroeide heuvels, van welks toppen men ver in het rond ziet. Verderop wordt de weg beschaduwd door eeuwenoude boomen; daar ligt aan een kruising de prachtige watermolen van het Duitsche Hesinge, in een omgeving, welke herinneringen opwekt aan een schilderij van Ruysdael. Hoewel men hier op Duitschen bodem is, krijgt men op weinig andere plekken zoo'n prachtig beeld van het vroegere Twente. Wie zijn weg nog vervolgen wil ziet in de verte het torentje van Uelsen wenken, waarin heldere, verklinkende klokken zijn opgehangen. Niet ver van het plaatsje ligt links van den weg een pracht-exemplaar van een oud watermolentje.

Afbeelding: De ruigbegroeide heide van Noord-Twente

Schitterend is deze heele streek. Zoo is het in het nabije Nutter en bij Vasse, waar prachtige landgoederen, alle volgens de Natuurwet opengesteld, den trekker uren van genot kunnen verschaffen. Hoe schilderachtig is het centrum van dit kleine dorpje in de gemeente Tubbergen, dat een 20tal jaren geleden nog niet over een harden weg te bereiken was. Nu zijn er goede wegen in de richting Tubbergen en Ootmarsum. Vasse behoort mede tot de paarlen van Twente. Hoe rijk aan verscheidenheid is hier het landschap; roggevelden wisselen af met donkere bosschen. In de heide liggen nog de koepelgraven,waar de oude Tubanters hun laatste rustplaats vonden.
Een groote vermaardheid in Twente had jaren lang de uitspanning van Tante Sien in Vasse, een echte boerenherberg, welker Twentsche pannekoeken beroemd waren. Niet lang geleden is het oude huis afgebrand; Tante Sien heeft die ramp helaas niet lang overleefd.

Hier is men in een omgeving, waar het "los hoes" nog voorkomt; een dergelijk open huis is in Ootmarsum en ook in Holten als attractie voor de vreemdelingen speciaal ingericht. Het mooist is echter een "los hoes" in gebruik, waarvoor in deze omgeving en o.m. ook in de Lutte nog gelegenheid is. De oud-Saksische boerderijen geven aan het Twentsche landschap een apart cachet. Het echte oude Saksische hallenhuis heeft wanden van vakwerk, welke vroeger met vlechtwerk werden opgevuld. Op het oogenblik gebruikt men daar steenen voor. Het zadeldak draagt meestal een teeken met typische figuren, welke ten deele nog uit den heidenschen tijd moeten stammen. Het interieur van het losse huis, dat men door de z.g. niendeur betreedt, is hoogst merkwaardig. In de overdag nog schemerdonkere ruimte vinden menschen en dieren een onderdak. De koeien staan hier des winters op stal, de kippen, eenden en ganzen loopen over de deel, zelfs worden de varkens toegelaten. De stookgelegenheid is meestal zeer primitief en bestaat uit een gat in den grond en een gat in het dak. Boven het vuur hangt een groote pot, welke met een slag van de "wendezoel", een soort slagboom, naar een ander deel van het huis kan worden gebracht teneinde het vee voedsel te verschaffen. De niendeur, welke we hiervoor reeds noemden, is ook een merkwaardigheid van de oud-Twentsche boerenwoning. Het is de achterdeur, maar tevens de voordeur, want vroeger stonden de oud-Saksische boerderijen steeds met de achterzijde naar den weg. De niendeur is in tweeën gedeeld; de beide helften worden door den z.g. stiepelpaal, waarover we reeds spraken bij het "vlöggelen" in Ootmarsum, bijeen gehouden. Een groote rol speelt deze niendeur in het leven van den Twentschen boer. Als zuigeling gaat hij er het eerst door om in de kerk ten doop te worden gehouden. Door de niendeur voert hij later zijn bruid naar binnen. Wanneer hij zijn laatsten adem heeft uitgeblazen, wordt zijn lijk op de deel opgebaard en daarna dragen de buren "de naobers", hem, terwijl in de verte de klokken van het dorpsklokje luiden, naar zijn laatste rustplaats. Bij uitzondering ontmoet men nog wel eens op de wegen een Twentschen boeren-begrafenisstoet naar den ouden trant. De ruw-houten doodkist is op een lossen boerenwagen geplaatst. Rondom de kist heeft een aantal vrouwen plaats genomen. Achter den met vier paarden bespannen wagen loopen eerst de mannen en daarna de vrouwen. Steeds wordt de oude kerkweg gevolgd, al is deze ook de langste en minst goed begaanbare. In het Noorden van Twente heeft men nog wel kans een dergelijken merkwaardigen begrafenisstoet op zijn weg te zien.

Afbeelding: In Tubbergen

De gemeente Tubbergen, waarin we nu vertoeven, is een der gedeelten van Twente, waar het oorspronkelijk karakter van het land nog het best bewaard is gebleven. Van Vasse is men reeds vrij spoedig in de plaats Tubbergen zelf, waar de bezoeker wordt verrast door een keurig nieuw Raadhuis in ouderwetschen trant. De groote bezienswaardigheid van Tubbergen is het geweldige standbeeld van mgr. dr. Schaepman op het hoogste punt van den esch. Het prachtige monument, vervaardigd door wijlen August Falise, behoort tot de grootste standbeelden in ons land. Tubbergen is de geboorteplaats van den grooten staatsman-priester en dichter, die op het kasteel Eschede of de Eeschhof, even buiten het dorp, aan den weg naar Geesteren, het levenslicht aanschouwde. Hier zijn thans een Lagere Land- en Tuinbouwschool en een meisjeshuishoudschool gevestigd.
Noordwaarts gaat de weg naar het veen, naar Mander en Langeveen. Het hoogveen is hier thans voor het grootste deel ontgonnen, maar ten Westen van Langeveen treft men het nog in groote uitgestrektheden aan. Ook dit land heeft zijn eigenaardige bekoring.
We gaan weer naar het Zuiden en bereiken het aardige Geesteren, waar tot voor kort een watermolen een bezienswaardigheid was. Deze molen had vroeger een niet al te besten naam, zoo vertelt mr. ter Kuile in zijn lezenswaardig boek over Twentsche watermolens. Om de hooge rijksbelasting op het gemaal te ontduiken, mengde men daar dikwijls grint en gruis in het koren, dat voor veevoeder was bestemd en derhalve accijnsvrij was. Maar heel vaak deed het dienst als menschenvoeder. Vandaar de vermakelijke ervaring door den reiziger Boom in 1847 opgedaan, dat de Tubbergers veelal last hadden van "zaandkoliek" en dat eens een gastheer tot zijnen naober, die bij hem op visite was en gulzig in de stoete toehapte, uitriep: "Gait Jan, 't vuur vlög oe oet den bek!"
Verder Zuidwaarts, over Harbrinkhoek gaat de weg naar Almelo. Wij slaan echter af in Oostwaartsche richting en komen zoo in de buurtschap Albergen, waar liefhebbers van oudheidkunde niet moeten verzuimen de prachtige unieke verzameling van den heer Ten Bruggencate te bezichtigen. Tal van herinneringen aan vroeger tijd zijn uit de heidevelden rond Albergen opgegraven; urnenvelden werden hier aangetroffen, speerpunten, steenen hamers, versieringen enz. werden er meermalen gevonden.
Vooral voor wielrijders is het hier een ideaal land. Wanneer we rijden in Oostelijke richting komen we in Fleringen met zijn wonderschoonen grooten esch. Hier staat de eeuwenoude Kroezeboom, een plek van groote beteekenis in het R.K. leven van Twente. Toen de R.K. hier nl. hun godsdienst niet in het openbaar mochten uitoefenen, kwam men des Zondagsmorgens uit den wijden omtrek onder den Kroezenboom bijeen, waar een geestelijke het Misoffer opdroeg en van een boerenwagen de schare toesprak. Op deze plek, vanwaar men een prachtig uitzicht heeft over den zacht glooienden esch, is in 1909 een kapelletje gebouwd. Telken jare houden hier de R.K. uit Twente nog een godsdienstoefening, ter herinnering aan de tijden van weleer.
Tegenover den Kroezeboom ligt het oude landgoed "Huize Herinckhave", waarvan veel nog spreekt van den roem van vroeger dagen. Niet ver meer is het vriendelijke dorpje Reutum met zijn geweldigen korenesch, den grootsten van geheel Twente. Vroeger heerschte rondom Reutum het rijk van de heide. De ontginningen hebben veel doen verdwijnen, maar toch niet alles. Men moet in geen geval verzuimen het prachtige fietspad te volgen, dat van Reutum over de boerschap Haarle naar Vasse voert. In dit heuvelachtige land kan men genieten van wijde vergezichten en bloeiende heidevelden. Zelfs de oude schaapherder met zijn hond ontbreekt niet en vormt een mooie stoffeering van dit romantische land.

Afbeelding: Bij de schaapskooi

Weer zijn we in Vasse, en vandaar is het slechts een korte tocht naar ons uitgangspunt Ootmarsum. Ten deele voert de weg nog langs de heide en de grafheuvels der vroegere bewoners. Naar het land der romantiek noemden we dit hoofdstuk. Noord-Twente toch herinnert steeds weer aan het ver verleden; hier ontmoet men de romantiek voortdurend op zijn wegen. Rijk is hier ook het dieren- en plantenleven; interessant is de geologie van deze streek. De ijstijd heeft hier zijn duidelijke sporen nagelaten. Het keileem, een geschenk van dien tijd, werd de vruchtbare bodem voor een nieuwe flora, welke uit warmer streken naar hier kwam. Korstmossen waren de eerste planten, welke zich hier na den ijstijd nestelden. Toen volgden de heide, de berk en de den. Ontelbare zaden werden naar hier gevoerd en de zwanebloem, het pijlkruid, de plomp en gele lisch bloeien overal. Een weelderige flora wordt hier gevonden; merkwaardig is b.v. de eenbes of paris, welke men in ons land alleen in Zuid-Limburg aantreft.
Rijk is deze streek aan herinneringen uit een ver verleden. We gaan Ootmarsum nu verlaten en richten onze schreden Zuidwaarts naar het Voltherbroek, waar de Hunenborg, die Van Lennep inspireerde tot een zijner verhalen uit "Onze Voorouders", herinneringen wakker roept aan de tijden, toen woeste nomadenhorden door deze streken trokken. In 1911 heeft de Oudheidkamer "Twenthe" te Enschede deze plek aangekocht. In 1916 hadden onder leiding van dr. H. J. Holwerda opgravingen plaats, waaruit bleek dat de Hunenborg, welke later tot verblijfplaats diende van rondtrekkende stammen, oorspronkelijk een Saksische burcht moet zijn geweest, welke door een wal met palissade en gracht was omgeven. Er heeft een gebouw gestaan met zware gemetselde muren, waaraan een plompe verdedigingstoren verbonden is geweest. De volksverbeelding heeft aan dezen geheimzinnigen Hunenborg, welke nog steeds verlaten ligt in het moerassige land, even ten zuiden van het kanaal Almelo-Nordhorn, de vreemdste histories verbonden, welke nog steeds in de lange winteravonden worden verteld, zooals het verhaal van Alleman's Barta, die door een jongen Hun werd geschaakt. Eenzaam is deze streek. Het kanaal snijdt er dwars door het verlaten heideland. Het beste beeld van de verlatenheid dezer vlakte, waarvan een typische bekoring uitgaat, krijgt men des winters, wanneer het hard gevroren heeft en de schaatsenrijders zich over het kanaal spoeden. Meermalen hebben we dien tocht gemaakt en steeds weer werden we getroffen door de merkwaardige sfeer van dit land. Men voelt het, wanneer men zich op de gladde ijzers voortspoedt, dat het hier een streek is, waar de folklorist nog ruime stof kan vinden, waar steeds weer de romantiek om den hoek komt gluren. Nooit zullen we den tocht vergeten, dien we maakten over dit kanaal, een paar weken voor Kerstmis. Langzaam viel de schemering en verdoezelde de omtrekken van de aardige ophaalbruggen in de verte. De duisternis kwam en we spoedden ons voort om den weg van Ootmarsum naar Oldenzaal te bereiken. Het ijs was spiegelglad en het verdwijnen van het licht beteekende geen al te grooten hinderpaal. Het was alsof we door een tooverland reden, eeuwen geleden. Toen kwam plotseling uit de verte een langgerekt geluid, gedragen door den wind, tot ons: de midwinterhoorn. De Twentsche boeren hielden het gebruik van honderden jaren her in eere en kondigden in de melancholieke tonen van den hoorn de komst van het Kerstfeest aan. En toen hoorden we eensklaps overal in de verte de tonen van den midwinterhoorn. Het waren oogenblikken om nooit te vergeten. De midwinterhoorn is meer dan een meter lang en gemaakt van twee, halfronde, uitgeholde stukken hout, welke met banden aan elkaar worden verbonden. Aan den dunnen kant is een schuin afgesneden mondstuk in het hout gestoken. Het blazen van een dergelijken midwinterhoorn is een niet gemakkelijke kunst; het beste geluid krijgt men boven een put bij vriezend weer. Zoodra het Kerstfeest voorbij is wordt de hoorn opgeborgen, want het blazen in een anderen tijd is ontwijding. Meestal bewaart men den hoorn in het water van de put.

Afbeelding: In Weerselo

We zijn nu in de uitgestrekte, nogal rijk bewaterde gemeente Weerselo met veel broekland en vennen. De gemeente heeft vele goed onderhouden fietspaden, welke door prachtig landschapschoon voeren. Een dergelijk pad loopt ook langs het kanaal, waarvan we, wanneer we in Westelijke richting gaan, de dubbele sluis, een merkwaardig stuk waterbouwkunde, bewonderen. Dan zijn we spoedig in het landelijke dorpje Weerselo, waarvan het Stift een bezienswaardigheid is, dat men zeker niet mag overslaan. Het is een poëtisch plekje, dat Stift, waar onder het lommer van zware eiken het oude kerkje der Ned. Herv. gemeente, het Stiftshuis, het raadhuis en een paar andere gebouwen liggen. Het Stift, dat vooral in de 16de en 17de eeuw bloeide, was een tehuis voor ongetrouwde adellijke dames. Het leek wel eenigszins op een klooster, maar in werkelijkheid was het toch anders; de leefregels waren er heel wat minder streng. Bij dat stift behoorde een kerkje, thans eigendom van de Ned. Herv. Gemeente, waarin een achttal grafsteenen uit de 17e eeuw herinneren aan de voortreffelijke “fraeulein", die allen uitmuntten door "vroomheyt ende doghet". In het midden der 18e eeuw, toen overal de Twentsche landadel verarmde, kwam het Stift in verval. Maar de kerk en het Stiftshuis bleven behouden tot op dezen dag. Het oude bedehuis, zoo buitengewoon fraai gelegen onder de hooge boomen, werd echter bouwvallig. De muren scheurden bedenkelijk en indien er geen hulp van buiten was gekomen, zou het mettertijd geheel verloren zijn gegaan. Maar Twente bezit ondanks de slechte tijden menschen, wien het cultureele leven ter harte gaat. Zij zamelden een bedrag in, waardoor een grondige restauratie kon plaats hebben. In 't bijzonder maakte de heer J. H. van Heek uit Enschede, die zooveel heeft gedaan voor het cultureele leven van Twente, zich hiervoor verdienstelijk. Het was een blijde dag voor de kleine protestantsche gemeente van Weerselo toen het herstelde kerkje in gebruik kon worden genomen. Die plechtigheid, op een regenachtigen Woensdagmiddag, ligt nog versch in ons geheugen. Het knusse gebouwtje was vol van genoodigden en gemeenteleden. Schilderachtig leken de witte knipmutsen der vrouwen, die onder het klokgeklep naar hun kerkje togen. Ds. Loeff, de predikant der gemeente, hield een treffende predicatie en de heer Van Heek vertelde van de tijden van weleer, van de adellijke joffers, die hier haar dagen, afgezonderd van de wereld sleten.
Maar ook aan het Stifthuis werd gedacht. In 1935 werd het oude, holle gebouw geheel opgeknapt en gezellig aangekleed door jonge werklooze timmerlui. Het huis werd ingericht als vacantieoord voor de vrouwen van werkloozen. Moeders van groote gezinnen, afgetobd door de levenszorgen, kunnen hier, in deze prachtige landelijke omgeving, eenige dagen genieten van zon en zomer.

Afbeelding: Het Molenven

Een aardig dorpje in de gemeente Weerselo is Saasveld met zijn mooien korenmolen. Hier ligt het natuurmonument "Het Molenven", eigendom van het museum "Natura Docet" te Denekamp, waaraan het door de familie Van Heek ten geschenke is gegeven. Hier groeien de zeldzame waterplanten en huizen de watervogels bij honderden.
Grootsch is het natuurschoon der gemeente Weerselo niet, maar het is er liefelijk en men kan er ongestoord dwalen, want gelukkig heeft hierheen de groote stroom van toeristen met auto en motorfiets zijn weg nog niet gevonden. Hoe mooi liggen de buurtschappen als Deurningen, Herthme, Lemselo, Gammelke en Hasselo temidden van korenvelden, bosschen en broekland. Tenslotte bereiken wij het dorpje Rossum met zijn slanke kerktorentje, vlak bij den straatweg van Oldenzaal naar Ootmarsum. Binnendoor loopt een prachtig fiets en wandelpad over Volthe naar Singraven en Denekamp, langs korenvelden, akkers en heideland met in de verte het gezicht op het golvende heuvelland. Onze tocht door het romantische Noorden van Twente, waar nog zooveel in zijn oorspronkelijken staat is behouden, is ten einde. In de verte wenkt reeds het massief van den toren der St. Plechelmuskerk te Oldenzaal, de kathedraal van Twente. Over de velden klinken ons heldere klanken van het carillon tegemoet als een welkom in Twente's oude hoofdstad.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen