maandag 18 juni 2012

Geïllustreerde gids van Goor (1902): Op wandeling door het Twentsche Haagje

OP WANDELING DOOR HET TWENTSCHE HAAGJE.

Het stedeke Goor is in de lengte aangelegd; de Groote Straat, die er als een breede slagader in noordoostelijke richting door loopt, vormt een deel van den rijksweg Deventer – Oldenzaal. Dezen straatweg volgend, bereikt men van uit de Hengevelderstraat in 2 uur het fraaie landgoed Twickel, en van uit het "Gen Ende" in anderhalf uur tijds het hooggelegen Markelo met zijn schilderachtige heuvelen en heerlijke vergezichten. Twee krachtige uitloopers gaan van deze slagader uit: de eene voert langs de heerlijkheid Weldam naar het stedeke Diepenheim en vervolgens naar het met natuurschoon zoo mild bedeelde Lochem, de andere leidt langs Enter en Rijssen naar het Reggedal.



Als uitgangspunt van onze wandeling door het Twentsche Haagje kiezen wij het stationsplein met zijn frischgroene kastanjelaan. Links ontwaart ge den hoogen schoorsteen van de fabriek van de H.H. Arntzenius Jannink, rechts de Margarinefabriek van de Gebrs. Muller. Daarachter aan den Hengevelderweg de bekende molen, en ginds in 't verschiet de dichte boomgroepen van den huize Weldam. De Blankenvoord leidt ons stadwaarts. Op den naam af te gaan, zou men zeggen, dat hier vroeger een moeras gelegen heeft, in welk vermoeden men wordt versterkt door de aanwezigheid van het "Groote Gat" achter het station, waar het schaatsenrijdende Goor, ijs en weder dienend, lustig heen en weer zwiert.
We passeeren het gebouw der Rijks-Posterijen en bevinden ons weldra in de Groote Straat, die ons langs de van ouds bekende Hôtels "Den Engel" en "Brunnekreeft" eindelijk brengt vlak tegenover het Stadhuis, een solide gebouw, met hoog bordes en koepeltorentje. Hier worden mede de zittingen gehouden van het Kantongerecht. Hier bevonden zich weleer ook het vijftal historische bekers, waaruit vroeger de regeeringsleden hun dorst pleegden te lesschen bij de feestelijke maaltijden, die zij jaarlijks bij het verkiezen van een nieuwen burgemeester of bij andere merkwaardige gebeurtenissen hielden. Sedert jaren verhuisd naar het Museum te Zwolle, dragen deze bokalen, d ie respectievelijk van 1/2 tot 2 flesch kunnen bevatten, tot opschrift:
1. Burgemeester Derk Jalinck ende Engeltien Tho Meerman.
2. Jan Hilderinck, Hurgem. - Albertien Cuijpers. 1694.
3. De letters I. K. en B. v. E.
4. Henricus Roeterinck, Gertruid Toe Laer Ao 1667.
5. Gerhard Sloet, Johanna Florentine van Oer, Dochter toe Bluchhorst.



Het gedeelte. waar we ons thans bevinden, is niet alleen het hoogste, maar wellicht ook het oudste van Goor. De naam “Schild" wijst er reeds op, dat hier weleer de verdedigingswerken lagen; ook de oude kasteelen stonden er waarschijnlijk, waar de bisschop Floris van Wevelinckhoven in 't laatst van de 14e eeuw werd gevangen genomen.
We kunnen het "Schild" langs verschillende steegjes verlaten, die naar de Achterstraat en de Molenstraat voeren; we volgen echter de Groote Straat, en bevinden ons weldra in de Hengeveldersraat, waar zich de R. K. kerk met pastorie verheft, een fraai en indrukwekkend gebouw met opgaand plantsoenwerk langs de straat, dat de oude kerk met pastorie heeft vervangen, die van het jaar 1810 dagteekende.
Nog eenige schreden, en de ruime paardenmarkt van het Twentsche Haagje ligt voor ons, die jaarlijks door tal van vreemde kooplieden bezocht wordt. Vooral de “Goorsche Wintermarkt" is tot ver over de grenzen bekend ; 't zijn vooral Russische ponney's, die er door de hier wonende paardenkooplui worden aangevoerd.
Intusschen heeft de Groote Straat zelf ons weinig reden tot pochen gegeven, want de bestrating laat helaas veel te wenschen over; de ruwe keien zijn nu wel ijzersterk, maar lokken nu juist niet tot wandelen uit. Wat zindelijkheid betreft, daarover valt echter minder te klagen; want de Goorsche Magistraat heeft er ten allen tijde streng de hand aan gehouden, dat de straten Zaterdags gereinigd werden. Dit geschiedt thans, het geschiedde ook reeds in het jaar 1400, terwijl in 1557 bepaald werd, dat de nieuw ingekomen burgers een roede straat zouden maken, waarbij de stad de lijsten en palen gaf.

De paardenmarkt ligt buiten Goor. Toch zullen we hier niet op onze schreden terugkeeren; want de Hengevelderstraat brengt ons den naam van een persoon te binnen, die een eeuw geleden de schrik was van alle Twentenaren in deze streek.
Op het "Hutten-plaatsje" in de buurtschap Hengevelde onder het landgericht Delden woonde in 1775 de 70-jarige Klaas Annink of Coenderink, bijgenaamd “Huttenklaas", met zijne 54-jarige echtgenoote Aarne Aarnink en hun beide zoons Jannes en Gerrit, respectievelijk 21 en 13 jaar oud.
In het voorjaar van 1775 was in deze buurt zoek geraakt zekere Willem Stint, een kousenkremer uit het Munstersche. Diens vader ontdekte later in Klaas’ plunje de kleederen van zijn zoon en deed daarvan onmiddellijk aangifte bij den Landrichter van Delden, die reeds den volgenden dag de daders op weg naar de Vroegmis in hechtenis liet nemen. 't was inderdaad een mooie vangst. Men wist nu, wie in den laatsten tijd de verschillende diefstallen in de buurt gepleegd hadden. Maar men kwam nog meer te weten:
Twee Joodsche slagers van Delden waren 't vorige jaar Sinte Jaopik bijna het slachtoffer geworden van Klaas' roofzucht, maar ze waren gelukkig bijtijds den dans ontsprongen. Niet zoo goed echter kwam er Pompen Herman af, een neef van Aarne, wien - geen deel willende nemen aan de schandelijke wandaden van het gezin - door Klaas en Jannes met een bijl de hersens werden ingeslagen. Het gerechtelijk onderzoek bracht aan bet licht, dat de bewuste kousenkremer op dezelfde wijze vermoord was. Het lijk hadden Klaas en Jannes in een gat achter het huis gestopt, en de ruim vijftig gulden, die ze in de zakken vonden, hadden ze broederlijk onder mekaar verdeeld.
Vreeselijk was de straf, waarmede deze bandieten voor hun euveldaden boetten:
Klaas en Jannes werden geradbraakt, Aarne werd geworgd, terwijl Gerrit met een schip naar de Oost gestuurd werd. De lijken werden vervolgens op een rad gespijkerd, in ketenen geklonken en, tot een afschuwelijk voorbeeld voor anderen, ten toon gesteld.
Dat is de geschiedenis van de misdadige Hengevelders. En wanneer ge nu het Geschiedkundig Overjjsselsch Museum te Zwolle bezoekt, lezer, vergeet dan niet, het lompe meubel aan den ingang in oogenschouw te nemen: het is de historische stoel, waarop de beruchte Hutten-Klaas tijdens zijn gevangenschap gekluisterd is geweest.



Verlaten wij thans het Station in een andere richting. We slaan ditmaal links af, passeeren de fabriek van de Heeren Jannink, stappen de ophaalbrug over en wenden ons dan rechts.
Het gedeelte van Goor, waar wij ons thans bevinden, heet het Laar. Waarom juist hierheen onze schreden gericht? Niet omdat hier vroeger een landgoed gelegen heeft, het Laer geheeten, waarop een uitgestrekt gebouw gestaan heeft. Ook niet omdat de familie Toe Laer in de 17e eeuw een tweetal burgervaders aan Goor geschonken heeft: Jan toe Laer en Reint toe Laer ; maar wél, omdat hier het gebeente rust van den eenvoudigen, humanen man, aan wien Twente voor een goed deel verschuldigd is, wat het geworden is: het Centrum van Neêrlands Industrie.
Die eenvoudige en toch indrukwekkende graftombe daar op het nette, goed onderhouden kerkhof, brengt ons Thomas Ainsworth te binnen en Willem de Clercq, twee van de grootste mannen van Twente, die in één adem mogen genoemd worden met Wolter-Oom en Van Heek, met Stork en Van Lochem, met Jannink en Blijdensteijn. En wel mocht de nazaat met vergulde letteren op het graf van dezen Engelschman schrijven:
"Aan een nuttig man, Thomas Ainsworth."
Het dankbare Overijssel.
Inderdaad een welverdiende hulde aan een groot man! Thomas Ainsworth was de zoon van een der grootste industriéelen uit Lancashire in Engeland. Hij werd in het jaar 1794 geboren en ging in 1815 naar Frankrijk om zich verder te bekwamen. Later vestigde hij zich - door den beroemden John Cockerill aangezocht - in België, eerst te Gent, later te Brussel. Bij het oproer in 1830 week hij uit naar Rotterdam en kwam in aanraking met de heeren Van Gelder en Schouten, papierfabrikanten te Wormerveer. In het jaar 1832 ondernam Ainsworth een studiereis naar de Rijnprovincie en vertoefde eenige dagen te Hengelo, om van daar uit de omliggende fabrieksplaatsen te bezoeken. Hier ontmoette hij toevallig Willem de Clercq, den energieken Secretaris van de Nederlandsche Handelmaatschappij, die met zijn familie een reisje deed naar den "Achterhoek".
Het gesprek liep al aanstonds over de oprichting eener Stoomweverij voor Calicots hier te lande, om in de behoeften van Nederlandsch-Indië te voorzien; en met zijn scherpzinnigen blik zag Ainsworth direct, dat er geen geschikter landstreek voor dit doel bestond dan Twente, waar de loonen lager waren dan elders, waar landbouw en nijverheid hand aan hand gingen en waar de bewoners sedert onheugelijke tijden met het handweven bekend waren.
Het gesprek tusschen deze beide groote mannen had inderdaad zegenrijke gevolgen: de Weefschool te Goor, door de Handelmaatschappij in 1833 onder het Directeurschap van Ainsworth opgericht, was er de vrucht van. 't Was een eenvoudig gebouw met eenige licht geconstrueerde Engelsche weefgetouwen en voorzien van het nieuwste model snelspoelen. Een snelspoelmakerij was er mede aan verbonden. In de Weefschool te Goor werden eerst eenige volwassen mannen opgenomen, die weldra de nieuwe werktuigen leerden kennen, en dezen moesten nu de behandeling leeren aan kinderen, die van heinde en verre kwamen opdagen. Later werden nog drie andere weefscholen opgericht te Diepenheim, Holten en Enter.
Ainsworth zelf trad later op als hoofd van de Twentsche factory te Nijverdal, waar de fabrikanten de Engelsche garens konden halen en dat tevens voor hen het afzetkantoor werd van de geweven calicots.
Aan het eind van het Laar ligt de "Twentsche Stoombleekerij", eenmaal de grootste inrichting van dezen aard in heel Twente, in de laatste jaren echter niet meer in zulk een bloeienden staat verkeerend. Toch bedraagt het aantal arbeiders nog altijd een kleine honderd, al moet dit dan ook heel wat onderdoen voor dat van de fabrieken van de heeren Jannink, waar niet minder dan 500 man werk vinden, wel k getal ten gevolge van de tegenwoordige uitbreiding der inrichting, zeker nog belangrijk stijgen zal.



Terugkeerend op onze schreden, laten we de brug over de Regge links liggen en brengen een vluchtig bezoek aan de "Plas" of "Plaats" van het Twentsche Haagje, waar de Koninginne-Linde zich verheft, omgeven door een sierlijk hek, een keurig geschenk van Ds. Jannink, den vader van de tegenwoordige fabrikanten, en waar achter dicht gebladerte het oude kerkgebouw van de Hervormde Gemeente verscholen ligt: een kloek gebouw, waaraan de tand des tijds nog maar weinig geknaagd heeft en dat er van binnen zeer net uitziet. In de kerkgangen treft men tal van oude grafzerken aan, en onder liet koor bevindt zich de grafkelder van de Ripperda's, de voormalige bezitters van de heerlijkheid Weldam, die, gelijk de eigenaars van de Havezathen Twickel, Nijenhuis, Heeckeren en Stoevelaar, weleer Borgmannen van Goor waren.
Het jaar 1581 was voor de Hervormden te Goor een waar rampjaar: toen toch “is de kercke te Goor metten toern gansch enn teenemael afgebrant enn nedergestort." Het geschiedde nl. bij gelegenheid dat de Overste IJsselsteijn met de hoplieden Warmelo en Hoen het stadje belegerden. Veertien dagen lang werden deze Staatsche troepen door de benden van Maarten Schenck ingesloten, en toen ze capituleerden, kwam aan 't licht, dat zij - zeker niet uit weelde - niet minder dan veertien paarden verorberd hadden. Hadden ze zich nog één dag cordaat gehouden, dan waren ze ontzet geworden. Toen IJsselsteijn zag, dat het ten slotte op overgeven zou uitdraaien, hield hij krijgsraad, en werd unaniem besloten de kerk af te breken en te verbranden “tot haeren bescherminge enn beter directie van zaecken".
Dientengevolge moest voortaan de Heilige Dienst worden waargenomen onder den blooten hemel of in een particuliere woning. Dat kon op den duur zoo niet blijven, en daarom “sloten Borchmans, Borgemeistre, Schepen unde Raidt, sambt die Kerkmeistren der stadt und kerspels Ghoer den 25 Sept. 1604 een accoord met Mr. Johan Boldewijn van Tseffs om de kerk te Goor weer op te bouwen. Deze overeenkomst was geteekend door Johan van Coeverden, Rolof Wanynck, Berendt ten Nover, Bertolt Kuper, Jan tho Laer, Roleff toe Merwen, Reijndt Bogeholt en Johan Boldewijn." Volgens deze overeenkomst zou Mr. Johan de noodige materialen ontvangen benevens de som van 375 daalder; voorts vier tonnen bier bij het "richten" en (N.B.) een paar fluweelen mouwen voor zijn vrouw. Ook zou hij aanspraak mogen maken op tien arbeiders, die hem geregeld hielpen, en het geld zou hem in drie termijnen worden uitbetaald.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen