maandag 18 juni 2012

Geïllustreerde gids van Goor (1902): Goor's verleden

GOOR'S VERLEDEN.

De tijd van den oorsprong en de vestiging van het leenverband tusschen Twente en Utrecht voert ons onwillekeurig naar het begin van Goor's Verleden. De geschiedenis toch verhaalt, “dat de vrije klerk Adolf zeker eigendommelijk erfgoed, hetwelk hij in het graafschap Twenthe bezat van graaf Godescalcus en dat Gore heette, overgaf aan St.-Maarten, dat is aan de kerk te Utrecht." Deze plechtigheid moet geschied zijn tusschen de jaren 1027 en 1054 en wel op den Malberg, de oude Gerichtsplaats van de Graafschap Goor.
Blijkbaar waren de graven van Goor machtige edellieden, die de bisschop gaarne op zijn hand had; want zij voerden den titel van Vaandrager of Advocaat van Sint-Maarten, krachtens welken zij den kerkvorst met raad en daad moesten ter zijde staan. Bovendien lezen wij: "Die Greve van Goer des Biscops Meister Poert-wachter, die hielt van den Sticht dat meeste deel van al zijn goet, - het kasteel Ghoere en het landschap van Ameide met veel landerijen, pachthoeven, woeningen, huizen, bosschen, velden, beemden, weiden, wateren, watergangen, losse en vaste goederen en alles wat tot de gemelde oorden van Ghoere en Ameide behoort."
Toch was de verstandhouding tusschen "Heer" en "Vaandrig" niet altijd even innig. De Heeren van Goor toch waren vermaagschapt aan het geslacht Saersveld, 't welk blijkt uit den bouw van het kasteel Saersveld, gelegen twee uur ten n. w. van Oldenzaal, nabij den grooten Almeloschen weg. Hoor slechts:
In 't jaer van duysent veerthyn
is hier ghelegt den eersten steyn :
Door Adriaen van Rhede en Julia van Ghoor syne
huysvrouwe is dit geschied.
In vereeniging nu met de beruchte heeren van Saersveld maakten Goor's graven het den Utrechtschen kerkprins vaak danig benauwd. Maar in het jaar 1248 werd de macht van den graaf van Goor voor goed geknot door den Roomschkoning Willem II.
Graaf Adolf nl., berucht door zijn strooptochten in de Twent, had bisschop Otto III zwaar beleedigd. Door gemelden Willem II, broeder van den bisschop, deswege gedagvaard, weigerde Adolf te verschijnen. Maar de toekomstige keizer van Duitschland liet niet met zich spotten. Immers de kroniek verhaalt: "Toen deed de Koning terstond zijn wapenrusting aan voor den altaar van St.-Marten, reed zonder ophouden, ving den Graaf, plunderde zijn land en kwam met den roem van overwinnaar terug naar Utrecht. Daar gaf hij den gevangen Graaf over aan den Bisschop en benam hem zijn grafelijke waardigheid."
In lateren tijd vereenigde Adolf van Goor zich met Amstel en Woerden, de vijanden van "der Keerlen God", - maar met dal al kreeg hij zijn verloren graafschap nimmer terug.



Voorheen was Goor een open plek met veel handel en vertier; want het lag aan de groote wegen van Deventer en Zwolle naar Westfalen, en dagelijks passeerden hier de bekende zware hessewagens. Het ontving in het jaar 1263 stadsrechten, wat o. a. blijkt uit den bekenden stadsbrief van bisschop Hendrik van Vianden. Men had er twee kasteelen, welke evenwel na 1450 niet meer genoemd worden. Het eene heette het "Huis te Goor" en stond waarschijnlijk op de plaats, waar thans het Israëlietisch kerkhof ligt, in de nabijheid van het Schild, het oude verdedigingswerk dezer plaats. Hier zal vermoedelijk ook bisschop Floris van Wevelicklhoven in het jaar 1387 door den Munsterschen edelman en drost Rolof van Veelen gevangen genomen zijn, en zulks trots de heldhaftige verdediging door de Goorsche burgerij. Slechts tegen een som van vijftien duizend oude schilden kon de bisschop zich vrij koopen, waarvoor hij het huis te Holten en de weggestapel bij Bathmen verpandde. Eerst toen werd hij uit zijn gevangenis op Twickel verlost.
Met het stedeke Diepenheim. stond Goor niet altijd op goeden voet, De Diepenheimsche kroniek toch meldt: "Dat die van Goor het water wilden leiden naar hun wil en dat daarover tusschen Wolbert, heer van Diepenheim, en den Graaf van Goor krijg ontstaan was." Maar 't liep nog al goed af: Wolbert behield nl. den watertoop, zooals hij bij Dieperiheim vliet en Wolbert kreeg Gysela. de dochter van den Goorschen Graaf, tot vrouw.
Een eigenaardige instelling te Goor ontmoeten we omstreeks 1400: - 't is de zoogenaamde Bandijk, die door de gezamenlijke Twentsche marken moest onderhouden worden en waarvoor Goor het recht van Stadstol of Weggeld ontving. Jaarlijks werd de Bandijk geschouwd door den Richter van Kedingen als Djjkgraaf en de Burgerneesteren van Goor als Heemraden. Vier weken later werd het vonnis over de nalatigen geveld door den Boerrichter der Groote Lutte, die bij deze gelegenheid een zakje met noten onder de aanwezige kinderen uitstrooide. "De Bandijk" – luidde het - "zal zoo hoog zijn, dat het water daar niet over heen kan gaan, ende zoo breed, dat mijn Heer zelfs derde d. i. de Landsheer met nog twee tot hem daarover kan rijden, en dat ook twee wagens tegen den anderen wel wijken kunnen."
Gelijk overal elders in den lande, werd ook Twente in het jaar 1421 in hevige mate door de pest geteisterd, terwijl twee jaar later een strenge winter met zware overstrooming hier enorme schade aanrichtten. Bovendien heerschte omstreeks dezen tijd - de periode der binnenlandsche burgeroorlogen - onrust en verdeeldheid in het land der Tubanten.
De rechtspleging ten plattenlande liet alles te wenschen over, misbruiken waren legio, rooverijen en geweld waren aan de orde van den dag, en van persoonlijke vrijheid was geen sprake, tot groote schade voor den handel. Vooral werd sterk geklaagd over de verregaande willekeur, waaraan de veile ambtenaren van bisschop David van Bourgondië zich schuldig maakten. En 't mocht dus een zegen heeten, "dat tusschen heer Hendrik van Wisch, richter en drost des Lands van Zutphen, met de Graafschapsche steden ter eene en de Overijselschc steden en stedekens ter andere zijde een verbond gesloten werd, om elkander tegen geweld en willekeur te ondersteunen." Dat dit verbond intusschen niet veel heeft uitgewerkt, zullen ons de volgende bladzijden leeren.



DE NIEUWE GESCHIEDENIS.
Voor Twente opende zich de nieuwe historie op hoogst tragische wijze. De beruchte "Groote Garde" van den ijzeren hertog Albrecht van Saksen was van heer veranderd en had, na eerst in alle richtingen geblakerd en geplunderd te hebben, tot hoofd gekozen Heer Hendrik van Wisch, die acht jaren geleden in het Sticht de sprekendste bewijzen had gegeven, dat hij in wreedheid en ruwheid voor den gevreesden Saks geenszins onder deed. Heer Hendrik nu vereenigde zich met den heer Van Putten; gezamenlijk vielen zij in de Twent, overrompelden het stadje Goor en brachten het land in rep en roer. In hun benauwdheid wendden de Goorschen zich tot hun bisschop; en werkelijk kwam er van die zijde hulp opdagen; doch het geschiedde zóó uiterst langzaam, dat de bende van heer Hendrik gelegenheid vond, haar strooptochten tot onder de muren van Deventer voort te zetten. Zeven jaar later ontmoeten we het "Geldersch Despootje" in het land der Tubanten, ditmaal in vereeniging met den ruwen troepenaanvoerder Hendrik de Groote. Beiden slaan het beleg voor ons stadje, en ten tweeden male komt het Twentsche Haagje in handen van den vijand. En nauwelijks is het van den schrik hersteld, of zie daar verschijnt Roelof van Munster, drost van Koeverden, voor de poorten. Hij overrompelt het stadje, slaat er den boel kort en klein en maakt zich aan de grofste afpersingen schuldig. Gelukkig krijgt Goor nu eenigen tijd rust. Maar niet lang; want in het jaar 1517 herhaalt de "Gelder" zijn bezoek. Hij plaatst den rooden haan op huizen en hutten en jaagt al wat hem in den weg komt, over de kling.
De strijd is gestreden, de geordende troepen van keizer Karel hebben ten leste de overwinning behaald; aan binnenlandsche beroering en verwarring is een eind gekomen; vroolijk schijnt de zonne des vredes over het rustige Twente.
Helaas, weer niet lang. Want, nu komen de weeën van den Nederlandschen Vrjjheidskamp, tachtig jaren lang met ongeëvenaarden moed en taaie volharding tegen het machtige Spanje gestreden.

In het jaar 1572 door graaf Van den Berg aan de Staatsche zijde gebracht, wordt Goor kort daarop door de Spanjaarden heroverd. De Overste IJsselsteijn doet acht jaar later een poging om het te hernemen; maar de troepen van Maarten Schenck dwingen hem tot den aftocht, en het duurt tot 1597, eer het den genialen Maurits gelukt, er de Oranjevaan te hijschen. Evenwel niet voor goed; want van 1605 tot 1612 doet de bekwame Spinola er wat hij wil.
Eerst daarna heeft Goor voor goed met de Spanjolen afgedaan. En tegelijk ziet het zich beroofd van haar wallen en grachten; het wordt, wat men destijds noemde: "een open plek".
Maar wij gaan niet terstond door met het jaar 1613; want dan zouden we de "lijdenshistorie" van ons stadje voor een goed deel over het hoofd zien. O, die jaren tusschen 1580 en 1597! Wat heeft onze goeie Twentsche Haag toen geleden!I Niet voor niemendal schrijft de heer Vorsterman van Oyen op de eerste bladzijde van zijn "Geslachtlijst der Familie Toe Laer'": “Het archiefvan Goor is zeer onvolledig, waarschijnlijk tengevolge van de menigvuldige belegeringen en plunderingen, waaraan die stad vroeger herhaaldelijk is blootgesteld geweest!"
Hadde Twente eenparig de zijde van den Prins gekozen, met vereende krachten kon men den Spanjaard van het lijf hebben gehouden. Maar allen waren niet zulke echte patriotten als Jacob van Coeverden, heer van den Stoevelaar. Velen heulden met den vijand. Dientengevolge vonden de Spanjaarden voortdurend gelegenheid invallen in de Twent te doen, terwijl bovendien saamgerotte ontevreden boeren of ‘Despératen’ de buurtschappen Stockum, Kerspel Goor en Elssen naar hartelust konden afstroopen. Van uit Lochem, Delden, Goor en Oldenzaal werden door de Spanjaarden geregeld plundertochten ondernomen. Dat het onder die bedrijven lang geen gemakkelijke taak was, de belastingpenningen voor den koning te innen, dat ondervond o.a. de Friesche raadsheer Derick van Thiel, die den 8 Dec. 1582 aan Parma schreef: "Ik zie geen kans om alles in te beuren. De ruiteren van Goor hebben de ingezetenen van de buurtschap Elsen op allerlei wijzen geplunderd, en het kwartier is door de pest geheel vernield, zoodat het gewas op het land totaal bedorven is. Vele personen zijn totaal verarmd ; akkers zijn platgetrapt, watermolens door de soldaten verwoest: men vindt geen koren in de huizen, en vele arme lieden moeten alles achterlaten. nadat ze huis en inboedel hebben zien verbranden. En waar nog iets te halen valt, daar wordt mij zulks op alle mogelijke wijzen belet door een vijandige bevolking, die van uit versterkte huizen en schuren zoo noodig een krachtig vuur onderhoudt om den oogst binnen te halen." Wilt ge namen, lezer? - Raadpleeg de kroniek dier dagen, en ge zult er vinden: "Heeckeren platgebrand, Kevelham uitgeplunderd, Brunnickreef verwoest, de Weidekamp (Wijnkamp) één woestenij, Goesselinck onmachtig, Snackinbergh beroofd, Weddehoen, dood-arm" enz. enz. enz ..... Inderdaad, tusschen de Spaansche gruwelen in de Twent en het dierlijk optreden der Engelschen in Zuid-Afri ka bestaat treffende analogie.
Vooral het huis Weldam had het zwaar te verantwoorden. Hier toch was het centrum van de rondtrekkende troepen, die dag op dag den boer opgingen om ransel en spekzak te vullen. Deze heerlijkheid lag aan den grooten weg, en de garnizoenen van Lochem, Goor en Twickel kenden er dan ook den weg als in hun eigen kazerne.
Zoo ging het er toe lezer, in den jare 1582.
"Enkele maanden later," zoo lezen we verder, heeft de vijand "der burgeren huysen ende hutkens, die zij tsedert den voerigen brande weder hadden opgericht, opnieuw in brand gestoken." En den 24 Mei 1588 werd het stedeke Ghoer nog eens geheel platgebrand door den vemielzuchtigen Spanjaard.
Bewijzen te over, lezer, al is het archief ook nóg zoo onvolledig, dat het Twentsche Haagje zijn aandeel ruim heeft mede gehad in de weeën van den Tachtigjarigen Vrijheidskamp.
En toen de Engel des Vredes zich gereed hield om aan Neêrlands Maagd den eerepalm over te reiken voor haar kloek en onvervaard gedrag, en gansch Neèrland zich met geestdrift opmaakte om bij schuimende bekers en lachend festoen het hartverheffend Overwinningsfeest te vieren; - ach! toen luidde te Goor voor de zooveelste maal de brandklok en hoog stegen de vlammen; - den 8 Mei 1647 werd het Twentsche Haagje opnieuw in de asch gelegd.



NA DEN WESTFAALSCHEN VREDE.
De jaren 1665 tot 1674 behooren mede tot de lijdensgeschiedenis van het Twentsche Haagje. De croniek toch verhaalt: "dat de bisschop van Munster onverwachts met een groote krijgsmacht in de Twent is gevallen, Enschede heeft geplunderd, Losser in brand gestoken en op Goor is aangerukt. Groote verslagenheid heerscht in 't rond; Drost, Officieren, leden der regeering, predikanten vluchten naar de vaste steden; de godsdienst staat stil, de verwoesting van het platteland is algemeen."
Ja, wel mochten de Twentenaren den Munsterschen kerkvorst met den minder vleienden titel van "Koe-Berend" bestempelen; en een Deventer smid maakte het nog erger: de snaak plaatste voor zijn smidse het satyrieke opschrift:
In Barent van Gale, den bisschop der swijnen,
Hier maekt men blaasbalken bij dozijnen.
En dat ook Goor den dans niet ontsprongen is, toen het Munstersch geweld in Twente hoogtij vierde, daartoe strekt ten bewijze het feit, in een van de Doopboeken der Hervormde Gemeente alhier opgeteekend : "dat op den zooveelsten (de datum ontbreekt) van het jaar 1672 in het van ouds bekende Hotel "De Kist" in de Hengevelderstraat een Munstersche officier achterover van de hilde viel en op de plaats dood bleef."
Evenmin bleef ons stedeke bevrijd van de geweldige paniek, die de Twentenaren in bet jaar 1742 aangreep. "Dit jaar nl. quamen de Franschen in het Munstersche. waardoor zulk een vreze en angst was in Twente, datter vele met hunne goederen na Swol en Amsterdam en Deventer vlugteden. zoodat de straten aldaar opgepakt stonden met reiswagens."
Een paar coupletten uit de "Hollandsche Praetvaer" van dat jaar zullen 't ons nader duidelijk maken:

Vrienden hoort een Boere klugt,
Die ‘k u zal gaan verklaren, Ion la:
Want zij hebben lest gevlugt,
Die in half Europa waren, Ion la,
Omdat Vrankerijk op trok,
Elk ley schier vol zijn broek, ton toere, loere la!

Ik zag ieder op de been,
Omdat men van oorlog hoorde, Ion la,
EIk die beefde, groot en kleen,
't Scheen men kwam 't al vermoorden, Ion la,
Klaas die schreeuwde tegen Neel,
Dat het mes stond op de keel, ton toere, loere la!

Die van Gore deden mee,
En Oldenzaal van gelijke, Ion la,
Daer quamen in de Zwolse stee
Die van Almelo aanstrijken, Ion la:
En voerden 't goed na de stad,
Elk docht: zij zijn achter 't gat, ton toere, loere la!

Als ik al de buytenl ién
Op het land zag vluchtig zweven, Ion la:
Zag ik een zijn Wijf besien,
En zijn broek begon te beven, Ion la,
Hij riep : Wijf, ach kom naer 'tstee,
Of de Franschman voert U mee, ton toere, loere la!

Heel het land dat was in roer,
Elk die zuchten ende klagen, Ion la,
Ik zag nog een oude moer,
Die aan een boer daar vraegde, Ion la,
Vriend, ag help mij uit den nood,
Of mijn geld dat is mijn dood, ton toere, loere la!

Gelukkig bleek de vrees ongegrond; want de Franschen bleven uit. Of liever, ze wachtten nog een jaar of vijftig. Immers, we lezen: Nadat op 1 Januari 1795 het Fransche leger de Waal was overgetrokken, trokken de legers der Verbondenen : Hannoveranen, Hessen en Engelschen, door Twente naar Westphalen. Dat was al weer een begin van ellende voor de ongelukkige Twentenaren. Deze troepen toch maakten zich op hun doorreis aan de schromelijkste afpersingen schuldig. Vooral de kerken moesten het ontgelden: ze werden tot stallingen ingericht voor cavalerie- en treinpaarden. Voeg daarbij, dat er een nijpende koude heerschte, dat een lange wagentrein met zieken en gekwetsten zich van plaats tot plaats voortsleepte, en de burgers gedwongen werden eetwaren, brandstoffen en kleeren aan te voeren, dan kunt ge u een kleine voorstelling maken, lezer, van de heerlijke zegeningen van dit soldatenbezoek.
Maar nu in 1795 had men hier in Twente voor de Franschen niet zulk een vrees als in 1742. Het kloeke optreden van den Democratischen Baron Johan Derk van der Capellen tot den Pol had de slapenden wakker geschud en de hoop doen ontwaken, dat weldra de dageraad der vrijheid zou gloren. Met afgodische eer had het dankbare landvolk zijn braven Baron gehuldigd; en aan gedichten en platen, zelfs van zijne begrafenis, van familieleden enz. enz. had het waarlijk niet ontbroken.
En allerwegen klonk het lied:

Het Burgerhart, aan deugd verpand,
Klopt voor zijn stad en vaderland!

terwijl bij zijn heengaan een ieder droevig gestemd was:

Capellen - dood!
Die zoo veel nood
Heeft doorgeleèn.

Maar thans had het uur der vrijheid geslagen, en ook de Twentsche Patriot zwoer bij de Twaalf Artikelen van het algemeen Patriottisch Geloof:

Ik gelove in de Staten van Overijsel,
Onzen eenigen, wettigen Souverein,
Ik gelove in den Jonkheer van der Capellen tot den Pol
Hun Vrij Geboren Zoon,
Die ontfangen is uit den Geest der Patriotten,
Geboren uit de Vrouw der Vrijheid,
Die geleden heeft onder Prins Willem V,
Is gestorven en begraven,
Ten derden dage wederom Geaffronteert;
Na zijn dood Is opgevaren ten Hemel,
Zittende aan de Rechterhand van 's Lands Vaderen,
Die zullen komen te oordeelen de Muitelingen.

Na dien tijd deelde het land der Tubanten in de lasten en lusten van den Franschen tijd. En toen Koning Lodewijk Napoleon den 2 Maart 1809 van 't Loo vertrok om het Departement van Overijsel te bezoeken, viel ook aan ons stedeke de eer van een koninklijk bezoek ten deel; over Deventer, Holten en Markelo bereikte hij de sluizen te Schipbeek en Schipbeekhuizen, waarna hij langs Diepenheim, Goor, Delden en Hengelo in het "aardige stadje" Enschede overnachtte.



Maar de Fransche Overheersching liep ten einde: de brave Nederlanders hadden er trouwens genoeg van .. .Behalve het corps Hannoversche troepen, 't welk door Enschede getrokken is - heette het - "verwacht men nog een bataillon Hannoveranen en eenige duizend man Brunswijkers en Kozakken, waarvan heden of morgen eene colonne van 3000 man te Enschede moet overnachten, zullende eene tweede afdeeling zich op Haaksbergen en Goor richten en een derde bij de vaderlandsche landlieden te Enschede verblijven. Ook worden binnen enkele dagen eenige duizend man Denen hier verwacht"
Terwijl dus van alle kanten de verdedigers toesnelden om den gehaten Dwingeland te verdrijven, werden intusschen in Twente nog velen aangetroffen, die met de verandering van toestand lang niet tevreden waren. Ze riepen: "Vive l’Empereur! Oranje onder!" en zongen luidkeels: "Napoleon keert weerom, de Prins die is niet bon!" En de beruchte spokenkijkers ,’Kieke-Berend’ van Haaksbergen en "Haarman de Bekgraaf" brachten met hun dwaze voorspellingen het bijgeloovige landvolk in Twente in den waan, als zouden de Franschen over enkele dagen terugkeeren. Maar de Franschen kwamen niet terug, en toen de politie de fantastische spokenkijkers te Almelo achter slot en grendel gezet had, keerde langzamerhand de kalmte terug in het land der oude Tubanten.
Sedert deelde Twente en ook het Twentsche Haagje in het wel en wee van het Koninkrijk der Nederlanden.
De historie van dit tijdperk is zeker belangrijk genoeg, om er afzonderlijk bij stil te staan. Met het oog op de beperkte plaatsruimte geven wij er echter de voorkeur aan, deze in te vlechten bij het bezoek, dat we thans gaan brengen aan het Twentsche Haagje en zijn bekoorlijke omstreken.
Op excursie dus!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen